Stefan Hertmans: ‘Ik heb deze bekeerlinge uit de dood opgewekt’

Stefan Hertmans in Monieux. ©Marc Brester/AQM

De laatste lavendelvelden zijn geoogst, en de Haute-Provence maakt zich op voor de herfst. De witte nevels komen eerder en beginnen later op te trekken. Terwijl het dorpje Monieux zich koestert aan de zon, die nog steeds warm en fel schijnt, kronkelt het door bomen omzoomde riviertje de Nesque door het dal dat zich aan onze voeten uitstrekt. Heilzame stilte.

De vallei bij Monieux. ©Marc Brester/AQM
De vallei bij Monieux. ©Marc Brester/AQM

Stefan Hertmans (65) wijst naar de bergkam die zich verderop opricht, glinsterend in het felle ochtendlicht – daarvandaan kwamen zijn personages Hamoutal en David op hun vlucht naar dit dorp in de Provence. ‘Van bij het raam waar ik uitkijk over de vallei, zie ik in de verte twee mensen naderen’, schrijft hij in de beginscène van zijn nieuwe roman De bekeerlinge, alsof hij daadwerkelijk zijn personages ziet aan komen lopen. Alsof er geen tijdsverschil is met de wereld die hij beschrijft in het boek, het Moniou van de elfde eeuw, en het eenentwintigste-eeuwse Monieux, waar Hertmans al ruim twee decennia lang een huis heeft.

In De bekeerlinge reconstrueert Hertmans het leven van een jonge elfde-eeuwse vluchtelinge, op een manier die veel raakvlakken heeft met zijn wereldwijde en met lof en prijzen overladen bestseller Oorlog en terpentijn. Die roman was gebaseerd op de dagboeken van zijn grootvader over de Eerste Wereldoorlog, die dertig jaar bij Stefan Hertmans in een bureaula lagen. Ook het verhaal van De bekeerlinge is gebaseerd op een waargebeurd gegeven en lag in de vorm van een artikel jarenlang voor het grijpen in Hertmans’ lade. Hertmans reist zijn hoofdpersoon achterna, om de geschiedenis op haar staart te trappen, en net als in Oorlog en terpentijn verweeft hij zo zijn eigen verhaal in de roman.

©Marc Brester/AQM
In het centrum van Monieux. ©Marc Brester/AQM

Hamoutal

Aan de hand van slechts twee documenten, heel veel research en een ongelooflijk rijke verbeelding schetst Stefan Hertmans het leven van Vigdis Adelaïs. Zij, geboren in Rouen in een gegoede christelijke familie, wordt verliefd op de Joodse David Todros, zoon van de opperrabbijn van Narbonne. Vigdis haar liefde niet kan opgeven, verlaat haar familie en volgt David naar Narbonne. Ze bekeert zich tot het jodendom en krijgt een nieuwe naam: Hamoutal. Haar vader neemt echter geen genoegen met haar ongehoorzaamheid en stuurt ridders achter hen aan om zijn dochter thuis te brengen, waar haar waarschijnlijk de brandstapel wacht.

Hamoutal en David vluchten naar de joodse gemeenschap in het dorpje Moniou in de Vaucluse. De rabbijn aldaar, Joshua Obadiah, vangt hen op, en voor een tijdje lijken ze veilig. Maar dan roept Paus Urbanus II op tot een kruistocht en stelt daarbij degenen die ‘de vijanden van Christus’ vermoorden een aflaat in het vooruitzicht. Op een middag plukt Hamoutal in de bergen bessen en kruiden, en ziet ze in het dal een enorme zilveren slang van ridders en ruiters naderbij komen en halthouden bij de zuidelijke toegangspoort, de Portail Meunier. De kruisvaarders eisen het voedsel en de huizen op, de Joden trekken zich voor de nacht terug in de synagoge. Maar al snel slaat de vlam in de pan. De soldaten steken de synagoge, met Joden en al, in brand. Anderen, onder wie David, worden op straat als een beest afgeslacht. Hamoutal weet te ontsnappen met haar baby, maar haar twee andere twee kinderen worden ontvoerd. De getraumatiseerde Hamoutal besluit haar kinderen te gaan zoeken, tot in Caïro – het begin van een leven op de dool, als een verschoppelinge.

Monieux in de 21ste eeuw. ©Marc Brester/AQM
Monieux in de 21ste eeuw. ©Marc Brester/AQM

De Joodse wijk

Behendig als een klipgeit leidt Stefan Hertmans ons naar boven over de helling achter zijn huis, waar het Moniou uit zijn roman ooit was gelegen, en waar de voetstappen van Hamoutal en David zijn achtergebleven in de tijd. Het huidige Monieux ligt een stuk lager dan het Moniou van toen; de straat waar Hertmans woont, nu een van de hoogste van het dorp, was destijds zo’n beetje de laagstgelegen, donkere steeg. Alleen de fundamenten geven nog een idee hoe het Moniou er ooit heeft uitgezien, met het Joodse deel aan de ene kant, en het christelijke deel ernaast. Een smal middeleeuws trapsteegje leidt omhoog, naar een perceel dat gezien zijn grootte vermoedelijk de synagoge moet zijn geweest – dit is dus de plek waar David werd vermoord.

Dat dit hier, op deze heuvel, ooit een Joodse wijk was, ontdekte Hertmans pas een paar jaar geleden, toen hij eindelijk dat bewuste artikel uit de la trok en begon te lezen. Hij zag dat zich hier een bijzondere geschiedenis had afgespeeld. Door twee jaar van intensieve research begon het verhaal zich langzaam in zijn hoofd begon te vormen. ‘Hierbij vergeleken was Oorlog en terpentijn maar een oefening,’ lacht Hertmans. Toen had hij immers die dagboeken, nu beschikte hij slechts over twee historische documenten waarin melding wordt gemaakt van een proseliete die slachtoffer werd van een pogrom. Desondanks weet Hertmans deze vrouw tot leven te brengen, en geloof je elk woord van het fictieve verhaal dat de Vlaamse schrijver heeft opgetekend. ‘Ik heb historisch gefundeerde veronderstellingen gemaakt; voor elke is er wel een boek om die te staven. Ik heb heel veel gelezen, van boeken over joden in de Provence tot een doctoraat over de scheepvaart op de Nijl in de elfde eeuw. Ik heb door Frankrijk gezworven, ben van Rouen naar Narbonne gereden over de kleinste weggetjes, in kloosters heb ik me verdiept in de kruiden die men in de elfde eeuw tijd at, de kleren die ze toen droegen. Ik heb door de Nijlvallei gereisd en de synagoge in Caïro bezocht waar het manuscript over haar werd gevonden. Ik heb deze vrouw een naam gegeven, haar vader, moeder en broer een naam gegeven. Ik heb haar letterlijk uit de dood opgewekt.’

Stefan Hertmans. ©Marc Brester/AQM
Stefan Hertmans. ©Marc Brester/AQM

Geloofstwisten

We komen op een met stenen omringd veldje waar aardappelen worden geteeld, een plek waar Stefan Hertmans zomers lang nietsvermoedend zat te lezen. Hij wijst naar een soort acht-vormige waterput. ‘Het heeft twintig jaar geduurd eer ik goed keek naar die waterput daar. Er lag altijd een vuile golfplaat overheen. Pas toen ik dit boek begon te schrijven, stond ik hier en besefte ik: potverdomme, die put heeft een zitje! In de twintigste eeuw heeft men er een waterput van gemaakt, maar het moet een mikwe geweest zijn, het bad waarin een Joodse vrouw moet afdalen na haar menstruatie en waar bekeerlingen in onderdompelen om als Jood herboren te worden. Ik was blind, totdat ik voldoende had gelezen, gestudeerd en begrepen om te durven denken wat ik moest denken: dit hier was de synagoge.’

Ook Hamoutal daalt af in het bad. Maar ondanks haar bekering tot het Jodendom, raakt ze vanbinnen steeds meer verscheurd tussen haar oude en nieuwe geloof. Op de momenten van wanhoop weet ze niet welke God ze nu eigenlijk moet aanroepen. De geloofsstrijd die zich binnen in haar voltrekt, vindt ook plaats in de buitenwereld, waar de tolerantie tussen christenen, moslims en joden afbrokkelt tot gruis.

©Marc Brester/AQM
©Marc Brester/AQM

Hertmans begon zich naarmate de roman vorderde te realiseren dat hij een stuk geschiedenis beschreef dat akelig veel lijkt op onze huidige tijd. ‘Toen ik begon te schrijven over de onrust die in de elfde eeuw ontstond, glipten er zinnen uit mijn vingers als: “De onrust groeit elke dag en daarmee ook de onverdraagzaamheid.” Dat wist ik uit historische boeken, maar toch dacht ik: wat schrijf ik nu? Dat heb ik vandaag in de krant gelezen! Naarmate het boek vorderde besefte ik: ik schrijf over nu, over de politieke problemen van vandaag de dag. Dat heeft mij verrast. Historici aan wie ik die gedachte heb voorgelegd, beaamden dat de parallellen tussen de elfde en de eenentwintigste eeuw verontrustend zijn. Zoals nu media en politici mensen tegen elkaar opjutten, ging het toen met preken en hetzes, met als belangrijkste de fatale preek van Urbanus II in Clermont-Ferrand, die zei: “Degenen onder u die een aflaat wil, onderneem deze edele tocht, ga Jeruzalem bevrijden en versla de vijanden van Christus, maar je hoeft niet te wachten tot je daar bent.” Kortom: vermoord een paar joden onderweg, en je mag naar de hemel. Daarmee zette hij de pogroms in gang.’

Maar, benadrukt Hertmans, De bekeerlinge is een literair werk, geen pamflet of politiek boek. ‘Een roman verdedigt geen standpunt, maar laat zien dat een verhaal, de waarheid, meerdere kanten heeft. Zo is het tegelijk waar dat er met de vluchtelingen IS-strijders zijn meegekomen als dat er onder vluchtelingen voortreffelijke advocaten en geneesheren zijn. Veel mensen kiezen voor het één of het ander en beginnen te schelden op iedereen die het niet met hen eens is. Daar begint intolerantie, dat is het recept voor een catastrofe, voor oorlog. In wezen is dat de kern van mijn boek. Daarom is het goed om in dat verleden te duiken van duizend jaar geleden. Opdat we misschien de fout van toen kunnen vermijden.’

De bekeerlinge van Stefan Hertmans is verschenen bij De Bezige Bij.

©Marc Brester/AQM
©Marc Brester/AQM
Goed geschreven? Met een ´like´ betaal je Facebook. Ik zou het prachtig vinden als je Cultuurpers een donatie deed.

help mee

Bedrag
Persoonlijke informatie