De jonge dirigent van Venezolaanse afkomst bracht gisterenavond voor het slotconcert van het Holland Festival zijn Simón Bolívar Symphony Orchestra voor het eerst naar het Concertgebouw. Terwijl Hollanders op de gangen het tropische weer trotseerden, liepen Venezolaanse schonen vief op hun stiletto’s naar het podium. Nadat ook Máxima en Willem-Alexander plaats hadden genomen op het balkon kwam Gustavo Dudamel de trap afgedanst.

Dudamel wachtte de stilte nauwelijks af en gaf de blazers het woord met het openingsthema van Ehécatl, het eerste deel van de pre-Colombiaanse triptiek Rituales Amerindos. De Argentijnse componist Esteban Benzecry toonzette de Azteekse god van de wind, de watergod van de Maya’s en de dondergod van de Inca’s. Bijna filmisch golfde het natuurgeweld door het wellustige orkest onder leiding van een op het oog zeer beheerste Dudamel.

Het ‘Bolívar’ rolde zijn spierballen met complexe, pulserende ritmes die het stokje leken over te nemen van Stravinskys Sacre. Benzecry refereerde ook aan La Mer van Debussy en Richard Strauss’ Also sprach Zarathustra. De componist borduurde voort op een traditie die zo rond 1914 aan zijn einde kwam met de komst van het modernisme.

Een opmerkelijke programmering, want na de pauze klonk Eine Alpensymphonie van Richard Strauss uit 1915, een ‘vertelling’ van een dagtocht door de Alpen van zonsopgang tot zonsondergang. Aan de top, Auf dem Gipfel, gebeurt er iets uitzonderlijks on-Straussiaans: een waar Mahlermomentje. En dat terwijl Strauss en Mahler elkaar niet konden luchten of zien.

Terwijl het koper stoer het Straussthema uitblies, gaven de strijkers een melancholisch thema weg dat lijkt weggelopen uit de Zesde Symphonie van Mahler. Muziekjournalist Alex Ross schreef hierover poëtisch:

The intermingling of Mahler and Strauss suggests the image of the two composers standing side by side at the peak of their art. Perhaps they are in the hills above Graz, gazing down at the splendor of nature while the world waits for them below.

Maar de wereld wachtte niet, de wereld raasde door met de twintigste eeuw. Europa raakte zijn onschuld kwijt en kon niet meer onbelast componeren in de romantische traditie. Maar honderd jaar later lijkt Benzecry in de Nieuwe Wereld de pen op te nemen waar Mahler, Debussy en Strauss hem hebben neergelegd.

Dudamel en het Simón Bolívar Symphony Orchestra zinderden door de partituren van zowel Benzecry als Strauss met een zinnelijk schouwspel. Het was een genot te kijken naar de eerste twee altviolen aan de balustrade die zij aan zij een feestje bouwden of naar de contrabassen die synchroon een lome dans uitvoerden.

Voor je verder leest...

Blij met dit verhaal? Klik dan op 'like' en maak Facebook rijk.

Of:


Klik op 'lid worden' en maak Cultuurpers sterk.

Het was lekker, het was wellustig, het was vrolijk. De slipjes en bh-tjes vlogen inderdaad bijna richting podium. Zeker met de encores, waar het publiek met spanning op had zitten wachten: Danzón no 2 van Arturo Márquez en natuurlijk de Mambo van Leonard Bernstein. Het moet gezegd: zo zou elk orkest in het vastgeroeste Europa wel mogen spelen.

Maar.

De musici die voortkomen uit El Sistema moeten oppassen dat hun muziek geen ‘koloniaal kunstje’ wordt. Ze zijn wereldberoemd geworden omdat ze de American Dream hebben toegepast op de klassieke traditie. Maar trappen ze niet in de valkuil van de ‘edele wilde’? Van: ‘kijk eens hoe deze mooi gebronsde Latijns-Amerikaantjes ook leuk een beetje klassieke muziek proberen te maken.’ Maar misschien is dat schattige idee precies de reden waarom wij, zwetende bleekneuzige Hollanders staan te roepen om meer.

 

 

Comments are closed.