Vanwege mijn fascinatie voor de complexe relatie tussen luisteren en kijken, besloot ik drie voorstellingen tijdens het recente Holland Festival te bezoeken en te ervaren wat er gebeurde als ik probeerde oren en ogen in gelijke mate de kost te geven. De eerste was “Delusion of the Fury” (1966) van de Amerikaanse componist Harry Partch, de tweede een concertante uitvoering van Philip Glass’ opera “The CIVIL warS” (1983), de derde een uitvoering van Franz Schuberts “Die Winterreise” (1827) waarbij vierentwintig korte films van de Zuid-Afrikaanse kunstenaar William Kentridge werden vertoond.

‘Muziek is gemaakt voor blinden.’ Die opmerkelijke uitspraak komt van de blinde schrijver en verzetsman Jacques Lusseyran en wordt door Oliver Sachs geciteerd in “Musicofillia.” Sachs gaat daarin onder meer nader in op de opmerkelijke groei van auditieve vermogens bij mensen die niet of slechts beperkt kunnen zien. Hoewel het laatste woord daarover nog niet is gezegd, lijkt het er sterk op dat bij de ontwikkeling van de menselijke hersens iets gebeurt dat wezenlijk en misschien wel ongewenst is. Op het moment dat met name de functies in de linker hersenhelft tot wasdom komen, lijken deze namelijk andere te overschaduwen. Wanneer functies als spraak of zien om wat voor reden ook beschadigd raken of beperkt blijven, gebeurt dit niet of minder. Daarom tonen juist deze mensen soms opmerkelijke muzikale talenten. Dat is de wetenschappelijke kant en zo bezien, zou je waarschijnlijk het beste muziek kunnen luisteren met je ogen dicht. De andere zintuigen zitten de ervaring van muziek in de weg.

De andere kant is dat kijken vaak helpt om muziek te begrijpen. Bij genres die voorspelbaarheid trachten uit te bannen en de luisteraar maar beperkt de genieting van de herkenning toestaan, zoals vooruitstrevende jazz en Nieuwe Muziek, is zien hoe de muziek tot stand wordt gebracht vrijwel essentieel om haar te kunnen doorgronden. Heb je dat eenmaal gezien, kun je de muziek ook wel op cd beluisteren en waarderen, maar dergelijke muziek direct via de luidspreker tot je nemen blijkt doorgaans ondoenlijk.

‘Het grote publiek hoort wat het ziet.’ Dat zei een jazzmusicus ooit, een steekhoudend argument, hoewel de uitspraak was bedoeld als kritiek op een collega die middels zijn mimiek de luisteraar als het ware voordeed welke emotie de muziek diende op te roepen. Het is een bekend verschijnsel, met een beetje acteerwerk kan een musicus gevoelens of sferen suggereren die de muziek van een extra laag voorzien die maar beperkt in die muziek zelf voorhanden is. Denk aan rockgitaristen die doen alsof het opduwen van een snaar een onmenselijke inspanning vergt. Of aan de zanger die zijn ogen sluit en zo de suggestie van intimiteit wekt. Het is duidelijk dat kijken en luisteren hier in zekere zin met elkaar in conflict raken. Anders gezegd; hier ondersteunt het zien het horen niet, maar legt het beluisterde een andere betekenis op.

Ik heb dat een keer heel sterk ervaren bij een concert van The Leaders in het Bimhuis. Saxofonist Bobby Watson speelde daar op zeker moment een geweldig indringende solo. Had ik die op cd gehoord dan zou ik er van overtuigd zijn geweest dat iemand hier zijn ziel blootlegde, maar ik zag iemand die tot vlak voor die solo flauwe grappen maakte met zijn bandleden en die het moppen tappen meteen na die intense solo weer hervatte. Dat betekent niet dat Watsons solo niet intens of indringend was, het betekent dat een musicus misschien vrijwel onmiddellijk toegang heeft tot emoties waarvan alleen al de beeldspraak van opgraven en uitdiepen wil doen laten geloven dat ze niet direct binnen handbereik liggen en alleen met moeite naar buiten kunnen worden gebracht. Wat er in muzikaal opzicht werkelijk gebeurt, blijft voor elke leek verborgen, daarom gebruikt hij ook andere zintuigen dan zijn oren.

Waanvoorstelling

Harry Partch (1901-1974) is een aperte buitenstaander in de muziek. Iemand die van jongsaf heeft geweigerd zich neer te leggen bij bestaande systemen en daarom onder meer eigen instrumenten en toonladders ontwierp. Het lijkt mij niet gewaagd te veronderstellen dat de programmeurs van het Holland Festival in Partch een evenknie zagen van het eveneens geprogrammeerde toneelstuk “The Fountainhead” van Ayn Rand. Dat stuk draait om de vraag hoe een kunstenaar oorspronkelijk kan blijven en vermijden concessies te doen. Partch is daarvan een schoolvoorbeeld.

Partch was onaangepast, een dilettant, een non-conformist, iemand ook die in grote woede kon ontsteken. Zijn wonderlijke werk “Delusion of the Fury” kan met wat goede wil gelezen worden als een psychologisch zelfportret; het gaat over zwerven, over zondebokken en buitenbeentjes, en over de geest vertroebelende werking van woede. Nu is ‘gaat over’ veel te sterk uitgedrukt, want “Delusion of the Fury” is vooral een verzameling scènes waarbij de kijker/luisteraar het zoeken naar een strikte samenhang spoedig moet opgeven. De grootste charme van Partch’ werk is diens bizarre, zelfontworpen instrumentarium en hun navenante uiterlijk en klank. De eerste sensatie is het zien van die exotische instrumenten, waarbij direct de herinnering bovenkomt aan de vroegste concertbezoeken. De intrigerende aanblik die de opstelling van orkest geeft, verdwijnt wanneer je geregeld naar optredens gaat, bij Partch kwam die primaire verwondering weer helemaal terug.

Ter voorbereiding had ik een opname van het stuk beluisterd en ook een opvoering op DVD bekeken. Misschien had ik dat niet moeten doen. Die eerdere kennismakingen met “Delusion of the Fury” maakten duidelijk dat Partch een zeer onorthodox componist was die consequent gekant bleek tegen systematiek en dat, naar het mij toescheen, ook in zijn eigen muziek. Partch kwam in belangrijke mate over als ongeorganiseerd. Dat kan beslist betoverend werken in een korte compositie of improvisatie, maar gedurende de pakweg anderhalf uur die “Delusion of the Fury” duurt, levert dat de nodige zwakke plekken op waarin het stuk voor oor noch oog weinig te bieden heeft. Bij beluistering thuis was me al opgevallen dat ik herhaaldelijk de concentratie en interesse verloor. Ik had gehoopt dat het zien spelen van deze muziek me over die dode punten heen zou helpen, maar ik moest vaststellen dat dit niet het geval was. “Delusion of the Fury” bleef een curiositeit met opwindende momenten, maar ook momenten dat mijn gedachten afdwaalden.

Later gebeurde thuis wat ik niet had verwacht, toen ik de opname nog eens beluisterde, kwamen er nauwelijks beelden van de voorstelling boven. Wel snapte ik de compositie beter, ik was minder vaak afgeleid of verveeld. De onevenwichtigheid van het stuk bleef een punt, maar was nu minder storend. Komt dat omdat ik het stuk heb gezien? Het is niet te bewijzen, maar ik denk van wel.

Afwezig beeld

Voor je verder leest...

Inmiddels zijn al bijna 300 mensen met een hart voor kunst lid. We groeien snel! Alleen dankzij onze leden kunnen we dit soort verhalen blijven vertellen.

Word ook lid, door HIER te klikken!

Philip Glass (1937) is een van de populairste en (daardoor) meest omstreden componisten. Samen met Steve Reich zorgde hij in de jaren zestig voor een grote ommekeer in de klassieke muziek. Hun ‘minimal music’ heeft een behoorlijk vastgelopen stiel flink opgeschud en losgeweekt, dat hun vinding tot onderlinge ruzies leidde en uiteindelijk veel weg kreeg van een instituut , doet aan die prestatie weinig af.

De vroegste minimal composities, waarbij Glass en Reich meestal nog samen speelden, werden dikwijls opgevoerd in musea. De visuele component heeft vaak een essentiële rol in Glass’ muziek vervuld. Denk aan een wereldberoemde film als “Koyaanisqatsi” of aan zijn herhaaldelijke samenwerkingen met theaterregisseur Robert Wilson. “The CIVIL warS” is ook door Glass en Wilson gemaakt, maar tijdens het Holland Festival werd het werk in een concertante uitvoering gepresenteerd. Geen effecten dus, of ze moesten muzikaal zijn.

Glass en Reich, ze zullen er niet blij mee zijn, maar ze blijven dankbaar vergelijkingsmateriaal. Toen Reich een paar jaar terug artist-in-residence was op het Haagse conservatorium heb ik veel van zijn muziek opgevoerd zien worden. Daarvan is me altijd bijgebleven hoe lichamelijk die muziek was. De ritmiek van die zich almaar met subtiele variaties herhalende muzikale patronen zag je onmiskenbaar terug in de muzikanten. Hun lijven moesten die pulse aannemen om de werken goed uit te kunnen voeren. Bij Glass zag ik het tegenovergestelde gebeuren. Het ritmische aspect van “The CIVIL warS” is tamelijk statisch en daardoor zwak. Dat lieten met name de bassisten duidelijk zien. Meer dan een basis was het niet. “The CIVIL warS” moet het vrij letterlijk hebben van klaroengeschal en van de dramatische kracht van de solo- en koorzang. Het is illustrerende muziek, muziek die beelden veeleer ondersteund dan oproept, maar die beelden waren er nu niet.

Toch was het weer het kijken dat naar me mijn idee tot een beter begrip van de muziek bracht. De makke van de ritmiek, de overdaad aan dramatisch vertoon, ik had het in beperkte mate al wel gehoord. Nu zag ik het ook. Maar eerlijk is eerlijk, toen ik thuis weer eens een opname beluisterde, beviel het stuk me toch beter dan tijdens het concert.

Eigen wereld

Het Gesamtkunstwerk blijft in belangrijke mate even ongrijpbaar als een droom. Sinds Richard Wagner het tot zijn ideaalbeeld verklaarde, zijn er voldoende technologische ontwikkelingen geweest die het gedroomde dichterbij zouden moeten kunnen brengen, maar hoe vaak wordt het met succes gerealiseerd? Het Joods Historisch Museum toonde een paar jaar terug een geweldig staaltje van de Zuid-Afrikaanse beeldend kunstenaar William Kentridge. Diens mechanische theater “Black Box” bleek een zeldzaam indringend werk waarin beeld en muziek in perfecte balans met elkaar waren, elkaar onderbouwden en nooit elkaars voetlicht stalen.

O, ja: Je hoeft geen lid te zijn om dit te kunnen lezen. We hebben wel leden nodig om dit te kunnen schrijven. Word daarom nu lid.

De verwachtingen voor Kentridges bijdrage aan Schuberts beroemde liederencyclus ‘Die Winterreise” was er daarom een om naar uit te kijken. Hier begon net als bij Partch de concertbeleving al bij het betreden van de zaal en niet pas bij de opkomst van de musici. Kijken naar het podium waar de zwarte vleugel op een goedkoop lijkend multiplex? platform is gezet, naar de twee wanden waaraan vellen papier hangen, die nu en dan wapperen als een tochtstroom over het podium trekt. Dan het dimmen van het licht en de verschijning van pianist en zanger. Zij staan voor de kijker helemaal links. Als de films van Kentridge beginnen, blijken die vooral op de rechterwand te worden geprojecteerd. Naast elkaar of zelfs tegenover elkaar dus. Het is moeilijk om hierin geen vingerwijzing te zien.

Soms schuiven de beelden over de beide muzikanten, soms draait de zanger zich met de rug naar het publiek en kijkt met hen naar de geprojecteerde beelden. Mooie, nu en dan beslist aangrijpende beelden. Kentridge is dicht bij zichzelf gebleven, als je je niet laat meevoeren door de beelden vraag je je soms af wat nu precies hun relatie met de door Schubert verklankte gedichten van Wilhelm Mueller is, maar Kentridges films zijn zeker indrukwekkend. Dat is wel degelijk een probleem. Ik merk een zekere verscheurdheid, merk dat ik het moeilijk vind om van beide tegelijk te genieten. In voor mij de mooiste liederen als “Das Wirthaus” en “Der Leiermann” wint de muziek, soms vergeet ik die muziek en kijk ik ademloos naar de vertoonde film. Ondertussen komt herhaaldelijk de gedachte bij me op dat dit toch niet de bedoeling kan zijn, dit voortdurend gedwongen worden te kiezen tussen een van beide, waarom werken ze zo matig samen?

Elke ochtend ons nieuws in je mailbox?

Wanneer je lid wordt kun je elke dag een update in de mail krijgen, met onze laatste berichten.

Word ook lid, door HIER te klikken!


Al lid? Login

Ik vermoed omdat Kentridge niet illustreert. Hij heeft zijn werk naast dat van Schubert en de prestatie van de uitvoerenden gezet, zichzelf vanwege de statuur van de componist misschien wel opgepompt tot geduchte proporties. Hoe dan ook, zijn werk is te groot, ontbeert deemoed. Het is geweldig werk, maar kent zijn plaats niet, neemt teveel plaats in. Het overschaduwt voor zover dat kan, steelt waar mogelijk het voetlicht en vertelt een eigen verhaal, zet een verhaal naast dat van Mueller, met slechts twee musici wordt het toch druk op het toneel. Er gebeurt teveel.

Op weg naar huis blijkt dat toch vooral de muziek is gebleven. Er komen maar weinig beelden voor mijn geest. Ook als ik later nog eens naar opnamen van “Die Winterreise” luister, komen de films van Kentridge niet voor mijn ogen. Misschien zegt dat iets over de werking van mijn brein, wil ik wel horen en kijken, maar ben ik teveel auditief ingesteld, om beide zintuigen optimaal te gebruiken. Misschien toont het meesterschap van Kentridges opmerkelijke films juist vooral mijn beperking.