Meteen naar de inhoud

6 voorstellen voor culturele innovatie

Bepaal zelf de waarde!

We bieden je dit verhaal gratis aan. Om dat te kunnen doen hebben we jouw steun nodig.
Lees het verhaal, bepaal zelf onderaan wat dit verhaal je waard is. En doneer. Zo blijft deze site bestaan.


Dit is een voorpublicatie uit het boek De Kunst van Anders, dat vanaf 17 januari 2023 verkrijgbaar is via de site van de auteur

Aankondiging seminar en netwerkborrel 17 januari

De kunstsector is kwetsbaar, dat is tijdens de pandemie-jaren onmiskenbaar gebleken. Ook is duidelijk dat het niet alleen gaat om tijdelijke tegenslag, maar om problemen van structurele aard. Die speelden al vóor Corona maar werden vooruit geschoven of niet structureel aangepakt. Al in 2018 constateerde het Sociaal en Cultureel Planbureau dat de cultuursector ‘ogenschijnlijk gezond’ is. iHet culturele ecosysteem functioneert niet meer voldoende. De basis ervan is aangetast sinds de strenge bezuinigingen vanaf 2011. Steeds luider klinkt ook in de kunstsector zelf de roep om structurele verandering in plaats van restauratie van het oude bestel.

Dit is het moment om de systemische knelpunten onder de loep te nemen. De grootste en meest urgente problemen zijn de volgende.

De basis van het cultuurstelsel wordt bedreigd: er is gesneden in brede cultuureducatie, essentieel om nieuwe publieksgroepen te bereiken.

En kunstenaars en makers, leveranciers van de inhoud van musea en podia, worden vaak het minst betaald en leiden een onzeker bestaan. Productiviteit, kwantiteit en groei waren tot Corona leidend. Gevolg was vèrgaande ‘flexibilisering’ van arbeid, waardoor tweederde van de cultuurwerkers freelancer is. Dat maakt het stelsel kwetsbaar en heeft vaak onderbetaling tot gevolg.

Als hoofdfinancier kan de overheid steeds meer eisen opleggen aan subsidiënten, met als gevolg bureaucratisering waarbij controle en verantwoording afleggen steeds meer overheersen. Geld staat centraal in het beleid in plaats van de inhoud, de kunst zelf.
Instellingen staan centraal in het cultuurbeleid, met over-institutionalisering en overaanbod tot gevolg. De wijze waarop de overheid subsidies verstrekt, jaagt onderlinge concurrentie tussen kunstorganisaties aan. Het gevolg is scheefgroei tussen grote en kleine organisaties, tussen Randstad en regio’s.

En vernieuwing – zo essentieel voor de kunst- speelt zich steeds meer af buiten de reguliere kunstinstellingen, in broedplaatsen, kunstenaarscollectieven en online. Het cultuurbeleid blijft echter de klassieke kunstinstellingen centraal stellen.

De markt als model

De geschetste problemen overziend, rijst de vraag: hoe is het zo ver gekomen? Dat is een proces van decennia geweest dat de laatste tien jaar in een stroomversnelling is gekomen. Sinds begin jaren ’90 is door een reeks opeenvolgende kabinetten een cultuurbeleid gevoerd dat primair is gericht op cultureel ondernemen, met als doel de sector minder afhankelijk te maken van subsidies en meer ‘op eigen benen te zetten’.

Opzet was om hand in hand met bezuinigingsmaatregelen een ander financieringsmodel voor kunst en cultuur in te voeren, een model waarbij het bedrijf de kunstsector ten voorbeeld wordt gesteld als efficiënte organisatievorm.

Ondernemend werden ze zeker, de musea en podia, de orkesten en gezelschappen, na de forse rijksbezuinigingen die vaak ook door gemeenten werd nagevolgd. De eigen inkomsten stegen sinds 2005 gemiddeld van een derde naar ruim de helft van het totale budget. Dat de kwantitatieve normen werden gehaald, heeft een prijs: hogere productiviteit betekent hogere kosten. En die kosten zijn afgewenteld op onderbetaald personeel met weinig tot geen werkzekerheid. Jan Zoet, voormalig voorzitter van lobbyorganisatie Kunsten ’92 zegt daarover: ‘Zoveel flexwerk, met alle onzekerheid en verlies van deskundigheid, moet je eigenlijk niet meer willen.’

Bureaucratie en controle

De meeste reguliere kunstinstellingen worden voor tenminste de helft gesubsidieerd met publieke middelen. Overheden doen dat met publiek geld en stellen daarom eisen aan die steun aan de hand van selectiecriteria. Dat is te begrijpelijk en logisch, maar problemen ontstaan als verantwoording afleggen en bureaucratische controle de overhand krijgen. Dat proces speelt zich ook af binnen de sector zelf.

Zakelijk leiders en managers zijn aangetrokken om de enorme administratiedruk aan te kunnen. Hetzelfde probleem speelt in andere non profitsectoren met overwegend overheidsgeld: de Zorg en het Onderwijs.

De afgelopen jaren is er vooral voor kunstenaars een richtlijn voor zogenoemde fair pay geformuleerd, maar die is alleen gekoppeld aan subsidies en wordt nauwelijks gecontroleerd. Co-voorzitter Bartelse van Kunsten 92 verzucht: ‘We praten inmiddels al jaren over fair practice en fair pay. Het mag sneller. Elke kunstdiscipline zou richtlijnen moeten hebben voor honoraria van flexwerkers. En een financieel vangnet voor calamiteiten, zoals nu.’

Bovendien is fair pay niet meer dan een – gedeeltelijke- correctie op een scheef gegroeid systeem, maar geen fundamentele omvorming van het beloningssysteem: een maker verdient ook dan nog steeds vele malen minder dan een manager of directeur. Want terwijl kunstenaars op – of onder- het bestaansminimum balanceren, kent ook de cultuursector een bovenlaag van veelverdieners. Deze salarisschalen zijn een neveneffect van het ‘cultureel ondernemen’: sommige directeuren noemen zich nu ceo en hun honorering wordt vastgesteld door een oververtegenwoordigde groep in raden van toezicht van kunstorganisaties: mannen uit het bedrijfsleven en de financiële en juridische sector die zelf grootverdieners zijn. Voormalig directeur Zwart van Concordia in Enschede noemde in Cultuurpers de topsalarissen in de sector ‘schandalig en wrang tegenover al die zzp-ers en makers. Dan wordt gezegd: dit zijn ‘marktconforme beloningen’. Als je dat wilt, ga dan in het bedrijfsleven werken. Juist directies van kunstorganisaties moeten primair inhoudelijk gedreven zijn.’

In de klassieke muziek verdienen dirigenten en ‘top’solisten topsalarissen, aanzienlijk boven de Balkenende-norm (216.000 euro bruto in 2022) die veelal wordt betaald van subsidiegeld. Nieuwssite Cultuurpers bracht de salarissen van kunstmanagers in 2020 in kaart die (ver) boven de norm liggen en vroeg zich tijdens de pandemie af:

’Doen directies zelf de geste om, uit solidariteit met alle werkloze of werkloos wordende medewerkers en kunstenaars, aan salarisverlaging te gaan doen? Opvallend genoeg is het eigen initiatief nog niet aanwezig in de cultuursector. We eisen het wel van anderen, van ceo’s van bedrijven, maar niet van ‘onszelf’.’ ii

De vraag is: waarom vindt de cultuursector het acceptabel om gekwalificeerde mensen die onmisbaar zijn, onder te betalen? Daarmee wordt het vooroordeel bevestigd in sommige delen van de samenleving dat kunst meer een liefhebberij is dan een beroep waarvoor een professionele opleiding en vaardigheden nodig zijn.

Tijdens de pandemie is deze ongelijkheid verder toegenomen. De Kunstenbond berekende dat 88% van de corona-steun naar de culturele instellingen is gegaan, en slechts 12% naar de makers en freelancers, die het leeuwendeel van het werk verzetten in de sector. De vakbond toonde aan dat zzp-ers tot de zomer van 2022 circa 1,6 miljard euro aan schade hadden geleden en kondigde in het najaar van dat jaar aan, naar de rechter te stappen om compensatie voor hen te eisen omdat de Staat aansprakelijkheid afwees.iii Opmerkelijk is dat deze kleine zelfstandigen door de fiscus beschouwd worden als ondernemers, maar geen aanspraak mochten maken op ondernemerssteun.

Kunst in de politieke arena

Tegelijkertijd dringen politiek-maatschappelijke issues door in de kunstwereld en maken zichtbaar dat deze kwesties ook binnen de sector spelen. Zo is ruim de helft van alle cultuurwerkers vrouw, maar desondanks zijn vrouwen nog steeds ondervertegenwoordigd in leidinggevende functies. Het werk van vrouwelijke kunstenaars is veel minder zichtbaar en zij hebben minder toegang tot financieringsbronnen, al zijn zij bezig met een inhaalslag. En grensoverschrijdend gedrag blijkt opvallende vaak aan de orde in juist de cu;turele sector.

Die ziet zichzelf als een vrijplaats waar losse omgangsvormen de regel zijn. Dat leidt tot een klimaat waar misbruik en ongewenst gedrag lang zijn weggewuifd. Pas recent is dat onder invloed van de #MeToo-beweging aan het kantelen. Ook in Nederland heeft de in de Amerikaanse filmwereld begonnen beweging geleid tot vele meldingen van slachtoffers; onder meer binnen het Concertgebouworkest, de Rijksakademie en theatergroep Oostpool.

De dikwijls hiërarchische organisatiestructuur die ook in kunstorganisaties steeds meer overheerst, draagt daaraan bij. Het is teleurstellend dat ook de kunsten niet altijd in staat zijn met name vrouwelijke en jonge medewerkers voldoende veiligheid te bieden. Met name stagiaires en starters op de arbeidsmarkt zijn kwetsbaar door hun afhankelijkheid van de goodwill van een directeur, regisseur, dirigent of tv-producent. En de vele freelancers hebben geen officiële positie en kunnen gemanipuleerd worden om opdrachten te krijgen of te behouden.

Mede dankzij de Black Lives Matter-beweging is er meer aandacht voor institutioneel racisme, waaraan ook de overheid zelf zich schuldig maakt in onder meer de zogenoemde Toeslagenaffaire. In de kunstwereld wekt deze emancipatiebeweging solidariteit, maar toont tegelijk een probleem aan binnen kunstorganisaties zelf: medewerkers zijn, net als bezoekers, overwegend hoger opgeleid en wit. Verbreding en nieuwe aanwas bij beide groepen is noodzaak om de kunstwereld vitaal en actueel te houden. De Code Diversiteit & Inclusie die de overheid als voorwaarde stelt voor subsidies, brengt daarin nu enige verandering. Dat is hard nodig: de demografische verschuiving in bevolkingssamenstelling is in de Randstad al een feit. Meer dan de helft van de kinderen daar heeft tenminste één ouder met een migratieachtergrond. Het cultuurbeleid loopt dus ver achter op de maatschappelijke realiteit. Reguliere kunstinstellingen – theaters, musea, concertzalen- hebben moeite deze groepen binnen te krijgen. Meer diverse programmering helpt wel, maar trekt nog geen volle zalen en kost extra budget.

Daarnaast heeft de cultuursector een gigantische ecologische voetafdruk door het vele reizen. Een aaneenschakeling van openingen, festivals, beurzen en premières en de eindeloze stroom korte projecten maken de kunstsector tot één van de meest vervuilende. Directeur Wolfs van het Stedelijk Museum geeft aan ‘beperkter te willen reizen: een conservator hoeft niet mee met een bruikleen naar het buitenland en kan online meekijken en overleggen hoe het wordt opgesteld’. Hetzelfde geldt voor restauraties. ‘Het non-stop rondreizende circus- ik hoop dat dat verandert.’ In het Verenigd Koninkrijk heeft de plicht om te verduurzamen en financiële steun daarvoor al tot aanzienlijke resultaten geleid bij culturele organisaties.iv

De discussie over de herkomst van kunstvoorwerpen begon met de -vaak late- teruggave van joods kunstbezit en heeft zich de afgelopen jaren uitgebreid tot kunst afkomstig uit landen die voorheen westerse koloniën waren. Er wordt dan gesproken van koloniale kunst. Is er sprake geweest van het toeëigenen van erfgoed tijdens koloniale oorlogen, dan is het roofkunst. In Nederland heeft de Raad voor Cultuur in 2020 geadviseerd om onderzoek te doen naar koloniale herkomst en een actief teruggave-beleid te voeren- ook als landen daar niet zelf om vragen. Ethiek – en niet het recht- is leidend en mede hierdoor is dit debat sterk gepolariseerd. Het Van Abbemuseum heeft zich bij het internationale initiatief ‘Decolonizing the museum’ aangesloten. De directeur licht toe: ‘Het museum is in de jaren dertig grotendeels betaald met winsten uit de koloniën: Van Abbe was een sigarenfabrikant die fortuin maakte met zeer uitbuitend werk gedaan door zogenoemde ‘contract arbeiders’ op Sumatra.’ Tegenstanders spreken van cancel culture en verwijten de voorstanders censuur. De herkomst van huidige donaties en sponsorgelden staat eveneens in toenemende mate ter discussie- dat komt in deel II van dit boek uitgebreid aan bod.

Systemische verandering

Het cultureel ondernemerschap is te ver doorgevoerd en doel geworden in plaats van middel. Het is zo zwaar worden opgetuigd met regelgeving en subsidie-eisen, dat controle en bureaucratie overheersen. Dan verstart zo’n systeem en krijgt vernieuwing weinig kans. Mensen gaan zich dan steeds meer aanpassen aan het rigide en onoverzichtelijke systeem- ze hebben het gevoel dat het onveranderbaar is. Gevolg is dat niemand zich meer verantwoordelijk voelt voor de negatieve gevolgen ervan, maar die wijt aan ‘het stelsel’ of ‘het beleid’.

De sector zal allereerst zelf verantwoordelijkheid moeten nemen voor een eerlijker en gezonder systeem en het goede voorbeeld geven. Bij problemen is de hardnekkige reflex: dat moet de overheid regelen, daar moet eerst meer subsidie voor komen. Maar meer geld blijven pompen in een vastgelopen stelsel heeft geen zin.

Transities laten zo lang op zich wachten, omdat te lang wordt doorgegaan op de oude koers. De problemen worden wel erkend, maar alle inzet gaat dan naar pogingen het systeem te repareren in plaats van het te veranderen.

De kernvraag is nu: gaat de cultuursector zijn systemische problemen oplossen, of vluchten we terug in een vastlopend stelsel ?

Juist de kunstwereld met al zijn creatieve vermogen zou in staat moeten zijn om op inventieve wijze noodzakelijke veranderingen door te voeren.

In het laatste deel van dit boek worden daarvoor een aantal voorstellen gedaan, in de hoop daarmee een discussie op gang te brengen over een noodzakelijke transitie.

Goed om te weten Goed om te weten
Honorering van kunstenaars en freelance cultuurwerkers

Terwijl in de periode 2010 tot en met 2016 het aantal banen in de gehele Nederlandse economie groeide met 2,1%, daalde het arbeidsvolume in de culturele en creatieve sector met 11,5%. Het aantal culturele zzp’ers in de sector is toegenomen van 92.820 in 2010 naar 141.150 in 2018: 50% méer in acht jaar tijd. De meesten hebben een ‘hybride beroepspraktijk’, dat wil zeggen dat ze meerdere tijdelijke of freelance werkgevers hebben. Dat geldt ook voor uitvoerenden als acteurs, en cultuurwerkers als kunstcritici, auteurs en onderzoekers.v Oorzaak is mede, dat deze ‘zelfstandigen zonder personeel of zzp-ers eigenlijk 40% méer betaald moeten krijgen dan collega’s in vaste dienst, omdat zij hun sociale zekerheid volledig zelf moeten financieren.

De gemiddelde beeldend kunstenaar verdient bruto 13.000 euro per jaar. Dat is een krap bijstandsniveau. ‘Slechts een klein deel van de kunstenaars kan overleven door puur verkoop van werk via de galerie of eigen kanalen,’ aldus co-directeur Eckenhaussen van belangenorganisatie Platform BK. Door de strenge bezuinigingen op cultuur sneuvelde in 2012 ook de Wet Werk en Inkomen Kunstenaars.

Hij bood kunstenaars de mogelijkheid om binnen een periode van tien jaar maximaal vier jaar een aanvulling op hun inkomen te krijgen, als zij met hun artistieke werk niet konden voorzien in een basisinkomen. Al met al leverde de intrekking van de WWIK een schamele 8 miljoen aan besparing op voor de staat. maar die wegvallende aanvulling betekent voor veel kunstenaars het verschil om net wel of niet boven de streep uit te komen.vi Aanvulling met een docentschap aan een kunstacademie levert steeds minder op: ook daar is sprake van nulcontracten en zogenoemde draaideur-constructies, die feitelijk illegaal zijn.

Mede door fusies van orkesten werden musici gedwongen een nulcontract te accepteren, waarbij ze op oproepbasis worden ingeschakeld. Zogenaamde remplacanten verdienen niet zelden maar 100 euro voor een heel concert en krijgen lang niet altijd een vergoeding voor repetities meteen orkest- laat staan voor het thuis instuderen van een muziekstuk.

Een vergelijkbare rigoureuze reorganisatie speelde zich af in de theaterwereld. Alleen het Internationaal Theater Amsterdam en het Nationale Theater/Toneel hebben nog acteurs in vaste dienst; dat zijn in totaal niet meer dan tussen de 30 en 40 mensen in heel Nederland, met honderden collega’s die freelancer zijn en ’s zomers vaak in de bijstand komen omdat er dan nauwelijks wordt gespeeld.

Alle overige gezelschappen, ook in de dans, werken op project- of seizoensbasis met geschoolde en vaak zeer ervaren theatermensen. Dat geldt ook veelal voor technici, regisseurs en choreografen. De meeste onbetaalde functies zitten bij poppodia: daar is slechts 19% van het personeel in loondienst, meer dan de helft is vrijwilliger en moet het doen met een gratis concert. Auteurs en schrijvers krijgen doorgaans 10% van de opbrengst van hun boeken en werken niet zelden langere tijd op eigen kosten aan een publicatie. Voor onafhankelijk, buitenuniversitair onderzoek is geen budget meer bij vermogensfondsen.

Tijdens Corona was Werkgeverssteun (NOW) alleen beschikbaar voor de mensen in vaste dienst. De Tijdelijke Overbruggingsregeling Zelfstandig Ondernemers. 40% van de TOZO-aanvragers in Amsterdam is werkzaam als freelancers in de kunstsector. Maar van bijstandsniveau kun je al nauwelijks je huur betalen in de dure hoofdstad. Bovendien konden zij die samenwoonden niet aanvragen.vii

Hoewel zzp-ers ondernemers zijn, konden zij geen bedrijfssteun aanvragen.

Al in juni 2020 meldde het Platform voor freelance musici dat er een stille ramp gaande was onder zzp-ers: ruim 60 procent van de ondervraagden gaf aan dat opdrachten voor de rest van het seizoen geannuleerd waren, bijna 40 procent had vanwege doorgeschoven programma’s al te maken met afzeggingen voor het jaar daarop. Meer dan een kwart overwoog daarom toen al zich te laten omscholen.viii . Gevolg: ruim tweederde van de zzp’ers kende een omzetdaling van ruim de helft van hun vroegere inkomen, zo meldde het CBS in 2021.

Er ging tien maal zoveel corona-steun naar de grote organisaties, die echter toen keer minder steun gaven aan tijdelijke krachten, kunstenaars en freelancers dan kleine organisaties. De Kunstenbond voerde en voert rechtszaken over schijnzelfstandigheid namens vaste invalkrachten van onder meer Het Balletorkest: dat moest deze zangers alsnog in dienst nemen. De ironie is dat sommigen zich inmiddels hadden laten omscholen en waren overgestapt naar een werkkring die meer bestaanszekerheid biedt. Ook lobbyde de vakbond met andere belangenorganisaties voor een eenmalige compensatie van 5.000 euro voor alle zzp-ers, maar dit voorstel haalde het niet in de politiek.ix

i
SCP-rapport
Het Culturele Leven, nov 2018:file:///C:/Users//Downloads/Het+culturele+leven.pdf

ii https://cultureelpersbureau.nl/2020/05/vergeet-klm-en-booking-ook-in-de-gesubsidieerde-kunsten-zijn-de-directeuren-grootverdiener/

iv Tussen 2012/2013 en 2017/2018 daalde bij de betrokken Britse organisaties bijvoorbeeld de CO2-emissie als gevolg van energieverbruik met 35 procent (Arts Council 2018).Zie ook https://www.boekman.nl/wpcontent/uploads/2022/02/Towards-sustainable-arts-14-February-2022-Compressed.pdf

ix

https://www.msn.com/nl-nl/entertainment/nieuws/stille-ramp-gaande-voor-zzpers-in-de-cultuursector/ar-BB15WVxf

Boekomslag De Kunst Van Anders

Boekomslag De Kunst Van Anders

Het boek (120 blz.) kost 14,95 plus verzendkosten, het is via mijn website te bestellen.

www.ReneeSteenbergen.com

Waardeer dit verhaal!

Laat ons weten wat dit werk je waard is!
Dit veld is bedoeld voor validatiedoeleinden en moet niet worden gewijzigd.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Renée Steenbergen

Bureau Renée Steenbergen levert Project management en Strategisch advies , op basis van onderzoek, aan culturele organisaties en goede doelen. Zij is gespecialiseerd op de terreinen collectievorming, marketing & communicatie en fondsenwerving. Als auteur en onderzoeker publiceert zij over materiële cultuur, verzamelen en mecenaat. Daarnaast adviseert Renée particuliere gevers, schenkers en verzamelaars bij het vinden van een zinvolle bestemming van hun kunstbezit en vermogen. Steenbergen is ook een ervaren organisator van symposia, congressen en workshops. Zij is een enthousiast spreker en moderator in vloeiend Engels, Duits en Frans.Bekijk alle berichten van deze auteur