Hoe twee orkesten een internationaal verdienmodel verkochten als regionaal

Recap: Er zijn teveel orkesten in Nederland, vindt de regering, en dus moeten er een paar weg. Of samengaan. Nu schijnt dat gedwongen fuseren niet erg van harte te gaan. Maar je kunt er wel geld mee verdienen. In Gelderland en Overijssel leidt dat tot bizarre taferelen. Het zou komisch geweest zijn als het niet zoveel geld had gekost.

Om vijf ton extra binnen te kunnen halen, trekken het Nederlands Symfonie Orkest en het Gelders Orkest één lijn. En met succes: de provinciale overheden van Overijssel en Gelderland vangen de subsidiekorting van het rijk op. Nu blijkt echter dat de plannen waarmee die redding is binnengeharkt, dubieus zijn. De politiek heeft daar nauwelijks naar gekeken. Vragen over het businessplan kwamen in Overijssel vooral van de PVV, maar in Gelderland stemde die zelfde partij na een – opmerkelijk vernietigende – contra-expertise juist enthousiast in met de miljoeneninjectie.

Tot zover dus de politiek.

Kijken we eens wat beter naar die vernietigende contra-expertise van prof. dr. E. van de Bunt. Hij was vooral geschokt door de verdienmodellen die beide orkesten presenteerden. De professor vroeg alleen niet waar de cijfers vandaan kwamen. Tijd om dieper te graven. Zo stuitten we al na een paar minuten op rapporten die overduidelijk de input geleverd hebben.

Nou ja, zeer selectief dan.

Laten we het eens over de inkomsten hebben. Van het kabinet-Rutte moeten gesubsidieerde instellingen minstens 17,5% van hun geld zelf verdienen. Wij toonden al eerder aan dat dat geen enkel probleem is voor de meeste clubs. Maar wat schrijven de twee orkesten in Oost-Nederland?

“In 2016 zijn we nog maar voor 50% afhankelijk van subsidies, de andere helft halen we zelf binnen.”

Dat is niet ambitieus meer, maar ronduit idioot.

Hoe komen ze erbij, vraagt een mens zich dan af. Dat blijkt heel simpel. Dat ontleen je aan Er zit muziek in de Nederlandse symfonieorkesten, een rapport van registeraccountants Dubois & Co. Het dateert nog van juni 2010, en is gebaseerd op gesprekken met, uiteraard, ook het toenmalige Orkest van het Oosten (nu Nederlands Symfonie Orkest (NSO)) en het Gelders Orkest (HGO).

Nu snappen we waarom NSO-directeur Harm Mannak aan iedereen vertelt dat zijn plannen niet zijn ingegeven door de bezuinigingen van Zijlstra, maar dat hij al veel eerder in die richting dacht. Dat klopt. Eén mysterie opgelost. Dubois & Co waren dan ook duidelijk genoeg:

“In de veranderende context is het essentieel dat orkesten heldere keuzes maken over hun ambitie en de componenten van hun businessmodel.

Het is dan wel handig, zo vertelt de accountant erbij, dat je niet allemaal hetzelfde doet. Daartoe splitst hij het veld uit in drie ‘profielen’, met elk een eigen ‘verdien’model. Ze maken zo een onderscheid:

  • orkesten met de ambitie om in de eigen regio een prominente rol te vervullen met symfonische muziek en maatschappelijke programma’s. De verwachte eigen inkomsten zullen op zijn hoogst 25% van het totaal zijn;
  • orkesten die andere cultuurinstellingen met symfonische muziek als partner ondersteunen. Die verdienen nog minder zelf, omdat bij de ondersteuning van een gesubsidieerde partner de beurzen gesloten blijven;
  • orkesten die internationaal doorbreken en de belangrijkste podia in de wereld bespelen verdienen het meest. Hun eigen inkomsten kunnen, als het heel erg meezit, oplopen tot 55% van het totaal.

En hier is dus het probleem: als regionale orkesten gaan de clubs in Gelderland en Overijssel dus samen apart voor dezelfde hoofdprijs, die je ook nog eens alleen kunt winnen als je voor een internationale uitstraling kiest. Dan kun je 55% eigen inkomen halen, en dat hebben beide directies voor het gemak naar 50% afgerond. En wie mocht twijfelen aan de haalbaarheid: internationaal is geen probleem, want ze zitten dus allebei vlak bij Duitsland. Waar ze kennelijk geen eigen orkesten en/of muziektraditie hebben. Dat bovendien een internationale ambitie al je regionale ambities ondermijnt laten ze ook even buiten de aanvragen. Om niet helemaal raar over te komen vertellen ze dus ook nog iets over het ‘partnermodel’. De orkesten moeten het niet alleen van elkaar hebben, ze hebben ook nog een plicht om opera, toneel en ballet te begeleiden. Al wordt die eis in het geval van het NSO vertaald in een poging tot vijandige overname van de Nationale Reisopera.

Zo hebben we een beeld van twee concurrerende orkesten die zeggen samen te werken, maar elkaar feitelijk de tent uit vechten op basis van een onhaalbaar verdienmodel. En passant wordt ook nog een al jaren bestaand operagezelschap buitengesloten en zelfs in de verdachtenbank gezet. Het verwijt van NSO richting Reisopera niet te willen praten over vergoeding voor operabegeleiding blijkt onzin. Orkesten krijgen geld om dat te doen van het rijk.  Berenschot zegt in een rapport in opdracht van het minsiterie daarover juist:

Het ‘om-niet’-principe scheelt een hoop onderlinge geldstromen en mogelijke twisten over de hoogte van vergoedingen.

Enfin.

Waar is het allemaal om begonnen? De zo gewenste half miljoen extra rijkssubsidie kunnen ze alleen krijgen als ze nauw gaan samenwerken. Dat is alleen wat anders dan precies hetzelfde doen. Daarover is iedereen het eens. Ook Van de Bunt is juist hierover zeer kritisch:

O, ja: Je hoeft geen lid te zijn om dit te kunnen lezen. We hebben wel leden nodig om dit te kunnen schrijven. Word daarom nu lid.

“Wat betreft valkuilen en kansen met betrekking tot regionale samenwerking: er kan worden geconstateerd dat het HGO Businessplan iets te gemakkelijk spreekt over samenwerking met diverse partijen. Samenwerking gaat niet zomaar, vooral niet als er al een langere historie van minder soepele samenwerking met de betreffende partner bestaat.

Dat de samenwerking in de regio niet al te soepel verloopt, is geen geheim. Fuseren willen beide orkesten onder geen beding, en de samenwerking met de grootste partner, de reisopera, is ronduit explosief.

Dat beide orkesten ondanks rammelende plannen en verdienmodellen uit de sprookjes van Grimm miljoenen binnen wisten te halen is dan ook verwonderlijk. De concurrentie zal bij deze krimpende markt leiden tot een gedwongen fusie of de opheffing van één of meer van de strijdende partijen. Maar gelukkig wel met minimale ‘frictiekosten’, zo zal blijken.

Geen wonder dat Zijlstra beide orkesten als te volgen voorbeeld noemt.

Om de staatssecretaris ter wille te zijn heeft men er namelijk voor gezorgd dat de rampzalige gevolgen van deze clash of the titans niet voor rekening van het Rijk zijn. Daar gaan de lagere overheden voor betalen, maar vooral – en dat is schrijnend – het personeel en de muzikanten.

Hoe dit allemaal kan? Daarover meer, veel meer, in deel drie.

Foto bovenaan: