We gaan een drukke tijd tegemoet. En jij wil van FB af. Mis niets. Abonneer je op onze gratis nieuwsbrief.

Abonneer je op onze gratis nieuwsbrief. Omdat het kan!

Elke week onze nieuwsbrief

* indicates required

Dit is waarom.

Holland Festival, Poetry International, een zomer vol kunst. En ondertussen wordt een heel nieuw kunstbestel in elkaar gerommeld. Nederland staat te springen om naar buiten te gaan, muziek te beleven, kunst mee te maken en foodtrucks leeg te eten. En het subsidiestelsel om te gooien.

Het is een bos vol bomen. Het Cultureel Persbureau is als vanouds (alweer 9 jaar!) een betrouwbare gids in festivalland. En als we iets niet zien of beschrijven, dan geven we je wel genoeg stof om over te praten tussen alle kunst door. Want dat doet het Cultureel Persbureau als beste: jou vertellen wat er werkelijk speelt, in de directiekamers, bij de raadsfracties, tussen kunstenaars onderling. Als enige vertellen wij ook wat verzwegen wordt. Omdat we de kunstwereld serieus nemen.

En nu willen we je beter gaan bedienen. Weg van de hypes van Facebook. Weg van het ongewild weggeven van jou gegevens aan Mark Zuckerberg, of andere partijen die helemaal niets met ons, of met jou, te maken hebben.

We gaan over op e-mail!

Daarom willen we je e-mailadres. Dat adres gaan we bewaken als wild zwijn haar biggetjes. Jouw gegevens gaan we aan niemand weggeven

Op dat adres gaan we je wel iedere week een mail sturen, met ons laatste nieuws, een paar goede tips, en een persoonlijke noot. 1 mail per week. (Tenzij je je opgeeft voor de dagelijkse update, maar dat is gewoon een melding dat er nieuws is.)

En als je ons zat bent, schrijf je je gewoon uit. Zo simpel. Het lijkt wel Facebook. Maar dan zonder de spionage.

Schrijf je hier in:

Elke week onze nieuwsbrief

* indicates required
Deel dit:

Welkom in de eeuw van het Popularisme.

Oud campagnebeeld Utrecht Stadspromotie

Er was geen manifest voor nodig, en ook geen vuistdikke kunstkritische verhandeling waarin een geleerd comité tot een alles definiërend oordeel komt. Nee, het is een verspreking van een kunstenaar, die dit keer een nieuwe kunststroming definieert. Olaffur Eliasson, de architekt/kunstenaar die de laatste jaren snel wint aan populariteit in de wereld van design en architectuur, zegt het in een interview met de Britse website DeZeen: ‘Popularisme’.

‘Het ministerie van Cultuur is een verlengstuk geworden van het ministerie van handel, en heeft gefaald in het instandhouden van de kunst. Die is verworden tot promotiemateriaal.’

In het stuk spreekt hij van ‘popularisme’, waar hij vermoedelijk ‘populisme’ bedoelt. De eerste term bestaat (nog) niet, de laatste wel. Toch zit er wat in om het woord ‘popularisme’ serieus te nemen als het gaat om kunst. De kunst wordt immers niet echt inhoudelijk geregeerd door de wil van het luidste deel van het volk, maar populariteit is wel een uitdrukkelijke eis geworden. Ook bij financiering door de overheid.

Goede Tijden

Kunst die er niet in slaagt om binnen een zekere termijn ‘populair’ te worden, is in de meeste landen om ons heen – ook bij ons – vaak gedoemd. Een regering die te veel impopulaire kunst steunt, en dat ook nog eens openlijk doet, verliest steun. Minister Van Engelshoven is wegens haar reparaties aan het kunstbudget immens populair aan het worden in de kunstwereld. Tijdens de komende Canal Pride vaart ze mee op de boot van de bij anderen weer immens populaire RTL-serie GTST. Zo maakt ze duidelijk dat deze regering met zijn kunstvriendelijker beleid het ‘gewone volk’ niet uit het oog verliest. Zoals Rutte zich ook graag bij de Toppers, en niet in Schouwburg of Concertgebouw laat zien.

Het Popularisme kun je eigenlijk zien als een rechtstreeks gevolg van het subsidiesysteem dat sinds de Tweede Wereldoorlog is opgetuigd. Destijds ging het nog om verheffing van het volk, om het creëren van een gevoel van wereldkunst en het opduwen van de eigen cultuur in de vaart der volken. En natuurlijk om gewoon fatsoen, in het onderhouden van kunstenaars. Al bleek dat minder effectief. We hebben in 2018 nog steeds geen goed werkende code om kunstenaars eerlijk te betalen.

Mienskip

Met de economische voorspoed kwam ook een grote, goed georganiseerde kunstwereld op, die sneller evolueerde dan de publieke smaak. Dat leidde tot een tegenbeweging die zijn hoogtepunt vond in de bezuinigingen in Nederland en de ons omringende landen, rond 2010. Sindsdien is het gesprek over kunst veranderd. En daarmee verandert ook de kunst zelf.

Kunst, niet alleen de beeldende, maar ook de podiumkunst en de literatuur, wordt steeds meer ingezet voor promotie. Het valt niet te ontkennen. En dan heb je dus populaire kunst nodig, kunst die gedragen wordt door het volk. Dat volk is namelijk ook opdrachtgever met die 3 euro aan belastinggeld die elke volwassen Nederlander er per jaar aan bijdraagt. Nu de belastingbetaler dus officieel tot opdrachtgever is gepromoveerd ontstaat er een heel nieuwe dynamiek.

Soms levert dat geinige taferelen op, zoals de ‘mienskip-driven’ fonteinen in Friesland. Vaker levert het kunst op die drijft op blockbusters: erkend grote kunstenaars die flink gehyped worden en dus gegarandeerd publiek trekken.

Trickle-down

Onlangs nog pleitte ex-van alles Melle Daamen voor het versterken van onze toch al populaire kunstinstellingen. Zij genereren immers het meeste inkomen en aandacht. De kleintjes in de regio zouden daarvan kunnen profiteren. Een duidelijker drijfveer voor het Popularisme is niet te vinden. Zo’n opvatting van ‘trickle-down economics’ is overigens zwaar achterhaald. De goedlopende instellingen worden er namelijk alleen maar beter en rijker van, wat het verschil met de arme en minder lopende clubs nog groter maakt. Tot die onoverbrugbaar is. Basic Piketty.

Het Popularisme dus. Kunst die gefinancierd wordt vanuit promotiedoeleinden gaat er zich uiteindelijk ook naar gedragen. En daar zijn natuurlijk best voorbeelden van te vinden. Dat de Stadsschouwburg in Amsterdam zichzelf na drieënhalve eeuw opheft en voortleeft als restaurant-met-achterzaal dat zich – voor hoe lang? – International Theatre Amsterdam doopt, bijvoorbeeld. Dat iedereen in het theater opeens series uitbrengt, maar ze bij voorkeur in één avond programmeert, omdat de laatste afleveringen als zelfstandig stuk nooit zouden overleven.

Parelduiken

Publieksbereik is maatgevend geworden voor subsidie – al zegt de minister van niet. Subsidie heeft immers draagvlak nodig. Publieksbereik is ook bepalend voor aandacht in de media. Kunstenaars en hun uitingen moeten binnen twee jaar scoren, anders hebben ze afgedaan. Programmeurs en dappere journalisten gaan niet meer op zoek in kleine gebouwtjes in de diepe provincie, om daar, tussen honderden gênante mislukkingen, die ene parel aan te treffen. Daar is geen draagvlak, en dus geen geld meer voor.

Niemand vertelt het verhaal meer, dat klein begint, en via steeds maar enkele luisteraars die het doorvertellen, iets aan de wereld verandert. Wie niet binnen een week viraal gaat, is af. Het is voor kunst vandaag extra essentieel om te lijken op andere kunst. Instagram rules.

Welkom in het tijdperk van het Popularisme. Over 25 jaar hopelijk een eerste retrospectief van een in de ogen van die tijd bizarre kunststroming.

Deel dit:

Stoffig Woo Hah! komt langzaam op gang, maar daarna is het publiek overdonderend gretig

Foto: Paul van Dorsten

Het hiphopfestival Woo Hah! barstte bij de vierde editie, vorig jaar, bijna uit de voegen. Voor de vijfde editie week het uit naar de Beekse Bergen in Hilvarenbeek. We liepen er een dag rond.

‘Maak die cirkel groter, maak ‘m groter! Grooooter!’. Aan het woord de Nederlandse hitlijstbestormer Ronnie Flex. Ken je hem niet van zijn gigantische hits, dan wel van een van de duizenden kinderkamers waar zijn beeltenis aan de muur kleeft. Met een samenwerking met de Zeeuwse band BLØF doet hij een serieuze gooi naar het Vrienden van Amstel-podium, maar op hiphopfestival Woo Hah! mag hij zijn meest vuige, radio-onvriendelijke kant laten zien.

Het is middernacht en met vurige ogen dwingt hij de kids de kring voor zijn podium nóg een stukje op te rekken. Als de beat inklapt storten ze zich op elkaar, verworden tot een kluwen van ledematen. Teksten worden tot achter in de zaal uit schorre kelen meegeschreeuwd. Vijf minuten later trekt hij het publiek opnieuw uit elkaar. Dan nog eens. Er gaat een pulserende werking vanuit.

Schaalvergroting

Hiphopfestival Woo Hah! staat bekend om zijn gretige, jonge publiek en de energie rond middernacht is overdonderend. Het festival knapte na vier edities uit zijn voegen, dus verplaatste het voor de driedaagse lustrum-editie van de Spoorzone in Tilburg naar het recreatiegebied Beekse Bergen in Hilvarenbeek. Ruim dertigduizend bezoekers passen op het nieuwe terrein.

Hiphop is uitgegroeid tot ’s werelds grootste subcultuur – als je daar überhaupt nog van kan spreken – en dat een festival als Woo Hah! na zo’n schaalvergroting alsnog uitverkoopt, is daar de ultieme bevestiging van. “De omvang die we nu bereiken, hadden we eigenlijk pas in 2020 voor ogen”, zegt festivaldirecteur Ruud Lemmen. “De vraag van het publiek is groter dan verwacht.”

Volksverhuizing

Nu zet Woo Hah!, dat voortkomt uit een samenwerking tussen poppodium 013 en concertorganisator MOJO, ook in op de grote, Amerikaanse hiphopkannonen. En die brengen anno 2018 nu eenmaal een bescheiden volksverhuizing naar Hilvarenbeek op gang. “We ontvangen zo’n tienduizend internationale bezoekers”, zegt Lemmen. “Uit meer dan dertig landen. Het Nederlandse publiek komt vooral uit de Randstad en regio Tilburg. Ze zijn jong, divers, mondig en heel fanatiek. Spelen er twintig acts, dan willen ze die allemaal zien.”

Met fotograaf Paul van Dorsten struin ik ’s middags over de festivalcamping. De sfeer is katerig, we zien suffende mensen als we door de tentopeningen gluren. Meisjes maken zich op, beats waaien vanuit bluetoothboxjes over het terrein. De aanhoudende droogte heeft een laag stof over de tentzeiltjes gelegd. Bij het campingmeer geeft een jongen in een vissersstoel het stompje van zijn joint aan een vriend.

‘Hij verdient rust’

We kletsen met Nina (20) en Kingsley (21), beide uit Amsterdam. Het is hun eerste festival. “We slapen in aparte tentjes, want deze guy snurkt te hard”, lacht Nina plagerig. Kingsley: “Het is de eerste keer dat ik in een tent pit, mijn nek is wel wat stijf”. Hij vertelt hoe hij vrijdagavond met moeite vier plastic tassen, met daarin ook genoeg voorgekookte eieren voor vier dagen, over het terrein zeulde. “Ik denk dat ik hem voor het volgende festival een sporttas geef”, zegt Nina. De twee komen vooral voor de Amerikaanse rapper J. Cole, die zondagavond het hoofdpodium afsluit. Nina schrijft een scriptie over hiphop als middel om maatschappelijke problemen bespreekbaar te maken. De teksten van Cole, een van de meer geëngageerde artiesten op de line-up, zijn een dankbaar onderwerp.

Het publiek is inderdaad jong en divers. De gemiddelde leeftijd zal ergens rond de twintig liggen, met uitschieters naar boven en beneden. Qua kleding schiet het alle kanten op, van slonzig-alternatief tot sportief en excentriek. We zien kortgeschoren, felgekleurde kapsels, ski-brillen, naveltruitjes boven legerbroeken, smoezelige sportsokken, nektasjes van bekende sportmerken.

We maken een verkenningsrondje over het festivalterrein en komen langs een  soort altaar dat is ingericht voor de onlangs doodgeschoten, behoorlijk controversiële rapper XXXTentacion. Levensgroot prijkt zijn gezicht achter een kastje met een gedenkboek. Er liggen stiften omheen. Een Duits meisje van een jaar of twintig schrijft in het boek. “Ik hield van zijn muziek”, zegt ze. “Hij verdient rust, ondanks zijn daden.”

Tam en slaperig

De geest van de rapper hang sowieso over het festival. Als eerbetoon wordt zijn track ‘Look At Me’ in behoorlijk wat dj’s sets en optredens gevlochten. Chaos gegarandeerd, keer op keer. Toch duurt het lang voordat de dag op gang komt. Dat komt vooral door de verzengende hitte. Mensen trekken zich terug onder bomen, tukken in hangmatten.

De rijen voor de waterpunten zijn dan ook een stuk langer dan de rijen bij de bar. De forse festivaltenten voelen vooral leeg en op de vlakte voor het hoofdpodium bereikt de Amerikaanse artiest Ty Dolla $ign met zijn autotune-soul alleen het cirkeltje diehard fans recht voor z’n neus. In een hoek van het terrein is een skateparkje ingericht waar mensen aandachtig naar een breakdance-demo kijken. De sfeer is relaxed, maar ook wat tam en slaperig. De grote verleider is het meer, dat bijna pesterig aan het hoofdpodium ligt. We mogen er tot onze knieën in.

Moshpits en mondkapjes

Met het dalen van de zon stijgt het energiepeil en dat zie je vooral bij het trio Migos, de eerste echte klapper van de dag. Het lijkt alsof mensen vanuit werkelijk elke hoek van het terrein naar het hoofdpodium stromen, en nu blijkt dat Woo Hah! de grote zandvlakte echt nodig heeft om iedereen kwijt te kunnen. Vanaf een heuveltje heb je een schitterend uitzicht. Ik kom vingers tekort om de kolkende moshpits te tellen, herken ze aan de dikke, stijgende stofwolken. Shirts gaan uit, worden voor monden gebonden. Sommigen dragen zelfs een mondkapje tegen het fijnzand. Een paar gasten klimmen in een eikenboom. Teksten worden meegeschreeuwd, woord voor woord. De tijd om mooi en fris te zijn is definitief voorbij.

Op het veld spreken we Jolien (20), Mieke (28) en Nique (29). “Dit is het vetste festival van Nederland”, zegt Nique. “Veel hiphopfeesten worden klein gehouden, dit is echt pionierswerk. En ik vind het sowieso vet dat dit in Tilburg kan. Woo Hah! durft het groter aan te pakken. Ik ga ook niet naar een Lowlands ofzo.”
“Ik ben eigenlijk gothic”, lacht Mieke. “Maar toen ik vorig jaar op Lowlands was, ging ik naar alle hiphop-acts. Een vriend heeft me daarom mee hier naartoe genomen. Mensen moeten echt moeite doen om af te reizen, dat merk je in de sfeer.” Het publiek is inderdaad supergoed op de hoogte, ook de woordenbrei van de meest recente tracks kennen ze van buiten.

Indrukwekkend

Het is donker en overal op het terrein ontstaan wilde feestjes. Een meisje in hotpants klimt op het kleine bospodium. Ze schudt voorovergebogen met haar billen. Een vriendin naait haar toeschouwers op. Voor het hoofdveld razen de pits, in de tenten gutst het zweet.

Ik loop nog even naar het altaar van XXXTentacion en blader door het gedenkboek, dat inmiddels tot op de kaft is volgeschreven. Thx voor het bespreekbaar maken van depressie, hebben twee meisjes erin geschreven. Er komt een jongen bij me staan, om zijn hoofd een stoffige bandana. “Indrukwekkend hè?” Ik schijn zijn vriend bij terwijl hij snel iets in het boek pent. De jongen met bandana twijfelt. “Ik wil er niet gewoon R.I.P in schrijven. Dat is ook zo…” Hij is even stil. “Nou ja, ik kom later wel terug.” Hij verdwijnt in het donker.

Deel dit:

Schrijfster Rachel Kushner: ‘Al mijn vroegere vrienden gingen het verkeerde pad op.’ Kritische roman over de Amerikaanse gevangeniswereld

Rachel Kushner ©Chloe Aftel

In haar roman Club Mars laat schrijfster Rachel Kushner zien hoe het leven van een gedetineerde er binnen de vier muren uitziet. ‘Ik wil graag mensen in mijn leven insluiten die in onze samenleving onzichtbaar zijn gemaakt.’

Geen genade

Duizenden vrouwen zitten er opgesloten in Chowchilla, de bajes die model stond bij het schrijven van Club Mars van Rachel Kushner. Kushners hoofdpersoon Romy Leslie Hall, lapdanseres in de louche Club Mars, is als jonge vrouw veroordeeld tot tweemaal levenslang plus zes jaar; in paniek heeft ze een klant gedood die haar maar bleef stalken. Voor moord, zelfs als die is begaan uit zelfverdediging of in een vlaag van puberale onbezonnenheid, kent Californië geen genade. Zelfs tieners verdwijnen voor de rest van hun leven achter de tralies.

Chowchilla

Kushner (1968) weet waarover ze schrijft – sinds een jaar of zes is ze vrijwilliger voor Justice Now en zodoende heeft ze veel gedetineerden leren kennen in Central California Women’s Facility, de officiële naam van ‘Chowchilla’. Flarden van hun ervaringen zijn in haar boek terechtgekomen, maar haar vrijwilligerswerk was niet bedoeld als research voor de roman, benadrukt ze geprikkeld.

‘Ik ben daar niet naartoe gegaan om mensen informatie te ontfutselen, maar omdat ik graag mensen in mijn leven wilde insluiten die in onze samenleving zijn uitgestoten en onzichtbaar zijn gemaakt. Mijn boek is fictie. Ik had wel een heel goede adviseur en mentor aan een vriendin van me, die 23 jaar in de gevangenis heeft gezeten. De kennis van het gevangenisleven die zij in die twee decennia heeft opgedaan, was ronduit indrukwekkend. Ze tekende plattegronden voor me – daar is de elektriciteitscentrale, daar zijn de sceptic tanks –, ze legde me de hele infrastructuur van die wereld uit, schetste hoe die duizenden vrouwen daar samenleven, hoe een moderne gevangenis functioneert. Sommige van haar anekdotes heb ik gebruikt.’

Achterstandswijk

De achterstandsbuurt waar Romy woont, is geschilderd naar de plek waar u bent opgegroeid.

‘Het ís de wijk waar ik ben opgegroeid. Ik hou niet van autobiografisch schrijven, maar om Romy een waarachtige stem en geest te geven, moest ik met gezag en diepgaand begrip over haar achtergrond kunnen vertellen. Als iemand zijn leven in de gevangenis doorbrengt, komen er immers geen nieuwe herinneringen of ervaringen meer bij en is het aannemelijk dat diegene veel terugdenkt aan vroeger. Dus ik situeerde Romy in mijn wijk in San Francisco, gaf haar mijn vrienden en een reeks herinneringen die mij nog levendig bijstaan.’

Gingen veel van uw vrienden het foute pad op?

‘Vrijwel iedereen.’

Witte middenklasse

U zit hier, als succesvolle schrijver. Wat bepaalt of iemand uit zo’n achtergrond wel of niet de verkeerde kant opgaat?

‘Dat is evident: ze hádden niet dezelfde achtergrond als ik. Mijn ouders waren in die tijd weliswaar arm, en ze lieten me veel vrij en alleen omdat ze studeerden. Soms waren ze een paar dagen van huis en lieten ze geld achter om eten te kopen. Maar mijn ouders waren stabiel en hoogopgeleid. Dus ook al waren we arm, cultureel gezien behoorden we tot de middenklasse. Dat is het grote verschil, en dat had ik al vroeg in de gaten. Ik ging naar een openbare school met kinderen van wie de ouders drugsverslaafd of alcoholist waren. In de gevangenissen van California zitten vrijwel geen mensen uit de middenklasse. Detentie raakt een bepaald deel van de bevolking nogal diepgaand en andere lagen niet.’

Klassenverschillen

Uw boek is tamelijk kritisch over het Amerikaanse gevangenissysteem en die klassenverschillen.

[Stekelig] ‘Hoezo? Er zit geen kritiek in het boek, het is puur beschrijvend. Ik heb geen enkele missie of boodschap. Ik zou zelf niet graag een boek lezen waarin de schrijver me in de richting van een bepaalde politieke boodschap duwt, zeker niet als het fictie betreft.’

U schrijft u dat tieners die een misdaad hebben begaan voor de rest van hun leven als monsters worden gezien, terwijl anderen – politici bijvoorbeeld – met daden wegkomen die niet minder misdadig zijn.

‘Dat klopt, maar die uitspraak is gebaseerd op het proces tegen een vriendin van mij op haar vijftiende. De rechter noemde haar een monster. Ook dat stuk is beschrijvend, geen aanklacht, al is het wel werkelijkheid. Natuurlijk zitten er bespiegelingen in, omdat ik mezelf vragen stel over dit onderwerp. Filosofische vragen over wetten en rechtvaardigheid; theologische vragen over vergiffenis en hoe het kan dat we in een land leven dat is gestoeld op joods-christelijke waarden, maar waar in het rechtssysteem geen plaats is voor vergevingsgezindheid.

Geweld

Daarnaast wilde ik nadenken over hoe we geweld definiëren. De meeste mensen in de gevangenis hebben forse geweldsdelicten gepleegd, maar er zijn ook andere vormen van geweld die minder sterk worden veroordeeld. Een van de personages haalt een quote aan van de Amerikaanse schrijver en filosoof Henry David Thoreau, die zei: ‘Ik ken geen slechter mens dan ik.’ Ik wilde nadenken over wat dat nou écht betekent, met name tegen het licht van in verschillen in sociaal-maatschappelijke achtergrond en de manier waarop dat de waarde van iemands leven bepaalt.

Tot slot vroeg ik me af wat het betekent om, zoals Friedrich Nietzsche zei, je lot te aanvaarden als dat lot een levenslange gevangenisstraf inhoudt. Ik daagde mezelf uit met die vragen, omdat daar geen eenvoudig antwoord op is. Mijn antwoord is deze roman. Als mensen het lezen en ook nadenken over zulke kwesties, is dat prima, maar ze zijn vrij om hun eigen conclusies te trekken. Het is niet mijn intentie hun mening en gedachten een bepaalde kant op te sturen.’

Schuld versus onschuld

Heeft het u nieuwe inzichten gebracht?

‘Zeker. Ik ben me sterker gaan realiseren dat ons rechtssysteem steunt op de assen ‘onschuld’ en ‘schuld’. Als het gaat om iemands leven is die manier van denken niet toereikend of behulpzaam. Het is niet zo dat arme mensen slecht zijn, en rijke mensen goed. Arme mensen hebben een veel grotere kans om in aanraking te komen met criminaliteit en justitie, dan iemand uit de middenklasse zoals ik. Als je praat met iemand die een misdaad heeft begaan, blijkt die misdaad vaak een logisch uitvloeisel daarvan te zijn. Dat rechtvaardigt die misdaad natuurlijk niet, maar maakt die wel begrijpelijker.

Iemand wegzetten als een monster is ontkennen dat diegene een ziel heeft. Tegenwoordig ben ik er beter in mensen niet louter te beoordelen op wat ze hebben gedaan, maar ze te zien als ménsen, compleet met een complex levensverhaal. Ik wil dat zulke mensen deel uitmaken van mijn leven. Contact met hen houden, met ze praten. Omdat het zo’n afgescheiden wereld is, hoeven mensen uit bepaalde lagen van de bevolking nooit over al diegenen in de gevangenis na te denken. Van gedetineerden kreeg ik veel goede reacties op mijn boek. Maar misschien zijn er ook wel mensen die zich afvragen waarom ze dit zouden willen lezen. Omdat ze liever willen vergeten dat er velen zijn die wél met die realiteit moeten zien te dealen.’

Intrigerend

Afgaande op de populariteit van thrillers en tv-series als Orange is the New Black zijn we toch juist geïnteresseerd in misdaad en detentie?

‘Ik heb die serie niet gezien, maar natuurlijk, misdaad en straf zijn natuurlijk wel een intrigerend deel van onze wereld. Mijn roman gaat, vind ik, niet zozeer over het gevangenisleven als wel over de geografie van Californië. Het gaat over de relatie tussen het landschap en de levens van al deze mensen, en de manier waarop dit systeem hen beïnvloedt. Californië staat economisch gezien op plek vijf of zes van de wereld. We produceren de helft van het voedsel van de Verenigde Staten en hebben ook de hele technische industrie, maar van die economische welvaart profiteert vooral het goed opgeleide deel van de bevolking.

Mijn woonplaats Los Angeles heeft een hoog armoedepercentage. Het verschil tussen rijk en arm in de stad is groot, en is zowel raciaal als op grond van klasse bepaald. Een Latino-familie verdient de helft van een wit gezin, en mijn buurkinderen krijgen op school van hun leraren te horen dat Hispanics niet gaan studeren. De sociale scheiding is enorm. Dat maakt LA tot een wrede omgeving. Wat mij betreft gaat mijn boek vooral over de tijd waarin we nu leven.’

Die zwart-wit is, letterlijk.

‘Ik denk dat het voor veel mensen beangstigend is om te beseffen dat we leven in een moreel complexe wereld. Daardoor worden alles onderverdeeld in goed of slecht. Dat geeft iemand in elk geval zelf het comfortabele gevoel van ‘morele helderheid’. Ik streef ernaar elke dag opnieuw te proberen mensen in mijn leven in te sluiten die anders denken en leven dan ik. Daarin schuilt ook de waarde van literatuur. Literatuur toont een wereld waarin plaats is voor ambiguïteit, overpeinzing en verschillende standpunten en visies, die niet tot één sluitende waarheid kunnen worden samengeklonken. Daarin is geen plaats voor oordeel. Want waar vragen ruimte scheppen, walsen oordelen juist alles plat.’

Goed om te weten Goed om te weten

Club Mars van Rachel Kushner is verschenen bij AtlasContact, € 21,99
Koop bij bol.com

Deel dit:

‘Zonder schroeven stort de (kunst)wereld in. Welkom in het imperium van de ‘Schroevenkoning’ van het Zuid-Duitse Künzelsau

Schroeven fabriceren en kunst verzamelen staat op het eerste gezicht als Max Verstappen tot Leonardo da Vinci. De Duitse miljardair Prof. Dr. h.c. mult. Reinhold Würth, eigenaar van het grootste Europese bedrijf van bevestigings- en montagemateriaal, beschikt in Europa over in totaal tien kunstmusea en vier kunstdependances in Duitsland, Zwitserland, Italië, Oostenrijk, Noorwegen, Denemarken, Nederland, Frankrijk en Spanje.

Geen kunstkathedralen

Bij Würth-musea moet je niet denken aan kunstkathedralen à la Louvre of het Stedelijk, met huizenhoge affiches aan de gevel. Würth-musea zijn meestal ondergebracht in een van de bedrijfspanden van de Würth-Gruppe. Maar toch. Reinhold Würth heeft genoeg om te laten zien. Hij bezit een collectie van 18.000 schilderijen, beeldhouwwerken en grafische werken. Eind jaren zestig begon de fabrikant kunst te verzamelen – vooral kunst uit de 20ste en 21ste eeuw – en sindsdien hield hij niet meer op.

‘Ik wil wat ik mooi vind’

Max Beckmann in Arlesheim (foto Forum Würth)

Criterium voor Reinhold Würth: ik wil hebben wat ik zelf mooi vind. De huidige collectie omvat onder meer Kiefer, Katz, Pollock, Beckmann, Ernst, Munch, Picasso, Chillida, Cragg, Kapoor, Moore, Baselitz, Christo, Schlemmer, Hundertwasse, Braque… kortom: genoeg om uit te hangen in een van zijn bedrijfsmuseums.

Oh ja, de kunstverzamelaar/fabrikant heeft sinds enkele jaren ook een eigen orkest: het Würth Philhamoniker, gevestigd te Künzelsau (net 15 duizend inwoners), de hoofdzetel van Würth. Een heel goed symfonisch orkest. In 2017 trad het orkest op in het Amsterdamse Concertgebouw tijdens de Robeco Summernights.

Voorstudie pissoir Duchamp

Ik breng een bezoek aan Forum Würth Arlesheim. Dat Würth-museum staat op een bedrijfsterrein aan de rand van Basel en nestelt zich over twee verdiepingen van het bedrijfspand annex kantine. De toegang is kosteloos. De receptioniste haar schouders op over mijn forse rugzak: ‘Neem maar mee hoor, dat kan hier wel.’

Een eerste bezoek aan het herentoilet brengt meteen opwinding. Hangt daar nou, onder het brandweerrode logo van Würth, een voorstudie van het pissoir van Duchamp, en heb ik zojuist een ontdekking gedaan die de kunstwereld om zijn grondvesten doet trillen? Dus níet Marcel Duchamp, níet Elsa von Freytag-Loringhoven maar Reinhold Würth schroefde als eerste een urinoir aan een kunstwand. Even terugrekenen ontnuchtert: Duchamp introduceerde zijn ‘readymades’ in de jaren twintig. Toen was Reinhold Würth nog niet eens geboren.

Schipperiaanse toelichting

Max Ernst, Sammlung Würth, Arlesheim

Boven het pissoir hangt een uitlegbordje met de Wim T. Schipperiaanse toelichting: “Für die Reinigung verwenden wir Hygiene-Produkte von Würth.” We vrezen dat het serieus is bedoeld maar zijn wel in onze nopjes met deze onbedoelde integratie van kunst en business.

In Forum Arlesheim draait tot 13 januari de expositie ‘Im Blick des Sammlers Werke der Sammlung Würth von Beckmann bis Kiefer.’ Toelichting: ‘De selectie toont aanwinsten die in de collectie zijn gekomen in een dialoog tussen de verzamelaar Reinhold Würth en zijn kunstadviesraad’, waaronder Max Ernst, Max Beckmann, Emil Nolde en Rufino Tamayo.

Suikerlaag over de expositie

Het lijkt me niet een aanpak waarvoor conservatoren twee jaar aaneen de halve wereld over vlogen en de zachtboard platen van het plafond rookten. Het is even wennen als je gestaald bent door de hedendaagse Europese museums, waar over elke expositie een dikke, thematische suikerlaag is gelegd (lekker om te zien maar soms ook erg sturend). Dwalend over de twee lege verdiepingen dringt het woord saai zich op.

Rorschach Würth

Maar Zwitserland telt nog twee Würth-museums. De jongste – na de vestigingen in Arlesheim en Chur, is Forum Würth Rorschach. Dat ligt in het gelijknamige plaatsje aan de oever van de Bodensee. Er loopt op dit moment een zeer toegankelijke thematische expositie: Menagerie – An Animal Show from the Würth Collection. Het motto: ‘We come to the dog, cry big crocodile tears’. Het is een ‘dierenbeurs’ uit de Würth-collectie die uitstekend tot zijn recht komt. De invalshoek is de mysterieuze relatie tussen mens en dier en de veranderende ideeën over het karakter van dieren, van eeuw tot eeuw. Jawel, zo komt een greep in de grote Würth-collectie tot zijn recht komt, door de collectie te gebruiken als een Swiss Army-mes: je trekt er uit wat je nodig hebt om het leuk & interessant te maken.

Slapende duif van Picasso

Würth-museums in Europa

Te zien zijn onder meer De Slapende Duif van Picasso, een fantastisch springend paard van Norbert Tadeusz, een tekening van twee zingende kikkers van Tomi Ungerer (uit 1984), een stilleven met fazant en witte hond van Nadin Maria Rüfenacht (2005) en Max Liebermann met een Spinnende Veehoedster (1895). Klein maar fijn, zo’n (gratis) museum dat zich goed leent om even uit te stappen tijdens een auto- of fietstocht door de Zwitserse bergen.

Ook in Nederland is er een ‘Kunstlocatie Würth’. Die is gevestigd in het bedrijfspand van Würth Nederland B.V. in ‘s-Hertogenbosch. Daar kun je nu de expositie ‘Gunter Damisch – Deel van het geheel’ bekijken. 50 schilderijen, aquarellen, tekeningen en sculpturen van de ‘Neue Wilde’ Gunter Damisch (1958-2016), een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de hedendaagse Oostenrijkse kunst.

Van 2-manszaak naar 12 miljard

Reinhold Würth is nu 83 jaar. In 2006 stopte hij als voorzitter van de raad van bestuur. Würth is nu voorzitter van de Raad van Toezicht van de familiestichting van de Würth-Groep. De oorspronkelijke tweemansschroevenhandel, op zijn 19de overgenomen van zijn overleden vader, heeft nu ruim 72.000 werknemers en een omzet van meer dan 12 miljard euro. Würth’s eigen vermogen is 10 miljard euro, hij is dus lang niet uitgekocht. Vorig jaar opende hij nog – als verjaarscadeautje voor zijn vrouw Carmen – het Carmen Würth Forum in zijn woonplaats Künzelsau. Een cultuur- en congrescentrum met in de Beeldentuin sculpturen van onder meer Niki de Saint Phalle, Jaume Plensa en Tony Cragg.

‘Kunst versterkt het wij-gevoel’

Würth wordt tegen zijn zin – en ook wat minnetjes – een Schroevenkoning genoemd. Maar dan wel een Schroevenkoning met een uitzonderlijk brede belangstelling, die zijn kunstwerken wereldwijd laat rouleren langs de kantoren en fabrieken van zijn bedrijf, ik zie het ons Koninklijke Boskalis nog niet doen. Reinhold Würth vindt: ‘Kunst versterkt het wij-gevoel en maakt mijn bedrijf anders dan dat van mijn concurrenten.’

‘Zonder schroeven stort de wereld in’

‘Zonder schroeven stort de wereld binnen vijf minuten in’, is een geliefde uitdrukking van Reinhold Würth. Dat is een waarheid als een luid klepelende Zwitserse koe. De mooiste toepassing van de Würth-schroef is wellicht het schilderijhaakje.

Goed om te weten Goed om te weten

Forum Würth Arlesheim (Basel): Im Blick des Sammlers, een greep uit de Verzameling Würth van Beckmann tot Kiefer. Tot 13.01.2019

Forum Würth Rorschach: Menagerie – An Animal Show from the Würth Collection, tot 3.02.2019.

Kunstlocatie Würth Nederland, ’s-Hertogenbosch: Gunter Damisch – Deel van het geheel, tot 10.3.20-2019.

Alle drie de musea zijn gratis. Zie https://eshop.wuerth-ag.ch/ bij ‘Forum’.

 

Deel dit:

Podcast: waarom Billy Wilder misschien wel belangrijker was dan Alfred Hitchcock.

Foto: Helen Westerik

Wat heeft Billy Wilder met Mad Men en Breaking Bad te maken? Of met een voetbalteam in een grot? Alles, zo blijkt. De in 2002 overleden filmmaker blijkt veel en veel belangrijker voor onze beeldcultuur dan iemand als Alfred Hitchcock. Althans: daar begint het sterk op te lijken. Eye, het markante filmtheater en -museum in Amsterdam, staat vanaf nu tot begin september in het teken van de maker van Some Like it Hot en – vooral – Sunset Boulevard.

Voor de Cultuurpers Podcast spreekt Helen Westerik met Leo van Hee. Hij is programmeur van Eye en samensteller van het Billy Wilder-retrospectief. van hem horen we waarom een beroemd schrijver als Raymond Chandler van Wilder aan de drank raakte, en wat zich in Albuquerque afspeelde, dat zo belangrijk was voor hele generaties film- en televisiemakers.

Podcast


Luister mee, naar een schrijver die films maakte die minstens even mooi waren om naar te luisteren als om naar te kijken. De podcast is ook te horen op platforms als Spotify, Apple Podcast en Google Podcasts

Goed om te weten Goed om te weten
Tot begin september in Eye, Amsterdam. Inlichtingen.

Deel dit:

Vrouwen, moord, drank en littekens in HBO’s Sharp Objects, waar ‘bless your heart’ eigenlijk ‘fuck you’ betekent.

Photograph: Anne Marie Fox/HBO

Benauwdheid. Een gevoel van beklemming overheerst bij het zien van de nieuwe (mini)serie uit de stal van HBO, Sharp Objects. De serie is deze week van start gegaan, maar ik mocht alvast een aantal afleveringen zien. HBO’s Sharp Objects is een verfilming van het gelijknamige boek van Gillian Flynn, schrijfster van onder andere het spannende Gone Girl. Met Sharp Objects komt HBO, na Big Little Lies, met wederom een fascinerend moordmysterie. Alleen nog beter.

Amy Adams speelt de hoofdrol van de wodka-drinkende verslaggeefster Camille Preaker uit St.Louis. Zij wordt door haar redacteur naar haar geboortedorp gestuurd om verslag te doen over twee meisjes— een is vermist en de andere is dood. Door middel van flashbacks word het in het begin van het verhaal al duidelijk dat Camille’s demonen verbonden zijn met dit stadje, Wind Gap. In welke extreme mate, dat wordt langzamerhand duidelijk.

Foto: Anne Marie Fox/ HBO

Zuidelijke littekens

De donkere, klamme, gespannen zuidelijke sfeer van Sharp Objects doet erg denken aan HBO’s True Detective, met name het eerste en beste seizoen. Wind Gap is het stereotype zuidelijke gehucht, waar iedereen alles van elkaar weet, of denkt te weten. De inwoners zijn van óf oud geld óf ‘trash’. Southern hospitality staat hoog in het vaandel, maar botst met het wantrouwen naar alles wat vreemd is, (en) niet authentiek Wind Gap. Om het beeld van het oude zuiden compleet te maken, heeft de familie van Camille ook nog een donkere huishoudster in dienst. Uiteraard is deze het tegenovergestelde van de kille, hooghartige moeder.

Foto: Anne Marie Fox/HBO

Met behulp van korte en dynamische flashbacks naar haar jeugd en familieleven wordt duidelijk waarom Camille in een constante staat van (alcoholische) verdoving leeft. Nog belangrijker, in welke mate het haar heeft beschadigd. Zowel letterlijk als figuurlijk. Haar innerlijke pijn is naar buiten getreden. Ze is namelijk van top tot teen —van romp tot enkels— bedekt met littekens. Camille heeft haar lichaam gebruikt als canvas om daar, letterlijk, haar pijn in te snijden.

Mannen zijn een bijzaak

Net als in Big Little Lies ligt de focus in Sharp Objects op vrouwen en vooral op hun onderlinge relaties. Met name tussen Camille, haar Southern Belle moeder Adora (voortreffelijke rol van Patricia Clarkson), Camille’s Janus halfzus Amma en haar overleden halfzusje Marian. Mannen lijken niet echt van belang in Sharp Objects.

Hoe meer blikken je ‘achter de schermen’ van Huize Preaker krijgt, hoe duidelijker het wordt dat niets is wat het lijkt. Net als “Bless your heart” eigenlijk “Fuck you” betekent.

Foto: Anne Marie Fox/ HBO

Dochter Amma is niet het lieve, perfecte popje dat ze haar moeder wil doen geloven, noch is ze alleen de verwende, rolschaatsende, drinkende mean girl. Daarnaast is de overheersende liefde en aandacht van een moeder niet altijd vanzelfsprekend en/of gezond. Alles in Wind Gap is ruw en net als een etterende wond moet dat op den duur ook openbarsten. Wat Sharp Objects ook vooral duidelijk wil maken is dat je vrouwen niet moet onderschatten, op geen enkel punt.

HBO’s Sharp Objects is donker, ruw en mysterieus, een serie die je in de greep heeft en houdt. Waar elke aflevering je doet smachten naar de volgende. Het is een ‘must see’ deze zomer.

Goed om te weten Goed om te weten

Sharp Objects bestaat uit 8 afleveringen, aflevering 1 is al sinds 9 juli beschikbaar op Ziggo Movies & Series.

Deel dit:

Grote zorgen over lot van Oekraïense filmmaker Oleg Sentsov – acht weken in hongerstaking in Russische gevangenschap

Vertegenwoordigers van Europese filmvakorganisaties protesteren in Karlovy Vary

Het wereldkampioenschap voetbal is natuurlijk geweldige pr voor Rusland en Poetin. De Russische autoriteiten zouden dat nog kunnen versterken door nog eens goed te kijken naar de zaak van Oleg Sentsov. Deze Oekraïense filmmaker werd veroordeeld tot twintig jaar gevangenschap. Aldus Mike Downey, vice-voorzitter van de European Film Academy tegenover The Hollywood Reporter. Sentsovs hongerstaking gaat nu de negende week in. Ik ben niet de enige die zich grote zorgen maakt over de goede afloop. Eerder werd hier ook al bericht over zijn zaak.

Oleg Sentsov maakte als nieuw filmtalent naam met zijn in 2012 op het Rotterdams filmfestival (IFFR) vertoonde debuut Gaamer. Deze film, over een game-verslaafde tiener in een dorpje in Oekraïne, is bij IFFR nu als video on demand te zien.

Mishandeling

In 2013 raakte Sentsov actief betrokken bij het pro-westerse Maidan-protest in Kiev. Hij sprak zich daarbij ook uit tegen de annexatie van de Krim door Rusland. Op 10 mei 2014 werd hij door de Russische veiligheidsdienst gearresteerd. ‘Voorbereiding van terroristische activiteiten’ luidde de beschuldiging.

Zogenaamde bekentenissen waren door ernstige mishandeling afgedwongen, volgens de filmmaker en zijn advocaat. Ook trok een belangrijke getuige zijn onder dwang afgelegde verklaring weer in. Toch werd Sentsov door een militair tribunaal veroordeeld tot twintig jaar. Amnesty International spreekt van een oneerlijk proces, dat niettemin door het Russische Hooggerechtshof werd bevestigd. De inzet van Sentsovs hongerstaking is niet alleen zijn eigen vrijlating, maar ook die van 64 andere politieke gevangenen uit Oekraïne.

Protesten

Sinds die tijd is door tal van organisaties en personen, in Europa en daarbuiten, protest aangetekend tegen deze veroordeling. Met name de European Film Academy (EFA) houdt zich voortdurend met de zaak bezig en vraagt daar op tal van festivals aandacht voor. Duizenden filmmakers en kunstenaars scharen zich daarachter. Onder hen filmmakers van naam als Wim Wenders, Mike Leigh, Aki Kaurismäki, Volker Schlöndorff, Ken Loach en Bertrand Tavernier.

Sinds het begin van Sentsovs hongerstaking zijn de protesten toegenomen. In meer dan dertig landen gingen mensen de straat op voor manifestaties. De voorzitter van de Europese Raad, Donald Tusk, riep in zijn openingsrede voor de G7-top op tot vrijlating van Sentsov. Ook het Europees Parlement heeft daarop aangedrongen.

Op filmfestivals worden regelmatig protestborden omhoog gestoken. Enkele dagen geleden deden vertegenwoordigers van filmvakorganisaties dit op het festival in Karlovy Vary. Zij riepen president Poetin op een menselijk gezicht te tonen en Sentsov vrij te laten.

Tot op heden zijn alle oproepen en diplomatieke benaderingen terzijde geschoven. Het leven van Oleg Sentsov loopt ernstig gevaar, aldus het meest recente persbericht van de EFA.

De EFA, onder voorzitterschap van Wim Wenders, organiseert vandaag een actie bij de Russische ambassade in Berlijn.

IFFR vertoont Gaamer

Oleg Sentsov op IFFR 2012

Ook het International Film Festival Rotterdam (IFFR) vraagt aandacht voor de zaak van Sentsov. Daarnaast is Sentsovs film Gaamer nu beschikbaar op het platform Unleashed van het IFFR. De opbrengsten komen ten goede aan de acties voor Sentsovs vrijlating.

Wie meer over Sentsovs zaak en de georganiseerde acties wil weten kan terecht op de EFA-website. Daar ook het rekeningnummer voor wie rechtstreeks wil doneren. Een zeer uitgebreid en informatief artikel van Mike Downey is te vinden op www.opendemocracy.net

Deel dit:

De liedjes die je op een onbewaakt moment keihard in je gezicht meppen

Beeld: Snippets101/Flickr

In 2016 werd ik onverwachts geraakt door een Beatles-klassieker. Wat zijn nu de ingrediënten van perfecte popmuziek?

Het is augustus 2016. Ik sta met mijn vriendin bij een loket in Liverpool, de Britse havenstad die evengoed een openluchtmuseum is. Het wordt ons nogal ingewreven dat deze stad The Beatles baarde. In de haven overnachten toeristen in een gele duikboot, even verderop kijken de in brons gegoten Fab Four uit over de zee en we kunnen geen pint drinken zonder dat ‘She Loves You’ met lichte dwang door onze gehoorgangen wordt geduwd. We besluiten ons maar volledig onder te dompelen. Aan het loket kopen we een ticket voor de Magical Mystery Tour, een soort bedevaartstocht in felgekleurde bus langs belangrijke Beatles-plekken.

Melig stappen we de volgende dag de bus in, schelle Beatles-liedjes klinken door de boxen. Dit wordt lachen, deze kneuterige rondrit gaan we natuurlijk niet serieus nemen. Het tijdschema van de tour wordt strak nageleefd, soms mogen we gelukkig even de bus uit. Dus wurmen we ons later door de nauwe straatjes van de volkswijk waar George Harrison opgroeide en staan we in de rij bij het volgekalkte straatnaambord van Penny Lane. Kiekje en weer door. Dan passeren we het kerkhof dat wordt bezongen in Eleanor Rigby. In de bus zwelt die bloedmooie, licht georkestreerde popklassieker over een doodeenzame begrafenis aan.

Het kerkje trekt aan ons voorbij en ineens raak ik behoorlijk ontroerd door het liedje. En vanaf dat moment ben eigenlijk ik om. Weg cynisme, dag ironie. Lang verhaal kort: die nacht sta ik lichtbeschonken met een stel Britten van middelbare leeftijd te hossen bij een sixties coverband.

Het is wat mij betreft de grote kracht van popmuziek; dat het je op een onbewaakt moment keihard in je gezicht mept.

Underground en mainstream

Sinds de wereldwijde doorbraak van populaire muziek zoeken muzikanten, producers en industriebonzen naar het recept van de volgende grote pophit, terwijl in obscure subgenres de rafelranden worden opgezocht en tussen die uitersten ook nog van alles gebeurt. Popprofessor en socioloog Gert Keunen verwoordt de dynamiek van popmuziek scherp in zijn kloeke naslagwerk, ‘Een eeuw popmuziek’: ‘De dynamiek van popmuziek ligt vooral in het voortdurende spel van herhaling en verschil, van actie en reactie. De eeuwige strijd tussen underground en mainstream, tussen oprechtheid en gekunsteldheid is daarin een constante.’

Popmuziek is een ‘kluwen’, schrijft Keunen. Kunnen we dan iets wezenlijks zeggen over de ingrediënten van perfecte, of gewoon hele goede, populaire muziek?   

Beeld uit de clip van Despacito Youtube

De langste adem

Ik vraag het journalist en veelluisteraar Guuz Hoogaerts, die onder andere schreef voor Nieuwe Revu en DJBroadcast en diepgravende playlists maakt voor de website perfects.nl. “Volgens mij moet goede popmuziek eeuwigheidswaarde hebben en nieuwe generaties blijven aanspreken”, zegt hij. “Muzikanten met een zekere vernieuwingsdrang lukt dat, hun drift hoor je decennia later nog terug in hun werk. Goede liedjes moeten bovendien een zeker gewicht hebben. Als ik nadenk over popmuziek waarin dat samenkomt, kom ik uit bij sixties soul, vooral uit de Motown-stal. Het is muziek over zwart bewustzijn en er spreekt een universeel oergevoel uit. We blijven gevoelig voor die oerkracht. Liedjes van Aretha Franklin, Marvin Gaye en Stevie Wonder blijven zo.…geestverruimend.”

En bovendien relevant, want soulinvloeden blijven doorsijpelen in populaire muziek. “Ik was met mijn zoontje bij Ed Sheeran, in zijn muziek hoor ik met een beetje goede wil die elementen ook terug; van community singing tot de soulmotieven in zijn liedjes.”, zegt Hoogaerts. “ Neem ook Feel it Still, de hit van Portugal. The Man, die is gebaseerd een sample van Please Mr. Postman van The Marvelettes. Of kijk naar het gebruik van soulsamples in hiphop. En elke dj weet dat je met sixties soul nog steeds ook het moeilijkste publiek meekrijgt.”

De zeggingskracht van popmuziek openbaart zich volgens Hoogaerts na jaren rijpen. “Ik schaam me nu dood voor de sterren die ik halverwege de jaren nul uitdeelde aan een act als Kruder & Dorfmeister. Ik vond dat een vooruitstrevend duo dat loung met dub reggae mengde en echt deuken in pakjes boter begon te slaan. Luister ik daar nu naar, dan denk ik: ‘wat was dat vluchtig’. Luister naar hedendaagse dub reggae en je hoort nog steeds die soulinvloeden. Soul heeft de langste adem.”

Strandjutten

Hoe kijken de mannen en vrouwen die grote hits najagen naar het vak? Hitschrijver Guy Chambers, die onder andere schreef aan Angels en Feel van Robbie Williams, zei ooit tegen de BBC dat een goed popliedje zo min mogelijk woorden nodig heeft en dat hij een ‘vier-minuten-regel’ hanteert. Bovendien, zei hij, vinden luisteraars het lekker als de melodielijn zich herhaalt terwijl in de volgende regel één woord verandert. Het oor zou die subtiele verrassing fijn vinden.

Heeft Chambers dan definitief de code voor de perfecte pophit gekraakt? Nou, nee. De Britse krant The Guardian berekende in 2011 dat 1 op de 47 liedjes van Chambers, die toen al meer dan duizend nummers had geschreven, top-10 hits werden in Engeland. Songs schrijven is ook op je bek gaan, simpelweg hard werken en vakmanschap ontwikkelen. Soms heb je dan beet. Dat blijkt ook uit een stuk op de Amerikaanse cultuursite Vulture, waarin liedjesschrijver Jack Antonoff reflecteert op zijn schrijverschap.

Antonoff, die onder andere schreef voor popzangeressen Taylor Swift en Lorde, vergelijkt schrijven met strandjutten. Soms vind je edelmetaal, soms keer je met lege handen huiswaarts. Grofweg kunnen we wel zeggen dat herkenbaarheid en herhaling in de melodie aan de basis van de grote pophits staan. Muziekwetenschapper Henkjan Honing demonstreert dat verhelderend in een Youtube-college bij de Universiteit van Nederland.

Vijf seconden

Kijken we naar de structurele overeenkomsten van populaire liedjes, dan vallen toch vooral de uitzonderingen op. Zo werd op The Ohio State University de lengte van intro’s van hits in de VS onderzocht. Die duren anno 2017 gemiddeld zo’n vijf seconden, de ongeduldige luisteraar zou in het vluchtige streamingtijdperk direct het nummer in gezogen moeten worden. Maar, zo concludeert het onderzoek terecht, in zijn gigantische hit Somebody That I Used To Know breekt de Belgisch-Australische popartiest Gotye met die regel door te starten met een intro van twintig seconden. Pas na twee minuten klapt de hook in het liedje, dat überhaupt een vervreemdende hit was.

Ook het iets conventionelere Despacito is in zeker zin atypisch. In een lap van een longread analyseerde de website VOX de gigantische zomerhit. Een belangrijke conclusie; luisteraars in de VS waren moe van de met elektronische dance-doordrenkte pop en smachtten naar een fris geluid. Formulepop valt echt niet altijd door de mand, maar popmuziek moet soms ook verrassen.

Hangen in een bubbel

Externe factoren spelen bovendien een rol in ons luistergedrag. Tom ter Bogt, cultuurpsycholoog en hoogleraar populaire muziek en jeugdcultuur aan de Universiteit Utrecht, onderzocht de smaakontwikkeling van adolescenten. “Muzieksmaak ontwikkel je vooral tussen je 16e en 24e levensjaar”, zegt hij. “Muziek die je daarna ontdekt, kan je vaak herleiden naar de smaak die je in die levensfase ontwikkelde. En die smaak is weer afhankelijk van de omgeving waarin je opgroeit. Vooral de muziekconsumptie van vriendjes en vriendinnetjes is belangrijk bij de ontwikkeling van je eigen voorkeuren.”

Streamingdiensten als Spotify, die het mogelijk maken om in de diepste krochten van de popmuziek te duiken, veranderen dat volgens Ter Bogt niet. “Uit onderzoek blijkt dat die diensten je smaak niet omkieperen. Mensen blijven hangen in een bubbel van eigen voorkeuren die door de directe omgeving ingegeven worden.” Al zal de ene persoon avontuurlijker zijn dan de ander.

Canonvorming speelt een rol in het belang dat we hechten aan werken die we collectief als meesterwerken beschouwen. “Een lijst als de Top 2000 is daar een perfect voorbeeld van”, zegt Ter Bogt. “Veel nummers die daarin staan, rouleren eindeloos op radiostations.” Ook daardoor krijgen die liedjes een zeker gewicht. Ter Bogt: “Andere nummers, die misschien net zo goed zijn, vergeten we.”

Thom Yorke van Radiohead: Beeld: Angela n/Flickr

Pop met rafelranden

Goed, genoeg over de hitkanonnen en gerijpte klassiekers. Hoe kijkt iemand die nu dicht bij het vuur staat naar de populaire muziek die juist niet direct hoeft te behagen? Ik mail erover met Ilana van den Berg, programmeur bij het poppodium EKKO in Utrecht. EKKO is een plek waar muziek rafelig mag zijn en waar nieuwe trends vroeg worden omarmd. “Ik ben op zoek naar vernieuwing en de scherpe randjes binnen de popmuziek”, schrijft ze. “Iets dat actueel, spannend en fris is. Ik denk niet dat er zoiets als perfecte popmuziek bestaat. Het zijn juist de oneffenheden die het hem doen.”

Ik vraag haar naar het verschil tussen tijdloze muziek en liedjes die snel verouderen. Van den Berg: “Als je buiten trends durft te kijken en het lef hebt om iets compleet anders te maken, denk ik dat je muziek langer relevant blijft. Popmuziek hoeft niet per definitie tijdloos te zijn, er is genoeg goede muziek die duidelijk de sound van een periode vertegenwoordigd. Als iets écht goed is, zal het de tand des tijd toch wel doorstaan.”

Radiohead

Ik vraag haar toch maar naar de perfecte popact. “Lastige vraag, maar ik kom dan toch bij Radiohead uit. Een extreem muzikale groep, die vernieuwend, tijdloos en experimenteel is en hiermee ook nog een groot publiek aanspreekt. Het lukt Radiohead al 25 jaar om relevant te blijven. Perfecte popmuziek bestaat niet, maar dit komt aardig in de buurt.”

Deel dit:

Lakedance is goed geregeld: ‘Je hoeft niet verloren rond te lopen, overal leuke en knappe mensen, nergens klachten, schone toiletten!’

Photography by: Jaap Beyleveld / www.kleurstof.eu

“In Nederland zijn we eigenlijk op vakantie”, zeggen Daphne (40) en Ilja (26) lachend. Ze zijn reisexperts, met Japan als kernbestemming. “Ik bezoek een aantal festivals per zomer, maar of ik nou echt een festivalganger ben? Valt geloof ik wel mee.”

Zeven jaar geleden was Daphne voor het laatst naar Lakedance, inmiddels is ze ‘op leeftijd’ en kreeg ze voor vertrek te horen: “Mam ik wil mee!” Haar auto slingert rustig langs een serie mannen in oranje hesjes, die ons tussen dranghekken richting de juiste parkeerplaats wijzen. De laatste schakel rookt een sigaar en wuift onze VIP-tickets weg: ‘Ik geloof het achter elkaar – veel plezier!’ Een voorbode van de gemoedelijkheid op Lakedance.

Beachclub

In 2005 was het tweejaarlijkse festival er voor het eerst (als feestje van Beachclub Sunrise, 800 man), op 9 juni 2018 was er de 25e editie (35-40.000 bezoekers). Bezoekers kunnen ‘lekker met de voetjes in het zand dansen op fijne en zomerse house muziek’. Artiesten als Hardwell, Afrojack en Fedde Le Grand begonnen er hun carriere, aldus een voorgeschreven interview met oprichter Jochem van Pelt.

Liefhebbers van house leken er inderdaad op de juiste plek. Bescheiden blij en vrij beschaafd dansten ze bij het Defected podium, waar de jaren negentig en Ibiza vlakbij klonken. Daar draaiden grote namen uit de gloriedagen van het gelijknamige label, zonder aan relevantie te hebben verloren, blijkt uit de sfeer. Fans van het eerste uur die lichtvoetigheid en grandeur hadden behouden, ongeacht hun ervaringen, bewogen als adel onder de houseliefhebbers: hard gegaan en er vlekkeloos uitgerold.

Boeiende toevoeging

We spreken een stelletje dat graag anoniem blijft. Naast haar man, die af en toe enthousiast wat aanvullende feiten deelt, vat een dame de voordelen samen: “Het is meestal slappe hap qua cocktails, maar hier zijn ze wèl goed. We hebben het natuurlijk ook echt getroffen met het weer”. Ze heeft zich in strakke jurk met smaakvol exotische print minstens zo mooi gekleed als ze het festival zelf vindt. “We gaan ook wel eens naar Hardwell of Tiësto, maar dan ben je zo om 7 uur thuis. Liever dit. Dan ben je de volgende dag nog een beetje helder. Ik hoop niet dat Lakedance groter wordt, zo is het wel lekker.”

Haar man vertelt over de grootheden die vandaag bij Defected te bewonderen zijn (zoals Low Steppa, Todd Terry en Simon Dunmore) en hoe ze wereldwijd gigs hebben gedraaid. Live is de combinatie met saxofoon, zangeres en percussie van Shovell een boeiende toevoeging, op een festival waar uiteraard vooral vaardige platendraaiers en praatjesmakers op het podium staan.

Happy Hardcore

Hoe de joviale MC bij het Winterpodium gezelligheid schept, doet bij vlagen denken aan Gaston die prijzen uitdeelt: “Jahaaa beste mensen! Handjes in de lucht als je uit de buurt komt!” Hij noemt het evenement ‘een thuiswedstrijd’ en draagt een nummer van Beyoncé op aan alle vrouwen, vervolgens de aanwezigen aansporend uit volle borst mee te zingen. Als er even later happy hardcore over het veld galmt, is de saamhorigheid compleet: “Mensen kunnen we het met z’n allen over één ding eens zijn? We like to party!”

Terwijl in de verte een roze ontploffing aan snippers boven het feestgedruis voor de mainstage dwarrelt, zet Inge (36) haar zonnebril op en verklaart dat ze wel houdt van feest overdag: “Thuis nog even door en dan lekker slapen. Ik heb een drukke baan.” Vijftien jaar geleden zat ze op ditzelfde randje, billen op het gras en voeten in het zand. Ze kwam toen een bekende tegen, die beteuterd vertelde dat het kotsen niet wou lukken. “Dus toen ging ik meteen zelf over mijn nek! Hij zei nog ‘ik ben zó jaloers’… hahaha!”

Cosmetica

Of er nog nadelen zijn vandaag? Het bier is wel wat waterig. Met warm weer is het op Nederlandse festivals als snel een wat stoffige boel, maar gelukkig is er overal drinken te krijgen en was het toegestaan cosmetica mee te nemen, dus huid of lenzen hoeven niet uit te drogen. Op heuveltjes hangen mensen in het gras, kijken naar het ritme van voorbijgangers, variërend van flaneertempo tot energieke passen. De houten vlonders waarover de stromen lopen, veren vrolijk. Binnen een paar uur komen er misschien wat schroeven omhoog, maar iedereen gaat los, dus alles is goed. Bij de mainstage klinkt: ‘Are you fucking ready?’

Dat zijn we zeker. John (47) en Johan (50) kennen elkaar al heel lang, vertelt de jongste: “Sinds ik 14 ben. We kunnen elkaar lezen en schrijven.” De twee maken motortochten, gingen naar Zwarte Cross, Dynamo Open Air en ADE. “Van metal tot mellow, als het maar gezellig is. Vroeger bleef je stappen, nu zijn we eigenlijk de enige van de vriendenclub die dat nog doen. De rest is afgevallen.” Het festival spreekt ze aan vanwege het ‘visuele aspect’ (aankleding en mensen) en de sfeer: “Heel chill. Het is altijd zonnig tijdens Lakedance. Er zijn hier meer feesten trouwens. Ook een kinky editie, moet je een keer heen gaan, echt heel apart. Heel vrij, alles kan.”

De heren hebben voor de gelegenheid ‘geestverruimende middelen’ bij zich: “Zeer stiekem geregeld. Een bijzondere dag, zo als beginnende gebruiker. Wacht maar, straks sta ik op het podium naast een danseres, klim ik op een boks om te pogoën. We zien wel. Thuis heb ik nog slagroompatronen… en geen slagroomspuit. Voor later. Volgende dag opeens een rinkelende vuilniszak!”

Duim in de lucht

Twee dames hebben verderop besloten bevallig in het water te dansen. Eentje staat even onwennig met beider tasjes in haar handen, tot ze de ander met enig voetenwerk weet te bespetteren, duidelijk makend dat de situatie wat haar betreft beperkt houdbaar is. In de avond vist een groep beveiligers (op een stapje afstand van het strand) een meisje met lichtgevende zonnebril uit het water, die daarmee haar luchtbed kwijt is en wordt afgevoerd. De rest van de dag bestond de interactie tussen security en publiek vooral uit vriendelijk in suffende bezoekers porren, om te kijken of ze nog in orde zijn: “Alles goed?” Duim in de lucht.

Sinds de eerste Lakedance gaat Richard (37) ‘als het effe kan’ ieder jaar. Na zijn mond aan een frietje te branden, legt hij uit waarom: “Het is groot geworden door klein te blijven. Gemoedelijk. Wacht – dit wordt corny.” Met gevoel voor zelfspot herstelt hij zich: “Het is hier toegankelijk. Op een goede manier.” Zijn maat ‘zeg maar Bertje’ (40) uit Hellevoetsluis is er voor het eerst. “We spraken elkaar een keer in een bar in Den Bosch. Over m’n bucketlist. Hij wou iets toevoegen, dat werd een dancefestival. Zo geschiedde. Ben er net, nu al leuk. Fijn dat het aan het water is. De friet is lekker.” Als iemand vraagt of hij mag roken tijdens andermans friet, komen al snel de geur van frituurlucht en inkt ter sprake.

Foto: Kleurstof.

Pizza

Tatoeages liepen uiteen van veren en tribals tot ‘niets is dikker dan bloed’ in het Latijn. Frisse jonge kapsels en lange lokken, meer kale hoofden dan baarden, zonnebrillen van Rayban tot Oakley. Spijkerbroek en pakkend shirt werken nog steeds prima, dankzij (naast ‘dit is mijn festivalshirt’) vooral veel Engelse oneliners: ‘Bad choices make good stories’, ‘It’s not over when you loose / it’s over when you quit’, ‘Fur is worn by beautiful animals and ugly people’, ‘I want pizza / not your opinion’. Verder fleurig veel burlesq barok en gypsy sjiek, handig-en-toch-elegante cowboylaarsjes, zwierige handtasjes.

Een mevrouw, fladderend in mosgroene jurk, vraagt of we toeristen zijn, aangezien we onze schoenen nog dragen op het zand. We leggen haar uit dat we in Scheveningen zijn opgegroeid en ‘soort van aan het werk’ zijn, geven haar groot gelijk en trekken onze schoenen uit. Ze komt hier vandaan en vermaakt zich zichtbaar: “Je hoeft niet verloren rond te lopen, overal leuke en knappe mensen, nergens klachten, schone toiletten!”

Verwender

Ook een jongedame uit de hoofdstad (‘zeg maar Jo’, influencer, 33), die vers sap en koffie verkoopt, zegt: ‘Nooit lang hoeven wachten voor de WC. De sfeer is altijd goed, het is top geregeld en weids opgezet. Leuk om te werken hier en collega’s te zien; anders zou ik niet zomaar gaan. In Amsterdam is er ieder weekend wat te doen. Het publiek is er dus wat verveelder en verwender.”

De 25e editie van Lakedance had veel bezoekers uit de regio, met hier en daar een verdwaalde uitzondering. Het leverde een warme mix aan mensen op, met een gemiddelde leeftijd ergens tussen de 20 en 60. Ze dansten op een hoop house (van gabber en techno tot Chicago en deep house), op carnavalshits bij Leven In De Brouwerij (inderdaad, gesponsord door een biermerk) en op pop bij het Heimwee podium. Vooral bij This = Music vonden we tempo en grooves vaak bijzonder dansbaar.

Fucking Amazing

Voordat we het terrein verlaten, galmt vanaf de mainstage: ‘Jullie waren fucking amazing!’ Een verbaasd groepje vijftigers wijst ons de weg: “Helemaal wandelen naar het station? Einde van de straat links de hoek om. Uiteindelijk gaan we allemaal die kant op.” In de stoptrein vertellen Imke, Ietje, Esthy & Marieke over de juist bezochte show van ‘Guus – welke?! Meeuwis!’ Ze zijn lyrisch over Het Feestteam en DJ Maurice, dus we zingen samen ‘Shirt uit en zwaaien’ (een jolige echo van ‘Freed from desire’). Als ze uitstappen, roepen ze ‘Houdoe en bedankt!’

Deel dit:

Danser verdwijnt in zwart gat met ‘From Molenbeek with Love’

foto Stanislav Dobak

Je zult maar in Molenbeek wonen. Al jaren heersen er spanningen in deze Brusselse wijk. De no go area wordt zelfs rechtstreeks in verband gebracht met de aanslagen in Parijs en Brussel. Ook onderling zullen de verhoudingen er niet zachtzinnig zijn.

Danser/choreograaf Yassin Mrabtifi komt er vandaan. Hij moet een gedeukte persoonlijkheid zijn. Toen ik de vrolijke titel van zijn eerste eigen voorstelling zag, ‘From Molenbeek with Love’, wekte dat verwachtingen. Eindelijk een ander geluid uit die hel. Maar het enige dat hij van zichzelf bleek te laten zien was slachtofferschap. Iemand die niet weet met wat voor identiteit hij het best kan overleven. Het oude verhaal dus.

Zachtaardig

Yassin Mrabtifi heeft een zachtaardig karakter. Dat straalde hij uit op het podium. Vier metalen stellages, verbonden door een venster van cellofaan, vormden zijn kleine, veilige domein. Daar piekerde hij over zijn overlevingsvragen. Wie hij was. Hoe hij was. Hoe hij moest zijn. Het cellofaan was een spiegel waarin hij zijn lichaam bekeek. Maar tegelijk gluurde hij er doorheen naar de buitenwereld. Wat wilde hij het publiek meegeven? Een unieke, creatieve manier om te overleven?

Telkens verliet hij op een andere manier het vierkante domein. Veruit de mooiste scène was die waarin hij in een wit gewaad kroop waarvan de mouwen oneindig lang leken. Via twee palen liepen ze uit tot in de donkere nok van de zaal. Maar het onmetelijke bleek een handenbinder en een keurslijf. Mrabtifi deed hier denken aan een derwisj. Een veelzeggende associatie. Immers, een derwisj ervaart bevrijdiing. Eenwording met het volmaakte. Daar droomde Mrabtifi wellicht van. Maar diepgang of wijsheid, een mystiek of filosofisch antwoord op de vraag hoe mensen het leven op aarde zo beroerd kunnen maken, daartoe spoorde het derwisj-schap hem niet aan. Hij raakte slechts verstrikt in de mouwen. Met moeite maakte hij zich uit het gewaad los, om zich schuw terug te trekken in zijn domein, waar hij uit allerlei gewone kleren zijn keuze probeerde te maken.

Zo verbeeldde Mrabtifi hoe hij door krachten van buiten gemanipuleerd werd. En hoe pijnlijk dat was.

Opgesloten

Steeds meer kwam ik er in de opeenvolgende scènes achter dat hij er helemaal niet in slaagde via wisselende identiteiten zijn draai te vinden. Ik kreeg het gevoel dat het personage volkomen in zijn eigen wereldje opgesloten bleef. Dat hij geen weerwoord had. Dat hij zich liet leven in een nest van onvrede en ruwheid.

Even leek er een moment van uitbraak te zijn. Mrabtifi scheurde het cellofaan los van de palen. Hij zwaaide er wild mee in het rond. Het glinsterende vel vulde de ruimte met een razend geritsel. Wat een bevrijding, dacht ik. Totdat de danser er net zo hopeloos in verstrikt raakte als eerder in het witte gewaad. Mooi om zo’n motief te hernemen, maar teleurstellend dat er geen opening naar iets nieuws op volgde.

Solovoorstelling

Hij wilde een solovoorstellng maken, zei hij schuchter. In de verhalen die hij vertelde, kwam niets dan verdwaling en machteloosheid naar buiten. Wat was de kern van deze persoonlijkheid? Wat stelde hij als kunstenaar tegenover de onleefbare wereld in Molenbeek? Het blijft een onbevredigend zwart gat.

In aanzet was het wel mooi hoe Mrabtifi telkens zijn handelingen en woorden combineerde met dansbewegingen. Ze leken spontaan in zijn lichaam op te komen. Maar ze doofden telkens weer uit. Ook in zijn danskunst, die hem toch onderscheidde van andere slachtoffers in Molenbeek en hem dus een duidelijke eigen identiteit gaf, wist hij geen bevrijding op gang te brengen.

Het was moeilijk als toeschouwer in dit drama mee te gaan. Het bleef op afstand, in zichzelf gekeerd. Na elke scène trok de danser zich terug. Alles was even vluchtig en vluchtachtig. Het deed je snakken naar een persoonlijkheid die visie of uitzicht bood. En die je op een nieuwe manier naar de gecompliceerde werkelijkheid liet kijken.

Goed om te weten Goed om te weten

Yassin Mrabtifi, ‘From Molenbeek with Love’. Gezien: 4 juli, Podium Mozaïek. Daar nog te zien: do 5 juli, 19.00 uur, in het kader van Julidans

Deel dit:

Robby Müller (1940-2018) gaf een ziel aan films van de grootste regisseurs

Robby Müller (foto Bart Dewaele)

Zou het toeval zijn dat verschillende van mijn favoriete films zijn gedraaid door de Nederlandse cameraman Robby Müller? Of dat diverse internationale regisseurs hun beste werk met hem maakten? Is het soms ook toeval dat Müller zijn eerste korte film Toets draaide in het revolutionaire jaar 1968?

Wie weet. In mijn herinnering leeft Müller vooral voort als een bescheiden maar sterk sfeerbepalende kracht achter de nieuwe cinema van de jaren zeventig en daarna. De tijd van de eerste filmhuizen en de beginjaren van het Rotterdamse festival. De tijd waarin filmmakers zoals Wim Wenders, die een groot aantal films met Müller maakte, lieten zien dat alles anders kon.

‘Schilderen met licht’ werd zijn werkwijze vaak genoemd. Director of Photography Robby Müller draaide in totaal meer dan zeventig films en leverde daarmee een belangrijke Nederlandse bijdrage aan de internationale filmwereld. Zijn familie maakte bekend dat hij op dinsdag 3 juli in zijn woonplaats Amsterdam is overleden. Müller was al geruime tijd ziek.

Feeling voor karakter

Robby Müller werd op 4 april 1940 geboren op Curaçao. Zijn jeugd bracht hij tot 1953 in Indonesië door. Op de Filmacademie (1962-1964) specialiseerde hij zich in camera en montage, waarna hij naar Duitsland vertrok. Daar ontmoette hij Wim Wenders, die op het punt stond een van de voormannen van de nieuwe Duitse cinema te worden. Het was het begin van een vruchtbare samenwerking. Enkele andere belangrijke regisseurs waarmee hij later zou samenwerken zijn Jim Jarmusch, Lars von Trier en Steve McQueen.

In 2002 draaide hij zijn laatste lange speelfilm: 24 Hour Party People van Michael Winterbottom. Hij schoot deze hilarische terugblik op de Britse punkscene in de brutale, geïmproviseerde stijl van een namaakdocumentaire. Müller zorgt hier voor het onverbiddelijke gevoel dat je alles ter plekke meemaakt. Een stijl die naadloos aansluit bij het verhaal. Want dat was de grote kracht van Müller. Een perfecte feeling voor het karakter dat een film nodig had.

De kracht van natuurlijk licht

Het is bijna paradoxaal dat zijn meesterschap ogenschijnlijk zo terloops en onopvallend is. Hij wist films een ongecompliceerd gevoel van ‘echtheid’ te geven. Er zijn veel anekdotes over Müller die laten zien hoe hij het liefst zonder plan van start ging. Als het ware gewoon bij nul beginnen en kijken wat nodig is. Wars van regels was hij. Een aanbod om de derde Harry Potter-film te doen sloeg hij af omdat daar naar zijn mening al veel te veel van te voren vaststond.

Björk in Dancer in the Dark (foto Upstream Pictures)

Müller zocht graag de expressieve kracht van natuurlijk licht. Niet voor niets werd hij wel eens vergeleken met Vermeer. Soms wilde hij perse wachten op de juiste lichtval, maar hij kon ook snel en zonder poespas improviseren. Wars van effectbejag, maar wel gretig inhakend nieuwe ontwikkelingen. Voor Lars von Triers Dancer in The Dark (2000) gebruikte hij honderden kleine digitale camera’s.

Ultieme roadmovie

Mijn kennismaking met het werk van Robby Müller valt samen met mijn ontdekking van Wim Wenders. Dan denk ik vooral aan diens ultieme roadmovie Im Lauf der Zeit (1976). Een film om je in onder te dompelen. Meereizen met die twee zwijgzame, eenzame mannen die door het Duitse achterland trekken om in dorpsbioscoopjes de projectoren te repareren. Een film die ook al reizend werd geschreven. Door Robby Müller gefotografeerd in een prachtig zwart-wit dat de flow van de betrekkelijk losse gebeurtenissen op een even onbevangen als eerlijke manier neerzet. Een film als het leven zelf, zo dachten we toen een tikje romantisch.

Na Der amerikanische Freund (1977) nam Wenders tijdelijk afscheid van Müller en was hij zeven jaar zoekende. Hij vond zijn vorm pas terug toen hij Müller weer inschakelde bij Paris, Texas (1984). Hij zag dat in Cannes beloond met de Gouden Palm. Daarbij speelden ongetwijfeld Müllers eenvoudige, maar glasheldere en uitgekiende beelden van een aangrijpende zoektocht naar liefde in een soms vervreemdend landschap een grote rol.

Visuele blues

Een andere filmmaker die veel aan Müller te danken heeft is Jim Jarmusch, in de jaren tachtig de grote held van de onafhankelijke Amerikaanse cinema. Treffend voorbeeld is Down By Law (1986). Een curieuze komedie met drie mopperende antihelden (waaronder Roberto Benigni) in een wonderlijk niemandsland. Ook hier weer beelden die tegelijk betoverend en nuchter realistisch zijn, en een heel eigen toon zetten. Een visuele blues noemde ik het destijds.

Hoe het camerawerk van Müller een film op een onverwachte manier een ziel kan geven zien we ook bij Lars von Triers Breaking the Waves. Een verpletterend melodrama dat het onwaarschijnlijke verhaal vertelt van naïef Schots meisje en haar door een ongeluk verlamde echtgenoot. Een zelfopoffering en een heus wonder completeren het geheel. Het had gemakkelijk een draak kunnen worden. Het zijn vooral het fenomenale spel van Emily Watson en Müllers rusteloze, in reportagestijl geschoten beelden die dat voorkomen. Het aardse gaat hier hand in hand met het spirituele. Breaking the Waves werd in Cannes onderscheiden met de Grote Juryprijs. Later kwam daar onder veel meer de Felix voor beste Europese film bij.

Bekroning

Het werk van Robby Müller zelf werd ook vele malen bekroond. In Nederland kreeg hij in 2007 het Gouden Kalf voor de Cultuurprijs en het jaar daarop de Bert Haanstra Oeuvreprijs. In Amerika ontving hij in 2012 de International Achievement Award van de American Society of Cinematographers. Het EYE Filmmuseum eerde hem twee jaar geleden met de tentoonstelling Master of Light.

Onmogelijk om hier een opsomming van zijn films te geven. Klik daarvoor de IMDb aan. Laat ik volstaan met een paar voorbeelden die zijn veelzijdigheid onderstrepen. William Friedkins gewelddadige wraakdrama To Live and Die in L.A. (1985) naast Barbet Schroeders kroeglopersfilm Barfly (1987). Sally Potters autobiografische  en artistieke ontdekkingstocht The Tango Lesson (1997) naast het oorlogsdrama Korczak (1990) van de Poolse grootmeester Andrzej Wajda. In Nederland werkte hij tweemaal samen Frans Weisz, die hij kende van de Filmacademie. Met hem draaide hij Een zwoele zomeravond (1982) en Hoogste tijd (1995).

Een later dit jaar te vertonen documentaire over Robby Müller en zijn unieke werkwijze is gemaakt door Claire Pijman onder de titel Living the Light.

Deel dit:

Anna Enquist: ‘Ik zou best wat kwaaier willen kunnen zijn’

Nederland, Amsterdam 6 maart 2015, dichter en schrijver Anna Enquist. Foto: Bianca Sistermans

Want de avond, de nieuwe roman van Anna Enquist, is een boek vol ingehouden ergernis en woede. Nooit eerder schreef ze zo vrij als bij dit boek, zonder te weten waar het verhaal heen ging. ,,Ik zou zelf graag wat kwaaier willen kunnen zijn.”

Na de dichtbundel Hoor de staden en haar herinneringen aan Gerrit Kouwenaar, Een tuin in de winter, had Anna Enquist (72) behoefte aan weer ‘een lekker project’ – een roman dus. Ze schreef een vervolg op Kwartet, haar roman over vier vrienden die tijdens hun repetitie als strijkkwartet door een gevluchte crimineel worden gegijzeld. Want de avond gaat verder waar Kwartetophield. De hoofdpersonen zijn allemaal op hun manier getraumatiseerd en hebben zich verschanst, en het strijkkwartet bestaat niet meer. ‘Ik dacht steeds: hoe moeten die mensen verder?’

Verder na verlies

Hoe iemand verder moet na een groot verlies is een belangrijk thema in uw werk. Wat valt daar nog aan te ontdekken?

‘Hoe ik ook mijn best doe – of ik nou een historische roman schrijf over kapitein Cook of een opdrachtroman voor het VU-ziekenhuis zoals De verdovers–, de onderliggende thematiek komt inderdaad toch steeds op hetzelfde neer: hoe krabbelen mensen die klappen krijgen weer op? Klappen krijgen, dat overkomt iedereen in het leven. Als psychotherapeut ben ik daar al mijn hele werkzame leven mee bezig. Mensen hebben verschillende manieren om ermee om te gaan, dat zie je terug in mijn personages. Ik was benieuwd hoe het hen zou vergaan.

Jochem en Carolien, Heleen en Hugo zijn vijftigers, dus de grootste veerkracht is er misschien al uit. Ze zijn getraumatiseerd en moeten iets missen wat belangrijk voor ze was: samen musiceren. Jochem is bang geworden en door paranoia bevangen; hij bouwt zijn huis om tot een vesting. Zijn vrouw Carolien is depressief, op het apathische af. Zij doet niets meer, wil niets, en gebruikt het feit dat ze haar pink is verloren als excuus waarom ze niet meer kan werken en geen cello meer kan spelen. Hun huwelijk is hopeloos, en daarom gaat Jochem maar in zijn atelier wonen. Heleen negeert het trauma; ze wil er niets meer van weten. Van een gezellige dikke menselijke vrouw is ze veranderd in een magere dame met kort rood spriethaar, die in een sportschool werkt. En Hugo is gevlucht in zijn werk, hij is naar China gegaan om daar muziekfestivals te organiseren. Ik vind het mooi om al die verschillende manieren om met een traumatische gebeurtenis om te gaan, te beschrijven.’

Klappen

Nooit bang dat lezers denken: dat weten we nu wel?

‘Nee, eigenlijk niet; mijn boeken hebben toch steeds weer een totaal andere vorm. De ene keer bevindt je je als lezer in een ziekenhuis, dan ben je weer in de achttiende eeuw op een zeilschip. Bovendien is de thematiek zo universeel – dat zal mensen denk ik eerder een gevoel van herkenning geven. Al zijn ze voor de een harder dan voor de ander, we krijgen allemáál klappen in het leven.’

De menselijke neiging is dan meestal te vluchten en gevoelens onder het tapijt te vegen. Waarom kiezen uw personages niet voor een constructievere manier om met hun verlies om te gaan?

‘Carolien voelt het verdriet, en bij haar resulteert dat in een diepe depressie. Maar de anderen verdringen het inderdaad. Vanuit mijn praktijk als psychoanalytica herken ik dat mechanisme. Als zo iemand bij mij in therapie zou komen, Hugo met zijn hyperactiviteit bijvoorbeeld, zou ik proberen bij het gevoel te komen dat daar onder verscholen ligt.’

Breekijzer

‘Maar de mensen in dit boek gaan niet in therapie, die blijven er zelf mee zitten. Wat mij het meest verraste was de ontwikkeling van Carolien, die had ik niet bedacht. Zij krijgt het zo benauwd van haar man, die haar onder druk zet, dat ze naar Hugo in Sjanghai vlucht. Langzaam komt ze in beweging, begint ze weer te voelen, raakt ze weer enigszins geïnteresseerd in de wereld om haar heen, zelfs in muziek. De situatie wordt op de spits gedreven omdat ze de prachtige, dure cello van haar muziekleraar erft. Dat instrument fungeert als een breekijzer. Als Carolien terugkomt uit China, pakt ze de cello op om stiekem te spelen. Wanneer Jochem dat ziet, raakt hij ontroerd.’

Er zit vooral opvallend veel ergernis en woede in het boek.

‘Woede is afweer tegen verdriet en machteloosheid. Mensen die zich, net als mijn personages, in een bepaalde situatie enorm bedreigd en machteloos hebben gevoeld, kunnen daar achteraf heel kwaad van worden. Daarnaast is er natuurlijk het gemis van de vriendschap en steun die ze aan elkaar hadden. Hun woede richten ze op alles waar ze het maar op kunnen richten – en natuurlijk vooral op elkaar en zichzelf. De momenten van verdriet in het boek zijn kleine vulkaanuitbarstinkjes door dat schild van woede heen.’

Heeft u dat zo zelf ook ervaren, nadat u uw dochter Margit verloor?

‘Nee, woede is niet mijn sterkste kant. Ik heb blijkbaar minder afstand tot mijn verdriet. Ik zou zelf graag wat kwaaier willen kunnen zijn.’

Ze glimlacht. ‘Daarom was het wel héél lekker om dit zo te beschrijven.’

Serie

Wat maakte dat u een vervolg op Kwartet wilde schrijven?

‘De personages uit dat boek, met name Jochem en Carolien, lieten me niet los, en een ander idee voor een nieuwe roman had ik niet. Toevallig – en met veel plezier – had ik afgelopen jaar veel series boeken gelezen, zoals de Napels-romans van Elena Ferrante, die prachtige Old Filth-trilogie van Jane Gardam en in ons eigen taalgebied de Kessels-trilogie van P.F. Thomése. Dat bracht me op het idee dat ik een roman kon schrijven over hoofdpersonen die ik al kende.

Een vervolgroman schrijven biedt speciale uitdagingen, en daar had ik me nog niet eerder aan gewaagd. Zo moet het een zelfstandig te lezen boek zijn, maar wel voldoende informatie bevatten over het verhaal uit het voorgaande boek, en dat is best lastig. Tijdens het schrijven had ik lange tijd het gevoel dat het nergens toe leidde. Als mijn redacteur me vroeg waar het over ging, antwoordde ik: ‘Geen idéé! Mijn personages hebben alleen maar ruzie met elkaar.’ Ik zat in het hoofd van de twee hoofdpersonen, er wordt veel gedacht en inwendig gepraat in het boek, maar dat doen ze nauwelijks met elkaar – over en weer is het vooral verwijt. Hoe gaan die vier elkaar weer onder ogen komen? De oplossing kreeg ik pas toen ik me realiseerde dat er een rechtszaak moest komen waarbij ze moesten getuigen tegen die misdadiger.’

Hoopvol

Wordt het schrijven met de jaren makkelijker?

‘In zekere zin wel. Schrijven zonder schema, dat durfde ik vroeger niet. Uit angst dat het anders niks zou worden en ik twee jaar voor niks had geïnvesteerd, deelde ik vroeger mijn romans vooraf al helemaal in scènes in. Bij Want de avond heb ik mezelf echter heel veel ruimte gegeven en wist ik absoluut niet waar het allemaal naartoe zou gaan. Ik heb nog nooit eerder zo vrij geschreven als nu.’

De roman eindigt hoopvoller dan uw eerdere boeken, of niet?

‘Ja, het is best een mooi einde, hè? De vier komen elkaar in elk geval weer onder ogen. Hoe dat verdergaat, of hun vriendschap hersteld wordt en ze weer samen gaan spelen, daar gaat het niet over. Maar in elk geval praten ze weer met elkaar. Dat slot diende zich vanzelf aan, maar ik vond het wel prettig om eens een keer een góéd einde te schrijven.’

Goed om te weten Goed om te weten

Want de avondvan Anna Enquist is verschenen bij De Arbeiderspers, €19,99.
Koop bij bol.com

Deel dit:

Hoe bier drinken en Haute Couture prima samen gaan op het Fashion + Design Festival Arnhem

Als ik aan mode dacht, zag ik een elitegroepje bij de catwalk voor me: kattige modellen en vijandige ontwerpers. Na mijn bezoek aan het Fashion + Design Festival Arnhem zijn al die beelden volledig bijgesteld. In de maand juni lijkt iedereen in modieus Arnhem samen te werken. Modeontwerpers lopen broederlijk met elkaar in een modeparade, delen ateliers, catwalks en vieren samen de mode.

‘Toen in 2013 bleek dat de Mode Biënnale in Arnhem niet door zou gaan, hebben we de handen ineengeslagen om met een nieuw festival de stad van de mode te waarborgen,’ vertelt zakelijk leider van het Fashion + Design Festival Riëlle Schoeman. Inmiddels viert het FDFA zijn vijfde editie. Dat lustrum wordt extra groot gevierd met een eigen festivalhart in de voormalige V&D, voor de maand juni -pun intented- de F&D.

Riëlle Schoeman Foto: Boris Lutters

Het festival duurt dit jaar van 1 juni tot 8 juli en er valt veel meer te beleven dan alleen maar mode en design. ‘Ons doel is om voor iedereen toegankelijk te zijn,’ zegt Schoeman, ‘we bedienen een breed publiek.’ Zo is er een modieuze circusvoorstelling te zien, kun je feesten op straat tijdens de nacht van de mode en in een workshop je eigen sneakers maken. Dat is dan nog maar een fractie van het programma.

De vele verschillende Arnhemse initiatieven zorgen voor een veelzijdig programma en werken allen broederlijk samen onder de koepel van het FDFA: ‘Wij verzorgen de marketing en promotie. We organiseren zelf niet, maar we initiëren wel,’ vertelt Schoeman. FDFA zorgt dat de programmering op elkaar is afgestemd. Zo staat dit jaar met het thema Essentials duurzaamheid voorop. Dat is in heel de stad feestelijk zichtbaar door het project Reflags: Studio VOLLAERSZWART versiert de stad met oude gerecyclede vlaggen en verknipt ze samen tot een nieuw kleurrijk mozaïek.

Textiel van oud plastic en leer van vissenhuid

Het is niet enkel kijken en shoppen, vertelt Schoeman: ‘The State of Fashion (StoF) heeft een heel goede inhoudelijke expositie: Searching for the New Luxury.’ StoF toont prachtige ontwerpen, maar vooral het verhaal dat achter die ontwerpen schuilgaat. Aan de rand van de stad in de Melkfabriek staat werk van verschillende ontwerpers die een antwoord op het duurzaamheidsvraagstuk bieden.

Foto: Lies Mensink

In de expositie zijn designs te zien met textiel gemaakt van oud plastic, leer van vissenhuid en latex van duurzaam rubber. Daarnaast zijn voor de expositie grote internationale namen als Vivienne Westwood en Stella McCartney naar Arnhem gehaald.

De tassen van Westwood gemaakt van gerecycled canvas, reclame-banners en afgedankte stukken leer zijn het pronkstuk van de expositie. Ze staan echter uitgestald op tapijtjes en blauwe zeilen zoals je bij menig straatverkoper kunt verwachten. Het is een knipoog naar de plaats waar ze geproduceerd zijn: de grootste sloppenwijk van Nairobi.

‘Voor je het weet loop je een groot ontwerper tegen het lijf’

Ook lokale initiatieven vullen het thema essentials op eigen manier in. Schoeman vindt het vooral belangrijk dat in de programmering het Arnhems talent getoond wordt, want ondanks dat Arnhem veel ontwerpers heeft voortgebracht, zijn hun producten er niet te koop. Schoeman: ‘Wij willen zorgen dat het werk van die ontwerpers een maand lang in Arnhem te zien is.’ In de F&D staan verschillende pop-up-shops van Arnhemse ontwerpers. Voor je het weet, loop je een bekend ontwerper tegen het lijf. Zoals Peet Dullaert.

Foto: Lies Mensink

Zijn stoffen zien er zo mooi uit dat je ze onmiddellijk wilt aanraken. ‘Het is zacht en glijdt heel lekker over je lichaam,’ vertelt Dullaert. Hij ziet mode als een persoonlijke ervaring voor de drager: ‘Wij zeggen niet: “dit is mode, je moet dit dragen.” Je voelt je er tot aangetrokken of niet.’ Dullaert vertelt dat hij niet zoveel meer in Nederland doet. Hoe bescheiden die formulering is, blijkt iets later als ik door Google leer dat zijn merk afdelingen in wereldsteden van New York tot aan Beijing heeft…

De onbeschaamde gretigheid van het publiek

Foto: Lies Mensink

Het Fashion + Design Festival is rondom de basis van het Arnhems talent gebouwd: de eindexamenshows van modeacademie ArtEZ. ‘We openen en eindigen ermee,’ vertelt Schoeman. Als mode-leek besluit ik mezelf flink bij te scholen en in het diepe te gooien: Ik neem plaats aan de catwalk van de graduationshow van ArtEZ.

In het gerenoveerde Musis theater staat een gigantisch intimiderende catwalk. Op dreunende technobeats paraderen de modellen; ze kijken verveeld en uitdagend tegelijk. Het is even wennen aan de onbeschaamde gretigheid van het publiek dat de modellen van top tot teen bekijkt, wijst, en hardop reageert op de verschillende outfits. Een model in een jurk en hoed gemaakt van luxaflexgordijnen loopt de catwalk op. ‘Ah! Wat grappig!’ klinkt het naast me. Bij een beter draagbaar gewaad hoor ik: ‘Prachtig!’

‘Iets later trekken twee modellen blikken halve liters pils open’

De verschillende collecties worden ijzig aangekondigd door een voice-over met Frans accent. Even waan ik me in modestad Parijs tot de collectie JE MOEDER van Dennis Schreuder de catwalk betreedt: Plots schalt er ‘Mama, je bent de liefste van de hele wereld’ uit de speakers. De tonen van Heintje blijven niet lang hangen en barsten los in een akelig harde remix. Schreuder ontlokt er een lach mee bij zijn publiek.

Wat ik in de collectie van studente Emmie Hermans voor een creatieve handtas aan zie, blijkt een zak chips te zijn. Iets later trekken twee van Hermans modellen blikken halve liters pils open. Zo zetten sommige collecties je volledig op het verkeerde been.

Gespot: een modieuze man

Foto: Lies Mensink

De zaal is voornamelijk gevuld met trotse ouders van de ontwerpers. Aan hun outfits te zien heeft het gevoel voor mode bij sommigen een generatie overgeslagen. Op de trap spot ik gelukkig een modieuze man. Thijs is sportief doch netjes gekleed; je zou het haast nonchalant kunnen noemen, maar alles lijkt hem te perfect te passen. Dat blijkt geen toeval: ‘Doordat ik zo’n ‘dunne kleerhanger’ ben, was ik vaak “doorpasmodel” voor vrienden op de academie.’ Thijs voegt daar bescheiden aan toe: ‘Dan hebben we het wel over tien jaar geleden hoor!’ Inmiddels woont en werkt hij in Arnhem als parfumeur.

Als ik Thijs vraag of hij extra over zijn outfit nadenkt bij een bezoek aan zo’n evenement, zegt hij eerst vastbesloten: ‘Nee,’ maar dan: ‘Nou hoewel.. Ik heb een dure pantalon van Acne Studios en dan denk ik wel “die trek ik nu aan.”‘ Vol bewondering kijk ik naar zijn broek, ‘Wel met 70% korting in de uitverkoop gekocht, hoor!’

Over zijn hoogtepunt van de show moet hij even nadenken. Thijs lijkt de vele outfits in zijn hoofd te reconstrueren. Maar dan: ‘Ja, ik weet het!’ Thijs vertelt over het model in een ontwerp van Dennis Schreuder. Ze liep van top tot teen gekleed in denim tot ze haar lange rok afscheurde en ineens een knalrode latex slip toonde. ‘Dat vond ik een heel spannend moment.’

Met een parade naar het hart van de modestad

Foto: Lies Mensink

Voor mijn tweede dag ga ik naar het hart van de modestad, Modekwartier Klarendal, voor de Nacht van de Mode. Deze wordt geopend met een feestelijke parade.

Rijen fanfaremuzikanten worden gevolgd door vier modellen op torenhoge hakken. Samen leiden zij een uitgelaten menigte naar het Modekwartier om daar de nacht van de mode gezamenlijk te openen. Tot middernacht zijn alle ateliers en winkels geopend en is het feest in Klarendal.

‘Hoe gekker hoe beter!’

Maaike, Els, Fien (de hond) en Esther

Maaike, Els, Esther en hond Fien vormen met kartonnen borden om hun nek een opvallende verschijning in de parade. Met hun grafische design studio Paradijs vertegenwoordigen zij het stukje design in de Nacht van de Mode. Voor de nacht maken ze een photobooth, iedereen kan daar met net zo’n gespierd torso als Els op de foto. Als ik de dames vraag wat de festivaltrend is, zeggen ze: ‘Hoe gekker hoe beter!’ Dat maken ze zelf zeker waar.

‘Voor vandaag ben ik mannequin’

Claudia, Hanneke en Jörgen

Ook Hanneke Janssen loopt mee: ‘Voor vandaag ben ik mannequin.’ Ze is gekleed in een jurk van Clau-D en wordt vergezeld door haar man Jörgen en ontwerpster van de jurk Claudia Träumer. Hannekes man Jörgen ziet er even fijn gestyled uit. Als ik vraag of ook hij Clau-D draagt. Zucht hij, ‘Helaas, maar als er een mannenlijn komt, ben ik de eerste die iets koopt!’ Hanneke staat vanavond op de buiten gebouwde catwalk voor Claudia’s winkel en deelt daar het podium met twee dames van Studio Bolder.

Met zoveel kleine modezaakjes naast elkaar zou je concurrentie verwachten, maar niets blijkt minder waar. Claudia vertelt dat Studio Bolder geen eigen werkruimte meer heeft: ‘Ik zeg: “Ik heb plek zat. Dan kom je toch lekker bij mij.”’

‘Modellen lopen in Haute Couture door de feestende, bierdrinkende massa’

Foto: Lies Mensink

Naarmate de nacht vordert, vullen de straten in Klarendal zich en is het festivalgevoel alom aanwezig. De gepropageerde duurzaamheid lijkt wat ver te zoeken met alle plastic bierbekers, maar wellicht veegt een ontwerper ze op om er een mooie nieuwe plastic rok van te maken.

Niet alleen de ontwerpers werken op de nacht van de mode met elkaar samen. Heel de buurt helpt mee: bewoners verkopen muffins op straat, spelen balletje-balletje en op iedere straathoek staat er een lokale coverband. Slechts een paar meter verderop worden de Elite modellen klaargemaakt voor een laatste catwalk. De modellen lopen met hun haute couture door de feestende, bierdrinkende massa heen.

Het lijken totaal verschillende werelden, maar in het Modekwartier mengen ze perfect.

Deel dit:

Het Mirakel van Basel: ‘JA!’ zei het klootjesvolk in 1967 per referendum massaal tegen de aankoop van twee dure Picasso’s.

Dit is een buitengewoon verhaal over crowdfunding avant la lettre en een stedelijk ‘klootjesvolk’ dat nu eens niet per refendum tégen geld smijten naar moderne kunst stemt. In Zwitserland nota bene. Kunstmuseum Basel maakte er een kleine, fijne, indringende expositie over, nog te zien tot 18 augustus, 2018. Ideaal voor een tussenstop op weg naar Italië. Als je toch even in de Rijn gaat zwemmen, ook al zo geweldig.

Het Wonder van Basel

Foto: Julian Salinas

In 1967 ontvouwt zich een majeur probleem in het Kunstmuseum, sinds 1936 het belangrijkste museum/prentenkabinet van de Zwitserse stad Basel. De eigenaar van de twee meesterwerken van Pablo Picasso, al jaren in bruikleen bij het Kunstmuseum, komt in ernstige financiële problemen door een vliegtuigongeluk. In april 1967 crasht een van zijn Globe Air-vliegtuigen op Cyprus. 117 passagiers en 9 bemanningsleden komen om het leven; de kleine luchtvaartmaatschappij gaat snel failliet. Grootaandeelhouder Peter G. Staechelin is gedwongen zijn grote kunstcollectie op de internationale markt te verkopen.

Foto: Harri Theirlynck

Een drama voor het museum

Dat betekent een drama voor het Kunstmuseum: dat zal zijn zijn twee grootste schatten en publiekstrekkers, Les deux frères (1906) en Arlequin assis (1923), beide van Picasso, naar het buitenland zien verdwijnen.
Een ondenkbaar scenario. Directie en museumvrienden komen in actie. Met de steun van de lokale bevolking willen ze fondsen bijeenbrengen om zelf de twee schilderijen te kopen. Het kunstminnende oproer kraait in Basel. Door middel van onder andere een legendarisch ‘bedelaarsfestival’ wordt 2,4 miljoen Zwitserse frank bijeengebracht.
Maar ja, de vraagprijs voor de twee Picasso’s is CHF 8,4 miljoen. Er is dus nog een tekort van 6 miljoen Zwitserse franken. Of de overheid maar even wilde bijpassen. Die is op haar hoede en besluit de vraag in een good old Zwitsers referendum voor te leggen aan de Baslers en Baslerinnen.

In de weken voorafgaand aan de stemming, debatteert nagenoeg de hele stad over zin en onzin van moderne kunst en met name het belang van de twee Picasso’s voor Basel.

Zijn die twee schilderijen ons dure belastinggeld wel waard?, was hamvraag. Tegenstanders en supporters, kunstenaars en commissies, bankiers en taxichauffeurs sloegen elkaar als tennissers (Roger Federer komt uit Basel) met argumenten om de oren.

‘Is 6 miljoen niet erg veel voor die ‘tekeningetjes’?’ ‘Moet dat geld niet worden gebruikt voor meer bejaardenhuizen?’ ‘Kunst mag best wat kosten.’ ‘In de wijk X hebben ze nog geen bibliotheek, in Y wonen nog steeds arme mensen, wat dacht je van de scheve stoeptegels in de binnenstad, laten we daar eerst iets aan doen!’

‘Too much money for art?’

De veldslagen worden in de media breed uitgemeten. In de openingszaal van de expositie krijg je – onder het motto ”Too much money for art?” – een indruk van de tumultueuze discussies op de taxistandplaatsen en hogescholen, in de cafés en vergaderzaaltjes van herfstig Basel.

Op 17 december 1967 geschiedt het wonder. De stembiljetten worden geteld. De uitkomst is fabuleus: een grote meerderheid van de stemmers keurt de kunstuitgave goed. Studenten, kunstenaars, huisvrouwen, bakkers en scholieren stromen de straten op en feesten tot diep in de nacht.

Nog een wonder

Dan volgt deel 2 van het Grote Wonder. Vanuit zijn woonplaats Mougins, in Frankrijk, heeft de grootste schilder van de 20ste eeuw de gebeurtenissen in Basel met belangstelling gevolgd. Palblo Picasso nodigt Franz Meyer, de directeur van het Kunstmuseum, uit in zijn studio. De 86-jarige schilder is zo geroerd door het enthousiasme van de Basler bevolking voor zijn kunst dat hij twee van zijn schilderijen aan Basel wilde schenken. Franz Meyer kiest in
overleg met Picasso de Vénus et l’amour en Le couple. ‘Die horen min of meer bij elkaar’, vond Meyer.

Foto H. Theirlynck

De koek is nog niet op. Picasso heeft al besloten ook nog een schilderij uit 1906 uit zijn Roze Periodepainting te schenken. En als kers op de taart mag Meyer ook een schets voor de beroemde “Les Demoiselles d’Avignon” uitkiezen, een van Picasso’s eerste en bekendste werken uit zijn kubistische periode. De schets, met dames van lichte zeden in wulpse posities, hangt in de huidige expositie ‘Kunst. Geld. Museum.’  achter een gordijntje.

‘Is dat gordijntje voor de kinderen?’ vraag ik wat onnozel aan de strenge suppoost. ‘Natuurlijk niet’, zegt ze nuffig. ‘Het is een oude tekening op oud papier, zeer kwetsbaar voor lucht en licht’. Voor mij trekt ze het gordijntje even opzij. Eén minuutje. Dan sluit ze het resoluut.

Nog een Picasso cadeau

Zo is het Kunstmuseum ineens liefst zes Picasso’s rijker. Maar het is nog niet klaar. De Oostenrijkse mecanas Maja Sacher-Stehlin voegt in alle feestvreugde een extra kubistische schilderij van Picasso aan de collectie toe. Zo worden in 1968 in totaal zeven nieuwe Picasso’s in het Basels Kunstmuseum gepresenteerd aan het stormlopende publiek.De verwerving van de zeven Picasso-schilderijen in 1967 en 1968, het Mirakel van Basel, is een mijlpaal in de geschiedenis van het Kunstmuseum. Alle reden om 50 jaar later, in 2018, een mooie, compacte en levendige expositie aan de twee roerige jaren te wijden.

In vijf achtereenvolgende kleine zalen hangen grote beelden van fotograaf Kurt Wyss, die in de jaren zestig werkte voor de National-Zeitung. Hij legde het bezoek van directeur Meyer aan Picasso in Mougins vast in zwart-wit foto’s.

Uiteraard zijn de verworven werken van Picasso aanwezig. Op grote tafels liggen facsimile uitgaven met krantenknipsels uit een tijd zonder crowdfunding en social media. Interessant leesvoer. En er is een vlot filmpje  met een mallotige acterend mannetje met bril dat praat alsof hij niet helemaal goed snik is maar die wel rake dingen zegt.

Hij leidt ons onzwitsers zwierig door het Mirakel van 1967, in de eigentijdse stijl van de huidige museum- en kunst-TV-filmpjes, waarin een vrolijke kunstkwibus je langs de collectie voert. Denk aan het best vermakelijke optreden van Lucas de Man in ‘ons’ Kunstuur.

Roofbank in oude James Bondfilm

Overigens: er is veel meer te doen in Kunstmuseum Basel. Als bij veel moderne musea – in 2016 kwam er een grootse nieuwe vleugel – is het gebouw soms mooier dan de exposities. Kunstmuseum Basel bestaat nu uit drie gebouwen. De Hauptbau, de Neubau en Gegenwart (het Museum für Gegenwartskunst), even verderop in de straat. De Neubau is groot, grijs en ‘bunkerachtige’, met dezelfde mega-brede trappen als in het hoofdgebouw. De catacomben van het ruimhartig onderkelderde gebouw doen denken aan een roofbank in een oude James Bondfilm.

Om de schoonheid van de nieuwbouw te ervaren moet je eigenlijk naar buiten lopen, een eind de tegenoverliggende Rittergasse in. Draai je om je ziet de staatsie van de Neubau: een hoge, gesloten muur van grijs-wit, die deel uitmaakt van de hemel, de hele omgeving dominerend. Binnen denk je eerst: zonde van de ruimte. Of in het idioom van de Baselse 1967-discussie: je zou hier met gemak drie verzorgingshuizen kunnen onderbrengen.

Maar dan mis je twee andere intrigerende exposities die nu in de Neubau draaien: de Black Madonna van de Amerikaanse Theaster Gates en The Music of Color van Sam Giliam. Er zijn verder nog 40 andere musea in Basel, waaronder Fondation Beyeler, het meest bezochte museum van Zwitserland.

En nogmaals: stort je even in de Rijn. Honderden vrijgezwommen Baselaars doen dat elke dag. Mee met de stroom en dan in bikini of zwembroek tegenstrooms teruglopen over de boulevard om nog een keer in de Rijn te springen. Basel is stukken bijdetijdser dan je denkt.

Goed om te weten Goed om te weten

Kunst. Geld. Museum. Kunstmuseum Basel, tot 12 augustus 2018. www.kunstmuseumbasel.ch. Alles over Basel: zie www.basel.com

Deel dit:

Amsterdam heeft het @HollandFestival. Vraag je eens af waarom dat zo is. En of dat ok is.

Foto: Michielderoo (Own work) [CC BY-SA 4.0 (http://creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0)], via Wikimedia Commons

Vorige week vroeg mijn buurvrouw Stefanie tijdens het rondje met hond: ‘Wat is dat eigenlijk, dat Holland Festival?’, en ik betrapte mezelf er bijna op dat ik vermoeid ging uitleggen dat het het belangrijkste podiumkunstenfestival was Nederland en omstreken en dat iedereen met een beetje opleiding het zou moeten kennen. Maar ik hield me in. En vroeg me af: hoe erg is het eigenlijk dat een hoogopgeleide vrouw uit een beeldendekunstnest geen idee heeft van het Holland Festival? Terwijl ze wel van Festival aan de Werf wist, al leeft dat nu alweer een paar jaar onder de naam Spring voort.

Dit speelt zich allemaal af op zo’n veertig kilometer van het Leidseplein in Amsterdam. Een uur van deur tot deur met alle vervoersopties behalve de driewieler. Het zou net zo goed een andere planeet kunnen zijn. In het kleine Nederland is een kilometer immers veel langer dan in een groter buurland als Duitsland. Het is dus niet vreemd dat een kunstliefhebber in Utrecht niet op de hoogte is van  een festival in Amsterdam. Al is ze dat, dankzij mij, nu wel.

Vage beelden

Waarom speelt het Holland Festival zich eigenlijk uitsluitend af in Amsterdam? Waarom is het belangrijkste podiumkunstenfestival van Nederland alleen in de hoofdstad mee te maken? De vraag is minder gek dan het lijkt. In mijn herinnering staan vage beelden van Holland Festival-activiteiten in Rotterdam in de diepe jaren zeventig van de vorige eeuw. Iets wat toen structureel leek, maar ik kan het mis hebben. Maar toen was het Holland Festival in mijn herinnering een landelijk feest.

Feit is natuurlijk dat Nederland toen nog niet gefestivaliseerd was. We hadden maar één festival, en dat was het Holland Festival. Nu heeft iedere stad, iedere buurt, zijn eigen festival en dat vaak ook nog eens op verrassend hoog niveau. Het is lastig om daar dan heel uniek tussen te zijn en op te vallen.

Landelijke ambitie

Toch wil ik hier een pleidooi houden voor een iets landelijker ambitie van het Holland Festival. Al is het maar richting de Randstad. Ik noem een paar essentiële redenen.

1: Amsterdam heeft Carré.

De grote acts van het Holland Festival kunnen natuurlijk uitstekend terecht in Carré, maar zeg nou zelf: de zichtlijnen zijn er notoir slecht en de foyers ridicuul klein. Dat kan beter, en daarvoor is ooit het (Nieuwe) Luxortheater in Rotterdam neergezet. Als trein en metro meewerken: een uur van deur tot deur voor Amsterdammers. En een waanzinnige plek, met werelds uitzicht.

2: Amsterdam heeft de Nes.

Ooit was de Nes een fijn stil obscuur theaterstraatje waar je iedereen die je tegenkwam herkende uit de voorstelling die je net bijgwoond had. Inmiddels is de Nes ten prooi gevallen aan het massatoerisme dat heel Amsterdam in een onbewandelbare jungle heeft veranderd. Hoe anders is dat in Den Haag, waar het Theater aan het Spui twee perfecte zalen heeft, op loopafstand van het station. Ook binnen het uur van deur tot deur. Net als het zo mogelijk nog bruisender en wereldser gebied rond de Witte de Withstraat, met twee zalen van Theater Rotterdam en een paar fantastische beeldende kunstlocaties. Plus een frietboetiek. En Bazar.

3: Amsterdam heeft de Westergasfabriek.

Elke stad heeft moeilijk bereikbare plekken vol industrieel erfgoed die zo perfect geschikt zijn voor groots gemonteerde opera of andere podiumkunst. Soms moet je er een eindje voor fietsen, of met een stoptrein (Utrecht), een bus (Den Haag) of een boot (Rotterdam), maar dan heb je ook wat. Locatie, locatie, locatie, zegt de makelaar dan. En die kan het weten.

4: Amsterdam heeft ITA.

Donderdag 28 juni maakte ik wederom mee waarom de Stadsschouwburg Amsterdam, binnenkort gezegend met de hilarische naam Internationaal Theater Amsterdam, totaal, maar dan ook totaal ongeschikt is als Festivalhart. De zalen zijn natuurlijk prachtig. Maar daar blijft het helaas bij. Het restaurant mag dan op details iets beter zijn dan vroeger, maar het personeel wordt nog steeds geworven uit toneelschool- en theaterwetenschapstudenten die tijdens het bedienen meer bezig zijn met hun looks en de mogelijke stageplekken die er voor het grijpen liggen dan het op tijd bedienen van het gewone volk. Het enige dat voor ze pleit is dat je er niet in het Engels hoeft te bestellen, zoals op de rest van het Leidseplein, maar dat is een kwestie van tijd.

Erger zijn echter de nauwe lage krochten beneden, waar je geacht wordt te mingelen en mixen met alle andere bezoekers. Dat botst. zeker als de muziek ook nog eens onnodig hard gaat en het nog lang geen tijd voor clubnacht is.

Nee, dan TivoliVredenburg. Dat is fris, modern en bovenal gebouwd als festivalhart. Daar is lucht en ruimte voor iedereen en alle smaken. Het personeel is er voor de gasten, en het aantal plekken om je even rustig terug te trekken in je eigen bubbel is voldoende. Last but not least: de restaurants zijn beter. Op twintig treinminuten van Amsterdam.

Het Holland Festival is onmisbaar en van belang voor heel Nederland

Dit alles neemt natuurlijk niet weg dat dit jaar een prachteditie was. Ruth Mackenze nam afscheid als directeur en we mogen alleen maar hopen dat haar erfenis behouden blijft. En die erfenis is niet eens de hoge kwaliteit van het aanbod. Nee, sterker nog: ik denk dat het de breedte van het aanbod is. De proms in het Concertgebouw (die daar vooral moeten blijven) zijn daar het beste voorbeeld van. Laagdrempelig, soms op een niveau dat te laag ligt voor de ware muziekaficionado maar perfect is voor de incidentele voorbijganger, en altijd aanstekelijk. Het doet precies wat nodig is: de poorten van die muziektempel opengooien voor een prijs waarvoor je in Amsterdam niet eens een pot Nutella kunt kopen.

Volgend jaar wil ik dus veel meer van dit soort extremen. En graag over de hele randstad verspreid. Kunnen we dat regelen?

Lees hieronder alles wat we dit jaar over het Holland Festival schreven.

‘Vernieuw jezelf, of kwijn weg.’ Hoe het @hollandfestival de vaste klant een verfrissende schop onder de reet geeft.

Lessons in Love and Violence: gloedvolle muziek wekt ijskoud drama niet tot leven in @hollandfestival

Gisèle Vienne brengt op @hollandfestival een voorstelling over rave-cultuur: ‘Geweld en agressie zijn niet per se negatief.’

Nerds en muisarmen in het Muziekgebouw. De lat ligt hoog voor de nieuwe bazen van het @hollandfestival

De Proms van het @Hollandfestival zijn veel, vet en vol. Zo nu en dan is dat best lekker

Hewar en Gurdjieff Ensemble @Hollandfestival: muziek verenigt twee geplaagde volkeren

Gesualdo in het @hollandfestival: een helse match, made in heaven.

Het is aan ons om Octavia E. Butlers zaaier vruchtbare grond te bieden in het @hollandfestival

Het koloniale beeld van de zwarte vrouw met ontbloot bovenlijf wordt herschreven in Legacy van Nadia Beugré op @HollandFestival

De echte @hollandfestival special #3 over Bowie. En Bausch. Hoe de recente doden ons levend houden.

Dimitris Papaioannou zet erfgoed Pina Bausch naar zijn hand met Neues Stück 1 Seit sie voor Tanztheater Wuppertal, Holland Festival #HF2018

Choreograaf Arno Schuitemaker overtreft zichzelf met ragfijn The Way You Sound Tonight op @HollandFestival 2018

Podcast: Zou Nederland ooit rijp zijn voor Science Fiction? @Hollandfestival biedt context bij Octavia E. Butler

Fritz Lang versus George Benjamin in het @hollandfestival: een frisse vermoeide dood.

Paniek is besmettelijk, seks niet. Over mijn bange uren tijdens en na Sex and Anxiety in het @hollandfestival.

Onze enige unieke @hollandfestivalspecial #2: inspiratie en beklemming in de eerste week #hf18

Hyena van Georg Friedrich Haas: hoe Mollena Williams-Haas afkickte van haar drankverslaving #HF18

‘Kata’ toont in @hollandfestival hoe inspirerend een vreedzaam gevecht kan zijn (recensie)

Steve mcQueens End Credits zoemt nog lang na

Richters Patterns @Hollandfestival: Stoplicht springt op rood, stoplicht springt op groen

Het laatste Holland Festival van Ruth Mackenzie belooft zomaar een van de spannendste te worden

Arno Schuitemaker @hollandfestival: ‘Ik wil een nieuwe manier, een nieuw vocabulaire vinden, dat nog niet in mijn vorige werk te zien is geweest.’

Elkaar aanraken is taboe. Anne Nguyen brengt breakdance en capoeira, kwetsbare mannen en videogames in Kata @hollandfestival

Martin Crimp over Lessons in Love and Violence in het @hollandfestival: ‘Het verleden is een speeltuin, waarin ik kan ontsnappen aan het voortdenderende nieuws.’

Een gespannen gesprek over onrust en seks op de vroege zondagochtend: The String Quartet’s Guide to Sex and Anxiety @HollandFestival

Gesualdoproject in @hollandfestival door De Warme Winkel: ‘We willen de oren zalven en geselen’ #HF18

Duitse Anna Karenina in @hollandfestival als seventies discoshow: ‘We waren wel eens bang of we niet te ver gingen. Maar dan hadden we altijd de muziek nog.’

Regisseur ‘Saigon’ (@hollandfestival) zoekt extreme emoties op: ‘Ik wil geen afstand meer tussen het verhaal en het publiek.’

‘Stadium’ in het @hollandfestival: Maak kennis met de harde supporterskern van Racing Club de Lens. Maar dan ook echt.

Stef Aerts regisseert 3D-spektakel JR in het @hollandfestival: ‘Om van 700 pagina’s echte literatuur naar een behapbare toneeltekst te gaan, lukt niet zomaar.’

Mackenzie zet bij het Holland Festival de deuren open voor een nieuwe avant-garde onder het publiek.

 

Deel dit:

Opera ‘The Rise of Spinoza’ van Theo Loevendie verdient vaste plaats in het repertoire

In 2014 kreeg de wereldpremière van The Rise of Spinoza van Theo Loevendie een enthousiast onthaal in de NTRZaterdagMatinee. Terecht, want Markus Stenz stuurde het Radio Filharmonisch Orkest, Groot Omroepkoor, zangsolisten en blokfluitist Erik Bosgraaf trefzeker door de kleurrijke eenakter. Onlangs verscheen de live opname op cd, zodat de opera ook een internationaal publiek kan bereiken.

De inmiddels 87-jarige Loevendie koestert al zijn leven lang bewondering voor Baruch (ook wel Bento) Spinoza. Dit spreekt voor hem eigenlijk vanzelf, want Spinoza is net als hij in Amsterdam geboren en getogen. Als jongen zag hij in de stad vele verwijzingen naar deze 17e-eeuwse filosoof en wetenschapper. Bijvoorbeeld in het naar hem vernoemde Spinozalyceum. Loevendie’s (stief)vader verkocht boter, kaas en eieren op de Ten Katemarkt, de vader van Spinoza handelde in mediterrane producten.

Natuurwetten

Spinoza’s denkbeelden over God spraken de jonge Loevendie bijzonder aan. ‘Als agnosticus ben ik op mijn hoede voor religieus dogma’, vertelde hij me voor de première in 2014. ‘Zijn uitspraak “Deus sive natura” (God ofwel de natuur) is mij uit het hart gegrepen. We zijn onderhorig aan de natuurwetten en als je daartegen zondigt gaat het mis. Dat zie je nu ook gebeuren, maar voor zijn tijd waren dat revolutionaire denkbeelden, geen wonder dat Spinoza al snel als atheïst te boek stond.’

In 1656 werd de filosoof uit de Joodse gemeenschap verstoten en uiteindelijk zelfs door het stadsbestuur uit Amsterdam verbannen. In het door hemzelf geschreven Engelstalige libretto zoomt Loevendie in op dit tragische moment in Spinoza’s leven. Hij citeert zelfs integraal de ongemeen felle banvloek die de Joodse kerkenraad over hem uitsprak. Wegens diens ‘afschuwelijke ketterijen’ en ‘ijslijke werken’ mag niemand in zijn nabijheid verblijven of zijn geschriften lezen.

Blokfluit en countertenor

Loevendie zet naast zangsolisten ook een blokfluit in, als referentie aan Jacob van Eyck. Deze tijdgenoot van Spinoza weeft als objectieve waarnemer de vier scènes aan elkaar. De rol van Spinoza wordt gezongen door een countertenor. Niet zozeer uit een behoefte de contemporaine sfeer te benadrukken zegt Loevendie, maar om Spinoza’s karakter te treffen. ‘Hij was helemaal vergeestelijkt en een countertenor is een beetje onbepaald: het is geen man en geen vrouw. Dat stemtype drong zich als het ware aan me op.’ Het symboliseert tegelijkertijd de geïsoleerde positie van Spinoza.

De Rise of Spinoza opent met donker, mysterieus gerommel van het orkest, waaruit een contrabasmotief opdoemt. Plaats van handeling is een marktplaats waar Spinoza discussieert over zijn standpunten met rabbijn Morteira. Van veraf klinken allengs luider wordende kreten van marktkooplui: ‘butter, cheese and eggs’ tegen een driftig kwinkelerende blokfluit. Dit verwijst naar de kakofonie aan klanken die Loevendie zich uit zijn jeugd herinnert. Een levendig beeld, ook al zijn de zangers te klassiek geschoold om de rauwe klank van ‘fishwives’ en ‘peddlers’ te treffen.

Binnengesmokkelde romance

In vier scènes voert Loevendie ons door het compacte libretto. Zijn behandeling van orkest en koor is verfijnd en gevarieerd. Dramatische momenten worden onderstreept met uiterst dissonante harmonieën, als de gemoederen bedaren horen we subtiele, haast romantische klankweefsels. Gezongen slogans en ritmisch geklap van het koor geven de muziek vaart en luchtigheid. De zangpartijen van de solisten zijn opvallend melodieus en zingbaar.

Spinoza (een adequate Tim Mead) heeft ontroerende, lyrische lijnen, vooral wanneer zijn ontluikende liefde voor Clara oplaait. Katrien Baerts is met haar pure sopraanstem de ideale Clara. – Hun romance is overigens niet historisch maar door Loevendie omwille van de dramatiek het verhaal binnengesmokkeld. – Zoals hij ook Van Eyck heeft toegevoegd.

Never the twain shall meet

De tenor Marcel Rijans is mooi als bespiegelende François van den Enden, de atheïstische vroegere leermeester van Spinoza. Hubert Claessen geeft diens kwelgeest Morteira indrukwekkend gestalte met zijn sonore bas-bariton. Loevendie karakteriseert beiden met een vijftonig motief, maar als het ware in spiegelbeeld. Als de lijn van Spinoza omhoog gaat, duikt die van de rabbijn omlaag en vice versa. Zo wordt muzikaal geïllustreerd dat de twee nooit nader tot elkaar zullen komen.

Erik Bosgraaf glorieert met virtuoze commentaren en intermezzi op alle denkbare blokfluiten, van de ultrahoge garklein tot een tenorblokfluit. In de slotscène speelt hij een weemoedig afscheidslied terwijl Spinoza per schip Amsterdam verlaat. Met The Rise of Spinoza heeft Loevendie een aantrekkelijke opera geschreven, die een vaste plaats verdient in het operarepertoire. De gloedvolle opname op deze cd vormt hiertoe alvast een mooi opstapje.

Deel dit:

‘Vernieuw jezelf, of kwijn weg.’ Hoe het @hollandfestival de vaste klant een verfrissende schop onder de reet geeft.

Foto: Thomas Aurin

Dat is alvast één fout die je kunt maken: boeken voor een voorstelling van Christoph Marthaler en dan verwachten dat er iets nieuws zal gebeuren. Toch deed ik het, bij mijn laatste bezoek aan het Holland Festival van dit jaar. Iemand had gezegd dat de Zwitserse theatermaker die al sinds het begin van zijn carrière voorstellingen maakt waarin verloren zielen in een donker gelambriseerde ruimte drinken en liedjes zingen omdat alles toch verloren is, zichzelf heruitgevonden had. Helaas, gisteravond, 28 juni, zat ik in de Stadsschouwburg van Amsterdam te kijken naar een donker gelambriseerde ruimte, waarin verloren zielen liedjes zongen omdat alles toch verloren was.

Blauwe knoop

Scherpe lezers zullen hebben opgemerkt dat niet alles hetzelfde was: er werd dit keer niet gedronken. Schijnt ermee te maken te hebben dat Marthaler zelf zo verstandig is geweest de fles te laten staan. Want, het moet gezegd, zo ergens rond het jaar 2010 was ik hem kwijtgeraakt omdat alles wel erg beneveld werd op het toneel van de bourgondische Zwitser.

Dus eigenlijk had het mij een weldadige rust moeten geven dat alles bij het oude gebleven was en Marthalers lever er nog was. Er waren nog steeds mensen die liedjes zongen, al waren het dit keer geen havenliedjes, zoals bij eerdere hoogtepunten, maar veelal christelijke liedjes. Die werken hier wat minder op de nostalgiespieren. ‘Een vaste burcht is onze god’, is zo’n nummer waarvan normale mensen aan de drank raken, omdat het ze herinnert aan een jeugd met minder fijne kantjes.

Resistent

Wat overblijft is het bij Marthaler gebruikelijke hoogtepunt halverwege, wanneer drie oude Hammondorgels ingezet worden om en moppie Procol Harum te doen, en iets met close harmony zingende urinoirs. En daarna is dit diepzeeavontuur klaar om voort te kabbelen tot het onherroepelijke einde. dat dan weer geen einde is. Want ja, de lambrisering stelt dit keer een kamer voor op de bodem van het Bodenmeer, op het diepste drielandenpunt ter wereld. Iets met vluchtelingen en resistente bacteriën.

Alles bij het oude, de acteurs een decennium grijzer en soberder. Dat gevoel van totale stilstand is geen fijn gevoel om de zaal mee uit te komen. Dit werd door de organisatie van het festival er nog extra ingepeperd doordat in het immer beruchte schouwburgcafé de levendige beats inmiddels op de pijngrens waren beland. Afterparty voor de wél levende en nieuwe voorstelling Crowd (hier ook besproken), speciaal bedoeld voor de deelnemers aan het programma HFYoung, waarvoor de belangrijkste eis is dat je niet ouder bent dan 39.

Dus strompelde ik, ouder dan 39, naar buiten waar het bier en de verkoelende avondbries lonkte. Het is niet fijn om je oud te voelen voor de tijd daar is. En precies dat was wat de combi Marthaler en afterparty me gaf.

Briljant

Wat mij op de gedachte bracht dat deze afsluiting van het Holland Festival briljanter is dan ik in eerste instantie vermoedde. Het gaat in de kunst niet om leeftijd, maar om mentaliteit. Marthaler viert de stilstand, maar bevestigt ook iets fundamenteels in de kunsten: doorgaans is een kunstenaar maar tot één kunstwerk in staat, en zal zij dat tot in lengte van dagen blijven herhalen, verbeteren, herkauwen. De Red Hot Chili Peppers brengen tenslotte ook elke zoveel jaar een CD uit, met iets andere titels, maar dezelfde muziek.

Zulke zichzelf herhalende kunst is er niet voor niets. Hij zweept je op om niet te worden zoals zij. Want je kunt jezelf ook blijven heruitvinden. Steeds weer overstag gaan, een andere koers zoeken. Tijdens het Holland Festival van dit jaar kwam tenslotte minstens één kunstenaar voorbij die dat zijn hele leven had gedaan.

Redding is nabij. Zoek de Bowie in jezelf!

Of ben ik nu een nostalgische oude zak die aan zijn verleden vasthoudt?

Moeilijk, hoor.

Deel dit:

Lessons in Love and Violence: gloedvolle muziek wekt ijskoud drama niet tot leven in @hollandfestival

Foto: Stephen Cummiskey Music George Benjamin Text Martin Crimp Director Katie Mitchell Designer Vicki Mortimer Lighting designer James Farncombe Movement director Joseph Alford cast: Stéphane Degout, Barbara Hannigan, Gyula Orendt, Peter-Hoare, samuel-boden, jennifer-france, krisztina-szabo, andri-bjorn-robertsson, sergey-levitin

‘Liefde is vergif’ zingzegt Mortimer in de eerste scène van Lessons in Love and Violence tegen de koning. De militair adviseur hekelt diens relatie met Gaveston, die hij overlaadt met gunsten terwijl zijn onderdanen honger lijden. ‘Don’t bore me with the price of bread’ riposteert de koning. Liever trakteert hij zijn minnaar op poëzie en muziek dan zich te bekommeren om zijn volk. ‘Liefde maakt ons menselijk.’

In deze derde opera van componist George Benjamin en librettist Martin Crimp ontbreekt echter elk spoor van liefde. Het is een ijzig drama dat enkel verliezers kent. De koning dwingt Gaveston onder ijs te zwemmen tot zijn longen knappen en houdt zijn hand boven vuur.

Omgekeerd wortelt Gavestons ‘liefde’ in zelfbelang. Hij voert een schrikbewind onder het volk, zorgt ervoor dat Mortimer wordt uitgestoten en confisqueert diens goederen. Koningin Isabel op haar beurt legt het aan met Mortimer, met wie ze haar zoontje opvoedt tot marionettenkoning. Samen met hem tekent ze bovendien het doodvonnis van Gaveston en haar echtgenoot. Maar uiteindelijk blijft ook zij met lege handen achter.

Liefde is nooit onbaatzuchtig

De cynische gedachte dat liefde nooit onbaatzuchtig is loopt als een rode draad door de voorstelling. Het streven naar macht is alles overheersend. – Mooi gesymboliseerd door de verlichte koningskroon die voortdurend het podium wordt op- en afgereden. Zodra de ‘jonge koning’ is gekroond besluit hij Mortimer te doden en diens ogen uit te steken. De zoon heeft zijn ‘lessen in liefde en geweld’ geleerd.

Crimp mag voor Benjamin de gedroomde librettist zijn, dat geldt niet per se ook voor de opera. Diens teksten zijn weliswaar fraai en muzikaal, maar te abstract om de karakters psychologische diepgang te geven. Daardoor kun je je met niet één personage identificeren, ze zijn allemaal even koud en kil. Alleen het dochtertje – simpelweg ‘het meisje’ – weet enig mededogen op te roepen. Als zwijgende omstander maakt zij haar kinderlijke aanhankelijkheid aan en bekommernis om haar vader emotioneel invoelbaar. Een glansrol van de actrice Ocean Barrington-Crook.

Gloedvolle muziek

Tegenover de kille sfeer op het toneel plaatst Benjamin broeierige muziek vol kostelijke klankkleuren. De onderhuidse spanning is continu voelbaar in huiveringwekkend dissonante klankvelden die echter listig zijn verpakt in zoetgevooisde harmonieën. – Hoe paradoxaal dit ook moge klinken. Dit zacht smeulende vuurtje wordt doorbroken met luid opvlammende uitbarstingen van koper en slagwerk. Benjamin volgt de tekst op de voet en zijn muziek herinnert soms aan het expressionisme van Berg of Schönberg. De lyrische, parlando zanglijnen roepen dan weer de opera’s van Benjamin Britten in herinnering.

Wagner kijkt om de hoek wanneer het orkest een ander verhaal vertelt dan de zangers. Bijvoorbeeld in het schitterende duet tussen Isabel en de koning in de vierde scène. Terwijl hij verbitterd zijn woede uitschreeuwt over de moord op Gaveston klinkt uiterst lieflijke muziek. Mooi zijn de gedempte slagen op een cimbalom en statige harmonieën in de zesde scène. De koning is dood, maar Gaveston omstrengelt hem als ‘de vreemdeling’ nog een laatste keer. Eerder kondigde een eenzame handtrommel hun beider dood al aan.

Verstikkend universum

Het is goed te horen dat Benjamin zijn partijen schreef op het lijf van zijn zangers. De bariton Stéphane Degout is een imposante koning, Gyula Orendt overtuigt als Gaveston ondanks een klein braampje in zijn keel. Barbara Hannigan betovert ons als Isabel, haar stem klinkt zelfs in de allerhoogste regionen vol en rond. De tenor Peter Hoare geeft zijn rol van Mortimer helder en krachtig gestalte. Samuel Boden is een prachtig pure jongen/jonge koning.

De enscenering van Katie Mitchel is doeltreffend. De zeven scènes spelen zich af in een slaapvertrek, telkens vanuit een ander perspectief bezien. In een kleurig verlicht aquarium zwemmen aanvankelijk nog vissen, maar na enkele scènes rest slechts een dorre hoop stenen. Ramen ontbreken: in dit gure universum overheerst de dood. De verstikkende sfeer wordt benadrukt doordat de personages vaak in slowmotion bewegen.

George Benjamin leidt zelf het Radio Filharmonisch Orkest, dat opnieuw zijn klasse toont met een fijnzinnige vertolking van diens gloedvolle muziek. Jammer genoeg kan deze het abstracte libretto niet tot leven wekken.

De Nationale Opera/Holland Festival
George Benjamin/Martin Crimp: Lessons in Love and Violence
De opera is nog te zien tot en met 5 juli
Info en kaarten hier.

Donderdag 28 juni is een semiscènische uitvoering te zien van Written on Skin in het Muziekgebouw aan ‘t IJ

Deel dit:

Gisèle Vienne brengt op @hollandfestival een voorstelling over rave-cultuur: ‘Geweld en agressie zijn niet per se negatief.’

Crowd, Gisèle Vienne. Foto: Estelle Hanania.

De Frans-Oostenrijkse theatermaakster Gisèle Vienne toont haar nieuwste werk Crowd op het Holland Festival. Vienne neemt de rave-party als uitgangspunt voor subtiele observaties over wat mensen beweegt tijdens een nachtje stappen. De voorstelling enscèneert naast het extatische plezier van dance en trance ook allerlei vormen van nachtelijk zelfverlies, onbeholpenheid, eenzaamheid en agressie.

Crowd, Gisèle Vienne. Foto: Estelle Hanania.

Acid

De prachtige mix van acid, trance en techno, samengesteld door Peter Rehberg, zal vertrouwd in de oren klinken voor wie uitging in de jaren ’90. Vergeken met die generatie zijn de vijftien dansers nog piepjong. Iedereen lijkt van vlak voor of vlak na de milleniumwisseling te zijn.

In gesprek met Gisèle Vienne, in Grenoble februari dit jaar, vraag ik haar naar het verschil met eerder werk, waar nooit zoveel mensen in optraden.

Gisèle Vienne lacht hartelijk: “Nou ja, in Showroomdummies zitten negen dansers en twaalf poppen, dat zijn 21 figuren bij elkaar. Wat echt uitmaakt is dat in mijn oudere werk de rollen altijd solo bleven. Het gaat om solitaire figuren, of er nu drie, vijf of negen mensen op het podium staan. In mijn twee laatste voorstellingen, The Ventriloquists Convention en Crowd, is de groep echt het onderwerp en heb ik de groep àls groep geënscèneerd. The Ventriloquists Convention, met negen buiksprekers en hun poppen, was een overdosis aan taal.”

Loslaten

“In Crowd zit een enorme lichamelijke gelaagdheid. Het is heel precies gechoreografeerd en technisch, maar het is ook belanrgijk dat de dansers een enorme gevoeligheid voor elkaar hebben op het podium, en niet geforceerd, overgeacteerd performen. Ik heb veel met mediatie gewerkt, zodat de dansers leerden om los te laten en hun bewustzijn te vergroten. Dat is eigenlijk het tegenovergestelde van wat acteurs en dansers leren, te controleren en dat ook te tonen.”

Geweld

Vienne verweeft in Crowd groepsgedrag, losse gebaren en individuele trekken minutieus met elkaar en voorziet ze op een onnadrukkelijke manier van scherpe randjes. De perverse effecten van eenzaamheid, afwijzing en (angst voor) buitensluiting treden slechts terloops naar voren, wat een onverhoeds en uitermate wrang effect heeft.

Geweld speelt op verschillende manieren een belangrijke rol in je werk. In Crowd blijft het heel impliciet.

“Ik wilde geen extravagante situatie. Alles moest simpel blijven en suggestief. Tijdens het proces heb ik aan Toute une nuit van Chantal Akerman gedacht, enorme emoties die voortkomen uit de eenvoud van mensen die elkaar tegenkomen, aan een tafel zitten, een sigaret roken, situatie na situatie.”

Geen geweld

“Een ander belangrijk aspect is dat, terwijl ik met verschillende groepen aan dit project werkte – nog voordat ik de uiteindelijke cast samenstelde – en ik steeds bepaald materiaal voorstelde verbonden met geweld, de groepen steeds opnieuw vooral een boel sensualiteit en plezier produceerden en veel minder op geweld en agressie uitkwamen.”

“Dat is het mooie van een werkproces en van live performance, dat ik wel mijn ideeën heb, maar dat ik ook met de werkelijkheid van deze mensen te maken heb. Ik ben daar uiteraard in meegegaan. Wie ben ik om hen explicitet mijn ideeën op leggen? Het geldt trouwens ook voor toechouwers. Sommigen vinden het nog steeds een hele duistere en geweldadig voorstelling, terwijl het voor anderen vooral intens genieten is.”

Crowd, Gisèle Vienne. Foto: Estelle Hanania.

De grote groep geeft een andere draai aan je werk?

“In mijn oudere stukken verbond ik geweld meer met intieme fantasieën, relaties en situaties. In Crowd bestaat het individu ook, zijn er geïsoleerde persoonlijkheden en interne paden, maar ze maken deel uit van geheel en het gaat uiteindelijk over wat de groep aan geweld produceert. Kijk, aan de ene kant vraag ik mij af wat de noodzaak is voor mensen om zichzelf te confronteren met gruwel, geweld, dood, erotiek, enz. Het is de essentie van kunst sinds 38.000 jaar, deze super-extreme dingen en de complexe gevoelens die ze oproepen.”

Goede en slechte gedachten

“Aan de andere kant vragen mensen mij steeds waarom ik die dingen ensceneer. Ik denk echt dat het heel belangrijk is dat mensen zich de ruimte permitteren om op een intieme manier zich dingen af te vragen en uit te wisselen, over de complexiteit van hun wezen en het bestaan. Iedereen heeft goede en slechte gedachten, obscure kanten en verontrustende nijgingen. Het is belangrijk dat we ons daarvoor openstellen. Kunst kan daar een belangrijke rol spelen. Ik ben echt een kunstliefhebber in die zin, dat je door een boek, een film of een voorstelling jezelf of een ander beter begrijpt, of de wereld.”

Onszelf toestaan

“Het gebeurt niet altijd, maar het is essentieel dat we onszelf toestaan, de eerlijkheid hebben om slechte gedachten of foute gevoelens en weirde fantasieën te erkennen. Het grootste gevaar is dat we onszelf dat verbieden en het verschil tussen fantasie en werkelijke actie uit het oog verliezen. Dromen over iemand aanraken en daadwerkelijk iemand aanraken is niet hetzelfde. Dat lijkt wel eens verloren te raken met de huidige #metoo discussie. Kunst moet een vrije ruimte blijven voor fantasie, van welke aard dan ook. En ik hoop dat mijn werk een goede ervaring oplevert met verontrustende onderwerpen. Ik vind de manier waarop political correctness ingrijpt in de kunst op dit moment gevaarlijk. Het staat een werkelijke emancipatie in de weg.”

Crowd, Gisèle Vienne. Foto: Estelle Hanania.

Waarom is geweld eigenlijk zo ingewikkeld als onderwerp?

“Geweld wordt bijna altijd als iets barbaars voorgesteld, als puur negatief en tegelijkertijd is het een mainstream vorm van vermaak, zie de actiefilms, de populariteit van horror, etc. Dat is nogal in tegenspraak met elkaar. Ik ben geen specialist, maar een bevriende socioloog zei mij eens, dat gewelddadigheid pas recentelijk een negatieve eigenschap is geworden. Dat het tot in de negentiende eeuw ontzag inboezemde, een teken van macht was, een positieve eigenschap.”

Geweld als goede eigenschap

“Gelukkig is dat veranderd. Eind 19de eeuw is het pacifisme uitgevonden. Geweld is een negatieve eigenschap nu, maar we handelen nog steeds heel gewelddadig. Wat verwarrend is. Ik ben het heel erg eens met Randall Collins, die er in zijn boek Violence, a micro-sociological theory (Princeton, 2008)  op aandringt dat we geweld niet bij voorbaat veroordelen, maar het als een gegeven beschouwen.”

“We moeten eerst goed kijken met wat voor een geweld we van doen hebben. Positief of negatief, dat hangt af van de situatie: een man die mensen in een bar in Parijs neerschiet of twee vrouwen die een partij kickboksen doen, daartussen is een enorm verschil. Ook een schrijver als Bernhard Rimé, die Le partage social des émotions (PUF, 2005) schreef, helpt mij om een complex en subtiel gedachtegoed te ontwikkelen rond geweld en hoe we onszelf begrijpen, te erkennen dat we dat geweld nog steeds in ons hebben.”

Emancipatie

“Je kunt niet alle vormen van geweld en agressie op één hoop gooien. Sommige mensen vinden bijvoorbeeld de muziek in mijn voorstellingen agressief, maar ik hou ervan, de energie, de dynamiek ervan. Smaken verschillen. Maar het is ook belangrijk om geweld als onderdeel van het bestaan te zien, “not to erase it, but to embrace it”. Ik zie het als een vorm van emancipatie dat we op bepaalde plekken bepaalde vormen van geweld kunnen onderzoeken, zonder dat we de maatschappij of de gemeenschap in gevaar brengen. Voor mij heeft de techno dansvloer een rituele betekenis, net als het theater, omdat het een bepaalde inwijding, een overschrijding en daarmee een belangrijke transformatie mogelijk maakt.”

Of de voorstelling nu het loslopende publiek na een beachparty voorstelt, een groep vrienden tijdens een nachtje stappen in de stad, of jongeren die na dagen Pinkpop richting tent dwalen – Crowd zoomt in op de onderlinge omgang, de innerlijke drijveren en de logica van een groep.

Ritualistisch

Vienne (1976), die een achtergrond heeft in muziek en poppenspel, combineert uitermate behendig het perspectief van de (film-) regisseur en de choreograaf. Ze weet de gewaarwordingen van op de dansvloer prachtig te vertalen naar  steeds wisselende blikken van buitenaf, die een uiterst hedendaags ritueel gadeslaan. De impliciete en organische manier van enscèneren en choreografen maakt de toeschouwer medeverantwoordelijk voor wat hij of zij meent te zien, alsof opgenomen in het ritueel.

Ik moest tijdens Crowd ook een paar keer denken aan Rite of Spring, in allerlei versies. Van Pina Bausch en de aarde waarop gedanst wordt, tot Laurent Chetouane, die in zijn versie het offer weigerde.

“Jazeker. Natuurlijk is er een verband tussen geweld in een gemeenschap en de rituelen die een gemeenschap ontwikkelt om met geweld om te gaan. Rite of Spring is een mooi voorbeeld van hoe we in de eenentwintigste eeuw nog steeds verwijzen naar een paganistisch ritueel, met alle kwesties rond geweld en maatschappij. We kunnen niet zeggen, ah, dat hebben we gehad. De archaïsche vragen komen gewoon terug, totdat we er werkelijk mee dealen, of liever: opnieuw mee dealen.”

Is er iets specifieks wat betreft jongerencultuur en rituele vormen van geweld?

“Ik denk dat iedereen op zoek is of verlangt naar belangrijke ervaringen, diepe spirituele ervaringen als antwoord op existentiële vragen, op welke leeftijd dan ook. Het gaat het niet om hoeveel boeken je hebt gelezen of hoeveel kunst je hebt gezien. Mensen vinden daar dingen voor uit. Voor mij is kunst die plek, althans dat probeer ik, voor die essentiële, intieme dingen.”

Grenzen overschrijden

Je bedoelt dat mensen zo opgroeien, leren. Maar wat heeft dat met geweld te maken?

Vienne: “Transgressie is wat het heilige, het spirituele uitmaakt. Het is heel interessant wat verschillende generaties verzinnen om bepaalde vormen van overschrijding te organiseren. Crowd is voor mij heel serieus. Het gaat er niet om te zeggen: kijk wat een idioten, “look how these young people get wasted”. Het kan mij niet schelen hoe (on-) gearticuleerd ze zijn. Het gaat mij erom dat een jongerencultuur een plek voor transgressie weet vorm te geven.”

“Er is echt een parallel tussen rave-parties en die paganistische rituelen. Hoe jongeren als gemeenschap behoeftes hebben en het hen lukt om als subcultuur, underground, in muzikale tribes, daarvoor de ruimte te vinden en zichzelf ook heruitvinden. Dus ja, Crowd is voor mij totaal realistisch, down to earth, inclusief een beetje zwerfvuil, maar ook subliem. Het is een weirde mix tussen hyper-realisme en transfiguratie. ”

Goed om te weten Goed om te weten

Woensdag 27 juni uitverkocht, donderdag 28 juni  nog kaarten, zie website Holland Festival.

Deel dit:

Filmacademie presenteert lichting 2018. Prijzen voor dansfilm en intiem vader-dochterdrama (en eer voor eerste academiestudent)

Dansfilm SISTERS, bekroonde afstudeerfilm Filmacademie

Leuke quizvraag: wie was de allereerste student aan de Filmacademie? Dit borrelt niet zomaar toevallig op – ik kom er straks nog op terug. De Filmacademie bestaat namelijk zestig jaar. De eerste film die maandag bij de presentatie van eindexamenwerkstukken werd vertoond was een mooi cadeautje voor de jubilaris.

Voor hun documentaire De Nederlandse Filmacademie presenteert doken Josephine Moen en Dominique Hoogendoorn in het archief van de Academie. Een bloemlezing van afstudeerwerk, plus uit ieder decennium een filmmaker die daar nu op terugblikt. Behalve mooie verhalen over jeugdige ambities levert dat ook een fraaie reeks tijdsbeelden op. Die laten zien hoe thema’s en benaderingen van de studenten met de tijd veranderden. Na opstandigheid en protest in de jaren zeventig (Mijke de Jong) kwam de invloed van Tarantino. Na het spelen met bloed en kogels (Martin Koolhoven) zocht iemand als Jiska Rickels weer contact met de realiteit. Tegenwoordig zien we hoe veel filmstudenten het in kleine, persoonlijke onderwerpen zoeken. Ik generaliseer wat grof, maar toch.

Ego-docu’s

Ter illustratie: van de zes afstudeerfilms in de documentaire-sectie vallen er drie in de categorie ego-doc. Documentaires die de maker zelf en zijn naasten als onderwerp hebben. Het valt te begrijpen dat een jonge, pas beginnende maker zijn stof zoekt in zaken die hij goed kent. Jezelf tot onderwerp maken kan je zelfs moedig noemen. Dat neemt niet weg dat ik films met wat verder reikend engagement of nieuwsgierigheid wel een beetje miste. Ook in de sectie fictie. The Soap of Life, een documentaire van Sjoerd Niekamp over Congolese soapacteurs in België komt in de goede richting.

Sjoemeldokter

Het zaad van Karbaat

Maar de echte verrassing was Het zaad van Karbaat. Regisseur Miriam Guttmann buigt zich hierin over de zaak van de sjoemelende vruchtbaarheidsarts Jan Karbaat. Deze bevruchtte stiekem tal van vrouwen vrouwen met zijn eigen zaad. In de film vertellen twee moeders en twee jong-volwassen kinderen wat deze onthutsende ontdekking met hen deed. Spaarzaam doorschoten met raak gekozen archiefbeelden.

Op grond van de korte beschrijving verwachtte ik een obligate, reportage-achtige case-study, maar dat pakte anders uit. Guttmann en haar team laten zien hoe ook bij een documentaire een zelfverzekerde en strak ontworpen vorm het verschil maakt. Met evenveel aandacht voor compositie, decor en montage als in een speelfilm groeien deze heel persoonlijke verhalen uit tot iets dat de zaak overstijgt. Wanneer de kinderen worstelen met de vraag of ze misschien ook de minder fraaie eigenschappen van Karbaat hebben geërfd maakt dat niet alleen indruk door hun openhartigheid. De even sobere als bijzondere stijl maakt het universeler. Wat bindt ons, wat maakt ons tot wie we zijn. Het zaad van Karbaat kreeg de VPRO Documentaire Prijs. Daar kan ik het alleen maar mee eens zijn.

Buiten gebaande paden

In de sectie fictie was voor mij SISTERS van Daphne Lucker (regie) een soortgelijke verrassing, hoewel heel anders. De band tussen drie zussen in een probleemgezin. Hoe laat je zien hoe ze omgaan met elkaar en met een bedreiging van buiten? Nou, door ze te laten dansen. Vrijwel zonder woorden is dit gestileerde spel in emotioneel opzicht toch heel concreet en expressief. Een gedurfde en prachtige cross-over tussen dans en film, een subgenre dat onder de afstudeerfilms zeldzaam is. Dit geïnspireerd buiten de gebaande paden treden werd bekroond met de Topkapi Films Fictie Award.

Kinderwereld

Tot het einde van de wereld

Een thema dat bij de lichting 2018 meermalen opduikt is de strijd tussen kind en vader. Het mooist en meest subtiel werd dat uitgewerkt door Florence Bouvy (regie) en Jessie Tiemeijer (scenario) in Tot het einde van de wereld. Hoe een meisje van acht haar nog speelse wereld regelmatig ziet botsen met die van haar vader. Een vader die van goede wil is, maar die het niet lukt om goed voor zichzelf en haar te zorgen. Hoe liefde wringt met onvermogen. Nuchter en ondanks alles met een sprankje hoop.

Sterk en overtuigend is de consequente manier waarop alles steeds vanuit het perspectief van het kind wordt getoond. Dat mede dankzij de ontroerende hoofdrol van de parmantige jonge actrice Linde van der Storm. Het geheel had wat mij betreft wat minder impressionistisch gemogen, maar daar lieten mijn collega’s in de jury van de Kring van Nederlandse Filmjournalisten zich niet door afschrikken. Tot het einde van de wereld kreeg de KNF Prijs voor beste Filmacademie afstudeerfilm.

Daarnaast werden maandag ook prijzen uitgereikt beste scenario (Denise Rebergen) en beste commercial (Victor Horstink). Nieuw dit jaar is de prijs voor beste filmscore (Tom Schipper). Meer over de films, prijzen en juryrapporten op de website van de Filmacademie.

Alle films zijn deze week nog in EYE te zien.

Frans Weisz geëerd

Terugkomend op het 60-jarig bestaan van Filmacademie: directeur Bart Römer liet weten dat dit na de zomer op gepaste wijze gevierd gaat worden. Dan horen we meer. Nu alvast kondigde hij de oprichting van een zogenaamde ‘wall of fame’ aan. Een eregalerij met foto-portretten van bijzondere oud-leerlingen. Te beginnen met Frans Weisz, toevallig ook de eerste student die zich op de filmschool inschreef, en Nouchka van Brakel. Voor Weisz (Het leven is vurrukkulluk) was er nog een extra verrassing. Wethouder Kunst en Cultuur Touria Meliani was present om hem de versierselen bij zijn benoeming tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau op te spelden.

En dan nog dit:

Filmjournalist Fritz De Jong redt koninklijke onderscheiding Frans Weisz
Deel dit:

Nerds en muisarmen in het Muziekgebouw. De lat ligt hoog voor de nieuwe bazen van het @hollandfestival

Dear Esther (screenshot)

Dan zit er opeens een heel ander publiek in het Amsterdamse Muziekgebouw aan het IJ. Gamers. Of liever gezegd: developers. En hardcore nieuwemuziekaficionados. ‘Ik kom alleen voor Maze’, zei mijn buurman nukkig. Hij kwam voor het muziekensemble. Niet voor de games, dus, niet voor de computergraphics. En misschien ook niet eens voor Claron McFadden. Die beroemde, hyperplooibare operazangeres die in Oikospiel II: Heat Cantate de rol zingt van een investeerder in computergames.

Maar er waren ook heel andere mensen. Mensen die voor de games kwamen. En voor het design. Die een ensemble als Maze niet kenden, en opera alleen van horen zeggen.

Het Holland Festival pakt dit jaar, het laatste jaar onder leiding van nieuwemediakenner Ruth MacKenzie, flink uit. Dit weekend konden we niet alleen genieten van een urenlange sequencersessie van Colin Benders tijdens de (ook door Mackenzie bedachte) proms in het Concertgebouw. In het Muziekgebouw aan de andere kant van het centrum stond alles in het teken van de toekomst. Die is, zoals we allemaal weten, digitaal en connected, ofwel 3.0 en vloeibaar. En daarom zat dat gebouw opeens vol met een heel ander publiek. Nerds m/v, designers, hipsters met een muisarm en muziekliefhebbers.

Doom zonder bloed

Twee games stonden centraal en ze konden niet verder uit elkaar liggen. Dear Esther, in het avondprogramma, is een live ingespeelde versie van het beroemde spel Dear Esther dat alweer stamt uit 2012. Oikospiel is een totaal weird project van David Kanaga, waarin alle wetten van logica en vertelkunst met voeten worden getreden. Dit alles in foeilelijke graphics uitgevoerd, wat deel van het plezier is.

Dear Esther is het eigenlijk geen spel te noemen. De bedenker van dit droomachtige stuk software is een liefhebber van de oer-firstpersonshooter Doom, maar was het zat om de hele dag monsters af te knallen. Daarom is Dear Esther een Doom zonder monsters en wapens geworden. Maar ook een Doom zonder verhaallijn. En vele malen mooier vormgegeven. De monsters zijn vervangen door teksten, gedichten, dromen, inscripties en het vage gevoel dat er een doel achter al dat dwalen zit. Zinsbegoochelend en ontspannend. De voorstelling, gemaakt door het ensemble The Chinese Room, is te zien als een van de mogelijke ‘walkthroughs’ die het plotloze spel biedt, waarbij de teksten live werden ingesproken en de muziek gedeeltelijk live werd uitgevoerd.

Contrast

Het resultaat was pure esthetiek en dat werkte meeslepend. Je zou ook kunnen zeggen dat het onderscheid met een avondje gamers kijken op videokanaal Twitch opwindender is, maar dat doet deze manifestatie onrecht. Toch zou het zonde zijn geweest als alleen dit spel op deze dag, gewijd aan de uitwisseling tussen games en kunsten, getoond zou worden. De totale digitale waanzin van Oikospiel was hard nodig om je te laten beseffen dat we nog maar aan het begin staan van de mogelijke ontwikkeling.

Ontwikkelaar en componist David Kanaga is een echte nerd. Dat merk je wanneer hij over zijn werk vertelt. Dat merk je ook aan de vorm die hij aan de live uitvoering gaf. In het nagesprek vertelde hij dat hij het besturingssysteem van zijn computer het liefst als een kunstwerk benadert, en ook graag zou werken aan een verkunsting van de computerervaring. Dan gaan we ver voorbij Alexa en Siri, de digitale assistenten die een pizza bestellen als je roept dat je honger hebt. Vanachter zijn laptop stuurde hij de live muzikanten van Maze, de zangers, Claron McFadden en Mattijs van de Woerd, en het publiek, dat zo nu en dan in een weirde karaoke mee mocht zingen.

Going to the dogs

Oikospiel II werd hier voor het eerst opgevoerd. Maar waar is dan deel 1 van Oikospiel? Dat blijkt een hondenopera die vooral online te beleven is. Een game, maar dan niet zoals je had verwacht. Gebaseerd op een totaal absurd literair werk uit de 18e eeuw, Tristram Shandy. Dat boek, of liever gezegd die verzameling totaal losse associaties, wordt wel gezien als een voorloper van Ulysses van James Joyce, al is de uitwerking wat humoristischer.

In Oikospiel lopen, om de absurditeit nog wat dieper in te laten dalen, honden rond, veranderen locaties vanzelf, ligt ergens een containerschip en probeert iemand ook nog wat te vertellen over klimaatverandering. Dit alles terwijl je muis achtervolgd wordt door een herdershond. Deel 3 staat, naar het schijnt, op het programma voor het einde van deze eeuw.

Wat deze dag allemaal oplevert? In ieder geval het inzicht dat we aan het begin van weer een heel nieuwe ontwikkeling staan, maar dat er nog veel werk verzet moet worden. Game developers zijn zelden kunstzinnig opgegroeid. Bij het ontwikkelen zijn ze nog steeds meer bezig met het overwinnen van technische belemmeringen in soft- en hardware dan met het vrij laten zweven van de verbeelding. dat laatste heb je nodig om de diepe kloof tussen de nerd en de kunstenaar te overbruggen.

Lat

Er is hoop dat dat op het punt van gebeuren staat. Bij iemand als Colin Benders is het muzikale genie al minstens even groot als zijn technische gretigheid. Oikospiel laat zien dat er vormen van opera mogelijk zijn die ook digital natives aan kunnen spreken, en bij Dear Esther kan een passief publiek genieten van de pure esthetiek van computer graphics en plotloze verhalen.

Mooi dat het het Holland Festival dat inzicht in twee compacte dagen over weet te brengen. De lat voor de opvolgers van Ruth MacKenzie ligt hoog.

Goed om te weten Goed om te weten

Gezien in het Holland Festival, zondag 24 juni. 

Deel dit:

De Proms van het @Hollandfestival zijn veel, vet en vol. Zo nu en dan is dat best lekker

Kyteman (Colin Benders) sloeg in 2015 een nieuwe muzikale koers in en richtte zich op de modulaire synthesizer. Eén van zijn eerste optredens met dit instrument was in Paradiso tijdens het Amsterdam Dance Event. (foto: Jelmer de Haas

Dat George Benjamin dit jaar hofcomponist is van het Holland Festival is volkomen logisch. En dat zeg ik als niet-kenner. Immers: de wijze waarop er vaak over hedendaagse klassieke muziek wordt geschreven en gesproken schrikt leken als mij af. Zou ik ooit over voldoende kennis beschikken om die fijnproeversklanken te kunnen waarderen? Zaterdagavond maakte ik voor het eerst live kennis met werk van de Britse componist en ik was om. Niet omdat ik plots heel veel bijgeleerd had, maar omdat de muziek me raakte.

Het was alweer een wat ouder werk: Sometime Voices stamt uit 1996. Als finalestuk van een programma rond zijn werk tijdens de Holland Festival Proms vormde het een mooie kroon op een uur orkestmuziek. Dat begon nog met een recenter stuk van Benjamin, ‘Dance Figures’, dat vooral heel veel was. Een klein leger aan pauken en bassen zorgde voor muzikaal onweer dat me aan dansende dino’s in Jurassic Park deden denken.

Later in het programma deed Benjamin iets met blazers in de fuga’s van Bach en die klonken daardoor opeens opvallend stevig. De spierballen van de componist bleven thuis bij het slot. Fijn subtiel, hier en daar breekbaar, en dus gewoon ontroerend. Ondanks dat er een heel koor kwam opdraven en er nog steeds een voltallig Radio Philharmonisch Orkest stond te toeteren.

Luchtalarm

De Proms waren zaterdag begonnen met een heel ander soort getoeter. Twaalf hoorns, om precies te zijn, die iets deden met de klankkasten van twaalf vleugels. Om drie uur ‘s middags mochten we ons op kleedjes in het midden van het Concertgebouw vlijen, terwijl de twaalf open piano’s om ons heen opgesteld stonden. De hoornblazers richtten hun toeters op de snaren van de vleugels, die zachtjes mee gingen trillen en een heel subtiele echo lieten klinken op het geschal.

De wereldpremière van dit stuk van de IJslandse componist Daniel Bjarnason maakte indruk, maar het trucje met de pianogalm was net te dun om het krappe uur dat het werk duurde overeind te blijven. Meditatief was het, maar op den duur vooral letterlijk eentonig. Dan het gaat op zeker moment in je hoofd eerder over misthoorns en luchtalarm. De titel ‘We Came in peace for All Mankind’ wordt dan een beetje ironisch.

Full Nerd Mode

Tijdens de oefening in de grote zaal was ondertussen in de kleine zaal iets anders aan de hand. Daar was Colin Benders, aka Kyteman, bezig om zijn modulaire, analoge synthesizer te verbergen onder een spaghetti van patch-kabeltjes. Dat zou het begin worden van een zoektocht naar een nieuw soort geluidservaring van synthesizermuziek. Op het toneel, achter het ‘beest’ waarvan Benders de knoppen bediende, stond een orkest van speakers opgesteld, die elk op een andere toon, een ander spectrum of een ander signaal uit de helse machine zouden reageren.

Het geluid was massief. Jean Michel Jarre in overdrive. Mooi was het vooral om de bevlogen Colin Benders in full nerd-mode aan de gang te zien. Zo zagen computers er in oude sciencefiction films uit. Zo zouden ze er nog steeds uit moeten zijn. Mysterieuze kasten waar een onnavolgbare dreiging van uit gaat. Volgende keer zou Colin Benders een blauwe stofjas aan moeten trekken. Past beter.

Stereo

Beneden was het Concertgebouw inmiddels volgestroomd met Marokkaanse bezoekers. Enkele mannen met baarden, maar vooral enorm veel vrouwen met en zonder hoofddoek waren afgekomen op Jalasat Rouhiya, een nog nooit eerder in de wereld vertoonde samenwerking tussen de mannen van het Amsterdams Andalusisch Orkest en Orchestre Temsamami uit Tetouan, rondom de Hadrazang van Ensemble Rhoum el Bakkali uit Chefchaouen. Dat zijn nogal wat monden vol en zo klonk het ook.

Nog nooit eerder hadden de orkesten op deze schaal samengewerkt en – het moet gezegd worden – dat was een beetje te merken. Zonder dirigent was iedereen een beetje een eigen ritme aan het volgen, waardoor je een grappig stereo-effect kreeg wanneer iemand links iets inzette wat pas een seconde later tot rechts doordrong. Dit moderne Argentijnse voetbal kwam helemaal goed bij de luide en snelle passages. Het publiek veerde op, de beweging kwam erin en het aanstekelijke enthousiasme golfde door de zaal. Werd het toch nog gezellig.

A Space Odyssee

Dagvoorzitter Maarten Heijmans, wiens grapjes voor de mensen die de hele dag meemaakten wel erg veel op elkaar begonnen te lijken, had ondertussen in de kleine zaal Colin Benders zover gekregen om al zijn honderden stekkertjes weer uit Het Beest te trekken, om helemaal vanaf nul te laten zien hoe de Synthesizer tot leven zou komen.

Benders gaf iets te snel toe, Heijmans zag een scene uit 2001, a Space Odyssee voor zich en daarna was het heel lang stil. Ik heb niet meer afgewacht hoe er uiteindelijk weer leven in de machine kwam: Benders moest al zijn zeilen bijzetten om weer een enigszins zinvol geluid te maken. Hoe fascinerend ook, de Grote zaal riep.

Blackstar

We zouden Bowie krijgen als grote afsluiter van de dag. Het Nederlandse Ensemble Stargaze, onder leiding van de Berlijnse dirigent André de Ridder, speelt een eigen visie op Bowie’s laatste, en vermoedelijk beste, album ‘Blackstar’. Het was al bekend van de BBC Proms, is op YouTube te vinden en viel live toch een beetje tegen. Niet dat het titelnummer verdienstelijk bewerkt was. Ook spannend om het te laten voortkomen uit het al even legendarische Bowie-nummer Warzawa. De andere bewerkingen leden toch wat onder de samenstelling van het orkest, dat wel een orgel, maar geen piano en geen tenorsax in zijn gelederen heeft. Vooral Lazarus was ernstig doodbewerkt en had de laatste levenskracht opgeofferd aan iets te veel violen.

Jherek Bischoff, verantwoordelijk voor de orkestbewerkingen, is geen wonder van subtiliteit. Dan heb je best een probleem als je je met Bowie wilt meten. Dat kwam allemaal overigens helemaal goed bij de allerlaatste toegift. Een versie van Lady Grinning Soul, die de kitsch van Bowie tot in het absurde uitvergrootte, waardoor het zo over the top ging dat het weer leuk werd. Konden we toch nog met een glimlach op ons gezicht de nacht in. Achter ons de sequencerlijnen van Colin Benders die met verzwaarde heftigheid uit de Kleine Zaal van Het Concertgebouw dreunden.

Goed om te weten Goed om te weten

Meegemaakt: Holland Festival Proms op zaterdag 23 juni 2018.

Deel dit:

Bach en Moore, een sublieme combinatie

foto Rina Blijdorp

Johann Sebastian Bach en Kate Moore in één concertprogramma. Met deze keuze voor de vijfde aflevering van haar serie ‘Cello 020’ overtreft celliste Lidy Blijdorp zichzelf opnieuw in originaliteit. En het effect van deze keuze is fenomenaal.

Versterkte wisselwerking

Niet alleen brengt ze werk van twee totaal verschillende componisten bij elkaar, ze versterkt de wisselwerking nog eens extra door hun muziek om en om ten gehore te brengen. Zo komt een wisselwerking tot stand waarin de componisten bijzondere kwaliteiten in elkaars werk losmaken. Bach en Moore laten elkaar bloeien, zeker in de vertolking door Lidy Blijdorp en twee leden van het trio Villa Stolz: Jellantsje de Vries (viool) en Marieke Schut (althobo).

Soepel, doorleefd en met een verfijnde zachtheid speelt Lidy Blijdorp de zes delen van de vijfde suite voor cello solo van Bach. Het is donkere, introverte muziek. Toch weet Blijdorp ook iets lichts en zilverachtigs in de tonen te leggen. Dat maakt dat, hoe ingehouden de muziek ook van start gaat, de klank toch al gauw expansief wordt en de hele ruimte van de Amstelkerk met zijn fraaie akoestiek bestrijkt.

Verhaal

Van begin tot eind vereenzelvigt Blijdorp zich met de meesterlijke wendingen in Bachs muziek. Het visele aspect – dat wil zeggen: zoals je haar ziet spelen – komt helemaal overeen met haar vertolking van deze muziek. Ze kijkt rond alsof ze door een bos loopt en met verwondering de ene noot na de andere aan de bomen ziet hangen. Ze kent de noten door en door en toch legt ze er de spanning in van een nieuwsgierig makende ontdekking. Lidy’s spel is een verhaal.

foto Maarten Baanders

In deze intieme sfeer treden Marieke Schut en Jellantsje de Vries na elk deel van Bach binnen. Hun ijle heldere klanken mengen zich prachtig met de cello. Het is een treffende vondst om beiden aanvankelijk vanaf de hoger gelegen passages rondom het publiek te laten spelen. Het verhoogt de aangrijpende ruimtelijke werking van de muziek van Moore.

Contact van ver

De ijle klanken waarmee ‘Mystic Trumpeter’ inzet, geven je het gevoel van een stem die vanaf een verre overkant contact maakt. Later, in ‘Tarantella’, wordt het zacht beginnende samenspel met de cello tot razende kracht opgevoerd. De eenzaamheid van Bach heeft plaatsgemaakt voor intens verstrengelde samenklanken. De muziek van Moore klinkt alsof ze de hele wijde rumte wil doordringen.

foto Rina Blijdorp

Hierin ligt het bijzondere van de afwisseling van Bach en Moore. Telkens wordt na de beslotenheid de ruimte opengegooid. En telkens volgt een terugkeer. Vooral de neergaande lijnen in de Sarabande zijn een prachtige verklanking van de verinnerlijking, de verdieping in zichzelf.

Ademende beweging

Zo krijgt het programma een ademende beweging tussen diep en breed, tussen gesloten en weids. Heel goed dat deze niet door een pauze wordt onderbroken. Anders was uit deze adem nooit zo mooi de ontwikkeling op gang gekomen naar de onstuimige slotscène. De Gavotte en de Gigue van Bach brengen al een opener karakter. Als dan de vijf werken van Moore volgen – het geestige ‘Telephone’, de ‘Dance’, het woeste ‘Dies Irae’, het verlangende ‘Journeyers’ en het bloeiende ‘Apple Tree’ – wordt de ruimte vol overtuiging veroverd.

foto Maarten Baanders

De verovering van de ruimte

Wat een prachtige verrassing als in het slotgedeelte twee dansers – Luana van Eekeren en Luca Cacitti – de vloer opkomen en zich door de klanken door de ruimte laten waaien. Ze hebben en mooie wisselwerking die de spanning van de muziek extra kleur geeft. Ook de musici veranderen van plaats en nemen nu en dan dansachtige houdingen aan. Luana van Eekeren blijkt ook nog te kunnen zingen, ‘Journeyers’, een lied over eindeloos reizen.

foto Maarten Baanders

Zomer

Het programma staat in het teken van 21 juni, het begin van de zomer. Als je zo’n thema kiest, denken veel mensen al gauw aan midzomernachtsdroom en zonnige klanken. In dit programma ligt het thema niet zo aan de oppervlakte. Het gaat meer om wat je innerlijk voelt bij het vooruitzicht van het zomderseizoen. Wat je voelt is de beweging van klein en verborgen zijn naar openheid. De gewaarwording die je krijgt als de tijd van vrijheid aanbreekt. De wijde wereld ligt voor je open. De sprong naar een tijdloos gevoel.

Goed om te weten Goed om te weten
Gezien: 21 juni, Amstelkerk, Amsterdam 

Waarom Lidy Blijdorp alle aandacht verdient
Het afgelopen seizoen heb ik de serie ‘Cello 020’ van Lidy Blijdorp gevolgd en telkens mijn reactie op Cultuurpers gepubliceerd. Het is opvallend dat deze serie verder door de pers in Nederland niet is opgepikt. Bij alle afleveringen had ik het gevoel een celliste aan het werk te zien die niet alleen goed speelt, maar het ook aandurft een zeer persoonlijke weg te gaan door voor eigenzinnige programma’s te kiezen, zeer origineel van samenstelling en themakeuze. Telkens zocht ze samenwerking met weer andere andere musici, vertellers en dansers, met wie ze zonder uitzondering een aanstekelijke chemie wist te ontwikkelen. Ik heb over ‘Cello 020’ geschreven, omdat ik ervan overtuigd ben dat wat Lidy Blijdorp neerzet zich onderscheidt van ander aanbod op muziekgebied en dat veel mensen haar optredens bijzonders zullen vinden.
Deel dit:

Hewar en Gurdjieff Ensemble @Hollandfestival: muziek verenigt twee geplaagde volkeren

Gurdjieff Ensemble-meets Hewar (c) Andranik Sahakyan

Na het spetterende slot van Ishtar van Dima Orsho staat het publiek als één man op en barst los in een ovationeel applaus. Ik word bijkans verdoofd door het luide gejoel en gejuich waarmee de leden van Hewar en het Gurdjief Ensemble overstelpt worden. Verbijsterd kijk ik om me heen: er zou toch nóg een nummer komen? Maar nee, daar lopen de bloemenmeisjes al het podium van het Muziekgebouw op, ik zal me dus wel vergist hebben. Ik leg het programmaoverzicht weg om mee te klappen. Dan zegt klarinettist Kinan Azmeh grijnzend in de microfoon: ‘This is a world premiere, flowers before the last song!’

Politieke lading

Onder grote hilariteit gaat iedereen weer zitten om het echte slotstuk te horen van dit gemengd Armeens-Syrische concert. Gorani-Tamzara verwijst naar een lied van een Syrisch-Armeense zangeres dat werd opgenomen in Aleppo, zegt Azmeh. De symboliek van deze in de Syrische burgeroorlog verwoeste stad ontgaat niemand. Het hele concert heeft een politieke lading. Miljoenen Armeniërs werden tijdens de genocide van 1915 vermoord of verdreven en leid(d)en een leven in de diaspora. Syriërs ontvluchten nu het geweld en de verwoestingen in hun vaderland.

Een interessant idee deze twee geplaagde volkeren muzikaal te verenigen. Het Syrische Hewar hanteert westers-klassieke instrumenten: klarinet, cello, viola d’amore. Zangeres/componist Dima Orsho is even virtuoos in jazzy scats als in Arabisch getinte zanglijnen vol microtonale versieringen. Het Gurdjieff Ensemble speelt op inheems-Arabische instrumenten. Naast de bekende oud (luit), santur en qanun (plankciters) staan de Perzische tar (soort gitaar) en de kemençe, een tweesnarige vedel.

Vleesgeworden nostalgie

Een belangrijke rol is weggelegd voor de duduk, een Armeens dubbelrietinstrument dat met zijn weemoedige klank de vleesgeworden nostalgie uitdrukt. De bespeler van de bas duduk draait overuren, want in veel stukken legt hij een basis met een van begin tot eind doorklinkende drone. Getuige zijn bolle wangen realiseert Norayr Gapoyan deze ononderbroken toon dankzij circular breathing.

De twee ogenschijnlijk verschillende klankwerelden blijken wonderwel bij elkaar te passen. Klarinettist Kinan Azmeh benadert met een omfloerste toon de klank van de duduk; felle uithalen herinneren juist aan de zurna, een snerpende Armeense schalmei.

Opvallend zijn eerder de overeenkomsten dan de verschillen tussen de aangeboden stukken. Van George Gurdjieff (ca 1866-1949) tot Komitas Vardapet (1969-1935) en Kinan Azmeh (1976), allen schrijven homofone muziek, waarin de instrumenten en zang elkaars melodielijnen imiteren en variëren. De stem van Dima Orsho en de klarinet van Kinan Azmeh zijn soms nauwelijks nog van elkaar te onderscheiden.

Gebrek aan contrast

De musici spelen uitstekend. Zij kaatsen elkaar motieven toe met aanstekelijk plezier en betoveren ons met prachtige, deels geïmproviseerde soli en spatgelijke inzetten. Op den duur gaat het gebrek aan contrast zich wel een beetje wreken. Ondanks alle variatie in ritmiek, dynamiek, zang en aantal lagen wordt de – aangenaam welluidende – klankwereld wat eenvormig.

Ik veer op als Kinan Azmeh ons in Fantasy for Three Characters eindelijk een paar dissonante samenklanken voorschotelt. De nieuwe compositie van Tigran Mansurian is ronduit teleurstellend. Zijn Tun Ari (Kom thuis) is naar eigen zeggen een ode aan de Syrische vluchtelingen, maar ontstijgt het niveau van een kinderliedje niet.

De in het programmaboek aangegeven lengte van een uur en een kwartier wordt ruim overschreden. Pas na twee uur zijn de musici aanbeland bij het voorlaatste lied. Na het echte slotnummer vraagt het publiek zelfs nog om een toegift. Is die geestdrift gemeend of is het een vorm van politieke correctheid vraag ik me af als ik de zaal verlaat. In ieder geval heeft het Holland Festival ook met dit concert een gemêleerd publiek binnengehaald. Dat valt alleen maar toe te juichen.

Deel dit:

Gesualdo in het @hollandfestival: een helse match, made in heaven.

Foto: Sofie Knijff

De Pizza Napolitana gaat niet meer hetzelfde smaken. Mozzarella kan immers van alles zijn. Die verrijking van ons leven hebben we te danken aan De Warme Winkel, het anarchistische theatergezelschap dat door Het Nederlands Kamerkoor werd ingehuurd om hun Holland Festival programma kracht bij te zetten. Dat hebben we geweten. En dat kun je zelf gaan checken, want na die paar – schielijk uitverkochte – optredens op het Holland Festival komt het vast nog elders terug. Op Festival Boulevard, bijvoorbeeld.

Het Nederlands Kamerkoor is wereldklasse, en dat moeten we inmiddels ook constateren van De Warme Winkel. Maar dan anders. Hun twee werelden kunnen niet verder uit elkaar liggen. Die van de klassieke recital en die van de soms wat krakkemikkige tribunes op locaties en in kleine zalen. Dat ze elkaar ontmoeten via de Madrigalen van Carlo Gesualdo is welbeschouwd een match made in heaven. Of in de hel, eigenlijk.

Monster

Carlo Gesualdo (1566 – 1613) was een monster. Maar dan wel een monster dat ons de mooist denkbare muziek heeft nagelaten. Muziek, zo blijkt, die niet eens voor onze oren bestemd was. Hij hield die, net als zijn gruweldaden, graag privé. En wat waren die gruweldaden? Een passiemoord die met iets te veel passie werd uitgevoerd op zijn echtgenote en haar minnaar, plus iets met een baby. En, voor de natuurliefhebbers onder ons, iets met een bos, dat te luid ruiste, en hem daarom stoorde bij zijn heilige componeerwerk. Al schijnt dat laatste dan weer genuanceerd te liggen: hij was vooral bang dat wraaklustige vijanden daar konden schuilen.

Allemaal wikipediafeiten, die we nu opgediend krijgen in de krap twee uur durende voorstelling met de eenvoudige titel Gesualdo. Want dat is natuurlijk wel een beetje het probleem met een historisch fetenverhaal: je kunt de feiten vertellen, de muziek laten horen en dan ben je er wel zo’n beetje. Je kunt de feiten ook uitbeelden, en dat zou in dit geval dus een dracula-achtige horrorfilm opleveren. Je kunt het ook aan De Warme Winkel overlaten en dan krijg je een nachtmerrie.

Afwisseling

Maar dus wel een prachtige nachtmerrie, waarom zowaar nog wat te lachen valt, ook. Het begint een beetje zoals je zou vrezen. We zien Ward Weemhoff, als acteur perfect gecast voor de rol van het doordraaiende genie Gesualdo, een drumsolo geven op een drumset van billen en buiken, die al naar gelang de manier waarop hij ze beroert, lekker kletsen of ‘au!’ roepen. De vrolijke SM-drumsolo wordt weggereden en het koor komt op, doet zijn – onwerelds mooie – ding, koor weg, scene met de acteurs (en veel vleselijkheid).

Deze afwisseling gaat een tijdje door. Zo lang dat je gaat denken dat de acteurs en de zangers elkaar in real life, en zelfs achter de coulissen, nooit zijn tegengekomen, en dat de koorleden zelfs niet eens weten wat die acteurs op dat toneel allemaal staan te doen tussen hun hemelse muziek door. Tot het moment, later in de voorstelling, waarop alles prachtig samenkomt en de banale gruwel van de acteurs moeiteloos aansluit bij de ijselijke goddelijkheid van de zangers.

Ultieme schoonheid

De voorstelling is opgebouwd als een nachtmerrie, waarin beelden terugkomen, herhaald worden, ontaarden. Er zit humor in, en dat is nodig omdat de gruwel en de ook live voelbare pijn anders te erg zou worden. De heilige muziek wordt ontheiligd, maar blijft overeind, net als sommige vleselijke ingrediënten van de voorstelling (iets met pizza’s dus).

Wat ook overeind blijft is het raadsel. Ultieme schoonheid ervaren we vaak op het randje van de dood. Of dat nou de grote dood is, of de kleine, spreekwoordelijke dood, die van het seksuele orgasme. Vinden we Gesualdo’s composities mooi omdat de muziek onmiskenbaar de gejaagde waanzin laat voelen van een monsterachtige moordenaar? Waarschijnlijk. Zoals we ook aan de rand van een peilloze afgrond gaan staan om het mooiste uitzicht te hebben.

Le vent l’emportera

Of waarom ik nog steeds elk werk van Bertrand Cantat (Le vent l’emportera) gruwelijk mooi vindt, misschien zelfs wel mooier omdat je weet dat die gejaagde gekte in zijn muziek ooit leidde tot de moord op zijn vriendin.

We zitten raar in elkaar, en dat laat deze voorstelling, juist door die extreme combinatie van mensen en stijlen, prachtig zien.

Goed om te weten Goed om te weten

Gesualdo is nog te zien: tot 25 juni in het Holland Festival en in augustus in Den Bosch, tijdens Festival Boulevard.

 

Deel dit:
6,031FansLike
1,069VolgersVolg
16,075VolgersVolg

Wat nu? Geen betaalmuur?!

Cultuurpers is geen hobbyproject.

Deze site kan bestaan dankzij vele, vele uren en dagen keihard werk door professionals. Werk dat een beloning verdient. Zeker omdat we werk doen dat andere media laten liggen. Omdat ze het te duur, of te onbelangrijk vinden.

Cultuurpers vindt ook het kleinste cultuurnieuws belangrijk.

En daarom hebben we een club opgericht van mensen die dat ook vinden. Mensen zoals jij.

Kom ook bij die club!

Al lid?  Login (Dan zie je deze pop-up niet meer)
Holler Box
Fijn dat je er was. Vond je dit een goed bericht? Blijf op de hoogte van ons nieuws!
Holler Box