Dé niet-bezoeker bestaat niet. Onderzoek in opdracht van minister maakt einde aan discussie.

Nederland heeft last van een problematiseringsprobleem. Mocht u dat een problematische term vinden, dan is dat een deel van het probleem. Sterker nog: we maken iets tot een ingewikkeld probleem en leggen dat ingewikkeld uit omdat er eigenlijk geen reden is om er een probleem van te maken. Plaats van handeling: onze nationale volksvertegenwoordiging. Aanleiding: niet iedereen profiteert evenveel van onze subsidies. En dan gaat het niet over de tientallen miljarden die bankiers en multinationals in de schoot geworpen krijgen, maar om de paar miljoen euro die we uitgeven aan kunst en cultuur.

Vorig jaar stelden Kamerleden Bergkamp (D66), Dik-Faber (CU), Rutte (VVD) en Asscher (PvdA) in een motie de vraag of er wel genoeg gedaan werd om de niet-bezoeker van kunst in kaart te brengen. Nu is daar antwoord op gekomen, en het is heerlijk om te lezen.

Prof.dr. Koen van Eijck en Prof.dr. Evert Bisschop Boele hebben een lijvige notitie geschreven, in opdracht van het ministerie. In 23 pagina’s, aangevuld met een literatuurlijst van 4 pagina’s, leggen zij zeer zorgvuldig formulerend uit dat de kamer wel wat beters zou moeten kunnen vinden om zich mee bezig te houden dan de niet-kunstbezoekende burger. Daar zijn er namelijk niet zo heel veel van. Blijkt. Ofwel: de kamerleden weten nu waar ze hun vraag kunnen steken.

Wereldtop

Nu zou het niet netjes zijn om zoiets in een wetenschappelijk stuk te zetten. Daarom vatten ze het hele sociaalwetenschappelijke oeuvre aan onderzoeken naar cultuurparticipatie-en-wat-daar-mis-mee-is zo extreem verdicht samen dat het niet anders dan met vette ironie geschreven kan zijn. De reden voor die ironie is dan dat er allereerst niet echt een probleem is. Nederland behoort tot de wereldtop van cultuurdeelname. Bijna 90 procent van de bevolking doet – actief of passief – aan cultuur. Beperken we het tot de ‘canonieke’ cultuur, blijft nog altijd 40 procent over. We hebben het dan over de deelnemers aan toneel, (klassieke) muziek, dans, literatuur. Dat is – ze gebruiken het woord niet – belachelijk veel, ook op Europese schaal.

Maar toch: 60 procent gaat niet. Politici vinden dat tegenwoordig even erg als sollicitanten naar een marketingfunctie. Dat is ook het onderwerp van heel veel onderzoek, variërend van literatuurstudie tot het voor de schouwburg van de straat plukken van willekeurige voorbijgangers. Het blijkt lastig, omdat dé niet-bezoeker gewoonweg niet bestaat. Zelfs als je het beperkt tot dé niet-geïnteresseerde niet-bezoeker. Er zijn zoveel verschillende redenen waarom mensen nou net vandaag, of net dit jaar, of dit deel van hun leven even niet aan canonieke kunst doen, dat het geen zin heeft daar een eenduidig beleid op te zetten. Daarom zijn er ook zoveel verschillende marketeers en marketing-goeroes.

Kennisniveau

Natuurlijk zijn er generalisaties te maken. Omdat het vaak gaat over kwetsbare ‘kwaliteitskunst’ die subsidie krijgt, wordt van de bezoekers meestal ook een zeker kennisniveau verwacht. Laagopgeleiden zullen wellicht wat van die kennis tekort komen en daardoor niet naar de opera gaan, althans in Nederland. Is dat erg? Misschien, maar, zo stellen de onderzoekers niet heel expliciet, dan kun je beter het opleidingsniveau van de laagopgeleide verhogen dan het kennisniveau dat de opera vraagt, verlagen.

We doen al meer dan genoeg om de publieksparticipatie te verhogen, stellen de onderzoekers. Zowel in het wegnemen van fysieke drempels als op het terrein van educatie sparen we kosten nog moeite. Met wisselend succes, maar het gebeurt. Ze citeren met duidelijk plezier een onderzoeker die het probleem als volgt omschreef ‘als een problematisering van de cultuursector zelf die vervolgens zichzelf ook als oplossing aandraagt – of preciezer: die het continueren van de huidige vorm van overheidsfinanciering van de cultuursector aandraagt als oplossing van het probleem dat de huidige vorm van overheidsfinanciering van de cultuursector leidt tot het probleem van nietbezoek.’

Op de schop

Het alternatief zou volgens de onderzoekers inhouden dat het hele bestel op de schop gaat. ‘Willen we overheidsbeleid inzetten om het bezoek aan cultuur ‘integraal en inclusief’ (dus onder alle leden van de bevolking, wellicht met een focus op de ‘niet-bezoeker’) te verhogen, dan kan een consequentie zijn dat we moeten nagaan of het bestaande overheidsgefinancierde aanbod wel voldoende relevant is voor het beoogde brede publiek. Zo niet, dan moet de financiële ondersteuning wellicht omgebogen worden richting vormen van aanbod die ook andere publiekssegmenten aanspreken. Dit is geen sinecure.’

Ze halen daarbij een EU-rapport aan, dat stelt dat in dat geval de organisatie – en ook het mandaat – van de bestaande culturele instellingen in hun geheel ter discussie komen te staan. ‘Dit kan zo ver gaan dat men ook opnieuw moet nadenken over wat ‘cultuur’ nu eigenlijk is, en waarom het een overheid past cultuurbeleid te voeren. Het kan bijvoorbeeld aanzetten tot een verschuiving van het ondersteunen van het aanbieden van passend geachte programma’s door professionele instellingen naar het ondersteunen van organisaties die mensen in staat stellen verschillende culturen in verschillende omgevingen te erkennen en uit te drukken’

Het is de vraag of de kamerleden van D66, CU, VVD en PvdA inderdaad het bestel overhoop willen halen, of dat ze nu, voor eens en voor altijd, de niet-geïnteresseerde nietbezoeker in zijn sop gaar laten koken. Of, zoals de notitie afsluitend stelt: ‘Indien de ‘niet-bezoeker’ werkelijk een problematische categorie vormt, dan is het grondig doordenken van de fundamenten van cultuurbeleid geboden.’

Lees hier het rapport ‘Canon en Mug’.

Deel dit:

WO-MAN in het theater: ‘Gek eigenlijk om ‘power’ direct aan ‘mannelijk’ te verbinden.’

Foto: Ben van Duin

Een van de inspiratiebronnen voor regisseuse Ingrid Kuijpers was een filmpje over een bepaald soort platwormen. Het heeft ook een plaats gekregen in haar voorstelling WO-MAN. Platwormen zijn tweeslachtige dieren. De paring komt neer op een gevecht om wie van de twee bevrucht wordt. Kuijpers: ,,Het exemplaar dat erin slaagt de ander zwanger te maken, heeft gewonnen. Als je zwanger bent, zit je vast aan een taak waaraan je veel energie kwijt bent. Ik vind het wel veelbetekenend dat platwormen niet in die rol terecht willen komen.”

,,Ritzah Statia en Dionne Verwey hebben een indrukwekkende power”, zegt regisseur Ingrid Kuijpers. ,,De kracht die ze hebben zou je mannelijk kunnen noemen. Om die reden wilde ik graag een voorstelling met hen maken. De voorstelling gaat over twee vrouwen die te veel kracht hebben om binnen het algemeen geaccepteerde vrouwelijke te kunnen blijven. Ik heb al vaker met Ritzah en Dionne gewerkt in producties van Golden Palace, maar ook als coach bij hun eigen projecten. Het zijn bijzondere vrouwen, fantastische spelers.”

Ritzah Statia, Ingrid Kuijpers en Dionne Verwey – Golden Palace. foto Maarten Baanders

Ingrid Kuijpers en theatergroep Golden Palace maken fysiek theater. In WO-MAN ontbreekt het gesproken woord. Improvisaties vormen het uitgangspunt waarop de uiteindelijke voorstelling is gebaseerd.

Te groot

,,Bij het maken van WO-MAN kwamen we al gauw uit op het thema gender”, zegt Ingrid. ,,De voorstelling gaat over twee vrouwen, die niet gelukkig kunnen zijn door hun teveel aan power. Ze passen niet in het rollenpatroon, ze hebben te veel energie. Het is gek dat we bij het begrip ‘power’ direct aan ‘mannelijk’ denken.”

WO-MAN opent met de twee personages die in indrukwekkend krachtige pose in een huiskamer verblijven. Ze dragen een herenkostuum en, om hun krachtige status nog eens extra te verhogen, hullen ze zich even later in Superman-pakken. Dit tegen elkaar opbieden moet wel tot botsingen leiden.

Tweeslachtig

,,De personages voeren een strijd waarin ze elkaar tot vrouw proberen te maken. Het idee van de Supermannen kreeg ik toen ze op een gegeven moment uitgeput op de bank zaten. Het zag er treurig uit: ze waren slachtoffer van hun eigen energie.”

Foto: Ben van Duin

Een foto van de actrices in Supermanpakken siert de affiches van WO-MAN en geeft een beeld van de tragikomische sfeer in de voorstelling.

Onderzoek

Voordat ze met repeteren begonnen, bereidden Kuijpers en de beide spelers zich voor in twee onderzoeksweken. Ritzah Statia: ,,We probeerden van alles uit aan de hand van opdrachten. Zo kwamen we aan materiaal dat het startpunt werd voor de repetities.”

Ingrid: ,,In de onderzoeksweken werkten we met transformaties van vrouwelijk naar mannelijk en omgekeerd. Vooral het tussengebied was interessant. Het leek me mooi als we op een nieuwe vorm van gender zouden uitkomen, voorbij de afspraken over wat vrouwelijk en mannelijk is.”

In de onderzoeksweken kwamen Ingrid, Ritzah en Dionne tot een blauwdruk van wat in de repetities verder uitgewerkt zou worden. Ingrid: ,,De personages hebben voor mannelijke energie gekozen als overlevingsstrategie. In hun conflict willen ze elkaar in de rol van vrouw duwen. Ze willen alleen heersen, als een man. Het idee van de Supermannen ontstond al in de onderzoeksweken. Twee Supermannen is te veel, daarom dwingen ze elkaar om vrouw te zijn.

Foto: Ben van Duin

Improvisatie

,,Ik kreeg als improvisatie-opdracht om als Superman Ritzah als vrouw aan te kleden”, zegt Dionne. ,,Tijdens de improvisatie kwam ik naast een jurkje en hakjes op het algemene beeld van de vrouw, met een zwabber slovend door het huis.” Ingrid: ,,Dat is natuurlijk ook het jaren 50 beeld dat Superman van een vrouw heeft. En door het hanteren van de zwabber komt de helft van haar hersens op non-actief te staan.”

Dionne: ,,Wat deze beelden betekenen blijft in het midden. Het publiek bepaalt zelf wat het erin ziet. Ingrid benaderde me omdat ik in mijn eigen producties vaak met thema’s als sekse en gender werk. In mijn persoonlijke leven is dit niet zo’n issue, maar ik kan me in het thema van WO-MAN herkennen omdat ik me bewust ben van een bepaalde kracht die ik uitstraal en waar ik mee leef. Door die kracht in te zetten kan ik het thema gestalte geven. Elke kunstenaar uit zich via dingen die hem of haar bezighouden. Ze komen indirect in het werk terug.”

Persoonlijk

Ritzah herkent het thema wel voor zichzelf op het persoonlijke vlak. Ze licht dit toe met een voorbeeld. ,,Tijdens de dansopleiding die ik volgde moest ik voor de eindvoorstelling een Burlesque dansen. Dat is een dansstijl die draait om vrouwelijke sensualiteit. Daar had ik moeite mee. Ik ben wat stoerder en merkte wrijving in mezelf. Uiteindelijk voelde ik me er toch goed bij. Je doet je best. Op den duur ga je begrijpen wat zo’n dans inhoudt en verbind je je kracht eraan. Als je je eraan overgeeft, als je je openstelt, ontwikkel je een andere vorm van je kracht.”

Ingrid: ,,Dat is wat de voorstelling laat zien: als speler én als mens kun je alles zijn. Elke identiteit die je kiest kun je vanuit de kracht die je in je hebt op jouw persoonlijke manier gestalte geven.”

Onderbewuste stroming

Hoe werkt de stap van improvisaties naar de definitieve vorm van de voorstelling?

,,Als je improviseert,” vertelt Dionne, ,,komt er iets op uit een onderbewuste stroming. Als je een improvisatie vastlegt en later veertig keer in voorstellingen speelt, kun je het natuurlijk niet al die veertig keer als nieuw in je laten opkomen en doorvoelen zoals die eerste keer. Maar met je acteertechniek kun je de onderbewuste stroom wel zo naar boven halen dat je spel van binnenuit komt.”

Ritzah: ,,Je speelt nooit op de automatische piloot. Je weet waar het vandaan komt en kan het vandaaruit terughalen.”

Ingrid: ,,Als je improviseert vanuit beweging, haal je uit het onderbewuste veel primair, instinctief, eerlijk materiaal tevoorschijn. Die eerlijkheid zit ook in de uiteindelijke voorstelling. Dat is de kracht van hoe Ritzah en Dionne spelen. Het verschil is dat ze zich tijdens de voorstelling, anders dan in het improviseerstadium, bewust zijn van het ‘waarom’. Ze weten waarom ze als personages doen wat ze doen. En op basis daarvan kunnen ze de lijn van de voorstelling spelen.”

Lachen

Tijdens WO-MAN wordt er in de zaal veel gelachen. Tussen Ritzah en Dionne is er ook veel humor, tijdens de repetities, maar ook tijdens de voorstellingen. ,,Als we het publiek horen lachen, kijken we elkaar wel eens aan. Dan zien we wat we aan het doen zijn en moeten we soms ons lachen inhouden.”

,,De voorstelling is niet alleen komisch”, zegt Dionne. ,,We moeten ons ook inleven in de ernst van de situatie die we spelen. Het mooie vind ik dat we beelden geven en dat het publiek zelf bepaalt wat het daarbij voelt. Wat wij zelf voelen als we in onze rol zitten, daar denken we niet over na. Maar in alle emoties die voorbijkomen, voel ik wel een verbintenis met het publiek.”

Goed om te weten Goed om te weten
Deel dit:

Jan van de Putte: ‘Mijn werk gaat over het veroveren van de muziek’

Auguste Bouquet: Portret van Jean-Gaspard Deburau, 1830 (bron Wikipedia)

De Nederlandse componist Jan van de Putte (1959) overschrijdt steevast de grenzen van muziek. Aarzelende aanzetten, stilte, weidse gebaren en verkenningen van ons onderbewustzijn staan net zo vanzelfsprekend in zijn partituur als klinkende tonen. Afgelopen najaar verscheen zijn vierdelige liederencyclus op poëzie van Pessoa, waarin hij de Portugese dichter trefzeker laat stamelen.

Op 8 november klinkt zijn nieuwste compositie, Cette agitation perpétuelle/cette turbulence sans but (Deze eeuwige opwinding/deze doelloze onrust). Ook hierin blijken gebaren en schijnbaar niet ter zake doende prevelementen tot de kern van het stuk te behoren. Hij componeerde dit voor Klangforum Wien, dat de wereldpremière verzorgt in Muziekgebouw aan ‘t IJ. Voorafgaand is er een openbare repetitie, van 13.00-13.45 uur.  Aansluitend zal ik met hem spreken over het hoe en waarom van zijn compositie. Als voorproefje stelde ik hem vast drie vragen.

Abstract theater

Wat typeert jou als componist?

Eén ding is voor mij heel belangrijk: ik probeer lange lijnen te maken met een uitgesponnen ontwikkeling. Ik wil dat er iets gebeurt waardoor mensen van de ene wereld in een andere komen, alles heeft met elkaar te maken. Vorm is daarbij van groot belang en er is een grote verwevenheid van muziek en theater. – Waarbij ik theater overigens ook beschouw als muziek. Mijn stukken gaan vaak over hetzelfde: iedereen is wat aan het doen maar ze komen geen stap verder, het heeft geen zin. Die zinloosheid is kenmerkend voor mijn muziek, maar er is altijd een oprecht en soms gepassioneerd pogen.

De theatrale elementen gebruik ik abstract, anders dan bijvoorbeeld Mauricio Kagel. In zijn werk doet iemand iets grappigs om vervolgens weer verder te gaan met muziekmaken. Bij mij komt het theater voort uit muzikale handelingen die sowieso verricht worden, maar niet ervaren worden als onderdeel van de muziek. Dat kan bijvoorbeeld het omslaan van een bladzijde zijn. Mijn recent voltooide stuk voor cello solo begint met lopen. Pas na tien minuten neemt de cellist de stok ter hand. Daarna volgt weer een lange scène voor hij of zij eindelijk de cello oppakt en daadwerkelijk gaat spelen. De uitvoerder moet mijn muziek je als het ware veroveren. Zo laat ik dingen die ogenschijnlijk ver uit elkaar liggen met elkaar samensmelten: reguliere handelingen verliezen hun anonimiteit en krijgen betekenis.

Pantomime en marionettentheater

Waar gaat je stuk over en waar komt de titel vandaan?

Ik ben al jaren geïnteresseerd in pantomime en marionettentoneel in de 19e eeuw. Ik las hierover in een reeks boekjes van uitgeverij La Pléiade over de geschiedenis van het theater in Frankrijk. In de 19e eeuw had de Comédie Française als enige alle uitvoeringsrechten. Pantomime is voortgekomen uit koorddansers, die alleen mochten optreden als ze geen woorden gebruikten. Daarom zat er altijd een controleur van de Staat in de zaal. Een grote ster van het pantomime was Jean-Gaspard Deburau. Hij werd in 1945 vereeuwigd als wit geschminkte Pierrot in de film Les enfants du paradis.

Later mocht één danser toch wat zeggen, maar daarmee werd uiteraard gesmokkeld. Dan sprak iemand een zin, verliet de zaal en kwam een ander terug en gaf het antwoord. Zo kreeg je toch een soort dialoog. Debureau speelde in deze ontwikkeling een belangrijke rol en alle Franse schrijvers gingen naar zijn theater. Het was een soort verafgoding van het vulgaire toneel door de aristocratische klasse. Ook de Franse romantische auteur Théophile Gautier schreef hierover, mijn titel is een frase uit een van zijn artikelen.

Razende stilstand

Cette agitation perpétuelle/cette turbulence sans but reflecteert op de wereld van tegenwoordig, waarin alles veel te snel gaat. Hartmut Rosa schreef hierover het schitterende boek Beschleunigung (versnelling). Vroeger schreven we af en toe een brief, toen kwam de email en dachten we dat ons dat veel tijd zou gaan besparen. Maar uiteindelijk verkeert het in zijn tegendeel, we raken bedolven onder een overmaat aan berichten. Dat leidt tot het begrip ‘Razende stilstand’ van de Franse filosoof Paul Virilio, waar ook mijn hobokwartet al over ging.

Hoe heb je het werk opgezet?

Ik werk met versnelling en vertraging, zelfs hoe de musici binnenkomen is exact voorgeschreven. Ze betreden het podium op een puls van metronoomcijfer 135, net iets te snel. Dan vertragen ze naar een normaal looptempo. Als toeschouwer voel je dat er iets raars aan de hand is, maar je weet niet precies wat. Ook het buigen duurt net iets te lang, waarna ze naar hun plek lopen en het tempo nog verder vertraagt. Dat is een voorbode van het slot, waarin alles gebeurt in slow-motion en tot een soort beeldpoëzie wordt.

Terwijl iedereen klaar zit voor de dirigent voeren de hoboïste en de fluitiste op fluistertoon een gesprek over een getrouwde dame die verleid wordt door een mooie jongen. En hoe schandalig dat is – het is 19e eeuws poppentheater voor een eenvoudig, volwassen publiek. Ze worden jaloers op elkaar en krijgen enorme ruzie, maar dat hoor je amper. Wanneer de dames stoppen met praten kijkt de contrabas omhoog, de gitarist volgt zijn blik om te zien wat daar gebeurt en pas daarna beginnen ze te spelen. Ook dat is een voorbode van het slot.

Versnelling en vertraging

Alles gaat supersnel, er is een voortdurende onrust. Die manifesteert zich op allerlei manieren. Melodieën verspringen bijvoorbeeld per 16e van instrument naar instrument en verplaatsen zich zo vliegensvlug door het ensemble. Ze herhalen alles nog een keer maar dan sneller. Vervolgens doen ze het in omgekeerde volgorde nog weer sneller. Tot ze opeens iets heel anders gaan doen, het is één nerveus gekrioel.

Tegen het slot ontstaat een enorme vertraging doordat er steeds een zestiende bij komt. Dat gaat maar door tot ze ophouden met spelen en overgaan in beweging. Die wordt steeds trager, zodat je een ensemble ziet in slow-motion. Ze produceren ook amper nog geluid, behalve een enkel instrument. De musici kijken omhoog, naar een heel hoog toontje dat daar klinkt. Wanneer dit gaat bewegen volgen ze met hun blikken het op-en-neer gaan, het musiceren is helemaal verdwenen. Alles is verworden tot poëzie, het omslaan van een blad, het kijken. Vanuit het kijken gaan ze zingen, waarna de muziek weer op gang komt. Daar begint het tweede deel, dat ik hierna ga schrijven.

Donderdag 8 november 2018 Muziekgebouw aan ‘t IJ: Klangforum Wien / Beat Furrer
Muziek van Beat Furrer, Rebecca Saunders en Jan van de Putte. Meer info en kaarten voor het concert hier.
Kaarten voor gratis toegankelijke openbare repetitie hier.

Deel dit:

‘Geen geloof in het systeem.’ Het tweede seizoen van Netflix’s Making a Murderer.

Photo: Netflix

“Don’t let Netflix tell you what to think.”  De Netflix documentaire Making a Murderer zorgde in 2016 voor enorme ophef in de Verenigde Staten en de rest van de wereld. De samenleving was verdeeld in twee kampen: degene die geloofden dat Steven Avery schuldig was en de mensen die van mening waren dat hij wederom onschuldig in de cel zat. Tweestrijd. Net als een paar weken geleden in de zaak rondom de nominatie van Brett Kavenaugh als rechter voor het Hooggerechtshof. Dit resulteerde in het geval van Avery in petities en demonstraties, maar ook in doodsbedreigingen aan het adres van onder andere de sheriff en aanklager. Nu komt Netflix op 19 oktober met een tweede seizoen; Making a Murderer: Part Two. Ik kreeg de kans om alvast een aantal afleveringen van het nieuwe seizoen te bekijken.

Voor wie dit allemaal is ontgaan, hier een synopsis van de documentaire.

Making a Murderer

Een real-life thriller, gefilmd over tien jaar, die gaat over een man die eerst vrijgesproken is van een misdaad, maar daarna in een nieuwe zaak schuldig is bevonden. Steven Avery bleek, na DNA onderzoek, achttien jaar onterecht vast te hebben gezeten voor verkrachting. Echter, twee jaar later wordt hij opnieuw gearresteerd, ditmaal voor de verkrachting van en moord op Teresa Halbach. Hij beweert wederom onschuldig te zijn. Op het moment van zijn arrestatie is Steven bezig met de zaak om de corruptie van de lokale politie bloot te leggen. Avery is wederom verdachte. Avery’s zestienjarige neefje, Brendan Dassey— een ‘slow learner’ met een IQ rond de 70, wat net op de grens van verstandelijk gehandicapt ligt— raakt ook betrokken bij de zaak. Brendan legt, wat later blijkt, een gedwongen verklaring af waarin hij toegeeft dat hij en Steven Teresa hebben verkracht en vermoord. Beiden worden na lange en publieke rechtszaken veroordeeld.

Is Steven Avery er wederom ingeluisd door politie en justitie? De makers van Making a Murderer doet er alles aan om de kijker hiervan te overtuigen en presenteren een geloofwaardig verhaal. Waar men normaal gesproken onschuldig is totdat het tegendeel is bewezen, lijkt het in Avery’s geval andersom te zijn.

Macht van de media

Voor Making a Murderer zijn media een goed pressiemiddel geworden voor de teams die proberen om zowel Steven Avery als Brendan Dassey vrij te krijgen. Bovendien leggen ze de fouten van politie en justitie bloot; degene die besluiten over iemand zijn of haar vrijheid, en, in extreme gevallen, over leven en dood. Voor Kathleen Zellner, Steven Avery’s advocate, is het favoriete medium om het publiek te wijzen op de fouten van politie en justitie zo te zien: Twitter.

Making a Murderer: Part 2. Photo: Netflix

Het gevecht tegen het justitiële apparaat

De eerste afleveringen van tweede seizoen besteden meer aandacht Brendan Dassey; als zoon en broer, als persoon. Ook krijgen we inzicht in de situatie rondom de gedwongen bekentenis en hoe zijn huidige— ‘postconviction’— advocaten vechten voor het ongedaan maken van Brendan’s veroordeling. Na verschillende schijven in het Amerikaanse rechtssysteem te hebben doorlopen, is er licht zichtbaar aan het einde van de tunnel. Federale rechter Duffin geeft toe dat de veroordeling op basis van de bekentenis niet geldig is. Echter, openbare aanklager Brad Schimel dient namens de staat een beroepschrift in tegen dit besluit. Uiteraard, want de beslissing heeft verre gevolgen voor de zaak en veroordeling van Steven Avery, wiens zaak is gebaseerd op Brendan’s bekentenis. Een keer onschuldig in de cel door corruptie is een blamage, maar een tweede keer is natuurlijk desastreus.

Making a Murderer: Part 2. Photo: Netflix

There is no business like show business

Zoals al te zien was in het eerste deel, de media hebben enorme impact gehad op de perceptie en het verloop van de levens van Avery en Dassey. Ook in het tweede seizoen wordt dit element belicht. Niet alleen het justitiële gedeelte, maar ook het persoonlijke aspect. Waar camera’s zijn, komen ook mensen die graag hun ‘fifteen minutes of fame’ willen. Bij een sensationele zaak als deze komt het voor dat personen naar voren komen die beweren ergens getuige van te zijn geweest of bekentenissen doen die niet op waarheid berusten.

Making a Murderer: Part 2. Photo: Netflix

Daarnaast heb je (vooral) vrouwen die Making a Murderer hebben gevolgd en interesse hebben in een relatie met Brendan of Steven. Het perfecte onderwerp voor (tv) psychiater Dr. Phil. Brendans verloofde, Sandra Greenman, dumpte hem om religieuze redenen toen ze bij Dr. Phil te gast was. In seizoen twee is te zien dat ze nog erg close zijn. Zijn relatie en verloving met Lynn Hartman werd eerst geheim gehouden om (online) bedreigingen te voorkomen. De ironie: Lynn is getrouwd geweest met een politieagent. Tijdens de show van Dr. Phil was ze verliefd en overtuigd van zijn onschuld. Echter, een update van een jaar later beweert ze het tegenovergestelde. Ze ontving, volgens haar, nietsverhullende, expliciete bedreigende brieven van Avery. Hij beweert haar te hebben gedumpt omdat ze een ‘gold digger’ is. Dat ze een relatie met hem was aangegaan om publiciteit en geld. Dit allemaal draagt natuurlijk bij aan de perceptie van schuld of onschuld.

Making a Murderer: Part 2. Photo: Netflix

Wat is de waarheid

In de eerste aflevering maakt een betrokkene de opmerking “No faith in the system” te hebben en dit lijkt een correcte bewering te zijn. Dit wordt bevestigd als Kathleen Zellner tijdens haar onderzoek van de bewijzen zegt: “They are going to regret the day they planted that evidence.” Als kijker word je het verhaal ingezogen; de deconstructie van de zaak en geleverde bewijzen door diverse experts roepen een primair gevoel van verontwaardiging en onrecht op. Wat is de waarheid? Het definitieve antwoord op die vraag laat waarschijnlijk nog even op zich wachten. Als hij ooit komt. Tot die tijd assisteren Netflix en de andere media het publiek wel bij het vormen van een bepaald beeld.

Making a Murderer: Part 2. Photo: netflix
Goed om te weten Goed om te weten

Vanaf 19 oktober zijn de 10 afleveringen van het tweede seizoen van Making a Murderer te zien op Netflix.

Deel dit:

Tosca als reality-soap bij Nederlandse Reisopera

Tosca - Nationale Reisopera 2018 (c) Marco Borggreve

De thematiek van Puccini’s opera Tosca uit 1900 is van alle tijden. Een cocktail van hartstochtelijke liefde, politieke rebellie, wellust en verraad is geconcentreerd rond de persoon van Floria Tosca. Regisseur Harry Fehr presenteert dit verhaal als een reality-soap, met impliciet commentaar op onze selfie-cultuur. Een aardige vondst, maar het is de vraag of deze het drama tot leven kan wekken. Gelukkig wordt er prachtig gezongen en gemusiceerd.

Het toneel toont een claustrofobische controlekamer. Van hieruit houden agenten iedereen via enorme monitoren in de gaten: de schermen dubbelen de beelden op het toneel. Niets ontsnapt aan de blikken van politiechef Scarpio, die een schrikbewind voert over Rome. De kale ruimte fungeert tevens als de kapel waar Mario Cavaradossi werkt aan zijn portret van Maria Magdalena. – Ogenschijnlijk, want in werkelijkheid stond Gravin Attavanti hiervoor model, de zus van politieke rebel Cesare Angelotti. Wanneer deze uit de gevangenis ontsnapt, biedt Cavaradossi hem een schuilplaats aan bij zijn villa.

#MeToo

Scarpia verdenkt hem onmiddellijk en pookt de jaloezie op van Floria Tosca, de geliefde van Cavaradossi. Ongewild leidt zij de politiechef naar diens huis, waar hij onmiddellijk gearresteerd en ter dood veroordeeld wordt. Scarpia biedt aan Cavaradossi te redden met een schijnexecutie indien Tosca met hem slaapt. Een puur gevalletje #MeToo. Eerder heeft de geile en corrupte politiechef zich in zijn aria ‘Ella verra’ al verkneukeld op zijn zoveelste verovering. Op het moment suprème steekt Tosca hem dood, waarna zij hoopt met Cavaradossi te kunnen vluchten. Die is echter wel degelijk gefusilleerd, waarop Tosca van een toren springt.

Puccini schreef bij dit bloedstollende verhaal uiterst dramatische muziek, gloedvol vertolkt door het Orkest van het Oosten. Dirigent David Parry voerde zijn man/vrouwschappen met soepele hand door de gevarieerde partituur. Angstaanjagende, dissonante klankvulkanen en spookachtige strijkerswolken worden afgewisseld met volkse melodietjes en heldhaftig klaroengeschal. Het was een genot te horen hoe vloeiend het orkest de lijnen van de zangers volgde en omspeelde, met prachtige soli van vooral de houtblazers.

Ideale Scarpia

Ook de zangerscast is van hoog niveau. Kari Postma is een soevereine Tosca, die van begin tot eind overtuigt. Ze geeft een intense vertolking van de aria ‘Vissi d’arte’, maar durft ook lelijk te zingen als het moet. Haar met rauwe stem uitgespuugde ‘sterf, vervloekte’ tegen de stuiptrekkende Scarpia gaat door merg en been. Noah Stewart zingt de rol van Cavaradossi. Hij heeft een mooie tenorstem, die echter in de hoogte vaak wat kelig klonk, wellicht door premièrezenuwen. Phillip Rhodes is de ideale Scarpia. Hij is dé belichaming van de cynische machstwellusteling die alles en iedereen offert voor eigen lust en gewin. Groot acteur met een dijk van een stem.

Prullenbak

In de bijrollen steelt Bernadeta Astari de show als poetsvrouw die het lijk van Scarpia vindt. Hilarisch is het moment waarop ze na haar aanvankelijke schrik de volgende prullenbak leegt, het lichtje uitknipt en het bureau verlaat. Alexander de Jong geeft mooi gestalte aan de hebzuchtige Kerkermeester, Roman Ialcic overtuigt als politiek vluchteling Angelotti. Michael J. Scott is een adequate Spoletta en Oleksandr Pushniak een dito koster. Het Tosca-kinderkoor is aandoenlijk en Concencus Vocalis schittert in het Te Deum.

Toch komt het drama niet werkelijk tot leven. Er wil maar geen vonk overspringen tussen Cavaradossi en Tosca, met onhandige omarmingen en frontaal richting publiek gezongen liefdesaria’s. De statische enscenering en eenvormige belichting creëren een afstandelijke sfeer waarin weinig ruimte is voor hartstocht.

De immer op de achtergrond getoonde beelden voegen weinig toe en gaan uiteindelijk vervelen. Uitzondering is het tweede bedrijf. Terwijl Scarpia wacht op het concert van Tosca klinkt een trio van  viool, fluit en harp, prominent in beeld op het achtergrondscherm. ‘Live’ lezen we in de rechterbovenhoek. Zodra de muziek een andere weg inslaat verschijnt een doorgestreept luidsprekerikoontje.

Er zijn meer geestige momenten, die je als toeschouwer bij de les houden. Samen met de muziek maken zij deze Tosca een gang naar de schouwburg meer dan waard.

Goed om te weten Goed om te weten
Tosca is nog te zien tot en met 13 november in verschillende steden te zien. Speellijst en info hier

 

Deel dit:

De Tweede Kamer is jongerenkunst geworden. Zo vervliegt de eerste vijf miljoen van de Cultuurbegroting

Duizend scholieren per dag in de Tweede Kamer. Niet minder dan dat. Dat wil Cultuurminister Ingrid van Engelshoven. Kost 4,8 miljoen. Geld dat u feitelijk gaat betalen via uw theaterkaartje, het bibliotheekboek, de museumticket. Want van die 4,8 miljoen had ook echte kunst gemaakt gemaakt kunnen worden.

Het is een grote vraag waarom het verplichte Tweedekamerbezoek bekostigd moet worden vanuit de cultuurbegroting. Dat verschillende extreemrechtse politici het hoogste orgaan in onze democratie soms een theater, dan wel schijnvertoning noemen kan toch niet de reden zijn? Het signaal gaat natuurlijk wel die kant uit. Want: wat heeft parlementsvisite in godsnaam te maken met cultuureducatie? Is onze nationale politiek cultuur? Kunst is het zeker niet.

Kasschuiven

Het is dus wederom een typisch Ruttiaanse sigaar uit eigen doos, deze greep uit het kunstbudget van 5 miljoen. Het kasschuiven waarmee Jet Bussemaker haar imago van kunstvriendelijke cultuurminister overeind hield, gaat dus gewoon door in het Kabinet nummer zover van onze gemankeerde Unilevercommissaris.

Het gaat natuurlijk wel leuke dingen opleveren. Rutte snapt ook dat de voorstellingen in zijn Kamer soms maar 15 man op de eerste rij trekken, iets wat hij eerder geheel onterecht het theater verweet. Gedwongen bezoek is dan een uitkomst, en het theater heeft daar buitengewoon veel ervaring mee. Eens in de zoveel tijd barst de bom wel weer ergens, wanneer een scholierenvoorstelling totaal de mist ingaat vanwege overlast vanuit het jongerenpubliek. Gejoel, mobieltjes, pesterijen van oudere toeschouwers: respect is voor mensachtigen met een nog niet goed ontwikkelde prefrontale cortex vaak best een dingetje.

Verplicht doodstil

Ervaren jongerentheaterprogrammeurs weten daar wel raad mee, waardoor het meestal best goed gaat. Zulke programmeurs zijn er niet in de Tweede Kamer. Dus zal – na de tocht langs de fullbodyscanner en het inleveren van de tasjes – de horde van  duizend scholieren zich op de diverse publieke tribunes storten. Om verplicht doodstil te zitten tijdens vaak onbegrijpelijke commissievergaderingen of plenaire debatten.

Gaan ze daar wijzer van worden? Waarschijnlijk niet. Al bestaat altijd de kans dat een enkeling zich tot het politieke metier aangetrokken zal voelen, of zelfs een stem bij een verkiezing gaat overwegen. Net zoals dat gaat bij echte kunst.

Te vrezen valt echter ook dat de 150 amateurspelers die nu de Kamerzetels bevolken nog genanter dan ze nu al doen om de gunst van het live publiek gaan strijden. We kunnen ons afvragen of de politiek daar beter van wordt. Wat er in ieder geval slechter van wordt, is duidelijk: de kunst. Die dit spektakel uit eigen zak moet gaan betalen.

Deel dit:

Camilla de Rossi in NTRZaterdagMatinee: drie eeuwen verlate première

Na jaren begint mijn gedram over de onzichtbaarheid van vrouwelijke componisten vruchten af te werpen. Mede dankzij de #MeToo beweging worden ook componerende dames eindelijk serieus genomen en uitgevoerd. De NTRZaterdagMatinee maakt hen dit seizoen zelfs tot speerpunt in de programmering.

Afgelopen zaterdag klonk de wereldpremière van Salto di Saffo van Calliope Tsoupaki (1963). Zij componeerde dit dubbelconcert voor panfluit, blokfluit en orkest als ‘companion piece’ voor La mer van Debussy. Haar beeldende muziek kreeg een spetterende uitvoering door Matthijs Koene, Erik Bosgraaf en het Radio Filharmonisch Orkest onder leiding van Markus Stenz. NRC beloonde het stuk met de maximale vijf sterren.

Bach, Bach en nog eens Bach

Zaterdag 13 oktober speelt de Nederlandse Bachvereniging de Nederlandse première van Il sacrifizio di Abramo van Camilla de Rossi (ca 1670-1710). Hoewel zij dit oratorium al in 1708 componeerde beleeft het pas ruim drie eeuwen later zijn Nederlandse première. Vrouwelijke componisten werden eeuwenlang over het hoofd gezien, maar De Rossi was beslist niet enig in haar soort.

Bij de Nederlandse Bachvereniging denk je aan Bach, Bach en nog eens Bach. Aanvankelijk gericht op Johann Sebastian werd het repertoire gaandeweg uitgebreid met Bachs componerende voorouders, kinderen en tijdgenoten. Pas in 2014 stonden de eerste ‘vrouwelijke noten’ op de lessenaars, met de wereldpremière van Oidípous van – jawel – Calliope Tsoupaki. Zij schreef dit oratorium in opdracht van Pierre Audi en het Holland Festival.

Van hoogste roem naar vergetelheid

Dode dames schitterden bij de Bachvereniging tot nu toe dus door afwezigheid. Zo klonk wel muziek van Händel en Vivaldi, maar bleven de kleurrijke cantates en madrigalen van Barbara Strozzi (1619-1677) ongespeeld. Zij had een prachtige sopraanstem en studeerde compositie bij Francesco Cavalli. Zelfbewust publiceerde ze acht bundels met uitsluitend eigen composities.

Als volwaardig lid van de Venetiaanse Accademia degli unisoni (Academie der gelijkgestemden), leidde zij filosofische gesprekken en bracht zij haar eigen stukken ten gehore. De musicoloog Charles Burney (1726-1814) noemde haar zelfs de bedenker van de cantate – een ontwikkeling die latere auteurs uiteraard aan mannen toeschreven.

Zonnekoning wijzigt wet

Haar jongere Franse collega Elisabeth Jacquet de la Guerre (1665-1729) sloot dit nieuwerwetse genre dankbaar in haar armen. Als muzikaal wonderkind trok zij de aandacht van de Parijse beau-monde. Koning Lodewijk XIV was zó onder de indruk van haar virtuositeit dat hij de wet wijzigde die het vrouwen verbood in het openbaar te musiceren. Zij trad toe tot zijn entourage en werd zijn protegé.

Zij componeerde naast klavecimbelmuziek opera’s, balletten en cantates. Pareltjes zijn de Bijbelse cantate Jonas en de wereldlijke cantate L’isle de Délos, die de muziekstandaards van de Bachvereniging nog niet bereikt hebben. Jammer, want Jacquet de la Guerre grossiert in levendige zanglijnen en dramatische orkestbegeleidingen vol onverwachte harmonische wendingen. Bij haar overlijden plaatste een Franse historicus haar op zijn ‘Parnassusberg’ naast Marais, Lalande en Lully.

Adellijke dames

In Duitsland en Nederland waren het vooral adellijke dames die de componeerpen ter hand namen. Zoals Wilhelmine Markgräfin von Bayreuth (1709-1758), de oudste dochter van ‘soldatenkoning’ Friedrich Willem I. Zij stichtte samen met haar echtgenoot een kunstacademie in Bayreuth en entameerde aan haar hof een bruisend muziekleven. Er werden vele opera’s uitgevoerd, waaronder haar eigen Argenore. Ook haar jongere zus Anna Amalia (1723-1787) was een begaafde componist, die onder andere het ‘Singspiel’ Erwin und Elmire schreef.

In ons land raakte barones Josina van Boetzelaer (1733-1797) als hofdame van de Oranjes gegrepen door de opera-uitvoeringen die zij organiseerden. Zij publiceerde vier bundels met meeslepende aria’s vol sprankelende melodieën en een beeldende orkestrale begeleiding. Ook Belle van Zuylen (1740-1805) componeerde verschillende opera’s, die echter allemaal verloren zijn gegaan.

Camilla de Rossi

Camilla de Rossi was in haar tijd als vrouwelijke componist dus beslist geen eenzame uitzondering. Helaas is van haar weinig meer bekend dan dat zij begin 18e eeuw actief was in Wenen. Ze omschreef zichzelf als ‘Romana’ en kwam vermoedelijk uit Rome. Hoewel ze niet in dienst was van Keizer Josef I gaf hij haar in 1707 opdracht voor het oratorium Santa Beatrice d’Este.

Een jaar later stond Il sacrifizio di Abramo op de lessenaars van de Weense hofkapel. Camilla de Rossi gebruikte hiervoor een libretto van Francesco Maria Dario, dat vier personen opvoert. Centraal staan Abraham (tenor) en zijn zoon Isaac (altus); kleinere rollen zijn er voor Sara, de echtgenote van Abraham en een engel (beide sopraan).

Soepele recitatieven

Rossi schrijft soepele recitatieven en ontroerende aria’s. Opmerkelijk zijn de twee chalumeaux die de vredige droom van Abraham begeleiden vlak voor God hem opdraagt zijn zoon te offeren. De chalumeau is een voorloper van de klarinet, die pas een jaar daarvoor in Wenen was geïntroduceerd.

De Rossi was dus zeer bij de tijd en had bovendien een fijnzinnig gevoel voor klankkleur. Ook in haar andere opera’s zet zij bepaalde instrumenten in voor een dramatisch effect. Zo vertegenwoordigen trompetten de schurkachtige strijders in Santa Beatrice d’Este en symboliseert een theorbe de onschuld van de hoofdpersoon van haar oratorium Sant’Alessio.

Een buitenkans om haar schitterende muziek nu live te horen in de NTRZaterdagMatinee. Hopelijk volgen snel ook haar andere drie oratoria. – En misschien ook eens een hernieuwde uitvoering van Oidípous van Tsoupaki.

Goed om te weten Goed om te weten

Zaterdag 13 oktober 2018, NTRZaterdagMatinee, 14.00 uur
Nederlandse Bachvereniging: Il sacrifizio di Abramo van Camilla de Rossi. Info en kaarten hier.

Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik schreef voor het vriendenblad van de Nederlandse Bachvereniging. 

 

Deel dit:

‘Zo’n liefde tussen die twee, waaróm mag dat eigenlijk niet?’ Jaap Robben schrijft in ‘Zomervacht’ over een verstandelijk beperkte jongen.

Jaap Robben Marc Brester/AQM

Zijn ouders werkten in een instelling voor verstandelijk gehandicapte mensen, en daarom zat Jaap Robben als kind menig uurtje krulspelden in doosjes te stoppen. Het vormde de kiem voor zijn roman Zomervacht. ‘Ik wilde een spannend boek schrijven met een gehandicapte als een van de hoofdpersonen, omdat je vrijwel nooit over die wereld leest.’

Vier jaar na zijn zeer succesvolle debuutroman Birk is Jaap Robben (34) terug met Zomervacht, een wrange en grappige roman over een gezin met een kras. Sinds de scheiding van zijn ouders woont de 13-jarige Brian met zijn klaploper van een vader in een caravan. Moeder heeft Brians zwaar verstandelijk beperkte broer Lucien onder haar hoede. Maar als zij op reis is en Lucien vanwege een verbouwing van de instelling waar hij woont in de zomerperiode thuis moet worden opgevangen, nemen Brian en zijn vader de zorg op zich. Het laat zich raden dat dit voor de nodige problemen zorgt.

Jaap Robben ©Marc Brester/AQM

Het leven in een instelling kent Jaap Robben uit de eerste hand, vertelt hij. ‘Mijn ouders werkten toen ik klein was in Piusoord in Tilburg, een instelling voor verstandelijk gehandicapten. Ik ging vaak mee, want kinderopvang was er in die tijd niet veel. Dus als 2- of 3-jarige deed ik mee aan het dagprogramma voor de bewoners. Krulspelden in doosjes doen, dat soort dingen. Ik vond het daar fijn, het was een bijzondere plek.’

Had je als klein jongetje al door dat de mensen daar ‘anders’ waren?

‘Ja, zeker. Er was een bijzondere nabijheid van de volwassen. Een oud omaatje dat ik niet kon verstaan dat me haar kamer wilde laten zien. Of beren van kerels die mijn knuffel wilden aaien. Gek genoeg kan ik me het allemaal nog heel goed herinneren. Die krulspelden moest je door een machientje halen en dan – klik-klak – zat de krulspeld in het hulsje. Iemand zei tegen me dat ik dat zo snel en goed kon, en het voelde raar dat ik iets beter kon dan een volwassene. Sommige mensen waren zo zwaar gehandicapt dat ze een beetje eng waren, omdat ze gekke gezichten trokken en met allerlei beugels en een aangepaste hoofdsteun als een soort helm vastzaten aan hun rolstoel.’

Jaap Robben ©Marc Brester/AQM

Was je bang?

‘Nou ja, vooral hun geroep en onvoorspelbaarheid was spannend. Het rare vond ik dat we die mensen nooit ergens zagen, alleen op dat terrein met lage gebouwtjes waar ze rondscharrelden. In de supermarkt zag je ze nooit. Pas later ging ik daar de tragiek van inzien, de impact die zo’n situatie heeft op een gezin. Toen ik de afgelopen jaren soms aan iemand vertelde waar ik mee bezig was, bleek dat meerdere vrienden een gehandicapte broer of een gehandicapte zus hadden, terwijl ik ze daar nog nooit over had gehoord.’

Was het voor hen een ongemakkelijk onderwerp om over te praten?

‘Nee, meestal kwam dat doordat die broer of zus al jong was overleden of omdat ze niet echt een broer-zus-gevoel ervoeren. Als een familielid in een instelling woont, neemt hij of zij vrijwel geen deel aan jouw dagelijks leven.’

Jaap Robben: ‘Een verstandelijk beperkte persoon is bijna altijd een figurant.’ ©Marc Brester/AQM

Waarom wilde je erover schrijven?

‘Omdat je er nooit over leest. Ik wilde graag een spannend of een intrigerend boek met een verstandelijk gehandicapte als een van de hoofdpersonages. Want áls er al een verstandelijk beperkte persoon voorkomt in een roman is het vrijwel altijd een figurant. Dat heeft te maken met het feit dat mensen met een verstandelijke beperking nauwelijks ontwikkelen, en dat is een probleem voor een hoofdpersoon. Daarom ligt het perspectief ook niet bij Lucien, maar bij zijn gezonde broer Brian, al maakt Lucien wel een zekere ontwikkeling door. Er viel veel uit te zoeken, want hoe kun je bijvoorbeeld een taal vinden voor iemand die bijna niet kan praten? Ik wilde dat je aan het einde van het boek die Lucien een beetje snapt; dat je hem via Brian leert kennen en beseft dat er achter Luciens ogen een wereld schuilgaat.’

De verliefdheid tussen een gezonde puber en een verstandelijk gehandicapt meisje is op het ethische randje.

‘Ja, het is een relatie die niet mag, maar waarvan je misschien wel even gaat denken: het zou best leuk voor de personages zijn. Ik was benieuwd naar waar de grens lag. Wat zijn haar verwachtingen, wat die van hem? Wanneer wordt zo’n kalverliefde misbruik? Van veel van de personages is net niet helemaal duidelijk in hoeverre hun intenties goed zijn. Daar hoefde ik niet veel voor te doen. Als een jongen van 13 iets begint met een verstandelijk beperkt meisje van 19, dan denk je meteen al: dat kan eigenlijk niet. En als een man van 40 optrekt met een jongen van 13 op een afgelegen terreintje, roept dat uit zichzelf al de vraag op of het om een pedofiel gaat. Dan hoeft er niet eens iets te gebeuren, de verdachtmaking blijft.

Jaap Robben ©Marc Brester/AQM

Op die manier wilde ik spelen met de verwachtingen en vooroordelen van de lezer. Ik vond het ook interessant om te onderzoeken waar mijn eigen moraal ligt. Zo’n liefde tussen die twee, waaróm mag dat eigenlijk niet? En een jongen als Lucien heeft ook een donkere kant; hoe moet je van zo’n jongen houden? Kan dat wel? Mijn zoontje Midas van twee zegt nu de hele tijd ‘auto-auto-auto’. Schattig, als je weet dat daar straks ook het woord ‘fiets’ bij komt. Er zit ontwikkeling in. Maar stel dat hij straks 14 is, met de baard in de keel, en hij zegt nog steeds alleen maar ‘auto-auto-auto’. Dan kun je dat waarschijnlijk niet meer hóren.’

Jaap Robben ©Marc Brester/AQM

Wat hoop je dat de lezers eruit oppikken?

‘Ik hoop dat het boek empathie wekt, gevoelig maakt voor mensen naar wie je anders niet kijkt. We kennen allemaal de ‘knuffeldownies’. Een lunchroomketen als Brownies en Downies laat vooral de lichte kant zien. Maar je hebt ook mensen met Down die agressief zijn. In verstandelijke handicaps zijn er allerlei gradaties, soms heeft het geen naam en is ook niet duidelijk waardoor het komt. Hoe ziet dan het dagelijks leven eruit? Waar zit de zwaarte en waar zit de lichtheid, waar zit het geluk? Het jongetje Henkelmann, dat bij Lucien in de instelling woont, is in eerste instantie een afstotelijke jongen; hij bijt zichzelf. Toch hoop ik dat de lezer gaat denken: ach, jochie toch, wat erg.

Maar sinds Birk weet ik dat mensen er zo veel verschillende dingen uit halen, dat ik geen verwachtingen of doel heb. Voor mezelf is het enige doel dat ik die dilemma’s wil onderzoeken. Doordat er van alles vooraf kan worden getest, wordt het krijgen van een gehandicapt kind bijna een keuze en daarmee, in de ogen van sommige mensen, je eigen schuld. Ik hoorde van ouders dat ze erop werden aangesproken: je had het kunnen weten en je hebt ervoor kozen om het te houden, dan hoef je ook geen medelijden van ons te verwachten. Dus een test is niet alleen een keuze, het is zelfs bijna een plicht.’

Het maakbare leven.

‘Precies. Maar wie bepaalt eigenlijk wat een goed leven is? Als iemand ‘nah nah’ zegt als hij drinken bedoeld, is dat dan erg en moet hij ‘drinken’ leren zeggen omdat dat nu eenmaal de gangbare afspraak is? Ook Lucien heeft momenten van plezier, bijvoorbeeld wanneer hij en Brian flessen gooien in de glasbak. Geluk en fijne gevoelens zitten ook in dingen waar wij die gewoonlijk niet aan toekennen.’

Goed om te weten Goed om te weten

Zomervacht is verschenen bij uitgeverij De Geus.

Koop bij bol.com

Deel dit:

Twee meer dan terechte prijzen voor ‘het enige echt innovatieve theater van Nederland’

Liesbeth Coltof. Foto: Chris van Houts

Zou het dan toch gebeuren? Zou de droom van Liesbeth Coltof echt uitkomen? 36 jaar lang maakte ze theater waarin de leeftijd van het publiek geen rol speelde. Zaterdag 6 oktober kreeg ze uit handen van Hedy d’Ancona de Oeuvreprijs uitgereikt van de vereniging van schouwburgdirecteuren (VSCD). Daarmee streeft ze Ivo van Hove voorbij. De internationaal doorgebroken leider van het Amsterdamse stadsgezelschap ontving eerder wel een oeuvreprijs van het Amsterdamse bedrijfsleven en de Belgische overheid, maar nog nooit van de Nederlandse schouwburgen. Maakt ze daarmee haar bij het dankwoord uitgesproken claim waar, dat het jeugdtheater het enige echt innovatieve theater van Nederland is? Er valt veel voor te zeggen.

Neem de voorstelling waarmee ze gisteren afscheid nam als artistiek leider van de Toneelmakerij. Het innovatieve daarvan ligt niet direct voor de hand: een oude, klassiek geworden tranentrekker van Bertolt Brecht, een decor van rollende torens van steigerpijp: het is allemaal eerder gezien. Al wordt Brecht niet heel vaak op het toneel gezet, in Nederland.

Scholieren

Het echt innovatieve zit hem echter in het publiek. Niet bij de feestelijke première, natuurlijk, maar tijdens de tournee. Dan zitten de zalen voor deze dik twee uur durende muziektheatervoorstelling vol met schoolkinderen. En die krijgen geen gemakkelijke kost voorgeschoteld. Corruptie, vluchtelingenproblematiek, verraad, foute rechters en opportunistisch proletariaat. Dingen die je eerder zou verwachten in theater voor een volwassen publiek. Er zit zelfs een scène in waarin een kind door soldaten van de tribune wordt gesleurd. Verontrustend, niet alleen voor kinderen. En dan de muziek. Frederique Spigt is niet bepaald op haar knieën gaan zitten met de liedjes en composities (15 stuks) die ze voor deze voorstelling maakte.

Wat Liesbeth Coltof met onderwerpkeuze, aanpak en vormgeving aantoont, is dat theater zonder een enkel probleem in één enkele voorstelling alle bevolkingslagen en leeftijden kan aanspreken. Ook in een kind van 10 zit een volwassen toeschouwer, zoals in elke volwassen toeschouwer nog steeds een kind van tien zit. We verwonderen ons allemaal over de wereld, en goed theater weet die verwondering naar een hoger plan te trekken.

Alles gezien

Dus zit de innovatie van het jeugdtheater ook daar in: dat je Bertolt Brecht kunt spelen alsof die zijn stuk net dit jaar geschreven heeft. En dat niemand dat erg vindt. In het theater waar kinderen niet welkom zijn is het not-done om een twintigste-eeuwse auteur uit het stof te halen. Een stadsgezelschap zal het misschien nog eens doen, maar meestal wordt je afgemaakt: eerst door de subsidiënten, die liever iets nieuws en ‘innovatiefs’ van je zien, en daarna door de critici, die alles natuurlijk ook al gezien hebben.

Des te opvallender dus, dat het juist die critici waren, die – verenigd in de Kring van nederlandse Theatercritici – in september de Prijs van de Kritiek (een in zwaar brons uitgevoerde luchtballon) toekenden aan het totale Nederlandse jeugdtheater. Ook die prijs werd zaterdag 6 oktober uitgereikt. Al eerder leidde de toekenning tot bekentenissen van kunstjournalisten in kranten, dat zij liever het jeugdtheater serieuzer zouden nemen dan ze in de praktijk deden. Nu nog een kwestie van de daad bij het woord voegen.

Verschaald

Zelf heb ik dat eind jaren negentig actief gedaan als recensent bij het Algemeen Dagblad. Ik had zelf gemerkt hoe het bijwonen van een Nederlandse jeugdtheatervoorstelling mijn soms wat verschalende liefde voor theater weer deed ontvlammen, of het nu van Pauline Mol was bij Artemis, Flora Verbrugge bij Sonnevanck, Rinus Knobel bij teneeter of al die andere grootheden bij Wederzijds, Stella (Alize Zandwijk!) of  Huis aan de Amstel.

Ze brachten de verwondering terug, het verhaal, het avontuur. Dingen die je op het toneel zag, maar nog meer de dingen die je in de zaal ervoer. En dat maakt theater zo uniek.

Het zou mooi zijn als de subsidiënten dit theater ook zouden honoreren als het beste en meest innovatieve van Nederland. Die kans is dankzij de twee prijzen weer wat groter geworden.

Deel dit:

Forse stijging vrijwilligerswerk in Nederlandse musea #fairpractice

Logo Museumvereniging

De kans dat je in een museum geholpen wordt door iemand die daar onbetaald, puur voor haar lol staat, is de afgelopen jaren aanzienlijk gestegen. Dit geldt vooral voor museumwinkels, museumcafés en garderobes, kortom, alles wat met commerciële activiteiten en bedrijfsvoering te maken heeft. Dit blijkt uit een nader onderzoek van de tamelijk juichende cijfers over 2017, die de Museumvereniging op 2 oktober naar buiten bracht. Maar je moet er dus wel even naar zoeken.

Lees hieronder wat er speelt.

Jaarcijfers publiceren is altijd een dingetje. De twee bekendste brancheverenigingen in de cultuursector maken er elk jaar een feestje van. Althans: een feestje vol goed nieuws. Of het nu gaat om onze schouwburgen en concertgebouwen, of om de musea: er is een panische angst voor negatieve publiciteit. Zelfs ‘nuance’ ligt gevoelig, al doet de Museumverenging dit jaar wel zijn best. Ondanks dat het ‘in totaal’ goed gaat met de Nederlandse musea, en er zelfs meer eigen inkomsten worden gegenereerd dan subsidie wordt ontvangen, verkeert een toenemend aantal musea in zwaar weer.

Wanneer je iets beter naar de cijfers kijkt, zie je dat de positieve resultaten vooral geboekt worden in de provincie Noord Holland. Specifieker wordt het niet, zo wisten we vorig jaar al, maar iedereen kan bevroeden dat de blijmakende ontwikkelingen vooral plaatsvinden in Amsterdam. Schagen telt daarin minder hard mee. Verder van Amsterdam zijn het vooral de kleine en middelgrote musea die steeds meer moeite hebben het hoofd boven water te houden. Het aantal musea dat puur op vrijwilligers draait, is tussen 2016 en 2017 toegenomen van 13 naar 15 procent.

Stijgen is dalen

Verontrustender is, dat het percentage vrijwillige FTE’s in diezelfde tijd steeg naar minstens 37 procent, tot zelfs 43 bij de ‘geschiedenismusea’. Dat zijn toch forsere getallen dan de – op zich positief te waarderen – stijging van het aandeel betaalde banen in de sector. Over het geheel genomen nam overigens het aantal FTE’s af van 9900 naar 9800: een marginale daling, wellicht, maar betekenisvol als je dat rekent bij de stijging van het aantal werkers in de sector. Dat steeg namelijk van 38000 naar 40000.

Volgens de Museumvereniging stijgt het aandeel betaalde FTE. Logisch: het aantal banen stijgt, terwijl het aantal FTE afneemt. Er werken dus meer mensen betaald in de musea, maar dat zijn aanzienlijk minder fulltime banen. Er zijn dus meer mensen met een vast contract, maar dat vaste contract bevat steeds minder uren. Gevoegd bij de stijging van het aandeel vrijwillige werkers is dat dus eigenlijk helemaal niet zo’n gunstige ontwikkeling. We kunnen die wellicht het beste samenvatten met: steeds minder mensen kunnen goed rondkomen van hun werk in een museum. Of: werken in een museum is voor steeds minder mensen een hoofdinkomen. Het gaat goed met musea als je er op bezoek komt, of wanneer je (betaald) directeur bent.

Het overzicht van de stijgers en dalers

2015 2016 2017
Banen 36000 38000 40000
Betaald 13000 12000 11000
Onbetaald 23000 26000 27000
FTE 10700 9900 9800

(bron: Museumvereniging)

Het blijft een beetje jammer dat de Museumvereniging de eigen cijfers zo wollig presenteert. Een oppervlakkig lezer pakt de vrolijke headline, en pas na veel heen en weer zoeken ontdekt een iets nieuwsgieriger ingesteld persoon pas wat er werkelijk staat. Het is zo jammer dat gewoon transparant zijn, een van de basiseisen van de Fair Practice Code, zo lastig blijft voor werkgevers in de kunsten.

Deel dit:

‘De meeste mensen leven liever alleen.’ Philippe Claudel over zijn indringende roman ‘De archipel van de hond’

Philippe Claudel ©Marc Brester/AQM

Op een klein eiland spoelen drie zwarte mannen aan. Dat dreigt roet in het eten te gooien van de bewoners en hun economische plannen. Dus doet iedereen liever alsof er niets is gebeurd. Archipel van de hond, de nieuwe roman van Philippe Claudel, is een beklemmend boek waar soms lichtheid doorheen kiert. De Franse bestsellerauteur maakt zich zorgen: ‘Ooit vormden nucleaire wapens het grootste gevaar, maar als je het mij vraagt is het gedrag van de mens op dit moment het gevaarlijkst.’

Grensperikelen

Vroeger, als klein jongetje, begreep Philippe Claudel (56) er niets van. Vanwege de Eerste en Tweede Wereldoorlog háátten zijn grootouders en ouders alle Duitsers in de nabije omgeving. Maar als ze in het weekend even de grens over gingen – vanuit zijn woonplaats Dombasle-sur-Meurthe in Lotharingen ben je zo in de Elzas – hoorde hij hen verzuchten hoe mooi en schoon het daar toch was, en hoe vriendelijk en beleefd de mensen. ‘Dat zeiden dezelfde volwassenen die een week eerder nog riepen dat die barbaarse Duitsers hun vijanden waren. Voor mij als kind was dat haast schizofreen.’

Philippe Claudel ©Marc Brester/AQM

Claudel besefte al vroeg dat buren van de ene op de andere dag vijanden konden worden, en hoe complex en kwetsbaar zaken als nationaliteit, saamhorigheid en broederschap zijn. Dat zijn ook thema’s in zijn nieuwe roman Archipel van de hond, waarin Claudel zijn zorgen over de afbrokkelende saamhorigheid tussen mensen, volkeren en landen op een prachtige manier heeft verbeeld. Het verhaal doet niet alleen denken aan zijn bestseller Grijze zielen maar ook aan zijn huiveringwekkende maar magistrale roman Het verslag van Brodeck, waarin een gemeenschap zich keert tegen een onschuldige.

In Archipel van de hond worden op een ochtend drie donkere mannen levenloos op het strand aangetroffen. De Burgemeester, de Dokter, de Pastoor en enkele dorpsbewoners willen de zaak in de doofpot stoppen; negatieve berichten veroorzaken alleen maar onrust onder de bevolking en brengen bovendien een vurig gewenst Thermenproject in gevaar – de economische belangen voor het eiland zijn groot. Alleen de Onderwijzer, een man van de waarheid, kan zich er niet bij neerleggen en gaat op onderzoek uit naar de herkomst en identiteit van de mannen. De gevolgen van zijn speurtocht zijn vérstrekkend.

De opmars van egoïsme

Claudel herinnert zich een verhaal over een vluchtelingenfamilie die naar Frankrijk was gevlucht vanwege oorlog. ‘Ik vroeg me af hoe het mogelijk was om een nieuw bestaan op te bouwen als alles wat je kent is verwoest. Zes jaar geleden begon ik aan dit boek, omdat er een kentering begon op te treden. Er stonden steeds meer mensen op die een muur wilden bouwen om het vreedzame, rijke land waar we in leven, die grenzen wilden dichtgooien, geen andere mensen meer tot ons land wilden toelaten. Belachelijk, dat is helemaal niet mogelijk in de wereld van vandaag. We moeten onze medemensen helpen, zeker als het gaat om vluchtelingen die ten gevolge van oorlog alles zijn kwijtgeraakt.’

‘Het grootste probleem van onze huidige tijd is de opmars van egoïsme. Ik maak me zorgen over de ontwikkelingen in Europa, de verdwijnende samenhang. Het lijkt vrijwel onmogelijk om de principes van een samenleving te behouden. Een samenleving betekent: samen leven. Ik denk dat de meeste mensen eigenlijk liever alleen leven, of met mensen die precies dezelfde smaak, religie en dezelfde hoeveelheid geld hebben. In Frankrijk stemde bij de laatste verkiezingen 33 procent voor de extremistische partij van Marine le Pen. En als je ziet wat er gebeurt in Noord-Italië, Catalonië, Hongarije of Slovenië…’

Philippe Claudel: ‘Ik maak me zorgen over de verdwijnende samenhang in Europa.’ ©Marc Brester/AQM

Als iedereen op zijn eigen eiland wil leven, verdwijnt uiteindelijk alle sociale cohesie.

‘Daarom wilde ik voor deze roman ook graag de metafoor van een eiland gebruiken: het is een droombeeld van de hedendaagse bevolking. We willen ons welvarende, bevoorrechte bestaan behouden en weigeren een beetje van het geluk te delen met anderen. Vroeger vormden nucleaire wapens het grootste gevaar, maar als je het mij vraagt vormt is het gedrag van de mens op dit moment het grootste gevaar.’

Waarom zijn we zoveel egoïstischer geworden?

‘De belangrijkste reden is dat we op dit moment met 7,6 miljard mensen op aarde zijn. Vijftig jaar geleden was dat nog maar de helft. In 1930 stond de teller op 2 miljard. Aan het begin van de jaartelling was dat zelfs maar 200 miljoen. In vijftig jaar tijd zijn er net zo veel mensen bij gekomen als in de eerste tweeduizend jaar bij elkaar. Binnen een of twee eeuwen zitten we op 15 miljard. Dat levert een gigantisch agrarisch en ecologisch probleem op. Het grote vraagstuk is hoe we met zoveel mensen in harmonie en met gelijkheid en rechtvaardigheid kunnen samenleven. Zoals we nu bezig zijn, betwijfel ik of we deze problemen op tijd weten op te lossen. Ik vrees dat zich een catastrofe gaat voltrekken.’

‘We weigeren een beetje van het geluk te delen met anderen.’ Philippe Claudel ©Marc Brester/AQM

Pikken lezers uw waarschuwing op?

‘Ik hoop het. De roman is al uit in Frankrijk en ik heb net een tournee achter de rug van 40 evenementen. Ik sprak mensen die zich door het lezen van de roman bewuster waren geworden van de urgentie van het probleem dan door het lezen van de krant. Misschien komt dat door het voortdurende bombardement van nieuws op internet, televisie, in de kranten, de sociale media. Mensen worden over-geïnformeerd, maar het effect is nihil.’

Ontregelen

‘Literatuur heeft de kracht ons diep te raken, omdat je tijdens het lezen van een boek heel even uit de snelheid van het dagelijks leven stapt en ruimte neemt voor reflectie. Om na te denken heb je namelijk tijd en ruimte nodig, en stilte. Daarin ligt ook de waarde van kunst. Niet alleen literatuur, maar ook de andere vormen van kunst bieden de mogelijkheid om te reflecteren op politiek en economie, maar vooral op onszelf en de complexiteit van het mens-zijn in de huidige tijd.’

Dat geeft kunstenaars en schrijvers ook een grote verantwoordelijkheid.

‘Toen ik twintig jaar geleden begon, dacht ik er nog niet zo over, maar tegenwoordig voel ik inderdaad een sterke behoefte sociale structuren te onderzoeken. Ik heb een missie, hoe bescheiden ook, om iets groters te belichten voor mijn lezer. Dat is geen makkelijke taak in de huidige tijd, want zoals in zoveel landen willen ook Franse lezers vooral ‘lichte’ literatuur. In de boekwinkel vragen mensen om makkelijk verteerbare boeken, omdat ze willen ontsnappen aan hun eigen leven en problemen. Er is niets mis mee om een roman te lezen die ervoor zorgt dat je en paar uur lang nergens aan denkt. Maar naar mijn mening heeft literatuur een andere functie: ontregelen en aan het denken zetten.’

De weerstand tegen de zoektocht van de Onderwijzer maakt duidelijk dat mensen dat liever niet doen.

‘Dat klopt. Herinner je je nog dat de vreemdeling in Het verslag van Brodeck een expositie maakt met portretten die hij heeft geschilderd van de dorpsbewoners? Plotseling toont een ander hen hun ware gezicht. Wat ze zien is lelijk. Ze kunnen het niet aan om zichzelf te zien, diep in hun ziel te kijken. Ze vernietigen zowel de portretten als de schilder. Veel mensen blijven liever onwetend of blind voor de waarheid. Ik hoor lezers soms zeggen dat ze van het boek hebben genoten, maar de sfeer ook duister vonden. Sommigen zouden liever zien dat mijn boeken meer ‘roze’ zouden kleuren; ze vinden de confrontatie met het kwaad lastig.’

Philippe Claudel: ‘Tragiek kan prima samengaan met humor.’ ©Marc Brester/AQM

Licht en humor

Toch zit er ook lichtheid in deze roman.

‘Dat vind ik ook! Tragiek kan prima samengaan met humor. Archipel van de hond bevat, vind ik, echt grappige momenten en scènes. Ik hou erg van Italiaanse komedie. Tussen 1958 en 1973 wisten Italiaanse schrijvers en regisseurs als Dino Risi, Ettore Scola en Fellini natuurlijk een geweldige combinatie te maken van tragedie, komedie en sociale bewogenheid. Die balans heb ik zelf ook nagestreefd.’

Hoewel het over de wereld van vandaag gaat, is uw roman eerder een fabel.

‘Ik wilde inderdaad geen realistisch boek schrijven, maar een duister sprookje met archetypische personages die ergens voor staan: wetenschap, religie, autoriteit, enzovoorts. Het eiland, de zee en de lichamen van die arme mannen roepen de Odyssee van Homerus en De goddelijke komedie van Dante in herinnering; werken die aan de basis lagen van onze beschaving. Europa is het resultaat van een mengeling van allerlei beschavingen, zoals die van de oude Grieken, Romeinen en Egyptenaren.’

‘Je kunt mijn boek lezen als een spannend verhaal over een actueel onderwerp. Maar ik vind het ook belangrijk dat mijn roman op een ander niveau onze beschaving en samenleving reflecteert. Wat ik vooral hoop, is dat het een opening biedt voor een andere manier van kijken naar hedendaagse problemen. Zonder al te veel woorden wilde ik laten zien hoe belangrijk deze gedeelde cultuur is. En dat onze Mare Nostrum verworden is tot een begraafplaats.’

Goed om te weten Goed om te weten
 Archipel van de hond van Philippe Claudel is verschenen bij De Bezige Bij.
Koop bij bol.com

Deel dit:

‘Stop geen bekende Nederlander in je film als je er zelf niet in gelooft.’ Denktank moet Nederlandse Film redden

Nederlands Film Festival 2018

De promotieclip van het Nederlands Film Festival (NFF) is een flitsende, in rap-stijl gesneden compilatie. Het straalt een explosie van creatieve energie uit die ook nog helemaal bij de tijd is. Het is de beste festivalclip in tijden. Combineer dat met Niemand in de stad als sterke openingsfilm en je krijgt het gevoel dat het er goed voor staat met de Nederlandse film. En dan wordt dat feestje tijdens de NFF conferentie – de aftrap van de programmasectie voor professionals – plots bedorven door de presentatie van Filmdistibuteurs Nederland (FDN).

‘De Nederlandse publieksfilm: erop of eronder?’ staat daar in grote letters geprojecteerd op het scherm boven het panel. Eerlijk gezegd had ik die ochtend een vertegenwoordiger van de Vlaamse film ook horen zeggen dat het ‘grow or die’ was, maar daar maken ze jaarlijks maar acht bioscoopfilms. In ons land heb je het al gauw over een stuk of dertig, dus dat zal toch zo’n vaart niet lopen hier? Helaas voor de optimisten, de FDN toont cijfers.

Marktaandeel

Distributeurs hebben de laatste 5 jaar hun bedrijven al drastisch moeten inkrimpen. Het marktaandeel van de Nederlandse film is daarbij in enkele jaren teruggelopen van 20% tot minder dan 7% in 2018. Dat is, kort samengevat, de boodschap van FDN-voorzitter René van Turnhout.

Toegegeven, die 7% is gebaseerd op de eerste drie kwartalen van 2018. Het zal mogelijk nog iets aantrekken, want het laatste kwartaal is meestal het beste. Maar dat de jaarcijfers voor 2018 teleurstellend zullen zijn, daar twijfelt eigenlijk niemand aan. Ook al omdat het er naar uitziet dat voor het eerst in heel lange tijd de gestaag groeiende bioscoopmarkt weer krimpt. Er vloeit daardoor ook minder geld terug richting productie, wat de neergang nog kan versterken.

Denktank

Buiten kritiek van een aantal kanten op de wijze van analyseren is iedereen in de branche het er wel over eens dat er iets moet gebeuren om meer publiek naar de Nederlandse film te trekken. Daarom heeft de FDN het initiatief genomen om een denktank op te zetten waarin alle geledingen van de filmsector – van makers tot en met vertoners – vertegenwoordigd zijn.

Bij wijze van aftrap kunnen de aanwezigen in de zaal – veel producenten, weinig exploitanten en regisseurs – via hun smartphone direct hun suggesties op het scherm toveren. Wat zou bijvoorbeeld de oorzaak kunnen zijn van de vrije val waarin de Nederlandse film lijkt te zijn geraakt? En wat de oplossing?

Suggesties uit de zaal verschijnen op het doek.

‘Kwaliteit’ (het vermeende gebrek eraan dus) en ‘concurrentie’ (Netflix zingt rond op de conferentie) zijn de meest genoemde suggesties voor de oorzaak van het probleem. Als trefwoord voor de oplossing verschijnt het woord ‘maken’ levensgroot op het scherm. Betere films? Andere films? Voor de goede orde, we hebben het hier dus over films voor een groot publiek. De artistieke film is ook, en al heel lang, op zoek naar kijkers, maar dat is weer een ander verhaal.

Antoinette Beumer

Het panellid dat er ter plekke het meest duidelijke idee over heeft is Antoinette Beumer, die een solide reputatie heeft als maker van succesvolle films. Denk aan De gelukkige huisvrouw en Soof. Vier jaar geleden overigens gestopt met filmmaken en zojuist gedebuteerd als schrijver met de op haar jeugd geïnspireerde psychologische roman Mijn vader is een vliegtuig.

Herkent ze de reacties uit de zaal? Ja, ze vindt dat we te veel zijn blijven hangen in aftreksels van Amerikaanse genrefilms. We moeten op zoek naar originele Nederlandse verhalen. Als voorbeeld noemt ze het door en door Rotterdamse De Marathon (2012). Met slappe Amerikaanse namaak gaan we het nooit redden. We moeten onszelf durven zijn. Kijk naar de Denen, die bewijzen dat je op die manier de wereld kan veroveren. En vergeet IJsland niet, merkt gespreksleider Ruurd Bierman op.

Ambitie

Producent Maarten Swart vat het samen met het begrip ambitie. Daar lijkt Beumer het mee eens te zijn. Je moet erop vertrouwen dat het goed uitpakt als je dicht bij jezelf blijft. Laat je niets aanpraten door buitenstaanders. Stop geen bekende Nederlander in je film als je er zelf niet in gelooft.

Investeer in goede scripts, pleeg research, kijk ook waar je doelgroep zit en wat die willen zien, zijn andere suggesties die tijdens de discussie opduiken. Ook met een laag budget kan je iets doen dat werkt, bijvoorbeeld door in te spelen op de populariteit van YouTube-sterren.

Tamelijk onorthodox is de suggestie van Beumer om eens een model uit de theaterwereld uit te proberen. Dus dat exploitanten een initiatief nemen en producenten inhuren om content voor hun zalen te maken. Meedenken, in plaats van alleen geld afdragen. Maar misschien vergelijken we hier appels met peren, waarschuwt Van Turnhout.

Een grote stap zetten

Uit wat verder zoal ter sprake wordt gebracht blijkt al snel dat de denktank nog een flinke klus te wachten staat. Al was het alleen maar om door de bomen toch het bos proberen te zien. Plannen om meer geld vanuit de exploitatie te laten terugvloeien (niet iedereen ziet daar iets in), betere marketing, gebruik van big data, het filmbewust maken van scholieren, meer steun van Filmfonds voor distributie, het passeert allemaal de revue. Jaap Bruijnen van Pathé Thuis merkte dat de belangrijkste films van de met een erekalf onderscheiden Monique van de Ven niet als video on demand beschikbaar zijn. Rechtenkwestie ongetwijfeld. Daar help je het publiek niet mee.

Dat is de uitdaging waar de denktank voor zal staan. Zal het eindelijk lukken in dit traditioneel versnipperde filmland de neuzen in dezelfde richting te krijgen? Met z’n allen een grote stap maken? Voor het eind van het jaar weten we meer, hoopt Van Turnhout.

Goed om te weten Goed om te weten
Het Nederlands Film Festival in Utrecht vindt plaats van 27 september – 5 oktober.
Deel dit:

Was will das WOB? Ministerie maakt stukken rond subsidie Arbeidsmarktagenda cultuur openbaar.

Fragment uit de openbaar gemaakte stukken van het ministerie.

Het ministerie van OCW beschikt over uitstekende zwarte viltstiften. Op geen enkele manier is het me daarom gelukt te achterhalen welke krant in Amsterdam het WOB-verzoek heeft gedaan waarop minister van Engelshoven nu reageert. De lengte van het zwarte balkje kan alles zijn (behalve Coöperatief Cultureel Persbureau UA).

Maar goed: iemand doet onderzoek naar de gang van zaken rond de besteding van 400 duizend euro aan de opstelling en uitvoering van de ‘Arbeidsmarktagenda Cultuur’. De agenda waarmee, geheel volgens de normen van de polder, werkgevers en werknemers in de cultuursector iets proberen te doen aan de rampzalige arbeidsmarkt in de sector.

Openbaar

In reactie op het verzoek om openbaarmaking maakt het ministerie alle openbaar te maken gegevens nu openbaar. En dan ook echt. Het pakket wordt niet alleen aan de aanvrager gestuurd, maar aan iedereen. En zo hoort het ook. Daarom voegen we ze ook als link bij dit artikel, zodat je als lezer zelf op onderzoek kunt gaan naar mogelijke malversaties. En naar je eigen (zwartgelakte) naam.

Ik heb de afgelopen uren doorgebracht met het doorspitten van de tekst tussen de zwartregels door, en kon niet zo heel snel iets vinden dat het daglicht niet zou kunnen verdragen. Als oud-vergadertijger werd ik wel al bij voorbaat moe van de notulen van het overleg. SER en Kunsten 92 zitten met een berg kolen en geiten aan tafel, en het is niet de bedoeling dat er slachtoffers vallen. Waar ik eerder al van buiten constateerde dat het met de fair practice code van zompig naar drassig aan het gaan is: hier zie je hoe dat werkt.

Ambtenaar

Enfin: doe er als lezer je voordeel mee, het mag van de minister. En nu maar eens kijken welke krant nog weet te spreken met de ambtenaar wiens persoonlijke mening zo zorgvuldig buiten de stukken is gehouden. En of dat relevant gaat zijn.

Of het bedrag  van 4 ton uiteindelijk ook doelmatig is besteed aan alle vergaderingen, adviseurs en zaalverhuurders? Dat zal de tijd leren. Vooralsnog doet de sector zelf niet echt zijn best. Het IDFA zoekt bijvoorbeeld verslaggevers. Voor 2 euro per uur. Plus eten.

Deel dit:

Hilda Paredes vereeuwigt Afro-Amerikaanse vrijheidsstrijder in haar opera ‘Harriet’

Harriet Tubman (c) Harvey B. Lindsley (Wikipedia)

Op 3 oktober gaat de opera Harriet van Hilda Paredes in première, gewijd aan de legendarische Afro-Amerikaanse vrijheidsstrijder Harriet Tubman (ca. 1822-1913). Halverwege de 19e eeuw ontsnapte zij aan een slavenbestaan, waarna ze met gevaar voor eigen leven vele lotgenoten bevrijdde via de zogenoemde Underground Railroad. 

Na jarenlang getouwtrek besloot het Amerikaanse ministerie van Financiën in september 2018 de beeltenis van Tubman op een 20-dollarbiljet te plaatsen.

Harriet werd gecomponeerd in opdracht van Internacional Cervantino, Muziektheater Transparant en Muziekgebouw aan ‘t IJ, waar ook de eerste uitvoering plaatsvindt. De charismatische sopraan Claron McFadden zingt de hoofdrol, de Vlaamse zangeres Naomi Beeldens vertolkt haar gesprekspartner Alice. Op 2 oktober spreek ik na afloop van een gratis toegankelijke openbare repetitie met de componist, regisseur Jean Lacornerie en dirigent Manoj Kamps.

Mexicaanse wortels

In Nederland is de Mexicaans-Britse Hilda Paredes (1957) weinig bekend. Hoewel ze sinds 1979 in Engeland woont, koestert ze nog altijd sterke banden met Zuid-Amerika. In 2001 kreeg ze de prestigieuze J.S. Guggenheim Fellowship voor haar opera El Palacio Imaginado. Deze is gebaseerd op een verhaal van de Chileense auteur Isabel Allende. Voor het libretto putte ze onder andere uit moderne Mexicaanse poëzie.

Zelf leerde ik Paredes in 2010 kennen tijdens een concert van het Arditti Quartet. Ik was onder de indruk van haar tweede strijkkwartet Cuerdas del destino, waarin de strijkinstrumenten fluisteren als menselijke stemmen. Maar wie is Hilda Paredes eigenlijk? Ter introductie stelde ik haar alvast drie vragen.

Ongebruikelijke speelwijzen

Wat typeert u als componist?

Ik vind veel inspiratie in het rijke culturele leven van mijn geboorteland Mexico. Vaak werk ik samen met Mexicaanse dichters en kunstenaars maar ik haak ook aan bij andere muzikale tradities. Zo word ik qua ritme en structuur geïnspireerd door de muziek van Noord-India. Ik vermijd het echter traditionele muziek te citeren of te imiteren. – Behalve als het onderwerp daarom vraagt, zoals in het geval van Harriet. Ik zet graag poëzie op muziek en adresseer in mijn opera’s psychologische, politieke, gender- en humanitaire kwesties.

De afgelopen vijftien jaar werk ik bovendien veel met elektronica. Dat heeft niet alleen mijn manier van luisteren maar ook mijn manier van componeren drastisch veranderd. Ik laat instrumenten graag anders klinken dan we gewend zijn, met behulp van alternatieve speelwijzen die ik zelf ontwikkel. Gelukkig zijn de meeste musici tegenwoordig vertrouwd met dergelijke ‘extended techniques’.

Hilda Paredes (c) Graciela Iturbide

Gecodeerde berichten als simpele deuntjes

Wat kunnen we verwachten van uw opera ‘Harriet’?

Het is een portret van de Afro-Amerikaanse vrijheidsstrijder en voormalige slavin Harriet Tubman (ca. 1822-1913). Harriet vertelt haar levensverhaal aan haar jonge protegé Alice. In het eerste bedrijf horen we over haar jeugd als slavin en over een gewelddadige verwonding van haar hoofd. Ze kreeg hierdoor religieuze visioenen die haar uiteindelijk de weg naar ontsnapping wezen.

Ze werd bekend als de Mozes van haar volk, een leider die vele slaven bevrijdde. Hiertoe maakte zij gebruik van de Underground Railroad, een netwerk van antislavernijactivisten. Via smokkelroutes konden slaven van de zuidelijke naar de noordelijke staten van Amerika of naar Canada vluchten. Zoals de meeste van haar lotgenoten was Tubman analfabeet, daarom gebruikte ze muziek om weglopers de weg te wijzen. Gecodeerde berichten werden verpakt in simpele deuntjes, die je terughoort in het tweede bedrijf.

Blijvende strijd tegen racisme

Eenmaal zelfstandig nam ze een achtjarig, lichtgekleurd meisje in huis, Margaret. Het derde bedrijf gaat over de onbeantwoorde vraag of Margaret haar dochter was, omdat de twee een ongewoon sterke band hadden. Op haar oude dag vertelde Harriet vaak verhalen aan Margarets jongste dochter Alice.

Harriet Tubman op biljet van 20 dollar

De vierde akte beschrijft de gevechten die Harriet leidde tijdens de burgeroorlog. Ook vertelt ze over Nelson Davies, een jonge soldaat die haar tweede man werd. We leren haar gedachten kennen zoals die door verschillende bronnen zijn vastgelegd. Tot slot klinkt haar boodschap aan president Lincoln. De epiloog is een boodschap van hoop en continuïteit in haar strijd tegen slavernij en racisme.

Elektronica

Hoe heeft u het werk opgezet?

Harriet is een kameropera voor twee stemmen, slagwerk, viool, gitaar en elektronica. In eerste instantie zou het een monodrama worden, verteld door Harriet. Maar tijdens het onderzoek stuitten we op haar band met Alice, de jongste dochter van Margaret. In de nieuwe opzet vertelt Harriet haar relaas aan Alice vertelt, met wie ze ook in gesprek gaat. Daarom zijn er twee zangers.

Mayra Santos-Febres heeft prachtige gedichten gemaakt, gebaseerd op het leven van Harriet en goed gedocumenteerd. Lex Bohlmeijer schreef de meeste dialogen en maakte een verhaallijn. Omdat ik moest roeien met beperkte middelen heb ik naast zang en instrumenten ook elektronica ingezet. Zo kon ik toch een breed klankspectrum ontvouwen dat recht doet aan de dramatische ontwikkeling.

Goed om te weten Goed om te weten

Hilda Paredes: Harriet: Scenes in the Life of Harriet Tubman
Muziektheater Transpararant
2 oktober 12.00-13.30 uur openbare repetitie Muziekgebouw aan ’t IJ Gratis toegankelijk op reservering Ik spreek met Hilda Paredes, regisseur Jean Lacornerie en dirigent Manoj Kamps

3 oktober 20.15 uur wereldpremière Muziekgebouw aan ‘t IJ. Info en kaarten hier. Inleiding 19.15-19.45 uur. Ik spreek met Hilda Paredes.

Deel dit:

Componist Jan van de Putte laat Fernando Pessoa stamelen

Jan van de Putte (foto van eigen website, fotograaf niet vermeld)

Vier composities wijdde Jan van de Putte (1959) aan de poëzie van Fernando Pessoa. De integrale cyclus verscheen afgelopen najaar op de dubbel-cd Bamboleamos no mundo (‘we waggelen door de wereld’). De componist treft de kern van Pessoa’s ongrijpbare teksten met al even zinsbegoochelende muziek.

Van de Putte is een van de origineelste stemmen in het Nederlandse muzieklandschap en tart graag onze verwachtingspatronen. Fragmentarische aanzetten tot klank en schijnbaar toevallige omgevingsgeluiden zijn even belangrijk als de klinkende noten zelf. Zo heeft een zangeres ‘jeuk’ in Es schweigt (1993) en strijkt een violist in Dans le coin (1999) onhoorbaar over de snaren.

Gesis, gefluister

Ee Jya nai ka Ee jya nai ka EE jya, in 2005 gecomponeerd voor de opening van Muziekgebouw aan ’t IJ, is geïnspireerd op carnavaleske Japanse dansfestijnen. Dagblad Trouw hoorde hierin ‘ongemakkelijke stiltes en plots opploffende erupties als hete lavablubs.’ Reinbert de Leeuw, die de wereldpremière dirigeerde, sprak van ‘een krankjorum stuk. Naar het eind toe staan er steeds minder noten op de pagina’s, je staat als een gek te bladeren.’

De Leeuw bestelde meteen een nieuwe compositie voor zijn Schönberg Ensemble. Dat werd Uma só divina linha voor sopraan en ensemble op teksten van Fernando Pessoa. Een zangeres produceert minutenlang wonderlijke klanken – pfffwieoow, gesis, gefluister. Als ze eindelijk haar mond echt opendoet, komt er geen geluid uit. Het stuk raakte een snaar bij het publiek en vormde de opmaat voor de vierdelige Pessoa-cyclus die nu op cd is verschenen.

Mondloze stem

Van de Putte gebruikt hierin voornamelijk teksten van Álvaro de Campos, het heteroniem waaronder Pessoa romantische gedichten schreef. Eigenlijk moet je deze muziek live horen, zo sterk is het theatrale aspect.

Uma só divina linha (‘een goddelijke lijn’) is een ode aan de nacht en rept van een ‘mondloze stem’. Je keel knijpt onwillekeurig dicht als je ziet hoe de sopraan amechtig poogt klank te produceren. Haar gefluisterde woordflarden rijgen zich tergend langzaam aaneen tot een samenhangend geheel. Na een bloedstollend dissonante climax op het woord ‘só’ vervalt de sopraan – een weergaloze Barbara Hannigan – weer in gestamel. De muziek dooft ondertussen stilletjes uit.

Addiamento (‘uitstel’) gaat over het almaar uitstellen van goede voornemens. Cimbalom en harp wisselen eindeloos tussen twee tonen, het ensemble lijkt voortdurend in een wolk van onbestemdheid te zweven. Een mezzosopraan (een ingeleefde Barbara Kozelj) declameert nu eens bezwerend dan weer hartstochtelijk haar grootse toekomstplannen. IJle strijkers en zacht tinkelende belletjes verklanken treffend de onhaalbaarheid van haar mijmeringen.

Slapeloosheid als de wijdte van sterren

Het vierdelige Bamboleamos no mundo opent met ‘Poema de cançao sobre a esperança’ (‘gedicht over de hoop’). Barbara Kozelj en de sopraan Keren Motseri omstrengelen elkaar a cappella in fraai meanderende, expressieve lijnen. In de overige drie deeltjes ondersteunt het ensemble spaarzaam maar sfeervol de lyrische, almaar duisterder wordende expressie van de solisten.

Het afsluitende Insónia (‘slapeloosheid’) is gezet voor sopraan, mezzosopraan, koor en ensemble. Musici en zangers komen in strikt genoteerde volgorde op. Zo horen we minutenlang slechts het omgevingsgeluid van de zaal voor er daadwerkelijk ‘muziek’ klinkt.

Begeleid door instrumentale bliepjes, sis- ruis- en fluisterklanken reciteert een bas verzen als ‘een slapeloosheid van de wijdte van sterren’. Maar waar in het eerste deel de ruisklanken een nachtelijke buitenwereld vertegenwoordigen, beschrijven zij nu een claustrofobische binnenwereld.

Angstaanjagende klankstapelingen

Dit laatste deel (verwarrenderwijze soms ook aangeduid als derde deel) besluit een reis naar het innerlijk. Van een ‘ontwikkeling van de natuur naar het binnenste van de ziel’ zoals Van de Putte het zelf omschrijft. Immense, angstaanjagende klankstapelingen en donderend slagwerk wedijveren met sprookjesachtige verstilling.

Met zijn contrastrijke muziek doet Van de Putte de gelaagde poëzie van Pessoa volledig recht. Reinbert de Leeuw voert Asko|Schönberg, Cappella Amsterdam en solisten met veel gevoel voor nuance door deze rijke partituur. Ook zonder beeld staat deze Pessoa-cyclus als een huis.

Jan van de Putte Pessoa-cyclus Et’cetera Records € 21,50 

 

Deel dit:

Waarom een code niets gaat veranderen aan de unfaire praktijken in de kunsten

Foto: wijbrand schaap

Het Nederlandse jeugdtheater is dit jaar bekroond met de Prijs van de Nederlandse Critici. Volkomen terecht. Dat jeugdtheater van ons is van superieure kwaliteit, divers, durft verhalen te vertellen en buiten de eigen navel te kijken. Het is meer dan jammer dat je als volwassene zonder kind niet zo vaak met dat theater in aanraking komt. Menig volwassene zou fervent theaterbezoeker worden als meer theater zou zijn als ons jeugdtheater.

Maar dat kan niet. Om meerdere redenen. De nauwe band met het jonge publiek is namelijk speciaal. Kinderen gaan met hun school naar theater, of het theater komt op school. En dat zijn lang niet altijd vrijwillige bezoeken. Theatermakers die in zo’n context werken kunnen niet anders dan rekening houden met hun publiek. Iets wat in het ‘volwassentheater’ niet tot de subsidievoorwaarden behoort. Het jeugdtheater is een sterk gereguleerd theater.

Vormingstheater

Ofwel: alleen wanneer het bedrijfsleven verplicht wordt minstens 4 personeelsuitjes per jaar naar speciaal voor dat doel gemaakt theater te organiseren, zou dat ‘volwassenen’-theater een band met het publiek kunnen opbouwen die vergelijkbaar is met die van het jeugdtheater. Inclusief vergelijkbare verkoopkwalificaties als ‘geschikt voor magazijnmedewerkers’, ‘doelgroep: ’50+’, etcetera. Er zijn vormingstheaterclubjes die zoiets nog doen, maar dat zijn dus vormingstheaterclubjes, en dat is meestal niet heel erg hemelbestormend. Zo was het jeugdtheater ook ooit, in de jaren zeventig.

Een gesubsidieerde plicht tot artistiek doelgroepentheater voor volwassenen gaat niet gebeuren. Dat zou ongeoorloofd ingrijpen in de kunst door de overheid betekenen. De autonomie zou in gevaar komen, al klaagt in het jeugdtheater niemand daarover.

Regels van bovenaf zijn in de kunsten, ondanks de subsidie de meest neoliberale sector van ons land, omstreden. Dat geldt al voor het voornemen van de kunstfondsen om ‘diversiteit’ als subsidievoorwaarde in te voeren, het geldt ook voor het verplicht maken van een eerlijke, transparante, duurzame, diverse en op vertrouwen gebaseerde kunstsector.

Muis en olifant

Omdat dat niet van bovenaf mag worden opgelegd, als het al zou kunnen, stellen we daarom een ‘code’ op. Samen. Muis en olifant. Werkt al moeilijk in het grote bedrijfsleven (Code Tabaksblatt), maar zelden in een kleine sector als de cultuur (cultural governance code, code culturele diversiteit). Daar zijn allerlei redenen voor te geven, maar de belangrijkste is: wie maalt erom als de code niet wordt gehanteerd, en wie wil daar eigenlijk op controleren? Krijg je een boete als je de code niet hanteert?

Daarom was de bijeenkomst, donderdag 13 september, over de code fair practice in de kunsten, zo verhelderend. Kunsten 92, de sectorbrede lobby-organisatie, wist daar, bij monde van voorzitter Jan Zoet, goed uit te leggen waarom de code met iedere nieuwe versie voorzichtiger wordt geformuleerd: ‘iedereen moet binnenboord blijven’. Dus is een duurzaam akkoord nodig tussen opdrachtgevers, werknemers, werkgevers, opdrachtnemers, overheid, theaters, subsidiënten, en nog zo wat partijen, groot en klein. Aan de tafels bij SER en Kunsten 92 zitten dus vooral veel botsende belangen, en Kunsten 92 is niet het soort organisatie dat harde keuzes kan maken. Staan ze ook niet om bekend, maar dat is dus logisch.

Beren op de weg

Gaat die code er ooit komen? Voor een deel is hij er al. Allerlei partijen kondigen aan dat ze hem zullen handhaven, en als eis zullen stellen bij het verstrekken van subsidie. Prachtig. Maar tijdens de bijeenkomst donderdag bleek al dat er beren op de weg zijn. Want maar weinigen zijn bereid om de code streng te hanteren als de concurrent hem aan de laars lapt.

En dan nog: er is al een algemeen bindende CAO voor delen van de kunstsector. Er zijn daarin regels afgesproken, maar in de praktijk stellen die weinig voor. Immers: overtreding van regels en codes moet worden gemeld, door slachtoffers. In een kleine wereld als de kunsten, met de vele unieke functies die mensen hebben, is anoniem klagen bijna niet mogelijk. Dus is er een reële kans dat de klokkenluider de sector uit moet na haar klacht.

Tijdens de bijeenkomst vertelde een – anoniem – iemand dat Het Nationale Theater weigert bepaalde functies op minimumloonniveau te betalen. Het Amsterdams Fonds voor Kunst wees – volgens een andere anonieme aanwezige – dit jaar een subsidieaanvraag af omdat de acteurs volgens de CAO werden betaald: te hoog, oordeelde het AFK. En dan duurde het ook nog eens bijna 30 jaar voor er genoeg moed was bij voldoende mensen om de misstanden bij het Vlaamse gezelschap Troubleyn van Jan Fabre aan de kaak te stellen. Via een open brief die meteen ook weer van allerlei kanten aangevallen wordt, met name het gezelschap zelf, dat de klagers via een standaardreactie buitenspel zette.

Gooise matras

En dan is er nog het publiek, en de media, die grensoverschrijdendheid toejuichen in de kunsten. Van armoede en burn-out (Van Gogh) tot seksuele moraal (Gooise Matras), ook al zegt het gezond verstand dat het niet anders kan dan dat ook achter de schermen normen worden overschreden (Fabre).

Als regels niet kunnen om iets te veranderen in de kunstwereld, dan moet dat van binnenuit komen. Dat geldt dus zeker voor de ‘fair practice’ waar nu zoveel over te doen is. Of een code daaraan mee gaat helpen? We hebben al zoveel regels en normen. Waarvan ‘fatsoen’ de oudste is. Kunnen we niet afspreken dat we ons daaraan houden? Al is het maar voor een jaartje? Of staat ‘fatsoen’ echte vrije kunst juist weer in de weg?

Deel dit:

Waarom regen het publiek bij openluchtbioscoop Zienemaan en Sterren niet deert

Het zou de ideale zwoele zomeravond kunnen zijn: een filmpje kijken onder een idyllische sterrenhemel. Op de herfstachtige avond van vrijdag 6 september blijkt openluchtbioscoop Zienemaan en Sterren echter meer een oefening in uithoudingsvermogen. Het regent, de temperatuur daalt, maar het Groningse publiek blijft onverstoord zitten: kop d’r veur en parapluutje open.

“Iedere stad had een openluchtbioscoop behalve Groningen. Dat is natuurlijk belachelijk!” zegt organisator Jorine Witte. “Het is zo’n goed concept om mensen op een laagdrempelige manier in aanraking te laten komen met mooie films,” vertelt programmeur Harmen Huizenga.” Jorine en Harmen werkten samen bij Zienema, de bioscoop van poppodium VERA waar zij iedere dinsdagavond bijzondere films vertoonden. Jorine: “Wij voelden ons geroepen om ook in Groningen een openluchtbioscoop op de kaart te zetten.” Zo begon Zienemaan en Sterren ooit in 2011 in het klein op het Groningse Ebbingekwartier met een breed filmdoek voor een grasveld.

Het decor voor de ideale instagramfoto

Inmiddels beleeft Zienemaan en Sterren haar achtste editie en is uitgegroeid tot de grootste openluchtbioscoop van Noord-Nederland. Het voormalige suikerunieterrein is de thuishaven van dit driedaagse filmfestival. Het is een prachtlocatie en lijkt het decor voor de ideale instagramfoto: achter het filmdoek baadt de suikerfabriek in een mysterieuze paarse gloed, de gekleurde lampjes van de barretjes steken gezellig af bij de industriële setting. Op vrijdag 6 september bezoek ik het festival. Zienemaan en Sterren doet dan zijn naam eer aan met een heuse Russische ruimtefilm: Salyut 7.

Foto: Lies Mensink

De Fatboys liggen uitnodigend klaar, knusse kleedjes hangen over de stoelen en de eerste gasten nemen ze al in gebruik. Linda en Rinze uit Roden zijn er vroeg bij. Op de eerste rij zitten zij klaar voor een reis naar de ruimte. Google bracht ze naar Zienemaan en Sterren: “We zijn een avondje uit in Groningen en zochten op internet naar een leuk evenement. Het was dit of stoelendansen op de Grote Markt,” vertelt Linda. Er staat een buitje gepland, maar zijn ze voorbereid op de regen? Het antwoord luid kort “nee.” Ze kruipen iets verder onder hun dekentje.

 “Russische Ruimtevaart is veel toffer dan NASA!”

Foto: Lies Mensink

Minstens zo slecht voorbereid zijn Remon en Peter. Deze twee stoere mannen vind ik -zoals gebruikelijk- bij een statafel met een biertje in de hand. “Wij zijn heel goed voorbereid op de regen,” grapt Peter, “als in: wij hopen heel erg hard dat het niet gaat regenen.” “Kijk!” wijst Remon hoopvol, “die wolk daar trekt al weg!”

Noch Remon noch Peter zijn eerder op Zienemaan en Sterren geweest, terwijl zij beiden werkzaam zijn bij VERA en daarmee bekend met het concept. Het was de film die dit keer de doorslag gaf. Remon toont trots zijn T-shirt. Ik lees Pockockmoc, “Roskosmos,” verklaart Remon, hij blijkt een kenner van de Russische spelling, “je kunt mijn naam ook als ‘Pemoh’ schrijven.” Wat volgens Pemoh een Russische film over ruimtevaart zo aanlokkelijk maakt: “Russische ruimtevaart is veel toffer dan NASA; ze waren overal eerder”. “En het verhaal uit de film is waargebeurd.” vult Peter aan. “Ah, net zoals de Amerikaanse maanlanding?” vraag ik. Peter lacht. Hij maakt zijn vingers tot aanhalingstekens, “Ja, ‘waargebeurd’.”

“Ik heb niets met Science-Fiction”

Op de vrijdagavond van Zienemaan en Sterren komt het thema ruimte op verschillende manieren terug: er staat een door sponsor Vedett geleverde raket en er schalt een ruimteplaylist door de speakers. Terwijl David Bowie met Space Oddity aftelt voor de film; 10, 9, 8… telt een bezoeker achter mij voor iets anders af: “3, 2, 1 hoppa”, met zijn billen droogt hij de natte stoel. Deze bezoeker blijkt zich minder goed te hebben ingelezen: “Ik moet je heel eerlijk zeggen: ik heb niets met Science-Fiction,” zegt hij tegen zijn metgezel. “Huh? Maar ik dacht dat jij zo’n spaceman was!” “Nee ik houd van Space Oddity das heel iets anders!”

Foto: Douwe de Boer

De film van de avond Salyut 7 heeft niets met Science-Fiction te maken. Salyut 7 vertelt het waargebeurde verhaal van de tot op heden meest technisch uitdagende missie in de ruimtevaart. Als het Russische controlecentrum in 1985 het contact verliest met het onbemande ruimtestation Salyut 7 slaat de paniek in de Sovjet-Unie toe. Wanneer een rondtollend onbemand object van ruim 20.000 ton neerstort op Aarde zal een catastrofe plaatsvinden. Die ramp wordt uiteraard nog groter als het midden in de Koude Oorlog toevalligerwijs in de VS terechtkomt. Er zit maar één ding op: het ruimtestation bemannen. Salyut 7 is een ijzingwekkend spannende film en biedt een verfrissend ander perspectief.

“Russische ruimtefilms zijn veel meer down to earth”

“De meeste ruimtefilms zijn Amerikaans,” vertelt programmeur Harmen, “en toch was er een andere grote speler in de ruimtevaart: de Sovjet-Unie.” De Russische cinema is volgens Harmen traag, ingetogen en vol twijfel met een vleugje melancholie. Hij merkt gevat op: “Russische ruimtefilms zijn veel meer down to earth. Er is meer focus op het menselijke, het existentiële. Salyut 7 heeft het beste van twee werelden: Het valt precies tussen het bombastische van Hollywood en het ingetogener werk van de Russen.”

Tijdens de film ontnemen donkere wolken het zicht op de maan en sterren. Terwijl de film prachtig gewichtloosheid toont in een scène waar satelliet Salyut 7 vol zwevende waterdruppels zit, vallen in Groningen de druppels naar beneden. De regenponcho’s gaan uit de tas en bezoekers verplaatsen hun stoel om kleurrijke paraplu’s open te klappen. Het is nog altijd sfeervol op het festivalterrein, met een beetje fantasie lijken de paraplu’s net parasols. De temperatuur begint te dalen, maar het is nog altijd niet zo koud als in het Russische ruimtestation op het scherm. Ook de Russische astronauten klagen niet in vliegende vrieskist Salyut 7 “Het is net Sochi in de winter,” zegt de een en haalt zijn schouders op.

“Twee jaar geleden was het nog erger en ook toen bleef iedereen zitten”

Foto: Obed Brinkman

In de pauze warmen de bezoekers zich aan wijn en thee, maar niemand gaat weg. Nait soezen (niet zeuren) lijkt het motto. “Nou je ziet het,” zegt Harmen, “zelfs de regen deert de mensen niet.” Het verbaast mij, net zoals het de organisatie zelf twee jaar eerder verbaasde: “Twee jaar geleden was de regen nog erger en ook toen merkten we dat iedereen bleef zitten. Het gaf ons in ieder geval vertrouwen dat we nog door konden gaan,” vertelt Harmen. “Zolang de film pakkend genoeg is blijft het publiek kijken.” Bij Salyut 7 is dat het geval. De suspense is constant voelbaar door de enorme bombastische soundtrack. Het publiek kan gelukkig af en toe weer ademhalen in schitterende duizelingwekkende shots die doen denken aan Gravity.

“Het eerste jaar was echt een eye-opener”

Salyut 7 is een film die de open lucht aan kan. Harmen: “Ik houd bij het selecteren van een film altijd in mijn achterhoofd of de film blijft staan in de open lucht. Sommige films zijn prachtig, maar toch wat ingetogen en klein. De dialoog moet wel goed overkomen.” Jorine vult aan: “In het eerste jaar hadden we hele luidruchtige films gekozen. We dachten toen: mensen zijn supersnel afgeleid, dus we moeten echt films hebben die de aandacht blijven trekken. Dat eerste jaar was echt een eye-opener voor ons, want wat bleek: iedereen bleef netjes in rijen zitten. Het was veel meer een ‘bioscoop’ dan wij hadden verwacht. Het jaar daarna hebben we wat stillere films geprogrammeerd.”

 “Ik probeer zo divers mogelijk te programmeren”

Harmen en Jorine
Foto: Obed Brinkman

Het oprekken van de bioscoopconventies is juist iets wat Harmen en Jorine op Zienemaan en Sterren proberen te doen. “We doen nu sinds een paar jaar de concertfilm. Daarbij hopen we dat mensen misschien toch gaan dansen, dat er wat reuring is, net alsof je echt bij een concert staat te kijken. Na eerder concertfilms van Herman Brood, David Bowie en The Talking Heads te hebben getoond, is het voor de achtste editie tijd voor concertfilm Monterey Pop. “Ik probeer altijd zo divers mogelijk te programmeren,” vertelt Harmen, “omdat je dan ook een heel divers publiek aanschrijft. Voor de vrijdag hebben we Russisch en ruimtevaart, voor de zaterdag een concert met hippies en flowerpower, dan zondag punk en aliens in How to Talk to Girls at Parties. Zo is er voor ieder wat wils.”

Foto: Ron Perdok

Zelfs kinderen zijn bij Zienemaan en Sterren aan het goede adres. Sinds drie jaar toont de organisatie in de middag kinderfilms in “Zienemini”. Het knusse café in de Suikerfabriek, de Wolkenfabriek, leent zich perfect voor die setting. Moeder Nathaly bezoekt op zaterdagmiddag De dieren uit het Hakkebakkebos met haar dochter en diens vriendinnetje. “We komen ieder jaar naar Zienemini. Het is veel leuker dan een gewone bioscoop. De kinderen kunnen hier rustig van hun plek gaan om te spelen.” Haar dochter komt haar halen: “Snel mama! De film begint!”

“Wij proberen altijd meer te doen dan alleen een film te tonen”

Voor filmfestival Zienemaan en Sterren is een film tonen meer dan slechts op play drukken. Jorine: Ik vind het heel jammer dat de huidige bioscoopbranche enkel een film afdraait; dat kan ook gewoon thuis op de bank. Wij proberen altijd meer te doen dan alleen een film te tonen. We geven een inleiding en laten een deskundige aan het woord als het even kan. Zodat wij met onze filmevenementen echt iets toevoegen.” Zo wordt voor de hoofdfilm altijd een goede korte film getoond. Een genre waar in de reguliere bioscoop geen plek voor is.

“Het moeilijke van een evenement in de openlucht blijft dat je van tevoren nooit weet waar je aan toe bent,” zegt Harmen. “Vorig jaar hadden we een perfecte editie, windstil en een avondzonnetje, dan zit je zo met 700 man. Als het regent zijn de bezoekersaantallen beduidend lager.” Toch maakt een regenachtige nacht bij Zienemaan en Sterren duidelijk dat Groningers niet van suiker zijn. Al dan niet voorbereid laten ze zich niet wegjagen door een beetje water.

Aftermovie: Joris Bakker

Deel dit:

VACATURE – Zakelijk leider (m/v) 0,8 fte per 1 januari 2019

Mugmetdegoudentand is een eigenzinnig Amsterdams theatergezelschap dat al meer dan dertig jaar succesvol theater en af en toe televisie maakt. De groep maakt nieuw Nederlands repertoire dat de tijdgeest met persoonlijke stem beschrijft. De Mug maakt plm 4 voorstellingen per jaar, waaronder een ambitieus Europees project in 2020. De Mug wordt meerjarig (planperiode tot 2021) gesubsidieerd door de gemeente Amsterdam en het Fonds Podiumkunsten.

Vanwege het aanstaande vertrek van de huidige zakelijk leider zoekt mugmetdegoudentand een zakelijk leider (m/v) per 1 januari 2019.

Profiel

De zakelijk leider is verantwoordelijk voor het financieel beheer, voert het management van de instelling en onderhoudt daarvoor contacten met samenwerkingspartners, culturele instellingen, overheden en sponsoren. Verder stelt de zakelijk leider de jaarbegroting op,rapporteert daarover aan het bestuur en bewaakt de voortgang.
Samen met de algemeen directeur/artistiek leider is de zakelijk leider  medeverantwoordelijk voor de ontwikkeling van de plannen – producties en de exploitatie – voor de middellange termijn.

Gevraagde kwalificaties

  • De zakelijk leider beschikt over strategisch inzicht en is communicatief.
  • Hij/zij is schrijfvaardig, uiteraard ook in het Engels.
  • Hij/zij is bestuurlijk sensitief en opereert vanuit een effectief netwerk in de podiumkunsten.
  • Hij/zij beheerst de financiële aspecten (fiscaal, exploitatie, verslaglegging, fondsenwerving, rapportages) van een kleine dynamische kunstorganisatie.
  • Hij/zij weet voor de belangen van de Mug collegiaal en zelfstandig zijn/haar weg te vinden.
  • Affiniteit met theater in het algemeen is een must en affiniteit met de voorstellingen van de Mug is een pré.

Wat biedt theatergezelschap mugmetdegoudentand?

  • Een dienstverband in eerste instantie voor een jaar, met perspectief op verlenging;
  • Arbeidsvoorwaarden op basis van opleiding en ervaring, georiënteerd op de CAO Dans en Theater;
  • Adequate werkomgeving, standplaats Amsterdam.

Organisatie

De zakelijk leider wordt op kantoor ondersteund door een productieleider en een PR medewerker.

Procedure

Hebt u belangstelling voor deze functie en meent u te voldoen aan de gevraagde kwalificaties, dan nodigen wij u uit vóór 5 oktober uw motivatiebrief en een beknopt CV te sturen naar sollicitatie@mugmetdegoudentand.nl. Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Margreet Huizing, margreet@mugmetdegoudentand.nl / 06-57567059.

Uw sollicitatie zal vanzelfsprekend vertrouwelijk worden behandeld.

Deel dit:

Freek en Hella de Jonge houden open huis in het Groninger Museum

Foto: Groninger Museum

Eindelijk heeft het Groninger Museum het voor elkaar. Zes weken lang kun je Hella en Freek de Jonge bewonderen in het museum. Niet alleen hun kunst, maar ook de mensen achter de werken. Kunst meets performance art meets reality show. Van 10.00 t/m 17.00 uur. Een blik werpen in de keuken van het echtpaar; ook letterlijk, want Hella gaat in de echte keuken dagelijks een degelijk ontbijt maken. Dit ontbijt heeft er, volgens Hella, voor gezorgd dat ze beiden nog zo fit en gezond zijn. Naast zichzelf, stellen Freek en Hella werken— zowel oud als nieuw— uit hun privécollectie tentoon. Net als het mozaïek ‘Water en Vuur’ dat het startpunt van de expositie vormt, toont Het Volle Leven een mozaïek van hun leven en omdat volledig te ervaren heeft de bezoeker alle zintuigen nodig.

Groninger aardbevingsproblematiek

Freek de Jonge heeft zich zichtbaar sterk gemaakt voor Groningen en haar inwoners; de aardbevingen en de daaropvolgende strijd tegen onder andere de onwillige NAM en de Nederlandse overheid. De tentoonstelling bevat ook een gedeelte dat de focus legt op deze problematiek. Een rommelend huis met een scheur van top tot teen; een montage gemaakt door Hella dat het proces van Freek en zijn strijd voor Groningen weergeeft inclusief beelden van de fakkeltocht van afgelopen januari. Horen, zien en voelen zijn de zintuigen die sowieso aangesproken worden bij dit element. Het gebruik van geur durf ik (nog) niet te zeggen, maar het feit dat de aardbevingsproblematiek nog niet is opgelost is toonbeeld van slechte smaak.

Horen, zien en ervaren

Aangezien zowel Hella als Freek vaak zijn geportretteerd in de media, heeft het publiek een bepaald beeld van hen, als mens en als kunstenaar. Een oordeel. In de tentoonstelling vind je ook (geposeerde) portretten van de twee, genomen door topfotografen als Corbijn, maar ook foto’s die de intieme kant van de familie exposeert. Aan de bezoekers. De mensen achter de glitter en glamour. Verbinden. Een kijkje in de woonkamer en keuken die kunnen leiden tot het vormen van een authentiekere mening en ervaring dan dat je krijgt van het lezen van een ‘lifestyle magazine’.

Kunst en artistieke vrienden

Hella en Freek de Jonge hebben in hun (artistieke) carrière uiteraard een collectie opgebouwd van kunst; van prachtige show, liedjes, boeken en beeldhouwwerken tot excentrieke kostuums en decorstukken. Deze zijn met een boodschap tentoongesteld. Uitleg is soms aanwezig, maar meestal moet je het jezelf laten voelen. Freek de Jonge is zelfs wel bereid tot een verzoekje.

Freek en Hella nodigen, net als een ‘normaal’ stel, dat niet geëxposeerd is in een museum, vrienden uit om op bezoek te komen. In dit geval zijn dat onder andere: Jan Mulder, Lavinia Meijer, Matthijs van Nieuwkerk en Connie Palmen. Mocht je ze allemaal willen zien, het museum verkoopt helaas geen passe-partout, maar volgens Groninger Museum directeur Andreas Blühm is de museumjaarkaart een uitkomst, want die “heb je er na drie keer al uit.” Bijna. Met wat ik voor de kaart heb betaald, moet ik Hella, Freek en vrienden vier keer bezoeken. Wat op zich ook geen straf is.

Goed om te weten Goed om te weten
Hella en Freek de Jonge: Het Volle Leven is te zien in het Groninger Museum van 15 september tot en met 28 oktober 2018.

 

 

 

Deel dit:

26 september, 17:00 uur De lezersborrel van Cultuurpers: het begin van een mooie vriendschap?

Tien jaar geleden kreeg ik een nieuwe bril. Twee weken later reed een gepensioneerde oogarts met zijn auto door mijn linkerbeen heen en een maand daarna is, vanuit een – gelukkig tijdelijke – rolstoel, het idee voor het Cultureel Persbureau geboren. Mede omdat de kunstredacties van de Geassocieerde Persdienst en NRC gedecimeerd werden. 26 september is dus maar een datum, maar wel een datum met een verhaal. Dat viert het Cultureel Persbureau graag met actieve lezers en volgers als jij, die dit nu leest.

Tien jaar alweer, waarin we van gesubsidieerd rijk naar commercieel straatarm bewogen en nu ergens daartussen hangen, met nog steeds hetzelfde gevoel van journalistieke noodzaak en kunstliefde en de wil om de verhalen te blijven vertellen die verteld moeten worden. Jaren waarin het stimuleringsfonds voor de journalistiek ons niet wilde helpen, omdat ‘kunst’, volgens het bestuur, ‘geen rol speelde in het maatschappelijk debat’, en we toch doorgingen.

Jubeljaar

Op 26 september vieren we niet het echte jubileum: dat doen we in het voorjaar van 2019, wanneer het echt 10 jaar geleden is dat het Cultureel Persbureau het levenslicht zag.  Maar deze woensdag is het begin van het jubeljaar, waarin we graag met jullie een toost uitbrengen op wat er nog allemaal te gebeuren staat.

Maak kennis met een paar van onze auteurs, vraag eens hoe dat nou eigenlijk werkt, zo’n club en deel je beste geheimtip met onze sterverslaggevers.

Kom binnen, maar geef wel eerst je komst op. Dat kan via onderstaande knop:

Eventbrite - Kijkje in de keuken. Ledenborrel Coöperatief Cultureel Persbureau

Deel dit:

Intiem festival Film by the Sea viert twintigste editie en moet nu verjongen, aldus scheidend directeur

CineCity Vlissingen is de locatie voor Film by the Sea

In de trein naar Vlissingen dient het festival zich al aan. Schuin tegenover mij converseren twee dames over films en boeken. Ze bladeren in een programma en vragen zich af of het zal lukken Sophia Loren te zien. Inderdaad, mijn vermoeden klopt. Ze gaan een weekend naar Film by the Sea. “Het is onze eerste keer. We gaan veel naar festivals samen en dit stond al lang op ons lijstje.” Ze verheugen zich op de collegereeks ‘Liefde voor verhalen’ die ze gaan volgen. Ze kennen de organisator van dit programma-onderdeel Harry Peters van lezingen in het filmhuis in Alkmaar.

Het prachtige, stoer-sensuele posterbeeld voor Film by the Sea dat beeldend kunstenaar Aat Veldhoen dit jaar ontwierp siert de entree van de CineCity-bioscoop in Vlissingen. Gisteren is hier de twintigste editie van het festival geopend met een gala-voorstelling van Becoming Astrid. De Zweedse biopic over de jonge Astrid Lindgren, later beroemd geworden als schepper van onsterfelijke jeugdliteratuur. Denk aan Pippi Langkous en Ronja de Roversdochter. Vandaag barst in alle acht zalen het evenement echt los.

Boekverfilmingen

Film en literatuur noem je hier in Vlissingen al snel in één adem. Al vanaf de tweede editie heeft Film by the Sea zich geprofileerd met een hoofdcompetitie van boekverfilmingen. Artistiek directeur Leo Hannewijk, die het festival in 1999 samen met Ad Weststrate van CineCity oprichtte, zag daar destijds een kans. “Ik ontdekte dat er op de hele wereld geen enkel festival bestond dat was gewijd aan boekverfilmingen. Terwijl toch een kwart van het filmaanbod uit boekverfilmingen bestaat. Het was een manier om Film by the Sea tussen al het festivalgeweld onderscheidend te maken. Overigens staan bij de beoordeling de filmische kwaliteiten voorop. Het is niet nodig dat de jury, dit jaar voor de vijfde keer onder voorzitterschap van Adriaan van Dis, al die verfilmde boeken ook heeft gelezen.”

Leo Hannewijk (foto Lex de Meester)

Hannewijk beaamt dat Film by the Sea geen festival is dat zich perse toespitst op het doen van nieuwe ontdekkingen. “Het is niet nodig om Rotterdam te imiteren. Al gebeurt het natuurlijk wel eens dat we, omdat we aan het begin van het nieuwe filmseizoen staan, een titel van Rotterdam afsnoepen.” Bij de keuze ligt de nadruk op arthousefilms en mooie bioscooptitels uit Europa en Amerika. “Het verre Oosten zijn we niet zo in gespecialiseerd.”

Het lééft

In vergelijking met de neiging tot overdaad die we elders wel zien is het relatief kleine Film by the Sea aangenaam compact en overzichtelijk. Aan een tafeltje op het Cinecafé-terras zegt Hannewijk: “Het is intiem en niet zo formeel.”

Dat is ook wat bezoekers die ik spreek prettig vinden. “Alles in één bioscoop bij elkaar. Het lééft”, vinden de trouwe festivalgangers Ivette (57) en Marth (23). “Het is goed georganiseerd en de mensen zijn aardig.” De gezellige sfeer is ook iets dat Annie (63) aanspreekt. Ze is er nu met een vriendin uit Middelburg en komt hier al vanaf het begin. Ze is ook als vrijwilliger scout voor het festival en kijkt daarvoor veel films. Children of the Snowland en Breathing Into Marble zijn bijvoorbeeld twee titels die ze kan aanbevelen.

CineCity is de locatie, met een klein deel van het programma in het nieuwe Vlissings Filmtheater. 125 titels in totaal, waarvan 25 schoolvoorstellingen. Een flink deel van het aanbod bestaat uit films die al een distributeur hebben en later in het jaar worden uitgebracht. En eerlijk gezegd zie ik zelfs een paar titels die al draaien in de bioscoop, zoals BlacKkKlansman. Maar ook, zoals Hannewijk aangeeft, “heeft 25% van de selectie nog geen distributeur. Daarvoor bieden we een podium.”

Sophia Loren in Una giornata particolare

Veel aandacht trekt Film by the Sea dit jaar met hoofdgast Sophia Loren, die morgen de Grand Acting Award voor acteurs met een bijzondere staat van dienst krijgt uitgereikt. Een van de laatste echte diva’s van de Europese film is ze genoemd. In 1977 speelde Loren naast Marcello Mastroianni de ontroerende en aangrijpende hoofdrol in Una Giornata Particolare van Ettore Scola. “Een film die”, aldus Hannewijk, “ook veel voor mijn ontwikkeling betekende.”

Daarbij was Scola in 2003 de eerste filmmaker die de Lifetime Achievement Award van Film by the Sea kreeg uitgereikt.

Bergman

Een blikvanger van de 20ste editie is het Bergman-retrospectief. Dit is het door het Zweeds Filminstituut georganiseerde eerbetoon aan Ingmar Bergman, de beroemde Zweedse filmmaker die dit jaar 100 jaar geworden zou zijn. Vlissingen is er snel bij. Pas volgend jaar zal dit fraaie programma in Eye en op andere locaties in Nederland te zien zijn.

Zo kort na mijn aankomst zie ik hier nog weinig collega-filmjournalisten rondlopen, maar Hannewijk vindt wel dat de bekendheid gestaag is toegenomen. “Toch is het gek dat een journalist van de VPRO bij de verslaggeving vanuit Venetië The Sisters Brothers als een van de hoogtepunten noemt, maar dan niet even vermeldt dat het ook de slotfilm is van Film by the Sea.”

Filmroes

Volgens Hannewijk komt een flink deel van de bezoekers inmiddels van buiten de regio. Zo te zien klopt dat wel. Van de festivalgangers die ik zo af en toe aanschiet komt ruim een derde van buiten Zeeland. Na de uitloop van de verfilming van Ian McEwans On Chesil Beach tref ik bijvoorbeeld de Amsterdammers Bart (45) en Roos (43) met twee vrienden. Ze zijn opgeleid aan de Filmacademie en dompelen zich hier al sinds 2008 jaarlijks onder in een filmroes. Wat ze zojuist zagen vinden ze niet geweldig, maar dat tempert hun enthousiasme voor het festival niet. Als charme van Film by the Sea noemt Bart de kleinschaligheid, plus de afwisseling van arthouse met grotere titels. Ze blijven hier meerdere dagen.

Telde Film by the Sea in 1999 nog maar 5.000 bezoeken, tegenwoordig is dat gestegen tot rond de 46.000. Ter vergelijking: Vlissingen telt 45.000 inwoners. Het festival heeft volgens Hannewijk een goede naam en er is veel om trots op te zijn. Vandaar de hamvraag: waarom stopt Leo Hannewijk (1955) er dan nu mee?

Verjonging

“Na twintig jaar vind ik dat het tijd wordt om het stokje over te dragen. Ik wil nog graag andere dingen gaan doen, zoals bijvoorbeeld een groot cultureel project rond de Oostkerk in mijn woonplaats Middelburg. Het festival heeft ook verjonging nodig. Een groot deel van het publiek bestaat inmiddels uit vijftigplussers. En voor het organiseren van die verjonging ben ik niet de geschikte figuur. Ik twitter bijvoorbeeld niet. Hier ligt een mooie taak voor mijn opvolger.”

De eerste film die ik hier zelf zie is I Am Not a Witch. Een intrigerend Afrikaans drama dat inmiddels de Britse Oscarinzending is en komende donderdag in de Nederlandse bioscoop wordt uitgebracht. In de zaal rondkijkend vraag ik me af of die 46.000 bezoeken dit jaar wel gehaald gaan worden. Maar de magere twintig bezoekers bij deze film zijn een uitzondering. Latere voorstellingen zijn goed bezocht, en naarmate de dag vordert wordt het in de CineCity-foyer, het aangrenzende Cinecafé en de als feestlocatie neergezette Spiegeltent steeds drukker. Vooral het Filmboekenbal dat laat op de avond van start gaat met muziek en een vleugje burlesque (niet helemaal mijn smaak) trekt een grote menigte. Als ik hier om me heen kijk valt het ook met die vergrijzing wel mee. De eerste dag van mijn Film by the Sea-weekend zit er op.

De noodzaak van verhalen

Zondag. Ik stap binnen bij het Vlissings Filmtheater om een van de filmcolleges mee te pakken. Toevallig loop ik Harry Peters tegen het lijf, de film & literatuurdeskundige die dit programma-onderdeel al een flink aantal jaren, deels samen met Gerlinda Heywegen organiseert. Gisteren heeft hij zelf de aftrap gegeven met een voordracht over het thema ‘de onbetrouwbare verteller’. Gevolgd door een voorstelling van het alle verhaalconventies tartende Tiere. Volgens beschrijving op de festivalwebsite een ‘grote mindfuck’. En volgens Peters geïnspireerd door de onmogelijke realiteiten van tekenaar Escher.

“Verhalen vertellen is voor mensen een noodzaak. Een manier om de chaos beheersbaar te maken”, aldus Peters. Dat geldt zowel voor boeken als films, alleen werkt het in beide gevallen net even anders. “Literatuur vertelt eerst, en laat daarmee iets zien. Een film toont eerst iets, waarna we daar betekenis aan kunnen geven.” Waarmee hij de strekking van zijn gisteren gehouden inleiding aanstipt: wie maakt nu eigenlijk het verhaal? Zijn wij dat als kijker zelf niet?”

Verzorgingshuis

Intussen zijn de college-deelnemers – hier wel veel grijze kuiven – de zaal uitgestroomd waar ze Being John Malkovich gezien hebben. Ook al een tamelijk ongewoon verhaal waarin het mogelijk blijkt in het hoofd van iemand anders te stappen. An & Dré (samen 140) uit Vlissingen bezoeken al vier jaar het festival en komen speciaal voor de college’s. Ze kennen Harry en Gerlinda en vinden de reeks heel interessant. Het zorgt voor verdieping en laat je ook anders kijken. Dat probeert An althans.

Ook twee middelbare dames (‘Noem ons maar studievriendinnen.’) komen op het festival veel films zien en zijn voor het derde jaar collegegangers. Ze vinden de reeks fantastisch, maar zijn niet tevreden over de nieuwe locatie. Het Vlissings Filmtheater zit namelijk onder één dak met het woonzorgcentrum Scheldehof. Ook de vandaag te openen expositie van werk van Aat Veldhoen vinden we hier. Maar hoe prachtig de oude scheepswerf waar alles is ondergebracht ook is verbouwd, de vriendinnen missen hier de festivalsfeer. Daarnaast vinden ze de combinatie met het zorgcentrum niet prettig. Volgens hen zijn er meer die er zo over denken.

Huisfilosoof

Na de pauze treedt Stine Jensen aan, de huisfilosoof van Film by the Sea. Haar betoog gaat over het intrigerende fenomeen ‘aap en vrouw’, een combinatie die sinds King Kong met zekere regelmaat in films opduikt. De studievriendinnen vinden het een mooi betoog, maar Dré laat me na afloop weten dat hij liever een meer psychologische invalshoek had gezien. “Er zat meer in dit onderwerp.”

Terug in CineCity ben ik net op tijd om te zien dat Van verlies kun je niet betalen, over een bejaarde Vlissingse groenteman, bezig is uit te groeien tot een echte festivalhit. De documentaire maakt deel uit van het blok Zeeuwse films – vast festivalonderdeel. Gisteren al voor 700 bezoekers in première gegaan in de XL-zaal. Nu opnieuw druk bezocht en hoog gewaardeerd, afgaande althans op de reactie van Linda (28) en David (37). “Ik ben speciaal voor deze film gekomen. Ik ken de maker en kwam als jongetje in die groentewinkel. Een heel mooie documentaire, echt een verhaal over het leven. Een aanrader.” Wallie Pollé van Windmill Film is er ook en laat me weten de documentaire uit te gaan brengen, samen met de korte film De letterschilder.

Sophia Loren

Dan ter afronding van de dag snel naar de CineCity-XL-zaal voor de huldiging van Sophia Loren. Alles zoals het hoort, met mooie woorden van oud-festivalvoorzitter Hedy d’Ancona over de bevrijding van vrouwen, de prijsuitreiking door minister Ingrid van Engelshoven, een staande ovatie en een ontroerde dankwoorden van Loren. Mooi dat ze hier is.

Eerder deze middag had de dame bij de stand van de Vlissingse boekhandel ‘t Spui me gevraagd of ik al op de boulevard was geweest. “De trots van Vlissingen.” Het blijkt vlakbij te zijn. Dat pak ik nu dus mee, op weg naar het station voor de trein terug. Een prachtige avondwandeling langs oude en nieuwe kades, strandjes en uitzicht op de Westerschelde, waar grote containerschepen statig voorbij varen.

Jan Doense nieuwe directeur

En wie gaat nu het stokje van Leo Hannewijk overnemen, vraagt u zich natuurlijk af. Het bestuur van Film by the Sea heeft als opvolger Jan Doense gekozen: doorgewinterd filmliefhebber, zakelijk leider van De Filmkrant, filmproducent en ervaren organisator van filmfestivals. Hij gaat leiding geven aan de inhoudelijke invulling van het festival. Het team van CineCity blijft de uitvoering verzorgen.

Jan Doense (foto: Joao Carlos Rodrigues)

Voor hij in november in functie treedt wil Doense nog niet veel kwijt over mogelijke plannen. Ter geruststelling laat hij de huidige fans van Film by the Sea ieder geval weten geen grote koerswijziging voor ogen te hebben.

“Het is een uniek festival dat stevig in zijn schoenen staat en een trouw publiek heeft. Ik ga zeker broeden op nieuwe ideeën zonder aan de huidige formule afbreuk te doen.”

Als voorbeeld noemt hij nieuwe CCXL-zaal, die volgens hem nog beter benut zou kunnen worden met voorstellingen voor een groot publiek. Over de hier en daar geopperde suggestie dat het festival moet verjongen is hij tamelijk laconiek.

“Ik ben vier jaar jonger dan Leo Hannewijk, dus dat verschil is niet zo groot. Maar ik twitter wel. Verder wil ik over die verjonging niet al te krampachtig doen. Het hoeft niet perse allemaal jong en hip te worden. Het is ook leuk dat er een trouw en wat ouder publiek is dat Rotterdam te turbulent vindt.”

“Film by the Sea is een relaxed festival zonder al te veel industrie waar zowel filmliefhebbers als mensen uit de filmbranche graag komen. Ik zie het als een soort klein Cannes aan de Schelde, een prettige plek om te vertoeven, vlakbij een mooie boulevard om even pauze te nemen en oesters te eten.”

“Toen ik werd gevraagd of ik de artistieke leiding wilde overnemen kwam dat op een goed moment. In de tijd dat ik directeur was van het Imagine Film Festival [Hij nam daar in 2008 afscheid, LB] had ik de bijnaam Mr. Horror, maar ik heb meer te bieden. Nu eens geen genrefestival. Het trekt me juist aan dat Film by the Sea een breed aanbod heeft.”

Doense heeft van vaderszijde wel Vlissingse roots, maar blijft voorlopig in Amsterdam. “Ik verheug me op het lezen van boeken tijdens lange treinreizen. Ik ga er nog niet wonen, maar zal er uiteraard wel vaak zijn. Om te beginnen kom ik iedere week op dinsdagavond in het kader van ‘Film by the Sea door het jaar’ een film inleiden. Dat is een mooie manier om het publiek te leren kennen.”

Goed om te weten Goed om te weten

Het ’20th international film festival Film by the Sea’ zoals het voluit heet, vindt plaats van 7 t/m 16 september in Vlissingen.

Deel dit:

Zonder geheugen blijft ons theater zich gedachteloos vernieuwen, blijkt op het @theaterfestival

Het Nederlandse theater herinnert zich steeds minder. Dat bleek afgelopen vrijdag tijdens een tweetal bijeenkomsten in ITA, het gebouw waar ooit de Stadsschouwburg gevestigd was. Tijdens Nieuwe Grond, een onderdeel van het Nederlands Theaterfestival, ging het over erfgoed.

De ene bijeenkomst zal mogelijk herinnerd worden door de zes aanwezigen: de twee gasten plus presentator, en hun drie toeschouwers. De andere bijeenkomst zat vol met archivarissen, dramaturgen, journalisten en beleidsmakers. Daar werd gesproken over de diepgevoelde wens om het geheugengat te dichten dat achterbleef na de door verhalenverteller en onderminister Halbe Zijlstra gedwongen opheffing van het Theaterinstutuut Nederland (TIN), nu zes jaar geleden.

Leedvermaak

Zijn er tijden geweest dat er wel honger was naar de verhalen van een theatergrootheid als Leonard Frank? Naar de geschiedenis van het Amsterdamse theater Frascati, waarin hij een essentiële rol speelde? Of naar de Joodse muziektheatertraditie die hij in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw ‘een beetje’ in ere wilde herstellen met voorstellingen als Leedvermaak en Dibboek? Of zou er ooit dorst zijn naar het verhaal achter de manier waarop een Russin het Friese theater veroverde?

Vrijdag 7 september werd die honger gevoeld door drie bezoekers van het festival. Ira Judkovskaja en Leonard Frank hadden er niet minder plezier om: ze hebben in ieder geval elkaar beter leren kennen. Geen reden tot bitterheid ook, voor de man die na vijftig jaar lesgeven op de Toneelschool op een dag niet meer gebeld werd en nooit afscheid heeft kunnen nemen. Zo gaan die dingen in de theatersector. Die is, dankzij de productiedwang van een tot op het bot uitgehold subsidiesysteem, vooral elke dag met overmorgen bezig. Terugkijken is niet subsidiabel.

Geld op

De beleidsmensen in de andere foyer van de Stadsschouwburg ITA, ondertussen, mijmerden over de vraag of en hoe er iets gedaan kon worden aan de dreigende teloorgang van het geheugen. Het archief van het opgeheven Theater Instituut is nu ondergebracht bij de Universiteit van Amsterdam. Die beheert het tegen een vergoeding, afkomstig uit het eigen kapitaal dat het TIN nog had uit de verkoop van de monumentale panden waarin het ooit vol trots gevestigd was. Dat geld is in 2020 op. Als er voor die tijd niets gebeurt zal het archief in een ‘koude opslag’ veranderen en wordt het niet meer bijgehouden.

Zou dat uiteindelijk allemaal in een door de gebruikers zelf onderhouden digitaal en online archief op moeten gaan, of moet er ook een echt gebouw komen? Sommigen spraken zelfs de wens uit voor een serieuze ‘Hall of Fame’, naar Amerikaans model. Voorwaarde is dan wel dat ‘fame’ genoeg gewaardeerd wordt om zoiets mogelijk te maken.

Eigen verhaal

Belangrijkste kwestie die tijdens die middag boven de markt bleef hangen was: hoe zorg je ervoor dat mensen zich in het verleden willen verdiepen? Voor een sector die zelf zo intensief bezig is met zichzelf te vernieuwen, is dat verleden niet zo interessant, vreemd genoeg. Elke keer dat een gezelschap of theater de eigen website vernieuwt wegens een nieuwe artistieke koers of leiding, verdwijnt het archief naar een dieper verborgen pagina.

Sommige makers, maar ook dramaturgen en critici, die graag midden in de tijdgeest staan, beroemen zich bovendien op een totaal ontbreken van historisch besef. Zonder actief archief kan zo elke nieuwe generatie haar eigen verhaal over de geschiedenis vertellen. Bij voorkeur met daarin een grote rol voor zichzelf. Bijvoorbeeld als ‘uitvinder van’ of de ‘eerste die iets deed of zei’. Dit allemaal in de wetenschap dat, als die historisch unieke carrière eenmaal voorbij is, nog slecht drie bezoekers in je geïnteresseerd zijn.

De vraag is dus: wil je een theater dat zó vluchtig is?

Je mag reageren in de comments.

Deel dit:

Reinbert de Leeuw op zijn 80e verjaardag overladen met eerbewijzen

REINBERT 80 met Femke Halsema en Maarten van Boven, foto Ada Nieuwendijk

Begeleid door Asko|Schönberg zingt Katja Herbers delen uit Im wunderschönen Monat Mai, Reinberts bewerking van klassiekers van Schubert en Schumann. De schrijnende teksten krijgen een geestige twist in het laatste lied. In ‘Röslein auf der Heiden’ is niet het breekbare bloempje uit het origineel maar Reinbert zelf het ‘slachtoffer’.

“Und der wilde Knabe brach
Reinbert auf der Heiden;
Reinbert wehrte sich und stach,
Half ihm doch kein Weh und Ach,
Mußte es eben leiden.
Reinbert, Reinbert, Reinbert roth,
Reinbert auf der Heiden.”

Verguld stapt de Leeuw hierna het podium op van de Grote Zaal van Muziekgebouw aan het IJ. Dankbaar omarmt hij de zingende actrice met wie hij deze liederencyclus vaker zelf heeft uitgevoerd. Een roerend slot van een doortimmerd feestconcert voor de 80e verjaardag van de onvermoeibare dirigent, pianist en componist. Vanuit de zaal zet iemand Happy Birthday in, waarbij musici en overige aanwezigen enthousiast aanhaken.

Zilveren Medaille

Reinbert de Leeuw wordt deze avond overladen met eerbewijzen. Femke Halsema overhandigt hem, als kersverse burgemeester, de Zilveren Medaille van Amsterdam. Ze roemt zijn ‘lef en bezieling’, struikelt charmant over de naam van György Kurtág en streelt liefkozend Reinberts arm.

Het Prins Bernhard Cultuurfonds houdt het bij een videoboodschap van directeur Andrea Esmeijer en voorzitter Alexander Rinnooy Kan. Voor zijn ‘grote verdienste voor eigentijdse muziek in binnen- en buitenland’ krijgt De Leeuw de Prins Bernhard Cultuurfondsprijs 2018. Het bedrag van € 150,000 zal hem persoonlijk worden overhandigd op 26 november in het Muziekgebouw.

Reinbert de Leeuw & Barbara Hannigan, foto Ada Nieuwendijk

Gelukkig blijven ellenlange toespraken ons bespaard en klinkt er vooral muziek. Op eigen verzoek begeleidt Reinbert de Leeuw de sopraan Barbara Hannigan in een deel uit Socrate van Erik Satie. Ze namen dit stuk vorig jaar op voor cd en zijn perfect op elkaar ingespeeld. Directeur Maarten van Boven biedt Reinbert namens de vrienden van zijn Muziekgebouw en Asko|Schönberg een nieuwe compositie aan van Valery Voronov.

Muzikale helden

Voronov schreef in 2010 al het indringende Aus dem stillen Raume voor Reinbert c.s. en dat smaakte naar meer. Ook in Touch the Cloud toont de Wit-Rus zich een klankmagiër in de beste traditie van Sofia Goebaidoelina. Mysterieuze koorklanken worden doorsneden met pittige instrumentale interrupties en tinkelbelletjes. Het wordt prachtig vertolkt door het Nederlands Kamerkoor en Asko|Schönberg onder leiding van Peter Dijkstra.

Goebaidoelina is vertegenwoordigd met een mooie uitvoering van haar strijkkwartet Reflections on the Theme B-A-C-H. Een toepasselijke keuze gezien Reinberts recente samenwerking met Holland Baroque in de passies van Bach. Ook diens overige helden ontbreken niet. De pianiste Tamara Stefanovich speelt delen uit Musica ricercata van György Ligeti, het Kamerkoor zingt Cinq rechants van Olivier Messiaen.

György en Marta Kurtág feliciteren Reinbert via een olijke videoboodschap. De pianisten Stefanovich en Pauline Post geven vervolgens een hilarische vertolking van twee deeltjes uit Jatékok. Er zijn meer vrolijke noten. Van Jörg Widmann klinkt de mars uit Dubairische Tänze, een soort hoempa-gone-wrong. Ron Fords Ratrace voor viool en piano wordt aanstekelijk gespeeld door Heleen Hulst en Gerard Bouwhuis. Volgens Hulst illustreert dit ritmisch doldraaiende werk perfect hoe Reinbert van musici ‘obsessief’ het onmogelijke verlangt – en meer.

Misha’s kat

Guus Janssen schreef het korte Rondneuzen met Pief, genoemd naar de kat van Misha Mengelberg – beide genoemd als medecomponist. In een filmpje zien we Misha’s kat over diens piano lopen, terwijl het ensemble komische klanken produceert bij elke toets. De zaal barst in lachen uit als Pief uiteindelijk met een donderende klap op de grond valt.

Het zorgvuldig samengestelde programma geeft een mooie dwarsdoorsnede van Reinberts veelzijdigheid en loopt als een trein. Een mooier verjaardagsgeschenk kon de ­ – ondanks zijn wandelstok opvallend kwieke – 80-jarige zich niet wensen.

Meer weten over Reinbert de Leeuw en zijn muzikale helden? Lees het in mijn biografie Reinbert de Leeuw: mens of melodie.

Deel dit:

‘Mijn wil is het enige wat ik kan controleren.’ Hoe Benedict Wells’ moeilijke jeugd hem deed uitgroeien tot bestsellerauteur

Schrijver Benedict Wells ©Roger Eberhard

Robert Beck, de hoofdpersoon van Benedict Wells’ debuutroman Becks laatste zomer, hoopt als bijna-veertiger alsnog zijn droom waar te maken: een carrière in de muziek. Wells (34) weet wat het is om alles op alles te zetten om je droom na te jagen. Een moeilijke jeugd zette hij om in literatuur, en hij werd er verdomd succesvol mee.

De afgelopen twee jaar waren als een een rit in een achtbaan voor de jonge Duitse schrijver Benedict Wells. Zijn roman Het einde van de eenzaamheid werd groots opgepikt, in dertig landen vertaald, lovend besproken en een bestseller; alleen al in Nederland werden er ruim 80.000 exemplaren van verkocht. Een internationale doorbraak als begin dertiger – als schrijver kun je het slechter treffen.

Succes

Vanwege het grote succes van Het einde van de eenzaamheid is nu Wells’ tien jaar oude debuutroman verschenen: Becks laatste zomer. Het gaat over Robert Beck, docent op een middelbare school, die eigenlijk muzikant had willen worden en steeds meer van zijn huidige bestaan begint te balen. Als hij het buitenbeetje Rauli in de klas krijgt, een tweede Jimi Hendrix, hoopt hij via hem alsnog een carrière in de muziek te kunnen beginnen. Even lijkt alles mogelijk.

Dat moet vreemd zijn, praten over een boek dat tien jaar geleden uitkwam?

‘Ja, het is zelfs veertien jaar geleden dat ik het begon te schrijven. Ik heb een bijzondere band met het boek, want ik bevond me op een kruispunt in mijn leven. Ik vocht voor het schrijven, was bang dat ik mijn grote droom moest opgeven. Nadat ik Hotel New Hampshire van John Irving had gelezen, wist ik: oké, als dit literatuur is, dan wil ik schrijver worden. Als ik dat niet probeer, zal ik er de rest van mijn leven spijt van hebben. Begin twintig was ik, en al vier jaar lang schreef ik aan Becks laatste zomer, maar nog steeds wilde geen uitgever het hebben. Ik was bang dat het me nooit zou lukken, en in mijn wanhoop trok ik alles, echt álles uit de kast om het goed te maken en iemand ervan te overtuigen dat ik dit kon.’

Dat is gelukt.

‘Ja, ik heb geluk gehad. Terugkijkend kun je denken: kom op, het was nog maar vier jaar dat mijn werk niet werd gepubliceerd, maar dat zou verraad van mijn jongere ik zijn. Want mijn vrienden studeerden al een paar jaar, zij waren op weg naar iets, kozen voor een veilige weg. Ik studeerde niet omdat ik schrijver wilde worden, ik had weinig geld, woonde in een verschrikkelijk appartement. Als mijn droom zou mislukken, zou ik met lege handen staan.’

Afwijzingen

‘Laten we wel wezen: wat mijn hoofdpersoon Robert Beck doet – tegen de veertig je veilige baan opzeggen – is eigenlijk veel moediger dan wat ik deed. Ik had nog niets te verliezen.Ik werkte overdag en schreef ’s nachts. Van uitgeverijen en agenten kreeg ik alleen maar afwijzingen. Het enige waar ik me aan kon vasthouden was het stemmetje in mijn hoofd dat zei dat ik moest doorzetten.’

Hoe hield je de moed erin?

‘Ik ben op een vreemde manier opgegroeid: vanaf mijn zesde zat ik op kostschool. Mijn ene ouder was ziek, mijn andere ouder had geldproblemen, en daardoor konden ze niet goed voor mijn zusje en mij zorgen.Ik was al vanaf jonge leeftijd veel op mezelf aangewezen. Dat deed me beseffen dat mijn wil het enige is wat ik zelf onder controle heb. Daarmee kan ik ervoor zorgen dat ik kom waar ik wil komen. Ik kon mijn woede – en vreugde, want ik had ze allebei – dus op een goede manier gebruiken om mezelf voort te stuwen.’

‘De periode op kostschool heeft me tot het schrijverschap gebracht.’ ©Roger Eberhard

Welke invloed heeft die moeilijke jeugd gehad?

‘Na dertien jaar op kostschool en al die problemen in ons gezin zat ik vol woede. Ik had als kind al veel verantwoordelijkheid; ik was degene die met mijn zieke ouder naar het ziekenhuis ging, om maar iets te noemen. Het grote geluk was wel dat er ondanks al deze problemen onderling wel veel liefde was. De situatie was dus niet alleen maar slecht, het goede was ook aanwezig.’

Kostschool

‘Die periode op kostschool heeft me denk ik ook tot het schrijverschap gebracht. Het feit dat ik ‘afweek’ doordat ik op kostschool zat, maakte me tot een observator, en observeren is de eerste stap naar het schrijven. Bovendien sliep ik slecht en laat, dus las ik veel en dacht ik veel na om moe te worden.’

‘Ik heb er zoals gezegd een sterke wil aan overgehouden, en de behoefte om dingen net ietsje beter te maken dan ze in de realiteit zijn. Dat vind je terug in mijn werk. Alles is 5 procent beter – niet te veel, want dan zou het een leugen worden, en ik wil niet liegen als ik schrijf. Je zou kunnen denken dat leraar Robert Beck alsnog een succesvolle muzikant wordt. Dat zou een leugen zijn, want hoe zou dat kunnen gebeuren? Vergeleken bij Rauli is hij volkomen middelmatig, dus natuurlijk faalt hij. Waar het om gaat is: wie is het gelukkigst, degene die heeft geprobeerd zijn droom te verwezenlijken en daarin niet is geslaagd, of degene die het überhaupt nooit heeft geprobeerd?’

Wat biedt het schrijven jou?

‘Het maakt dingen duidelijker. In Eenzaamheid staat een quote die erg op mij van toepassing is: ‘Er zijn dingen die ik niet kan zeggen maar alleen kan schrijven, want als ik praat, denk ik, terwijl ik voel als ik schrijf.’ Dat is wat er bij mij gebeurt. Ik zit uren achter elkaar te schrijven, en als ik in zekere zin terugkom in de realiteit en teruglees wat ik heb geschreven, ben ik soms volkomen verrast.’

Iemand anders

‘Soms lijkt het alsof de zinnen of gedachten door iemand anders geschreven zijn, maar ik begrijp dat het blijkbaar ergens diep in mij al verborgen lag. Schrijven brengt mijn onderbewuste gedachten en gevoelens naar boven, en als ze dan zwart op wit staan, in een verhaal, werkt dat verhelderend. Mijn innerlijke intuïtieve ik loopt soms een paar stappen vooruit op mijn bewustzijn.’

©BogenbergerAutorenfotos

Hoe kijk je terug op je debuut?

‘Met grote dankbaarheid, alsof ik in de kroeg een oude vriend ontmoet. Alle het goede van de afgelopen jaren is te danken aan dit boek. Het heeft de deur voor mij geopend, en dan vooral het personage Rauli. Toen hij zich aandiende, begon het boek als het ware zichzelf te schrijven. Mijn schrijven is tegenwoordig effectiever, ik heb minder ruimte nodig en denk beter na over de zinnen. Maar toen ik Becks laatste zomer schreef, was ik zo stoutmoedig. Ik dacht niet na over wat anderen ervan zouden kunnen vinden, of dingen wel ‘logisch’ waren, ik volgde gewoon de avonturen van de personages. Ik denk dat passie en enthousiasme het altijd winnen van techniek. Dus hopelijk slaag ik er met de jaren in die passie met techniek te verenigen.’

Legt het succes druk op je schouders?

‘Nee, het schrijven komt voort uit een innerlijke wereld, die niet wordt beïnvloed door de dagelijkse realiteit. Er is me een groot geluk en voorrecht ten deel gevallen, en ik wil mezelf tijd geven om daarvan te genieten en het op waarde te schatten. Daarom wil ik niet meteen alweer een roman publiceren, ook al is die al klaar. In Duitsland komt er eerst een bundel korte verhalen uit.

Breakfast Club

Mijn volgende roman verschijnt denk ik over een jaar of twee en is qua sfeer het tegenovergestelde van Het einde van de eenzaamheid. Het is een coming-of-age-roman die is geïnspireerd op de jaren tachtig, en films als The Breakfast Club, Ferris Buellers Day Off, Stand by Me. Tijdens het werken luisterde ik de hele tijd naar jarentachtigmuziek. Ik heb nog nooit zoveel plezier gehad tijdens het schrijven als met dit nieuwe boek, daarom houd ik het nog even voor mezelf. Ik wil die wereld eigenlijk nog niet achterlaten.’

Heimwee naar de jaren tachtig? Toen was je pas geboren.

‘Klopt! Er zijn twee soorten brandstof voor een roman: ervaring of verlangen. Vroeger wilde ik dat ik in de jaren tachtig in Amerika opgegroeid was, omdat alle films die ik zag, zich in die periode afspeelden. Natuurlijk was het de tijd van de Koude Oorlog, nucleaire wapens en nog veel meer ellende. Maar nu, zoveel jaar later, kun je alleen naar de goede dingen kijken. De Netflix-serie Stranger Thingszag ik pas toen het boek klaar was, en wat ontdekte ik: de makers ervan, Matt en Ross Duffer, zijn geboren op 15 februari 1984 – in dezelfde maand en hetzelfde jaar als ik! Zij hebben vast hetzelfde sentiment gehad.’

Goed om te weten Goed om te weten

Becks laatste zomeris verschenen bij uitgeverij Meulenhoff

Koop bij bol.com

Deel dit:

PODCAST: Theaterfestival 2018 opent met strafbaar feit.

1Op 6 september 2018 liet Chokri Ben Chika zijn gevoel voor humor achter in België. Hij toog met een gevulde jerrycan naar de Amsterdamse Stadsschouwburg en pleegde een strafbaar feit. Hij bedreigde een tot de nok gevulde Rabozaal met een niet van echt te onderscheiden nepwapen. Hij vertelde dat hij bewondering had voor de anonieme Tunesiër die met zijn zelfverbranding het begin had ingeluid van de Arabische lente. Deze avond zou ook het NOS Journaal eindelijk weer eens met theater openen, verzekerde hij de doodstille zaal.

Luister hier naar de speech en de dramatische afronding na 30 minuten:

Hij stapte naar voren, goot de jerrycan over zich leeg. De verwarring veranderde in milde paniek. Alleen het kordate optreden van veteraan-theatermaker Jan Joris Lamers voorkwam dat er echte paniek uitbrak en er daardoor gewonden zouden vallen. Hij beende, inpratend op de spreker, vanaf rij 16 naar het podium, greep de enigszins verraste, maar nog niet veraste Chokri Ben Chika bij zijn lurven en voerde hem van het podium af. Tot hij op drie meter afstand van de bedreiger was, zal hij, net als de rest van de zaal, niet hebben geweten dat het water, en geen benzine was, waarmee de Belg zich had overgoten. Dat maakt – zonder pathetiek – Jan Joris Lamers tot held.

Afscheidsspeech

Het programma ging na een korte onderbreking verder. Er moest nog een prijs uitgereikt worden. De afscheidsspeech van juryvoorzitter Ferry Mingelen moest nog gehoord worden. Daarmee was het jaarlijkse Nederlands Theaterfestival geopend. Nog vele uren daarna sprak ik mensen die door de actie serieus getraumatiseerd waren.

Wie niet getraumatiseerd was, was op zijn minst geschokt, en anders wel verontwaardigd. Er waren ook wat critici en dramaturgen die de actie toejuichten. Volgens hen had de Belgische theatermaker  aangetoond dat politiek theater nog springlevend was. Andere aanwezigen verklaarden het juist dood.

Einde ‘Staat van het Theater’?

Marc van Warmerdam, leider van Orkater, veroordeelde de actie als ‘totaal smakeloos’. Eric de Vroedt van het Nationale Theater noemde de daad ‘ongepast’. Simon van den Berg, hoofdredacteur van vakblad Theatermaker, vond dat met deze speech was aangetoond dat de ‘Staat van het theater’, de jaarlijkse speech door een Belangrijk Persoon, waarmee het Theaterfestival opent, zijn langste tijd had gehad. ‘De sector moet maar iets nieuws verzinnen’, zei hij, gevraagd naar mogelijke alternatieven.

Volgt het Theaterfestival die suggestie, dan heeft Chokri Ben Chika zijn punt bewezen. Hij stelde aan het begin van zijn actie dat in het theater alles al gezegd was, maar nog niet alles was gedaan. Hij zou daar verandering in brengen. Met een wapen dat – naar achteraf bleek – nep was. Wie in deze wedloop daar nog overheen wil, zal de volgende keer met iets echts moeten komen.

Of dat dan nog theater is, mogen de deskundigen onderling uitmaken.

Deel dit:
6,041FansLike
1,132VolgersVolg
16,074VolgersVolg

Wat nu? Een betaalmuur?!

Klopt, we geven (bijna) niks gratis weg!

We hebben je support namelijk nodig. Anders ga je ons missen.

Holler Box
50% Complete

Dank voor je bezoek!

Wil je echt niets meer missen? Schrijf je dan in voor onze GRATIS nieuwsbrief
Holler Box