‘Ik ben totaal niet optimistisch over de planeet. Ik ben ook niet optimistisch over het optimisme waarmee de mensen in mijn voorstelling steeds weer opnieuw een oplossing vinden om door te leven ondanks de rampspoed die hen overkomt.’ Philippe Quesne heeft van die wanhoop een prachtig theaterstuk gemaakt. Vol niet-cynische overlevers die van alles een avontuur maken.

Hoe hij dat doet? Hij zet geen mensen op het toneel die ervoor hebben doorgeleerd. Hij vertelt niet echt een verhaal. Er zit eigenlijk geen dramatische spanning in. Hier en daar is het dan ook een tikje langdradig. En dan heeft het ook nog een soort van happy end. Quesne maakt professioneel amateurtheater. Toch wordt het stuk ‘Crash Park’ door het prestigieuze Holland Festival op het programma gezet. Dat betekent dat ze daar van het padje zijn. Of dat er iets anders aan de hand is. Want ‘Crash Park’ is in heel Europa een daverend succes.

Rookmachine

Wat er dan zo bijzonder is aan Crash Park? Kenners zullen gelijk roepen: Philippe Quesne. Maar ook voor wie de naam Philippe Quesne geen bel doet rinkelen, is Crash Park toch iets om meegemaakt te moeten hebben. Ik ben wezen kijken en liet me na enige strijd overtuigen. Daarna heb ik hem gevraagd wat zijn geheim is.

Philippe Quesne. Foto: Obadia Wills

Crash Park gaat over een crash. Nadat we eerst filmbeelden zien van passagiers in een vliegtuig, zien we daarna dat vliegtuig zelf door de zaal vliegen. Met heel eenvoudige middelen, zoals een draagbare rookmachine, weten de spelers de illusie te scheppen van een echt vliegtuig, speelbal van de elementen. Een vliegtuig waarvan we even later de tragische resten zien naast een niet helemaal onbewoond eiland. Uit die resten kruipen vervolgens de gehavende overlevenden. Ze redden zich op het eiland.

Geen Lord of the flies

Wie op dat moment gaat klaarzitten voor een verhaal à la de roemruchte tv-serie Lost, of de doemvolle roman Lord of the Flies, kortom: voor onderlinge spanningen, verdere catastrofes, moord, kannibalisme en veel moraal, komt bedrogen uit. We kijken namelijk naar een clubje blije mensen, die elke mogelijke tegenslag als een avontuur zien, en zich niet echt zorgen maken om wat er om de hoek ligt. Sterker nog: over simpele dingen doen ze wel heel moeilijk, maar niet omdat het moeilijk is, maar omdat het zo leuk is om moeilijk te doen. Het lijken wel kinderen.

Dat klopt, legt Philippe Quesne mij de volgende ochtend uit. ‘Als kinderen met autootjes spelen, of met soldaatjes, spelen ze altijd de vreselijkste ongelukken na. En iedereen overleeft altijd. Dat is het optimisme waarmee wij nu al 20 jaar de grootste dreigingen voor onze planeet negeren.’

Decor in de hoofdrol

Hoe vrolijk zijn voorstelling dus ook lijkt, ze is gemaakt vanuit een diep gevoeld pessimisme over waar we met zijn allen naartoe gaan. Onze fantasie is ons redmiddel. Zelfs van een atoomschuilkelder kunnen we nog een ruimteschip maken, met een beetje verbeelding.

We blijven dus altijd kinderen. Dat zit in al het werk van Quesne, sinds hij 15 jaar geleden afstudeerde als scenograaf.

‘Mijn decors stellen altijd iets voor uit de natuur, maar ze zijn ook altijd nadrukkelijk van bordkarton. Ik heb me daarbij laten inspireren door de grote italiaanse films uit de vorige eeuw, waar de Cinecitta-studio’s ook zulke prachtig kunstmatige decors maakten.’ Net als gebeurde in die roemruchte periode van de Italiaanse cinema, werkt hij ook liever niet met professioneel opgeleide acteurs: ‘In mijn stukken speelt altijd het decor de hoofdrol. De mensen daarin doen niet anders dan zo menselijk mogelijk met de mogelijkheden van het decor omgaan. Het is een speelplaats, waarmee gespeeld wordt.’

Clownerie

Niet gek dus, dat je bij het zien van zijn werk ook aan de oer-Franse films van Jacques Tati moet denken. Daarin ook steevast – zeker in de legendarische ‘Mon Oncle’ – mensen die met een soort droefgeestig-blijmoedige vanzelfsprekendheid omgaan met de techniek van een nieuwe tijd. Of een verkeersopstopping.

Maar er zijn meer inspiratiebronnen. Quesne is gefascineerd door clownerie, zoals die ook te zien is in het werk van Beckett, zoals Wachten op Godot, waarin twee landlopers met niet aflatend optimisme wachten op de aangekondigde komst van ene Godot, die dus niet komt. ‘We hebben er altijd op vertrouwd dat onze leiders verstandige mensen zijn, maar inmiddels is wel duidelijk dat de grootste clowns nu aan de macht zijn, en de verstandige mensen in het theater staan.’

Schoonmaakster

Quesne werkt graag met niet-professionele acteurs: ‘Ik wil theater maken met mensen die het recht hebben om te twijfelen, om fouten te maken, om dingen te proberen. Als je met mensen begint die dezelfde opleiding als jij hebben, wordt het eenvormig. Ik wil verschillende karakters, een divers gezelschap. Het is mijn eigen Ark van Noach.’

Bijzondere figuren zijn er dus volop. Zoals de juriste, die pas op latere leeftijd haar lucratieve baan opzegde en zich aansloot bij Vivarium, Quesnes gezelschap. Of de vrouw die als schoonmaakster werkte in het gebouw waar Quesne repeteerde aan de voorstelling. ‘Ze was erg geïnteresseerd in wat we deden en bleef vaak kijken bij de repetities. Toen heb ik haar gevraagd om mee te doen. Ze reist nu mee en is volledig opgenomen in de groep.’

Voor je verder leest...

Wij geloven in onderzoeksjournalistiek over cultuur. Het is geen onderwerp waar je enorm populair mee wordt. Reden waarom de meeste media alleen die paar sensationele berichten meenemen, maar niet verder kijken. Cultuurpers richt zich juist op die verhalen die voor de cultuurwereld belangrijk zijn, maar die de grote media te klein vinden. Dat kunnen we alleen volhouden als jij meedoet. Door ons tips te geven, maar ook als je lid wordt of ons steunt met een donatie. Houd de cultuurwereld scherp!

Bepaal onderaan zelf hoeveel je wilt bijdragen. Geef 2,50, 10 euro of meer!

Gele hesjes

Niet dat de theatermaker veel vertrouwen heeft in de oplossingsvaardigheid van de gewone man. In de voorstelling lopen de mensen in reddingsvestjes, die sommige mensen kunnen doen denken aan de ‘gele hesjes’, waarmee de Franse burgerbeweging wordt aangeduid die zich in het najaar van 2018 manifesteerde. ‘Toen wij repeteerden kwamen opeens de gele hesjes in het nieuws. Dat was een raar toeval. De gele hesjes zijn namelijk ook een voorbeeld van ongericht optimisme. Ze zijn boos, maar zijn het onderling totaal oneens over waarop ze boos zijn en wat de oplossing is. Die beweging is dus gedoemd te falen als het om het oplossen van het echte probleem gaat.’

Dat echte probleem is, zoals Quesne steeds weer benadrukt: de wereld, en hoe wij die uitwonen. ‘Al sinds de vroegste prehistorie, dat verbijstert me steeds weer.’