Annemarie Prins is op 13 januari 2026, thuis in Amsterdam, op 93-jarige leeftijd overleden. Vanaf begin jaren zestig was zij als regisseur een eigenzinnige en vernieuwende stem in het Nederlandse theater. Het grote publiek kende haar vooral als actrice in tv-series. Ze speelde Tante Maud in Oud Geld, de oude Annie in Annie M.G. en Mevrouw Slothouwer in Le journal secret de Hendrik Groen. Maar ook op het toneel was ze tot voor kort te zien. Nog in 2024 toerde ze door het land met haar enthousiast ontvangen solovoorstelling Over de bergen. ‘Mijn laatste,’ wist ze.
Prins studeerde in 1961 af aan de Arnhemse toneelschool, maar stopte al na enkele jaren als actrice. Vanwege podiumvrees, maar ook uit onvrede met de producties waarin ze speelde, werd ze regisseur. Dat vak, waarvoor nog geen opleiding bestond, leerde ze bij het Leids studententoneel en in Polen, waar een levendiger, meer politieke theatercultuur bestond. Eenmaal terug, richtte ze in 1965 haar eigen groep op, Theater Terzijde, het eerste politieke toneelgezelschap van Nederland, waar ze, naast spelers, beeldend kunstenaars en musici binnenhaalde. Ze zocht naar een manier van werken die een andere verhouding tussen makers onderling en tussen makers en toeschouwers tot stand kon brengen. Ze wilde stukken maken die de maatschappelijke werkelijkheid ter discussie stelden, zonder aan poëzie in te boeten. Destijds al was ze zich terdege bewust van haar eigen bevoorrechte positie en stelde ze zich in dat licht de vraag uit welk perspectief een verhaal verteld moest worden.
Le spectacle d'ouverture Een zaak Lorca is ons niet bekend behandelde de moord op de dichter Federico García Lorca aan het begin van de Spaanse burgeroorlog. Een recensent die zich afvroeg of het wel de taak van het toneel was om ‘de toeschouwer opheldering te verschaffen over de wereld waarin hij leeft’, zoals Theater Terzijde zich ten doel stelde, moest zich gewonnen geven aan de ‘uitnemende momenten toneel’ en ‘alle jeugdige frisheid en vindingrijkheid’ van de regie.
Eind jaren zestig verbreedde Prins haar werkterrein naar radio, televisie en opera. Voor DNO maakte ze Aap verslaat de Knekelgeest (1980) en Houdini (1981) van Peter Schat. Daarnaast regisseerde ze spraakmakende stukken bij het Groningse amateurgezelschap Waark. De gelijknamige eerste voorstelling schopte het, ondanks de amateurstatus, tot Holland Festival productie. Intussen bracht ze als alleenstaande moeder twee kinderen groot.
In 1985 stond ze opnieuw aan de wieg van een theatergroep. Samen met Edwin de Vries en Henk van der Meulen richtte ze De Salon op. Hier sloeg ze een nieuw pad in met een trilogie gebaseerd op het werk van Samuel Beckett. Vooral het werken met zijn proza leidde tot een andere omgang met tekst dan voorheen, waarin muzikaliteit even zwaar woog als de betekenis van de woorden. Toen ze halverwege de jaren negentig zelf weer begon te spelen, werkte ze hierop door in onvergetelijke autobiografische (semi)monologen: Harmoniehof, Pikkepoezenwals, Oud en Wit, Dood en zo en tenslotte A propos des montagnes. Daarbij bleef taal een grote liefde. Ze leerde haar teksten met enorme precisie en volharding, ‘zodat ik ermee kan goochelen’. Bij haar laatste voorstelling begon ze maanden voor aanvang van de repetities, uit angst de tekst niet meer in haar hoofd te krijgen.
Door de jaren heen hielp Annemarie Prins, als docent en door de amateurvoorstellingen die ze maakte, talloze makers en spelers op weg. ‘Die is nog bij mij begonnen,’ zei ze vaak als een jongere collega ter sprake kwam.
Op het snijvlak tussen regie en docentschap voltrok zich eveneens haar werk in Cambodja, waar ze tussen 2005 en 2012 met regelmaat verbleef. Met Cambodjaanse actrices maakte ze twee voorstellingen en een radiohoorspel over hun ervaringen tijdens de bloedige dictatuur van de Rode Khmer. Een van die voorstellingen reisde tevens naar Rwanda, waar de verwerking van het gewelddadige verleden al verder vorm had gekregen. Rwandese acteurs vulden de cast aan. Het gedeelde trauma van genocide bleek de culturele verschillen te kunnen overbruggen. De vragen die deze projecten bij Prins opriepen over haar eigen neokoloniale positie lagen ten grondslag aan de voorstelling Oud en Wit (2015).
Prins had een hekel aan sentimentaliteit, vooral die van zichzelf. Ze was radicaal, altijd op zoek naar de kern. Radicaal op zoek naar waar het haar in het theater om ging. Radicaal eerlijk, bijvoorbeeld in haar feedback aan acteurs en studenten. Radicaal schaamteloos als een rol daarom vroeg. Ze doorzag de impact van haar oude, blote lijf onder de douche, een sigaretje onder handbereik, in Annie M.G. en schoof daarvoor alle ijdelheid aan de kant. Die ongegeneerdheid maakte haar, naast haar vakmanschap, tot op hoge leeftijd een veelgevraagd actrice.
Ze kon ook radicaal onmogelijk zijn, voor zichzelf en voor anderen. Met sommige relaties in werk en privéleven kwam het nooit meer goed, andere raakten juist meer bestendigd. Wie haar in het hart sloot, koesterde haar dwarsheid, haar scherpzinnigheid, haar vaak zwarte humor en tenslotte ook haar lieve kant, die naarmate de jaren vorderden meer ruimte kreeg.
Annemarie Prins stierf op eigen verzoek, nadat haar gezondheid in korte tijd snel achteruit was gegaan. Het afscheid vindt plaats in kleine kring.




