Met ‘Een monument voor de BKR’ heeft Fransje Kuyvenhoven inderdaad een eerbetoon geschreven in haar “geschiedenis van een spraakmakende kunstenaarsregeling (1949-1987 )”. Alleen al omdat de eerste honderd pagina’s geen tekst bevatten, maar een chronologische etalage van kunstwerken uit de BKR. Van onder meer Karel Appel, Corneille, Constant, Lucebert, Jan Wolkers, Kees van Bohemen, Ger Lataster, Armando. En omdat er hier een grondige beschrijving op volgt van deze unieke, verguisde en gewaardeerde regeling. Als beleidsinstrument inhangend tussen de Bijstandswet van Sociale Zaken en het openbare kunstbezit waar de minister van cultuur verantwoordelijk voor was.

Kuyvenhoven beschrijft zelfs gedetailleerd de zesentwintig tussentijdse wijzigingen in de Regelingen, maar ook de opstanden van boze kunstenaars, bezettingen van het , de wanhoop bij de Rijksdienst , de zoektocht van beleidsmakers en politici.

Slechte framing

Ik heb het gretig gelezen. En dat nog eens extra omdat ik een deel van die geschiedenis van nabij zag. Ik zag veel van de lijntjes die Kuyvenhoven ook inderdaad tevoorschijn haalt.

Mijn beeld wordt bevestigd dat de BKR eerder ten gronde ging door slechte ‘framing’ dan door werkelijk misbruik. Ook onderstreept Kuyvenhoven dat de Nederlandse overheid op een wereldwijd unieke wijze verantwoordelijkheid nam voor de bestaanszekerheid van beeldende kunstenaars. En ze beschrijft wat ik veel minder sterk op mijn netvlies had: de onstuitbare stroom kunstwerken die min of meer achteloos jaar in jaar uit bij de (voorganger van de) Rijksdienst Beeldende werden gedumpt.

Voor de oorlog

Veertien jaar eerder dan de BKR er kwam, in 1935, het Voorzieningsfonds voor Kunstenaars tot stand. Kuyvenhoven neemt dat mee als ze de aanloop van de BKR beschrijft, inclusief het feit dat Sociale Zaken ook bij dit fonds aan de wieg stond, samen met Nederlandse gemeenten, de kunstenaarsverenigingen en particuliere . Kunstenaars konden er lenen voor beroepsinvesteringen, maar ook speciale bijstand in levensonderhoud krijgen voor een aantal weken per jaar.

Die voorziening was bestemd voor georganiseerde kunstenaars van alle disciplines en het valt dus op dat de BKR alleen voor beeldende kunstenaars werd ingericht. In 1945 ging de Federatie van Kunstenaarsverenigingen van start, voorbereid in het kunstenaarsverzet. Misschien heeft de aanvankelijke dominantie van beeldende kunstenaars verhinderd dat de federatie ook voor andere scheppende kunstenaars toegang tot de speciale bijstandsregeling eiste.

Contraprestatie

Het karakteristieke, het mooie en tegelijk problematische aan de Beeldende Kunstenaars Regeling was de ‘contraprestatie’: de verplichting om een of meer kunstwerken in te leveren dan wel opdrachten uit te voeren. De directe verantwoordelijkheid van gemeenten, áls ze daar voor kozen, was waardevol. Zeker van gemeenten als Amsterdam of Groningen die de regeling positief betrokken uitvoerden.

Was er een geraffineerder systeem bedacht voor de bestemming van de kunstwerken en was er, bijvoorbeeld in lijn met het populaire Openbaar Kunstbezit, promotie gemaakt voor deze actuele beeldende kunst, dan was misschien de ophoping van kunst niet zo uit de hand gelopen. En dan hadden de artotheken, speciaal opgericht voor het uitlenen van BKR kunst, een steviger rol kunnen spelen. Maar het bij vlagen slechte imago van de BKR speelde de artotheek parten.

O, ja: Je hoeft geen lid te zijn om dit te kunnen lezen. We hebben wel leden nodig om dit te kunnen schrijven. Word daarom nu lid.

Ook vreesden overheid en kunstenaars concurrentievervalsing: de goedkoop verworven BKR-kunst tegenover de vrije markt. Dit werd minder toen artotheken en commerciële kunstuitlenen fuseerden in de nieuwe Federatie Kunst Uitleen. Maar een indrukwekkende omzet kwam niet tot stand. Wel heeft, aan het eind van de geschiedenis van de BKR, de stoutmoedige directeur van SBK Amsterdam, John Loose, een indrukwekkende hoeveelheid kunstwerken voor één euro van het Rijk overgenomen. Nog steeds bij de SBK in beheer. Nog steeds te leen.

Taarten

De vraag die ook uit “Een Monument voor de BKR” ook oprijst, is of de beeldende kunstenaarsorganisaties niet zelf hebben bijgedragen aan het einde van de BKR. Niet voor niets splitste een aantal kunstenaars, zoals Lataster en Sierhuis, zich uit de BBK af tot de BBK’69. Veel in de BBK georganiseerde kunstenaars wezen kwaliteitseisen en ballotage radicaal af. Ook hun eis dat de deze specifieke bijstandsregeling onder het beleid van de minister van cultuur werd gebracht viel verkeerd, juist in de periode van de no-nonsense kabinetten Lubbers.

Voor je verder leest...

We hebben inmiddels al bijna 300 leden. Mensen zoals jij, met een hart voor kunst.
Word ook lid, kijk hier:

Minister van Sociale Zaken Jaap Boersma (die opvallend genoeg mij later zou opvolgen als voorzitter van het Voorzieningsfonds van Kunstenaars,) stond nog wel open voor een dialoog met de kunstenaars. Maar Lau de Graaf op Sociale Zaken en Elco Brinkman op Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur waren dat veel minder. Hoe de protesterende kunstenaars hen persoonlijk bejegenden (tot aan taarten in het gezicht) hielp daar niet in mee en versnelden het einde van de regeling eerder dan dat ze het vertraagden.

Kuyvenhoven brengt goed in beeld hoe in de loop van de tijd de regeling steeds werd aangepast en vooral: aangescherpt. Overigens vond er tussendoor nog een feministische strijd plaats, want de BKR gold als een kostwinnersregeling en was daarmee grotendeels op mannen gericht.

Cultuur+Ondernemen

Steeds meer werd professionaliteit, artistiek vermogen en een zekere maatschappelijke gerichtheid gevraagd. Aan het grote publiek en de – tot in de Verenigde Staten toe – ontging dit overigens. De ongelofelijke voorraad niet te verstouwen kunstwerken en de wilde verhalen over misbruik van de regeling waren te dankbare onderwerpen voor de beeldvorming.

Het Voorzieningsfonds voor Kunstenaars voorzag het einde van de BKR en bedacht sociale regelingen voor de beroepsgroep kunstenaars, waarbij ook eigen verantwoordelijkheid en het betalen van premies werd meegenomen. De BBK reageerde woedend, want zag het als een alibi voor het afschaffen van de BKR. Later gaf men toe dat het fonds vooruitziend was geweest. Het beoogde sociaal systeem kwam er niet, maar het fonds dat eerst ook zelf in de beleidswijziging ten onder dreigde te gaan bleef nu in ieder geval overeind. Het ging later Kunstenaars&CO heten en functioneert nu onder de naam Cultuur+Ondernemen als expertisecentrum voor professioneel kunstenaarschap.

Obstakel

Achtereenvolgende ministers als Harry van Doorn en Til Gardeniers, persoonlijjk gemotiveerd om te ontwikkelen, voelden zich ongemakkelijk bij bestaan van de BKR. Het lukte niet om op een ontspannen wijze onderscheid te maken tussen kunstbeleid en kunstenaarsbeleid en om tot goede afstemming tussen ministeries te komen. Ze ervoeren de BKR als een obstakel.

De op ‘kwaliteitsbeginsel’ en marketing gefocuste minister Brinkman hakte samen met collega De Graaf in 1986 de knoop door. De BKR kwam ten einde en er werd geld van Sociale Zaken overgeheveld naar het Ministerie van WVC. Het Fonds Beeldende Kunst, Vormgeving en Bouwkunst kwam tot stand. Politiek coryfee Geert Dales is er nog directeur van geweest. En het kabinet, met een sterke voorkeur voor een generiek sociaal zekerheidstelsel, kon eindelijk afstappen van een specifiek doelgroepbeleid.

WWIK

Toch kregen de kunstenaarsorganisaties ruim tien jaar later een nieuwe regeling voor elkaar: achtereenvolgens de Wet Inkomensvoorziening Kunstenaars (WIK 1999) en de Wet Werk en Inkomen Kunstenaars (WWIK 2005). De regeling was om meer dan één reden interessant. Hij was niet louter op beeldende kunstenaars, maar multidisciplinair ingesteld. Er was een goed hanteerbare set criteria voor toelating.

De regeling stimuleerde de werkzaamheid van kunstenaars zonder directe contraprestatie (geen kunstberg). De uitkering was tijdelijk, lag onder bijstandsniveau, maar maakte bijverdienen boven de bijstandsnorm tot een zeker maximum mogelijk. Deze specifieke beroepsgroepsregeling had het in zich om een pilot te zijn voor een bredere regeling voor zelfstandigen, zeker zolang het een ver verwijderd perspectief is. Maar het kabinet Rutte I heeft ook door de WWIK een streep gehaald. Geen kunstenaarsregeling meer, maar evenmin een slim ontwerp voor tijdelijke ondersteuning van zelfstandigen. En alweer afkeer van maatwerk.

Meer waardering

De maatschappelijke en politieke heroriëntatie van dit moment, het nadenken over een andere economische benadering, over betere sociale regelingen, over een optredende in plaats van een terugtredende overheid, maar ook méér aandacht voor immateriële waarden bieden nu alsnog kans om de ervaringen met de BKR (en de WWIK) om te zetten naar én meer waardering en een positieve sociale economische grondslag voor creatieve zelfstandigen.

Foto bovenaan:
Door Bert Verhoeff / Anefo - http://proxy.handle.net/10648/abcfb49a-d0b4-102d-bcf8-003048976d84, CC0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=67209642
Goed om te weten Goed om te weten
Fransje Kuyvenhoven: Een Monument voor de BKR, De Geschiedenis van een Spraakmakende Kunstenaarsregeling (1949-1987) Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed , Waanders Uitgevers, Zwolle, 2020
Cultuurpers is er voor de leden. Als lid maak je ons mogelijk.

Klik HIER en word lid!

Laat een reactie achter

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Scroll naar top