Op 11 april 2019 zette de Raad voor Cultuur de schop in de dijken van de polder die het Nederlandse cultuurbestel is. De basisinfrastructuur, in 2009 ingesteld om nu eindelijk eens vernieuwing en doorstroming in het systeem in te bakken, is immers dood. Het in jaren zorgvuldig bedachte bouwwerk is in een ruïne veranderd door 10 jaar cultuurbeleid waarin de VVD dominant was. Het lapwerk door ministers ter linkerzijde, kamerleden met een eigen agenda en een culturele lobby die zichzelf vaker in de staart bijt dan goed is, heeft de boel alleen maar erger gemaakt.

Een paar dagen na 11 april (four-eleven voor onze overzeese vrienden) kwamen de gezamenlijke cultuurfondsen (een unicum) met een reactie die enerzijds te verwachten, maar anderzijds eigenlijk heel raar was. De fondsen vonden namelijk dat wat de Raad voorstelde, veel te ingrijpend was. Vernieuwing, zo stelden ze, moest in een lagere versnelling gezet worden. Hiermee, om de hiervoor geschetste beeldspraak af te maken, begonnen de fondsen met een dijkverzwaringsproject rondom diezelfde culturele polder.

Monstrueus

Zo lijnrecht als nu hebben beslissers in de culturele sector nog nooit tegenover elkaar gestaan, wil ik maar zeggen. Om het even scherp te zetten: de Raad pleit voor een terugkeer naar het systeem van vóór 1986. Toen bracht het rapport van de Commissie De Boer een scheiding aan tussen lokale, regionale en nationale financiering in respectievelijk presentatie, educatie en productie.

De monstrueuze gevolgen daarvan zijn nog altijd voelbaar. De drie bestuurslagen werken niet alleen slecht samen, in het veld staan de partijen helemaal tegenover elkaar. Theaters bekommeren zich niet echt om welk gesubsidieerd aanbod er nu weer voor ze is bedacht, cultuureducatie is een stiefkindje van provincies en makers zijn het contact met het publiek buiten de eigen woonplaats kwijt.

Op scherp

De basisinfrastructuur van 2009 hield de grens tussen productie van kunst en de presentatie daarvan aan een (regionaal) publiek potdicht. Fondsen – die nu de taak kregen voor vernieuwing en doorstroming te zorgen –  waren er voor de makers, niet hun klanten. Cultureel emanciperende steden klagen nu dus over het gebrek aan afstemming tussen wat hun (cultureel geïnteresseerde) bevolking wil, en wat er centraal door de fondsen wordt aangeleverd.

Toen de VVD het hele gebouw opblies door de subsidies grotendeels in te trekken, kwam de zaak op scherp te staan. Voorheen zekere ‘functies’ werden uit de permanente subsidie gekieperd en op het bordje van de fondsen gelegd, die met minder geld meer monden te voeden kregen.

Voor je verder leest...

Wij doen ons best om onafhankelijke en volledig professionele journalistiek over de wereld van kunst en cultuur te brengen. Journalistiek die al heel veel mensen waarderen, omdat het op zo weinig plekken nog gebeurt. We kunnen daarmee doorgaan als jij lid wordt of ons steunt met een donatie.
Bepaal onderaan zelf hoeveel je wilt bijdragen.

Wolven

De fondsen wilden vervolgens geen sprookjesoplossing, die eruit zou hebben bestaan dat een paar van de koters ter verdwaling het wolvenbos in werden gestuurd, maar besloten zoveel mogelijk overeind te houden. Het Fonds Podiumkunsten, het grootste cultuurfonds, bouwde bovendien productiedwang in: subsidie werd berekend voor het aantal voorstellingen dat je aan – steeds onwilliger – regionale theaters wist te verkopen, ongeacht het aantal producties dat je uitbracht. Theoretisch was het mogelijk om in een jaar veertig verschillende eenmalige producties uit te brengen, die je elk op een andere plek liet zien.

Dat niemand over zulke onuitputtelijke creativiteit beschikt, is evident. Dat geïnteresseerde toeschouwers op zeker moment ophouden elk nieuw aanbod te volgen, logisch. Dat het bovendien leidde tot burn-outs onder makers, tot structurele onderbetaling van artiesten en medewerkers in en buiten loondienst, een kwalijke bijwerking.

Prioriteiten

Dat alles anders moet, is dus al een tijdje duidelijk. Dat niet iedereen aan werkgevers- en werknemerszijde daarop zit te wachten, eveneens. Maar voortmodderen met slechts marginale aanpassingen, zoals de fondsen nu voorstellen, is rampzalig.

Dat maakt de brief van de fondsen wrang. Hij maakt vooral duidelijk dat men daar de afgelopen jaren drukker bezig is geweest met het lobbyen tegen ingrijpende vernieuwingen, dan na te denken over succesvolle alternatieven. Dat is zeer kostbare tijd gebleken, nu de Raad, ondanks de door de lobby opgelegde beperkingen (geen verandering van geldstromen tussen rijk, provincie en gemeenten) toch een noodzakelijke stelselherziening doordrukt.

Dat de Raad daarmee de klok eigenlijk 35 jaar terugdraait klinkt dramatisch, maar is voorstelbaar. Je kunt namelijk ook stellen dat de ambities, waarmee de diverse stelselwijzigingen werden ingezet, misschien te groot waren. Altijd was het doel om vernieuwing en doorstroming mogelijk te maken. Altijd wees de praktijk uit, dat wanneer die vernieuwing en doorstroming werden geforceerd, de behoudslobby sterker was. Maar meer nog geldt misschien wel dat het bieden van uitzicht op vernieuwing en doorstroming, door daar een hele fondsenstructuur voor op te zetten, averechts werkt.

Niet waar te maken belofte

Immers: nu vernieuwing en doorstroming aan makerszijde daadwerkelijk mogelijk leek, werd deze ook overal gepropageerd. Jonge makers kregen hoop, en ook de kans om hun dromen te verwezenlijken. Alleen liepen ze ergens tegenaan. Iets dat niet de verantwoordelijkheid van de fondsen is: lege zalen en galeries, een recensietje op een specialistische site. Al worden die ook stevig door de fondsen gesubsidieerd. Maar het lot van heel veel fondsenkunst is toch vergetelheid, provinciehaat en burn-out. Niet noodzakelijk in die volgorde.

Het systeem dat de Raad voorstelt zou volgens de fondsen leiden tot verstarring. Die verstarring is zeer goed mogelijk, ook al spreek je niet meer van ‘voorzieningen’, zoals in de jaren 1975, maar van ‘keteninstellingen’. Het probleem zit hem toch ook een beetje  in de gescheiden geldstromen voor de kunst. Waarom niet de regionale structuur die de Raad in een eerdere fase voorstelde? Waarom niet geld voor productie en presentatie in handen leggen van die plekken waar kunst ertoe doet: in de stedelijke regio’s?

Nederland heeft goed ontwikkelde regio’s, waar niet alleen onderontwikkelde, laagvoorhoofdige neanderthalers wonen. Want zo reageren sommige kunstenaars en subsidiënten wel wanneer je een grotere inbreng van de stedelijke bevolking bepleit. Alsof dan alleen nog McDonalds de norm wordt. Laten we stoppen het gebied ten oosten van de A30 tot cultureel ontwikkelingsland te bestempelen. De Raad doet een dappere poging, nu doorpakken. Geef het cultuurbeleid terug aan de cultuur.

Zet de sluizen maar open.