Toen een maandje geleden de Raad voor Cultuur het langverwachte musical-advies uitbracht, was Marijke van Hees, voorzitter van die Raad, opvallend nerveus. Dat bleek vooral uit haar keuze om als gespreksleider bij haar eigen presentatie op te treden. Toen er daar, in het Amsterdamse Allard Piersonmuseum, (zeer lichte) kritiek op het advies kwam, schoot ze in de verdediging. Dat werd een beetje gênant, maar ik weet nu waarom het gebeurde: die nervositeit kwam niet door de musical, maar door het grote verhaal dat toen al in voorbereiding was, en dat nu, donderdag 11 april 2019, de kunstwereld in opschudding brengt. Want dat is nogal een dingetje.

De spreekwoordelijke fecaliën zullen bij verschijnen van dit artikel al de diverse ventilatiesystemen hebben bezoedeld, want wat de Raad voor Cultuur met dit advies doet is tamelijk ongekend. Terwijl alle lobby’s, belangengroepen en lagere overheden van de minister de belofte hebben gekregen dat er geen ingrijpende stelselwijzigingen op til zouden zijn, adviseert de Raad juist dat: een ingrijpende stelselwijziging. En dan is dat nog zacht uitgedrukt. Op een paar topinstellingen na, wier positie de Raad voortaan voor 8 jaar wil veiligstellen, is niemand zijn bestaan meer zeker.

Het hele advies beslaat, exclusief bijlagen, 115 pagina’s. Daarin staat veel lezenswaardigs, al is het voor een deel ook het herformulering van eerdere deeladviezen, die op deze site zijn besproken. Alles tot in detail hier herhalen, voert te ver. Ik heb, geheel volgens inmiddels verouderde internetwetten, de hoofdpunten op een rijtje gezet. In een listicle. Omdat dat toch best handig is. Komen ze.

Kans 1: Iedereen moet meedoen

Wat er al aan zat te komen: het cultuursubsidiestelsel in Nederland moet openstaan voor iedereen die zich creatief kan en wil onderscheiden. Dat betekent dat de traditionele, ook wel canoniek genoemde – kunststromingen concurrentie krijgen van nieuwe kunst en nieuwe kunstenaars, die nu nog geen toegang hebben. Denk aan hiphop en urban, denk aan spoken word, street art, hakadans, maar ook aan kunstvormen die nu vooral op amateurbasis worden beoefend, of puur commercieel opereren, zoals Arabische popmuziek. Of musical.

Bedreiging 1: Niet iedereen kan meedoen

Doel is dat niemand zich buitengesloten voelt, ook Henk en Ingrid niet. Al zijn laatsten notoir moeilijk tevreden te stellen. Dat er ook hoognodig een museale voorziening voor het slavernijverleden moet komen, zal hun dan weer niet zo bevallen.

Dat meer mensen een beroep op (structurele) subsidie kunnen doen, maakt de positie van bestaande clubs ook wankel. Denk hierbij aan een enkel symfonie-orkest, een dansgezelschap, een jeugdtheaterhuis. Of operavoorziening.

Voor je verder leest...

Wij doen ons best om onafhankelijke en volledig professionele journalistiek over de wereld van kunst en cultuur te brengen. Journalistiek die al heel veel mensen waarderen, omdat het op zo weinig plekken nog gebeurt. We kunnen daarmee doorgaan als jij lid wordt of ons steunt met een donatie.
Bepaal onderaan zelf hoeveel je wilt bijdragen.

Kans 2: Iedereen in de basisinfrastructuur!

In 2009 werd een nieuw, 21ste-eeuwbestendig subsidiestelsel ingeluid. Jaren was erover gedaan, en nu stond er iets dat het goede kon behouden en vernieuwing kon waarborgen. Productiehuizen, A-gezelschappen en gebouwen, fondsen die voor dynamiek zorgden. Die Basisinfrastructuur heeft dankzij brekebeen Zijlstra dus nooit kunnen doen waarvoor die bedoeld was. Het wangedrocht dat in 2013 na de bezuinigingen overbleef, viel ten prooi aan politieke willekeur, kasschuiven, overproductie en regelrechte uitbuiting. Er moest dus wat anders komen.

De minister leek, geheel in lijn met de liberale opvattingen, af te stevenen op een zo klein mogelijke basisinfrastructuur, omdat een grote alleen maar politiek gedoe oplevert. Liever wilde ze een grotere rol voor fondsen en lagere overheden, zodat het ministerie de hoofdlijnen kon bewaken. Scheelt ook een boel schaal12-ambtenaren.

De Raad voor Cultuur wil het nu precies andersom: het aantal instellingen dat in de nieuwe Basisinfrastructuur onder rijksverantwoordelijheid valt, verdubbelt ruim (van 35 nu naar mogelijk 75 in 2021).

Bedreiging 2: Iedereen gaat over de basisinfrastructuur!

De grote BIS betekent een zware taak erbij voor het ministerie, nieuwe adviescommissies, en meer gezeik in de kamer.

Kans 3: De stad krijgt het voor het zeggen

De afgelopen jaren stond Nederland cultuurland in het teken van de stedelijke regio’s. Die zouden meer te zeggen krijgen over de cultuur die binnen hun grenzen werd gemaakt en getoond.  15 regio’s kwamen met een plan, daarvan blijven er nu 11 over. Ondanks een forse lobby die de rol van de steden wilde beperken, zijn die stedelijke regio’s vanaf 2021 verantwoordelijk voor de humus van het nieuwe cultuurstelsel: educatie, participatie, talentontwikkeling en proeftuinen en presentatie-instellingen die nauw moeten gaan samenwerken met productie-instellingen. Als het rijk zo’n instelling wil subsidiëren, moet de regio waarin de instelling zich bevindt, meebetalen.

Bedreiging 3: Kunstenaar verliest onafhankelijkheid

Voor de middenlaag in het nieuwe stelsel, clubs die nu geen ‘gezelschap’ meer worden genoemd, maar ‘keten-instelling’, geldt de verplichting om zich nauw met de stedelijke regio te bemoeien, en omgekeerd. Waar veel mensen in de lobby bang voor waren, kan nu werkelijkheid worden: dat een wethouder van cultuur zich met de kunst gaat bemoeien. Of dat publieksreacties bepalend worden.

Kans 4: De provincies zijn cultureel uitgespeeld

Met de komst van de stedelijke regio’s in het cultuurbeleid is de rol van de provincies uitgespeeld. Alleen Flevoland is als provincie ook zelf een stedelijke regio geworden. Zuid Holland doet helemaal niet meer mee. Constateert de Raad.

Bedreiging 4: Cultuur verliest belang in Eerste Kamer

Kunst en cultuur speelden al geen rol in de provinciale politiek, en dus ook niet in de verkiezingen voor de Provinciale Staten. Een bewuste kiezer had Cultuur nog wel de doorslag kunnen laten geven met het oog op de Eerste Kamer, die door de Provinciale Staten wordt gekozen, maar nu is dat bijna onmogelijk geworden.

Kans 5: Productie en presentatie zoveel mogelijk in één hand

De keteninstellingen zijn het belangrijkste novum in het systeem dat de raad voorstelt. Dit zijn soms de instellingen die nu nog de ene keer door het Fonds Podiumkunsten, en de andere keer door het Rijk worden gesubsidieerd. Dan moet je denken aan jeugdtheatergezelschappen, danswerkplaatsen. Die woorden komen te vervallen.

Voor al die clubs geldt dat een flink aantal van hen doorstroomt naar de basisinfrastructuur, waar zij als keteninstelling verantwoordelijk worden voor educatie, presentatie, bereik, ontwikkeling en vernieuwing van hun specifieke vakgebied. In de BIS krijgen ze een basisinkomen, groot genoeg om projecten, personeel en inhuurkrachten goed te betalen, en kunnen ze extra geld krijgen voor een of meer van die plustaken.

De door sommigen zo gewenste, en door de minister afgewezen opheffing van de scheiding tussen presentatie (gemeentesubsidie) en productie (Rijkssubsidie) komt hiermee via een achterdeur binnen in het systeem.

Bedreiging 5: Volledig autonome kunst krijgt het moeilijk

Ruim zeventig jaar is het subsidiesysteem gebaseerd op de autonomie van de kunstenaar. Overheidsgeld was er om te compenseren voor slechte verkoop. De kunstenaar was vrij om zijn allerindividueelste gedachten op zijn eigen manier vorm te geven. Wanneer je mogelijk medeverantwoordelijk wordt voor de verkoop, is dat niet meer mogelijk.

Kans 6: Autonome kunst krijgt meer ruimte bij de fondsen

De fondsen kunnen zich in het nieuwe systeem helemaal richten op de autonome kunstenaar en diens creatieve ontwikkeling.

Bedreiging 6: de fondsen imploderen (vooral podiumkunsten)

Zonder de meerjarig gesubsidieerde gezelschappen en festivals, die grotendeels naar de nieuwe BIS verhuizen, en zonder de ontwikkeltaak, die in die BIS bij regionale overheden komt te liggen, blijft er voor ‘s lands grootste cultuurfonds nagenoeg niets over. Het kan zich helemaal concentreren op artistiek inhoudelijke, unieke kunst die gemaakt wordt door niet per se aan een stad of regio gebonden makers.

Als het aan de Raad ligt, moet het fonds ook andere criteria aanleggen om tot financiering over te gaan: niet meer op aantal speelbeurten, maar op relevantie en impact. Uiteraard wel met garantie van goede arbeidsvoorwaarden en met minstens 10 miljoen minder budget, dat overgeheveld wordt naar de BIS.

Kans 7: Er komt tweeënhalf fonds bij!

De samenwerking tussen rijk en gemeente zal niet overal even soepel verlopen. Om dat een beetje te smeren komt er een nieuw fonds bij, speciaal bedoeld om samenwerking tussen keteninstelling en gemeente te faciliteren. Om investeringen in mogelijke megasuccessn te kunnen doen, komt er ook een revolving fund, waarin de overheid en banken en marktpartijen geld storten, wat weer terugverdiend kan worden. En omdat de omroepen in Hilversum buitengewoon slecht omgaan met de erfenis van het opgeheven Mediafonds, gaat dat budget – als het aan de Raad ligt – over naar het Filmfonds, dat zo een AV-fonds gaat worden, en niet meer alleen film, maar ook andere audiovisuele producties mogelijk gaat maken.

Bedreiging 7: Er komt tweeënhalf fonds bij?!

Wat moet dat allemaal wel niet kosten?

Kans 8: Alle codes zijn actief

De codes voor Fair Practice, Governance en Diversiteit worden bepalend bij de toekenning van subsidie. Omdat de overgang misschien voor sommige werkgevers wat abrupt zal zijn, geldt in de eerste subsidieperiode nog het adagium ‘Pas toe, of leg uit’. Daarna betekent structurele onderbetaling van werknemers en uitbuiting van freelancers, racisme of vriendjespolitiek een onherroepelijk einde aan de subsidierelatie.

Bedreiging 8: Alle codes kosten geld

Werknemers en freelancers goed betalen kost geld. Dat moet ergens vandaan komen. Dat een en ander al op korte termijn tot minder aanvragen zal leiden, calculeert de Raad in. In de Basisinfrastructuur zal een  en ander geborgd zijn, daarbuiten, bij de fondsen, zullen de klappen vallen.

Kans 9: Beoordelingscommissies moeten de bevolking afspiegelen

De raad spreekt niet van zaalbezettingspercentages en inkomstennormen, maar vindt wel dat cultuur breed gedragen moet worden. Dus moeten ook de beoordelingscommissies een afspiegeling vormen van de samenleving. Het is nog net geen jurysysteem met bijbehorende lotingen(wat best interessant zou zijn), maar betekent wel een forse opdracht voor de fondsen en overheden, die nu echt moeten zorgen dat de commissies divers zijn, in alle opzichten.

Bedreiging 9: Hoe bepaal je vooroordelen?

Wanneer een fonds of commissie door omstandigheden niet een afspiegeling is, terwijl dat wel een eis is: welke garantie heb je als aanvrager dat je onbevooroordeeld tegemoetgetreden zult worden? En kun je als afgewezene ergens terecht wanneer je al dan niet bewuste bias meent te zien? Omdat het zeker in de eerste periode nog best lastig zal worden om de vereiste pluriformiteit in elke commissie voor elkaar te krijgen, kunnen we veel onrust verwachten.

Bedreiging 10: Wat als er geen geld komt?

Alle ambities van de Raad om het hele systeem overhoop te gooien, kosten natuurlijk geld. Meer geld, dan de minister als absolute grens heeft gesteld. Geld ook, dat naar meer ambtenaren en adviseurs zal gaan, omdat de complete wijziging nogal wat voeten in de aarde heeft.

De grote olifant in de kamer (naast alle door ventilatoren rondgeblazen uitwerpsels) is dus die geldvraag. De Raad maakt wel een berekening die uitkomt op netto enkele tientallen miljoenen meer, maar daar zit dus wel het probleem. Wat als de minister, of de Kamer, de ambities overneemt, maar het budget niet? Dan hebben we met zijn allen een groot probleem. Wat een troost kan zijn, of juist een hels alternatief, is dat de Kamer dat probleem niet meer bij de Fondsen of lagere overheden over de schutting kan mieteren.

Het grootste deel van de Nederlandse kunsten is vanaf nu  namelijk weer gewoon de verantwoordelijkheid van de politiek. U bent gewaarschuwd.