Kantelen is in. En dat is goed zolang het kantelen inhoudt dat je een scherpe bocht neemt en met nieuw elan de vers gekozen koers volgt. Kantelen is onverstandig als je aan de rand van de afgrond staat. Want dan wordt kantelen al gauw tuimelen. De cultuureducatie is, naar ik moet vrezen, begonnen aan een tuimeling.

Vorig jaar bleek dat de Cultuureducatie en de amateurkunst hard op weg waren naar de afgrond, waar het gaat om maatschappelijk draagvlak en vooral politieke interesse. Deze maand zal duidelijk worden wat de minister gaat doen om het tij te keren.

In de tussenliggende maanden is het Landelijk Kenniscentrum voor Cultuureducatie en Amateurkunst LKCA bezig geweest met een ‘strategische verkenning’. Twee weken terug werd het resultaat van die verkenning gepresenteerd in Utrecht. Onder de titel Cultuur in de Kanteling is er een boekje gemaakt dat geen strategie bevat, maar 18 discussiepunten, elk met meerdere mogelijke uitkomsten en reacties. Het is dus de vraag of je met die strategie de oorlog wint.

Het meest moedeloosmakend van het goed geschreven en veelomvattende boekwerk, is het gigantische takenpakket dat op het bordje ligt van de cultuureducatie en de amateurkunst. Dat de mensen die zich daar beroepsmatig mee bezighouden vaak al overspannen zijn voor ze goed en wel begonnen zijn, is heel goed voorstelbaar.

In het stuk wordt duidelijk hoe erg het mis is gegaan in het door Mark Rutte cs ontketende non-debat over de kunsten. In een aanval op de cultuursubsidies, die slechts een klein deel bestrijken van het hele gebied van de kunsten, is elke vorm van actieve of passieve cultuurdeelname verdacht gemaakt. De sector zelf reageerde op deze framing met inmiddels ontelbare apologieën, pamfletten en toespraken die de wereld duidelijk moesten maken hoe belangrijk, nuttig, waardevol en rendabel die kunsten wel niet waren, en hoezeer ze dus geen geldverslindende linkse hobby waren. Waarmee het frame van gereformeerd-liberaal Nederland alleen maar meer versterkt werd. Ontkennen versterkt de framing namelijk altijd.

Een groter probleem is echter, dat al die essentiële onmisbare eigenschappen van kunst en cultuur nu op het bordje liggen van de cultuureducatie.Welzijn, schoolresultaten, maatschappelijke samenhang, intelligentie en sociale vraagstukken horen nu tot het takenpakket van de cultuurdocent en de amateurvereniging.

En daarvan zijn er al zo weinig. De goedwillende, bevlogen docent met kennis van kunst is een zeldzame verschijning geworden. Pabo’s die al moeite genoeg hebben met het onderwijzen van taal en rekenen aan toekomstige leraren zijn nauwelijks te overtuigen van het nut van muziekonderwijs, boeken lezen, schildertechniek of dramatraining, ook al zijn die onmisbaar voor ieder mens.

Voor je verder leest...

Blij met dit verhaal? Klik dan op 'like' en maak Facebook rijk.

Of:


Klik op 'lid worden' en maak Cultuurpers sterk.

In het boek staan al die zaken verdeeld over 18 punten met vraagtekens. Van ‘Blijven de kunstdiciplines als aparte vakken bestaan in het curriculum of worden de kunstdisciplines geïntegreerd in een breed curriculum?‘, via ‘Prikkelen we de culturele sector om zich naar het onderwijs te richten, of zorgen ze juist voor de afwijkende leerervaring?’, naar de eigenlijke hamvraag, punt 17: ‘Wat is er mis met de beeldvorming?’.

Dat lijkt me de belangrijkste: met de bedroevende beeldvorming over kunst en cultuur, nog dagelijks gepredikt door de VVD en aanverwante beeldbepalers, moet eerst worden afgerekend. Leerlingen krijgen dat beeld van huis mee, de docenten zijn er inmiddels mee opgegroeid, en ja: er zijn nog zoveel andere dingen om ons zorgen over te maken.

Misschien is het wel een idee om de makers van kunst en de mensen die het beleid erover bepalen, vaker rond te laten lopen op de onderwijsfabrieken waarmee Nederland vol staat. De wereld daar, vol goede, leuke, geradicaliseerd, dan wel totaal losgeslagen kinderen en alles daar tussenin, is de wereld die echt bestaat, en waarin de docenten en leerlingen moeten overleven, elke minuut beconcurreerd door youtube, snapchat en GTA. Dat is een andere wereld dan de foyer van de Stadsschouwburg of de vernissage in de plattelandsgalerie.

Die wereld mag de kunst misschien wel iets meer gaan reflecteren, wil hij overleven in de 21ste eeuw. Misschien moet de kunst wel kantelen, heeft de kunsteducatie het ook weer wat makkelijker.

Maar uiteindelijk moet helemaal niemand natuurlijk iets, en zeker de kunst niet. Of wel? Ook zo’n vraag.