Dalende bezoekersaantallen, krimpende subsidies, verschraling van de programmering: de meeste Nederlandse theaters hebben het moeilijk, bleek onlangs uit onderzoek door NRC Handelsblad. De schouwburgen verwelkomden in 2012 twaalf miljoen bezoekers volgens de NRC-cijfers, een kwart minder dan in 2008. Festivals zitten juist in de lift. Er worden er steeds meer georganiseerd, en ze trekken steeds meer volk – in totaal 21,5 miljoen mensen voor 774 festivals, aldus de Volkskrant onlangs. Daar zijn twee redenen voor: de sfeer en het programma. In het Nederlandse systeem – beheer en financiering van het gebouw zijn gescheiden van de programmering – kunnen schouwburgen moeilijk een eigen smoel ontwikkelen.

Zeker als ze geen huisgezelschap hebben, hetgeen geldt voor de meeste theaters hier te lande, zijn ze voor het grootste deel van hun programma afhankelijk van een aanbod aan voorstellingen waarover ze weinig te zeggen hebben. De recente kaalslag in het stelsel van productiehuizen helpt daarbij niet. Verder bestaat het publiek uit mensen die af en toe een voorstelling komen bezoeken. Of zij dat nou los doen of via een abonnement, voor het (gebrek aan) engagement maakt dat niet uit. Schouwburgbezoekers vergrijzen. Ze gaan een avondje uit en daarna weer naar huis.

Veel theaters bieden die situatie het hoofd door ‘veiliger’ ofwel ‘commerciëler’ te programmeren – ook dat bleek uit het NRC-onderzoek. Het is zeer de vraag of dat geen doodlopende weg is. Internationaal avantgarde theater, veelal ‘moeilijke’, buitenissige, multidisciplinaire voorstellingen die de grenzen van het genre opzoeken, verheugt zich in Nederland in een groeiende populariteit. Van Amsterdam – het Holland Festival 2014 trok 115.000 bezoekers, een record – tot Groningen. Het elfdaagse Groningse festival Noorderzon, dat nog loopt tot en met zondag, verkocht vorig jaar 24.000 kaarten voor zijn theatrale hoofdprogramma, dat steevast bijna helemaal uitverkoopt. Per dag is dat vele malen meer dan de 185.000 bezoekers per jaar van de Stadsschouwburg Amsterdam, een van de weinige Nederlandse theaters die de afgelopen jaren fors meer publiek binnen de muren wist te krijgen.

De mensen die theaterkaarten kopen op Noorderzon – grotendeels afkomstig uit Groningen en omgeving – zien in een paar dagen tijd twee, drie of vijf shows, en gaan daarna nog een biertje drinken en napraten in het Noorderplantsoen, het beeldschone park dat het hart vormt van het festival. Zij voelen zich deel van een jaarlijkse, tijdelijke gemeenschap van gelijkgezinden. Goede festivals bieden beleving, emotie, een gevoel van een avontuur dat je met anderen hebt gedeeld. Vergelijk het met het WK Voetbal versus de eredivisie.

Noorderzon wordt altijd goed bezocht door festivalprogrammeurs en –directeuren uit de hele wereld, maar dit jaar kwamen er meer dan ooit. De Britse artistiek directeur Mark Yeoman organiseerde tijdens zijn festival een driedaags congres, waar hij en zijn internationale collega’s ideeën en ervaringen uitwisselden. Een van de meest opvallende lessen van deze bijeenkomst was dat avontuurlijke programmering hand in hand gaat met nieuwe vormen van funding en een grotere betrokkenheid van het publiek.

Tot de internationale gasten van Noorderzon behoorde ook Ron Berry, artistiek directeur van Fusebox, een multidisciplinair kunstenfestival in Austin, Texas. De viering van het tienjarig bestaan in 2013 greep hij aan voor een gedurfd experiment om een probleem op te lossen dat hem al jaren dwars zat. Honoraria voor artiesten vormen het grootste item op de Fusebox-begroting: een ton ofwel een kwart van de ongeveer 400.000 dollar die het festival ieder jaar te besteden heeft. En zo hoort het ook, vindt Berry. ‘Wij hechten eraan dat het grootste deel naar de kunstenaars gaat.’ Van de inkomsten kwam al die jaren slechts 12 procent uit kaartverkopen. Op geen stukken na genoeg om de honoraria voor de artiesten te dekken.

Maar voor de inwoners van Austin bleek de ticketprijs wel een belangrijk beletsel om meer van de activiteiten van het festival bij te wonen. En dat terwijl traditioneel eenderde van de activiteiten gratis is – vooral voorstellingen in de immer warme Texaanse open lucht. Dat zette Berry aan het denken. Zelf waardeerde hij de gratis voorstellingen niet minder dan de betaalde. Eerder omgekeerd: de meest spannende waren vaak gratis toegankelijk. ‘Ik ben gek op ons gratis aanbod.’

Voor je verder leest...

Inmiddels zijn al bijna 300 mensen met een hart voor kunst lid. We groeien snel! Alleen dankzij onze leden kunnen we dit soort verhalen blijven vertellen.

Word ook lid, door HIER te klikken!

Eerst, in 2012, probeerde hij een drastische verlaging van de ticketprijzen uit. Het bleek niets uit te maken. Bezoekers bleven aanhikken tegen betaalde kaarten, of die nu 25, 20 of 15 dollar per stuk kosten. ‘Het enige resultaat was dat we in de rode cijfers kwamen.’ Dus besloot Berry een jaar later, toen Fusebox tien jaar bestond, het complete festival gratis te maken, een concept dat hij Free Range Art noemde. ‘Iedereen moet toegang hebben tot wat wij laten zien,’ luidt de eerste wet van Berry. ‘Punt uit.’

Maar niet zo maar gratis. De bezoekers werden uitgenodigd vrijwillig te doneren wat zij iedere show die zij bezochten, waard vonden. Ze konden nog steeds kaarten reserveren. Een hachelijke onderneming, omdat reserveerders voor gratis shows gewoonlijk niet komen opdagen. Berry en de zijnen bedachten twee remedies. Eén: voor iedere show was slechts een deel van de stoelen reserveerbaar, de rest bleef beschikbaar voor verkoop op de avond zelf. Twee: respect the reservation. Reserveerders die niet kwamen kijken, verloren hun recht op reservering en moesten voortaan aansluiten in de rij voor losse kaarten. Gevolg: op Fusebox 2013 kwam 96 procent van de reserveerders daadwerkelijk opdraven voor de voorstelling. Een ongekend percentage. Het aantal bezoekers nam met 18 procent toe, het aantal nieuwe bezoekers zelfs met 60 procent. Bovendien bezochten zij gemiddeld twee keer zoveel shows als daarvoor. Dankzij de vrijwillige donaties boekte Fusebox tenslotte meer inkomsten dan toen de kaarten nog geld kostten.

Allemaal precies zoals Berry beoogde. Hem gaat het niet om meer geld, maar om wat hij the conversation noemt. Het gesprek tussen makers, publiek en festival, over voorstellingen die bepaald niet tot de gemakkelijkste behoren. Want ook Fusebox programmeert geen traditioneel repertoire, maar cutting edge theater, muziek en beeldende kunst uit Austin, de Verenigde Staten en de rest van de wereld – elk voor ongeveer eenderde. Zelfs in een provinciestad als Austin is daar blijkbaar publiek voor. Maar het concept Free Range Art doet nog iets anders. Het dwingt de bezoekers zelf te bepalen wat al die avantgarde kunst nou werkelijk waard is. Veel, zo blijkt uit hun respons. Berry zette zijn experiment dan ook voort in 2014 – Fusebox speelt zich altijd af in april – en in ieder geval ook nog in 2015.

Berry’s concept doet denken aan het businessmodel voor internet. Facebook, Twitter en vele andere webbedrijven hebben bewezen dat gratis toegang snel leidt tot een grote schare gebruikers. Die zijn geld waard, en leiden tot inkomsten uit andere kanalen. Het succes van Free Range Art was een hot topic onder de professionals op Noorderzon 2014. Een ander was, opmerkelijk genoeg, nauwere samenwerking met schouwburgen. Want ondanks hun problemen hebben die de festivals veel te bieden. Vastigheid, vooral: zalen met goede technische voorzieningen, deskundig personeel, een vast publiek dat ondanks de krimp aanzienlijk van omvang blijft, en misschien ook wel eens op avontuur wil. De basis is er al. De best presterende Nederlandse theaters maken vaak het verschil met eigen festivals en activiteiten die daarop lijken. Zo laat de Stadsschouwburg Amsterdam zich al enkele jaren een paar weken lang ‘overnemen’ door spraakmakende buitenlandse makers. Dit jaar was de beurt aan de Berlijnse Volksbühne. Ook die series raken meestal uitverkocht.

Elke ochtend ons nieuws in je mailbox?

Wanneer je lid wordt kun je elke dag een update in de mail krijgen, met onze laatste berichten.

Word ook lid, door HIER te klikken!


Al lid? Login

Op Noorderzon gingen gelijkgestemde festivalprogrammeurs met elkaar in gesprek. Ook het Amersfoortse festival Spoffin kent zo’n debat, Spoffin PRO geheten. Die dialoog kan en moet breder. Festivals leren niet alleen van elkaar, maar ook van anderen. Berry’s vruchtbare conversation moet worden uitgebreid tot de Nederlandse theaters.