Dit bericht is meer dan een jaar oud, en kan dus inmiddels zijn ingehaald door de tijd.

Grappig, hoe Bertolt Brecht opeens gelijk krijgt. ‘s Mans gedachtengoed leek altijd wat belegen. De Duitse theatervernieuwer veroverde in de jaren twintig van de vorige eeuw een plekje in de geschiedenis met wollig gepraat over ‘episch theater’, dat met het doorbreken van de illusie en met niet-ingeleefd acteren de toeschouwer bewust zou maken van ‘de boodschap’ en zou activeren tot politieke actie.

De boodschap heeft natuurlijk best ook iets belegens, sinds een paar decennia, net als het begrip actie. Politiek geëngageerd theater met een boodschap is tricky, omdat het weinig te maken heeft met schoonheid en ontroering, wat wij doorgaans graag zien in kunst, naast een behapbare maatschappelijk betrokkenheid. En kunst moet eigenlijk gewoon kunst blijven. En nergens anders toe dienen dan zichzelf.

Maar bij de ultrakorte theatertekst ‘Zeven Joodse Kinderen’ van de Britse schrijfster Caryl Churchill werd opeens haarscherp duidelijk wat Brecht bedoelde en hoe gelijk hij had.  

De tekst is poëtisch, maar keihard. In zeven scènes horen we ouders bepalen wat een kind wel of niet mag weten of horen. Een interessant model, en des te interessanter, omdat het over joodse kinderen gaat. De zeven scenes spelen in zeven periodes: van een onderduikend kind in WO2 tot, u raadt het, een kind dat onwetend moet blijven van de oorlog in de Gazastrook. En dat vergiftigd wordt met haat van haar ouders jegens de Palestijnen.

Brisant materiaal dus, dat in Engeland en de VS al tot verhitte debatten heeft geleid. Het stuk zou niet alleen anti-zionistisch, maar zelfs antisemitisch zijn. Er valt wat voor te zeggen, omdat het stuk een kleine ‘godwin-manoeuvre‘ maakt, door de holocaust gelijk te trekken met de oorlogsmisdaden van het Israëlische leger in Gaza, nu. En dat is vragen om moeilijkheden, aan welke kant van de discussie je ook staat.

Discussie was er dus ook in Amsterdam, bij de eerste opvoering van het tien minuten durende stuk door acteurs van Toneelgroep Amsterdam. Onder leiding van cultuurhost Chris Keulemans roken regisseur Thibaut Delpeut, journalist Max Arian, historica Eveline Gans en schrijver Abdelkader Benali voorzichtig aan elkaar, en aan de mogelijkheden voor debat over zoiets gevoeligs. Het bleef voorzichtig. Iedereen was onder de indruk van het stuk. Dat Caryl Churchill zich met haar stuk op glas ijs begaf kon worden vergoeilijkt door de indrukwekkende vertolking van vooral het laatste deel van de tekst door Frieda Pittoors. De boodschap, voorzover nog aanwezig, was er één van persoonlijk leed en angst, en niet een van politieke, ideologische haat.

Voor je verder leest...

Alleen dankzij onze leden kunnen we dit soort verhalen blijven vertellen.

Word Lid!

Complimenten dus voor Pittoors, die de bewust apolitieke regieopvatting van de jonge regisseur Delpeut indrukwekkend voor het voetlicht had gebracht. Zij had de tekst waarin een moeder uit angst voor Palestijnse raketten de Israëlische oorlogspropaganda in haar kind injecteert wel een keer uitgeprobeerd als haat-tekst, maar vond dat te vreselijk. Daarom speelde ze, diep ingeleefd, een bange vrouw en waren wij ontroerd.

Na afloop vroegen een paar toeschouwers zich af wat er was gebeurd als Pittoors voor de door Churchill bedoelde haat-toon had gekozen, en dus niet voor naturalistische inleving. Dan was de hel losgebroken en was iedere vorm van keurige discussie onmogelijk geweest. Dan was er heftige dialectiek geweest, waren voor- en tegenstanders elkaar in de haren gevlogen. Dan was er een echt debat geweest, maar zouden ook veel mensen – terecht – diep gekwetst zijn geweest. Omdat dit Nederland is en onder ons de holocaust op zijn zachtst gezegd wat diepere sporen heeft nagelaten dan in Engeland, dat nog steeds met zijn koloniale schuldgevoel jegens de Palestijnen worstelt.

 Een Brechtiaanse regie-opvatting had voor strijd gezorgd, en voor debat, maar dus ook voor een ander soort bewustwording. De naturalistische opvoering zorgde voor gedeelde ontroering. De vraag is natuurlijk, wat we liever hebben.

Nog te zien: 16 mei 2009 om 17.30,amsterdam,stadsschouwburg,studio 2,reserveren (020) 624 23 11 (met nagesprek)