Al bijna dertig jaar vormt het Paradisodebat in Amsterdam het moment waarop makers, bestuurders, politici en fondsen elkaar ontmoeten om de stand van zaken in de Nederlandse culturele sector te bespreken. Traditioneel viel dit samen met de feestelijke start van het culturele seizoen in de hoofdstad. Maar sinds de Uitmarkt plaatsmaakte voor de nieuwe landelijke Opening van het Culturele Seizoen – die ieder jaar in een andere stad neerstrijkt – is er een rare scheiding ontstaan.
Dit jaar wordt de Opening groots gevierd in Apeldoorn. De stad staat drie dagen lang bol van optredens, exposities en ontmoetingen. Maar het Paradisodebat? Dat blijft koppig in Amsterdam staan. Niet in het weekend van de Opening, niet in de gaststad, maar een dag later in Paradiso.
Maar waarom toch? Zou het niet veel krachtiger zijn als beleidsmakers en politici zich ook onderdompelen in de energie van de stad die gastheer is van de Opening? Als zij niet steeds met elkaar in alleen Amsterdam debatteren, maar juist de spreiding ondersteunen?
Historische gewoonte is geen argument
Het enige echte argument vóór Amsterdam is de traditie: het heet nu eenmaal het Paradisodebat. Maar traditie alleen is een zwak excuus om de blik te vernauwen. De culturele sector zegt vaak dat zij landelijk wil zijn, dat cultuur van iedereen is, dat we weg moeten uit de Randstadbubbel. Dan hoort daar ook bij dat de belangrijkste sectorbrede dialoog niet in een Amsterdams clubgebouw blijft hangen, maar meereist met de dynamiek van de Opening. Het kan toch niet zo zijn dat “we doen dit altijd zo” voor de culturele sector doorslaggevend wordt?
Een gemiste kans
Door het debat niet in Apeldoorn te houden, mist de sector een kans om te laten dat zij relevant is voor héél Nederland.
Voorstel: een nationaal cultuurdebat
Waarom geen nationaal cultuurdebat dat jaarlijks plaatsvindt in de stad van de Opening? Daarmee wordt de scheidslijn opgeheven en laat de sector zien dat de inhoudelijke dialoog en de feestelijke opening samen één verhaal vormen: een landelijk cultureel seizoen dat wortelt in de hele samenleving.
Voor Kunsten ’92 en de Akademie van Kunsten als organiserende partijen mag verwacht worden dat zij landelijk opereren. Voor Paradiso en het ACI is het misschien even slikken, maar in elke stad waar “De Opening” georganiseerd wordt is een instelling te vinden die als facilitaire partij kan en wil optreden. En het ACI kan eenvoudig verbreed worden naar een vertegenwoordiging van de (grotere) BIS-instellingen.
Ik ben heel benieuwd of de sector het aandurft tradities los te laten of dat zij blijft navelstaren.