Hoe de wonderdokter in vergetelheid raakte – en waarom schrijver Rinus Spruit hoopt op eerherstel

Hij bracht hypnose en psychotherapie als behandelmethodes naar Nederland en had een bloeiende praktijk met de bekende schrijver Frederik van Eeden. Maar noem de naam Albert Willem van Renterghem, en er zal bij (vrijwel) niemand een belletje gaan rinkelen. Met zijn boek De wonderdokter hoopt samensteller Rinus Spruit op eerherstel.

A Quattro Mani

Beste lezer!

Dit wil je toch niet missen? Natuurlijk krijg je dit verhaal gratis, zonder 'betaalknop' of andere belemmering! Gratis = fijn. Maar, als je wilt, kun je onderaan een donatie doen. Zo kan ik nog meer van dit soort relevante verhalen maken. Elk bedrag is welkom!
Dank je wel!
A Quattro Mani

Albert Willem van Renterghem (1845-1939) gold ooit als “de wonderdokter van Goes”. Na het bijwonen van consulten door de Franse dokter Ambroise Liébeault, de grondlegger van de hypnosetherapie, besloot de Zeeuwse plattelandsarts ook zijn patiënten met deze nieuwe methode te gaan behandelen. De resultaten overtroffen ieders verwachtingen. De bekende schrijver en arts Frederik van Eeden overtuigde hem een kliniek in Amsterdam te beginnen. Van Renterghem ging in de leer bij Sigmund Freud en Carl Jung, vertaalde enkele van hun boeken en bracht zo de psychotherapie naar Nederland. Maar ondanks zijn grote verdiensten voor de psychiatrische zorg in ons land, verdwenen zowel Albert van Renterghem als diens autobiografie in de vergetelheid. Tot schrijver Rinus Spruit, zelf Zeeuw en oud-verpleegkundige, over deze wonderdokter hoorde.

Schrijver Rinus Spruit

Hoe kwam u dit verhaal op het spoor?

‘In 1993 las ik in een huis-aan-huis blad dat er 90 exemplaren van de autobiografie van dokter Van Renterghem waren bijgedrukt. Hij had het in 1920 geschreven en er destijds tien van laten maken. Ik las dat deze man arts op het platteland was geweest op Zuid-Beveland, en dat hij later naar Amsterdam was gegaan en daar hypnose en psychoanalyse is gaan uitoefenen. Daar wilde ik meer van weten. Zijn autobiografie gaf een mooi beeld van de gezondheidszorg van de negentiende en begin twintigste eeuw. Die was heel primitief. Artsen hadden hun patiënten nog vrijwel niets te bieden: er was geen penicilline, en ziekten als tuberculose en suikerziekte waren niet te genezen. Er konden zelfs geen operaties plaatsvinden omdat er geen narcose was.’

‘Mensen stierven aan allerlei infectieziekten, zoals difterie. Van Renterghem schreef openhartig en met humor over wat hij meemaakte. Als je het leest, is het net alsof je er zelf bij bent. Ik vond het jammer dat niet iedereen daar kennis van kon nemen. Maar ja, het boek was 1400 bladzijden dik; hij had er alles in opgeschreven, tot en met de menukaart van de restaurants waar hij gegeten had.’

De familie Van Renterghem

Voor wie was het boek bestemd? Louter voor zijn familie?

‘Met het schrijven van deze autobiografie is hij in 1920 begonnen, na zijn werkzame leven. Hij liet tien exemplaren drukken: zes voor zijn familie, en dan nog vier voor het archief van twee bibliotheken en twee universiteiten. De boeken moesten verzegeld blijven tot 1975, ik denk vanwege de privacy van de patiënten die hij had behandeld en die met naam en toenaam werden vermeld. Hij liet aan de gemeente Goes weten dat het boek in 1975 openbaar mocht worden voor publiek. Dus hij had er denk ik toch wel een grotere bedoeling mee.’

Albert Willem van Renterghem

Hoe heeft u een boek van 1400 pagina’s teruggebracht tot een leesbaar verhaal?

‘Ik heb scherpe keuzes moeten maken. Zo heb ik allerlei familieaangelegenheden weggelaten, evenals de vele reizen met zijn vrouw en de jaren dat hij scheepsarts was bij de marine. Ik heb geprobeerd de essentie van zijn leven uit het boek te destilleren. Dus het begin als plattelandsarts in Heinkenszand, het moment waarop hij in aanraking kwam met hypnose, zijn contact met schrijver en arts Frederik van Eeden, hun praktijk in Amsterdam, die uitgroeide tot een nieuwe kliniek op de Van Breestraat. Zijn contact met Sigmund Freud en met Carl Jung, en zijn ontdekking van de psychoanalyse. Van Renterghem werd gezien als de man die de psychoanalyse in ons land heeft geïntroduceerd. Hij was voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Psychoanalyse; een man van aanzien, ook internationaal. Patiënten kwamen van heinde en verre, noemden hem “de wonderdokter uit Goes”. Hij werd beschouwd als dé man op het gebied van geestelijke gezondheidszorg in Nederland. Professor en psychiater H.C. Rümke omschreef hem als een “legendarische gestalte” en zei dat de bloei van de psychotherapie aan hem te danken was.’

Hoe verklaart u dan dat hij tegenwoordig volkomen onbekend is?

‘Hij is in 1939 overleden, dus de oorlogsjaren zitten ertussen; dat zal hebben meegespeeld. Tegenwoordig is hypnose bovendien iets waar veel mensen vraagtekens bij zetten, en ik denk dat ze hem daarom niet meer helemaal serieus namen. Een andere goede verklaring kan ik er niet voor vinden.’

Hoe werkte de behandeling met hypnose?

‘Hij bracht zijn patiënten in slaap, zei dingen als: “U wordt beter” of “Uw pijn zal verdwenen zijn” en deed hen suggesties aan de hand. Daar wist hij veel mensen mee te genezen. Hij behandelde vooral patiënten met psychosomatische klachten: lichamelijke klachten die een psychische oorzaak hebben. In Amsterdam ging hij zich steeds meer gaan richten op psychische ziekten. Hij gaf zelf trouwens de voorkeur aan hypnosetherapie boven psychoanalyse, omdat dit een sneller en beter resultaat gaf, en hij er dus meer mensen mee kon helpen. Gezien de resultaten is het jammer dat deze methoden tegenwoordig niet of nauwelijks nog worden toegepast.’

Van Renterghem als jongeman.

Geeft u eens een voorbeeld van zo’n genezing?

‘Op het spreekuur kwam dorpsslager Rottier, een oude bekende van dokter Van Renterghem. De man leed al jaren aan pijn op de borst, rechts onder het sleutelbeen. Er was geen afwijking te vinden, en geneesmiddelen hielpen nooit. Van Renterghem was net terug uit Frankrijk van zijn studie bij dokter Liébeault, en vroeg zich af die methode zou helpen. Hij bracht de patiënt onder hypnose, legde zijn hand op de pijnlijke plaats en verzekerde de slager dat zijn pijn verdwenen en voorgoed geweken was. “Adem eens diep!” zei Van Renterghem, “en  nog eens, en nog eens. Voel je wel hoe heerlijk vrij je borst nu is? Je zult geen pijn meer hebben!” Hij verzekerde zijn patiënt dat hij fris, lekker en zonder pijn zou ontwaken. En inderdaad: toen Rottier weer bij bewustzijn was, had hij geen pijn meer. Zo ging dat vaak.’

Welke passages hebben u het meeste geraakt?

‘Dat zijn er twee. Hij schrijft over een meisje van 12, dat sterft aan tuberculose. Hij komt elke dag langs en ziet haar steeds zieker worden. Ze hebben elke keer mooie gesprekken. Op een dag komt hij en is ze net overleden. Hij condoleert de moeder en zij zegt: “Marietje heeft nog een zakje snoepjes gegeven voor u, om aan uw kinderen te geven.” En dan is hij zo ontroerd dat hij moet huilen.’

‘Ook het verhaal over zijn zieke dochtertje heeft veel indruk gemaakt. Het 6-jarige meisje heeft difterie, een ziekte waar op dat moment nog geen medicatie voor is, en ten gevolge van een luchtpijpvernauwing krijgt ze het steeds benauwder. Dan houdt er een koets halt voor het huis van de dokter; de koetsier vraagt of de dokter onmiddellijk wil meekomen, omdat de burgemeester van Heinkenszand het erg benauwd heeft. Van Renterghem verkeert in tweestrijd: blijft hij bij zijn kind of gaat hij naar de burgemeester? Hij laat zijn vader bij zijn dochtertje waken en vertrekt. Bij terugkomst – de burgemeester is dood – is het meisje ook stervende. Er is maar één behandeling mogelijk en dat is tracheotomie, oftewel een gaatje in de luchtpijp maken. Hij slaagt er niet in zijn dochter op tijd te redden.’

De praktijk op de Van Breestraat in Amsterdam

Welke rol heeft Frederik van Eeden in het geheel gespeeld?

‘De tussenkomst van Van Eeden betekende het kantelpunt in Van Renterghems carrière. Van Eeden hoorde over diens succes met hypnose en vroeg of hij een spreekuur van de huisarts kon meemaken. De hypnosebehandelingen maakten diepe indruk op Van Eeden. “Jij moet niet in Goes blijven vegeteren,” schreef hij aan Van Renterghem. “Jij moet naar Amsterdam komen dan kunnen we daar samen een kliniek beginnen voor therapeutisch hypnotisme.” Dat was het begin van Van Renterghems grandioze carrière. Zonder die tussenkomst was hij als gewone huisarts blijven hangen in Goes.’

Van Renterghem met zijn kleinzoon Tonnie.

Wat viel er voor u als auteur uit dit project te halen? Het is immers de tekst van een ander.

‘Dat klopt, ik heb er ook vrijwel niets aan veranderd. Maar ik heb het boek wel als het ware gecomponeerd door mijn keuzes in wat ik wel en niet wilde opnemen. Dat vond ik ook mooi werk. Hij schrijft heel openhartig, ook over alles wat hij niet goed deed, de sterfgevallen, de verliezen in zijn familie. Dat kan ik niet verbeteren.’

Goed om te weten Goed om te weten

De wonderdokter van Rinus Spruit is verschenen bij Cossee, € 20,99

Animatiefestivals in Amsterdam en Utrecht bundelen krachten en zijn nu KABOOM

De Zweedse animatiefilm Top 3 van Sofie Edvardsson (foto: KABOOM)

Het nieuwe animatiefestival dat op 9 november van start gaat heeft een naam die knalt: KABOOM. Feest dus voor liefhebbers (en wie is dat niet) van animatie in al zijn verschijningsvormen. Eerst van 9-12 november in Utrecht met een programma voor kids en familie, aansluitend van 13-17 november in Amsterdam voor volwassen kijkers.

Leo Bankersen

Beste lezer!

Dit wil je toch niet missen? Natuurlijk krijg je dit verhaal gratis, zonder 'betaalknop' of andere belemmering! Gratis = fijn. Maar, als je wilt, kun je onderaan een donatie doen. Zo kan ik nog meer van dit soort relevante verhalen maken. Elk bedrag is welkom!
Dank je wel!
Leo Bankersen

Maar wacht eens. We hadden toch al twee animatiefestivals? Dat klopt, maar die hebben nu hun krachten gebundeld. Het zit ongeveer zo:

Fusie

In de eerste plaats was er natuurlijk het in 1985 opgerichte Holland Animation Film Festival (HAFF) dat Utrecht als thuisbasis had. In 2007 kwam daar het KLIK! Amsterdam Animation Festival bij met een sterk overlappend programma. In 2018 ontstond er bij het HAFF conflict over de koers, met het terugtreden van directeur Gerben Schermer en de afgelasting van editie 2018 tot gevolg. Hoe moest het verder?

Het HAFF benaderde KLIK! en na een jaar van gedegen gesprekken kwamen beide organisaties tot de conclusie dat ze elkaar goed aanvullen. Goed dus om in de toekomst de krachten te bundelen, zo vertelt perscontact Maxi Meissner. Het resultaat is KABOOM, georganiseerd als gezamenlijk project met een staf die deels uit oudgedienden, deels uit nieuwe mensen bestaat. Intussen wordt achter de schermen gewerkt aan een echte fusie van beide organisaties.

Aardman en Zuid-Korea

Zoals beide voorgangers al deden, biedt KABOOM een breed overzicht van de hedendaagse stand van zaken op animatiegebied, van experimenteel tot films voor breed publiek. Dat hoeven niet perse premières te zijn, maar dat de nieuwste Toy Story ontbreekt komt omdat er dit jaar geen samenwerking met Disney-Pixar is. Dat wordt overigens ruimschoots goedgemaakt door een focus te richten op de Britse Aardman-studio (denk aan Wallace & Gromit). Een andere special is werk uit Zuid-Korea, dat hier zelden te zien is.

De nadruk ligt op korte films, in een verbazingwekkende verscheidenheid uit een groot aantal landen. Daar gaat het hart van de organisatie echt naar uit. Betrekkelijk nieuw is de uitbreiding van het aanbod voor kids en familie, dat uitwaaiert over de stad Utrecht. Niet alleen films, maar ook workshops en activiteiten met plaatselijke partners. In Amsterdam ligt de nadruk op het aanbod voor volwassen publiek en professionals.

Op de Industry Day in Utrecht komen op 12 november filmmakers, distributeurs, festivalprogrammeurs en andere professionals bij elkaar. Zo hoopt KABOOM de animatiewereld te helpen ontwikkelen.

Er zijn competities voor lange en korte animaties, studentenfilms, Nederlands kort, opdrachtfilms, korte films voor kinderen en virtual reality.

100 jaar Nederlandse animatie

Een van de themaprogramma is 100 jaar Nederlandse animatie. Eigenlijk 101 jaar, want het oudst vertoonde filmpje is Een avontuurtje in het luchtruim uit 1918. Daarnaast biedt dit overzicht een aangenaam weerzien met veel prachtige kleine klassiekers, waaronder het in 2001 met een Oscar bekroonde Father and Daughter van Michaël Dudok de Wit.

Workshop Hand Painted Paradise met Steven Woloshen (foto: KABOOM)

Sterk uitgebreid in vergelijking met voorgaande jaren is het aanbod Virtual Reality en Augmented Reality. Een van de voorstellingen die Meissner tipt is Fight. In deze interacteive live performance met Augmented Reality krijgen animaties leven ingeblazen door een echte martial arts beoefenaar. Een andere tip is Hand-Painted Paradise, een workshop van Steven Woloshen die je leert direct op film een animatie te schilderen. Dat we dat in de digitale tijd nog mogen meemaken! Voor de jonge bezoekers is er in Kinepolis Utrecht een breed scala aan zelf-doe activiteiten onder de titel Exploration Station.

Als ondergetekende ook iets mag tippen dan is dat niet alleen de kans om te bingen met alle afleveringen van Undone, maar ook bijvoorbeeld de origineel vormgegeven korte films Intermission Expedition (toeristen worstelen met loslaten van routine) van Wiep Teeuwisse en het bijna abstracte Flow van Adriaan Lokman. De internationaal al veelvuldig bekroonde lange Franse animatie J’ai perdu mon corps ontbreekt jammer genoeg op KABOOM, maar wel is er het op Annecy bekroonde Away, een wonderbaarlijke droomreis van een jongen, een motorfiets en een kleine vogel. Van Gints Zilbalodis uit Letland. Zien!

Goed om te weten Goed om te weten

KABOOM Utrecht is van 9 t/m 12 november op diverse locaties. KABOOM Amsterdam van 13 t/m 17 november rond het Westergasfabriek terrein. Website: KABOOM

‘Denk niet te snel dat je iemand kent.’ Zes levensinzichten van schrijfster Rosita Steenbeek

Schrijfster Rosita Steenbeek ©Marc Brester/A Quattro Mani

Ze overleefde een hersenbloeding en een ernstig auto-ongeluk. Doodsangst heeft schrijfster Rosita Steenbeek (62) daardoor niet meer, wel juist een enorme levenslust. Het heeft haar verrijkt. ‘Door de dood in de ogen te zien, begreep ik dat liefde het belangrijkste is in het leven.’

1. Zonder relatie kun je ook gelukkig zijn

A Quattro Mani

Beste lezer!

Dit wil je toch niet missen? Natuurlijk krijg je dit verhaal gratis, zonder 'betaalknop' of andere belemmering! Gratis = fijn. Maar, als je wilt, kun je onderaan een donatie doen. Zo kan ik nog meer van dit soort relevante verhalen maken. Elk bedrag is welkom!
Dank je wel!
A Quattro Mani

‘Ik ben al een aantal jaren alleen en dat vind ik prima. Ik ervaar veel liefde in vriendschappen en voor mijn moeder, mijn jongere broer en twee zussen; mijn vader leeft helaas niet meer. Dat zijn grote liefdesrelaties in mijn leven. Ik herinner me nog dat toen ik heel klein was en mijn ouders elkaar omhelsden, ik mijn armpjes naar hen uitstrekte om opgetild te worden. Die liefde tussen hen, daar wilde ik bij zijn. Het is een oerbeeld uit mijn jeugd. Doordat ik ben voortgekomen uit grote liefde, kan ik meer tegenslag aan. Het heeft mij een stevig fundament gegeven.

‘Een relatie is voor mij geen voorwaarde om gelukkig te zijn.’ ©Marc Brester/A Quattro Mani

Ik ging ervan uit dat mij dat ook zou gebeuren: dat ik de man van mijn leven zou ontmoeten en kinderen zou krijgen. Het liep anders. Een grote liefde diende zich niet op het juiste moment aan. Later paste het praktisch gezien ook niet meer bij mijn manier van leven. Ik woon al dertig jaar in Rome en reis veel naar Nederland en andere plekken. Vroeger dacht ik dat mijn geliefde wel zou meereizen, maar niet iedereen kan of wil dat.

Natuurlijk mis ik iets wezenlijks. Ik zou het liefst iemand aan mijn zijde hebben gehad met wie ik alle verschillende fasen kan meemaken. Maar een relatie is voor mij geen voorwaarde om gelukkig te zijn. Ik ben goed alleen. Ik beleef die verschillende fasen in mijn lange vriendschappen. Daardoor kan ik er ook meer voor anderen zijn, zoals voor mijn fantastische moeder van 84, met wie ik elke dag Skype. Waarschijnlijk was een relatie belangrijker voor me geweest als ik saaier werk had gehad, maar ik heb een vervullend en inspirerend beroep. Als ik met een boek bezig ben, is dat een relatie op zich. Niet als surrogaat natuurlijk, maar schrijven is wel een manier om met mijn medemens in verbinding te staan. Het is zingeving en een ontdekkingsreis tegelijk: ervaringen omzetten in een boek is louterend, spannend en soms ook troostrijk. En ik heb het nodig om daarmee alleen te kunnen zijn.’

‘Alleen door met elkaar in gesprek te gaan, onze verhalen met elkaar te delen, komen we voorbij onze eigen mening en oordelen.’ ©Marc Brester/A Quattro Mani

2. Denk niet te snel dat je iemand kent

‘Mijn oma Rose, naar wie ik ben vernoemd, was een Duitse jodin. Ze heeft geleefd tot mijn vijfendertigste. Bij het verschijnen van mijn debuut zei mijn vader al dat ik over haar moest schrijven, maar ik begreep niet waarom. Pas jaren later ontdekte ik dat zij en al die andere leuke kosmopolitische familieleden van mij – ooms en tantes uit Brazilië, Canada, New York, Israël – eigenlijk vluchtelingen waren uit nazi-Duitsland. Mijn charmante, elegante oma, die altijd alles onder controle had en evenwichtig was, bleek de vreselijkste dingen te hebben meegemaakt en veel familieleden te hebben verloren tijdens de Holocaust.

Het deed me beseffen dat we veel te snel denken een ander te kennen. Alleen door met elkaar in gesprek te gaan, onze verhalen met elkaar te delen, komen we voorbij onze eigen mening en oordelen. Dat heb ik opnieuw ervaren toen ik de afgelopen twee jaar in aanraking kwam met vluchtelingen. Ik was door de CPNB gevraagd een essay over compassie te schrijven. Ik wilde mijn persoonlijke ervaringen met compassie mengen met iets uit de actualiteit. Toen ik een documentaire zag over een arts die zich inzette voor de vluchtelingen die op Lampedusa strandden, besloot ik daarnaartoe te gaan. Ik kwam in een totaal andere wereld terecht, waar je in het bevoorrechte rijke westen gemakkelijk aan voorbij kunt leven.

‘Ik zou het iedereen gunnen om eens een weekje in een vluchtelingenkamp te gaan helpen – wat gaan je ogen daarvan open.’ ©Marc Brester/A Quattro Mani

Mijn boek Wie is mijn naaste? Mijn verhaal over de vluchtelingenopvang is daar het vervolg van. Meerdere keren verbleef ik een aantal weken op Lampedusa en in een vluchtelingenkamp in Libanon, vlakbij de Syrische grens. Ik werd hartelijk opgenomen door die Syrische families. Ze deelden het weinige dat ze hadden, vertelden over de verschrikkingen die ze hadden meegemaakt. Maar er was ook veel vrolijkheid. Met de meisjes en jonge vrouwen speelde ik spelletjes, we zongen liedjes en dansten onder de sterren. Ik sliep bij de Syrische vrouwen in de tent, matras tegen matras. Ze vroegen oprecht geïnteresseerd naar mijn leven, wilden foto’s zien van mijn familie. Ik leerde daar ook vrouwen in nikab kennen, van die zwarte schimmen waar ik vroeger een oordeel over had. Onder die doeken bleken echter humoristische, krachtige vrouwen verstopt te zitten. Ook met een aantal Afrikaanse minderjarige asielzoekers ben ik bevriend geraakt. Jongens die gerijpt en wijs zijn door alles wat ze hebben meegemaakt. Het enige wat ze willen is een normaal leven en ze zijn bereid daar hard voor te werken.

Ik zou het iedereen gunnen om eens een weekje in zo’n kamp te gaan helpen – wat gaan je ogen daarvan open. De hulporganisatie Operazione Colomba heeft als motto: waarom zou mijn leven meer waard zijn dan dat van een ander? Dat is zó waar. We zijn allemaal mens. Om dat te beseffen, moeten we veel meer kennis nemen van elkaars verhaal.’

‘De confrontatie met sterfelijkheid heeft me verrijkt. Het deed me al vroeg inzien hoe kostbaar het leven is en dat ik mijn tijd hier niet maar een beetje wilde uitzitten.’ ©Marc Brester/A Quattro Mani

3. Doodsbesef doet leven

‘Ik ben me al vroeg bewust geworden van de broosheid van het leven. Op mijn dertiende kreeg ik een hersenbloeding op school. Een halfjaar lang lag ik in een verduisterde kamer. Gek genoeg was ik voor mezelf niet bang om dood te gaan, ik dacht vooral dat ik mijn ouders dat niet kon aandoen. Ik hield er een blinde vlek en epilepsie aan over. De vanzelfsprekendheid van het leven was weg. Met mijn hartsvriendinnen had ik lange gesprekken over de zin van het bestaan. Later maakte ik nog een keer zoiets mee. In 2002, een maand na de dood van mijn vader, kregen we na afloop van een ‘troostetentje’ een ernstig auto-ongeluk. De neef van mijn vader, die de auto bestuurde, kwam daarbij om en mijn moeder en ik raakten ernstig gewond. Vele maanden lagen we naast elkaar in het ziekenhuis.

De confrontatie met sterfelijkheid heeft me verrijkt. Het deed me al vroeg inzien hoe kostbaar het leven is en dat ik mijn tijd hier niet maar een beetje wilde uitzitten. Ik wil het leven ten volle te leven, er het beste en mooiste van maken. Door de dood in de ogen te zien begreep ik dat liefde het belangrijkste is. Daardoor maak ik andere keuzes. Toen het met mijn vader bijvoorbeeld niet zo goed ging, besloot ik naar hem toe te gaan in Nederland, ook al was ik door een tijdschrift gevraagd om Odysseus na te reizen. Tijdens wat later zijn laatste maanden bleken te zijn, kon ik daardoor elke dag in zijn en mijn moeders nabijheid verkeren.

‘Ik laat me niet meesleuren door zorgen.’ ©Marc Brester/A Quattro Mani

Ik denk dat ik beter in het hier en nu ben gaan leven en meer lichtheid ervaar. Ik laat me niet meesleuren door zorgen. Soms kan ik me erover verbazen dat anderen zich opwinden over onbelangrijke dingen of enorm druk zijn met het najagen van bezit. Of het niet willen hebben over dood, ziekte of andere nare dingen die je als mens kunnen overkomen. Dan sluit je je ogen voor een wezenlijk aspect van het bestaan, vind ik. Leef het leven met alles wat daarbij hoort, ook de dalen. Door de dood tot reisgenoot te maken, kun je de mooie en ook de eenvoudige dingen beter op waarde schatten, je zegeningen tellen én vieren.’

‘Als je openstaat voor het onverwachte, blijft het leven verrassend.’ ©Marc Brester/A Quattro Mani

4. Er moet ruimte blijven voor het onverwachte

‘Ik heb ontdekt dat voor mij de meest ideale manier om te leven – en te schrijven – draait om balans tussen overgave en controle. Plannen maken, maar ook ontvankelijk zijn voor onverwachte wendingen. Niet te krampachtig aan iets vasthouden, maar ook geen speelbal worden – dat is de kunst. Daarvoor probeer ik goed te luisteren naar mijn intuïtie. Dat heeft ervoor gezorgd dat ik na mijn afstuderen in Rome ben gebleven, omdat ik hier een sterk gevoel van thuiskomen ervoer, ook al had ik me voorgenomen om daarna verder te reizen naar Parijs en New York. Toen ik werd gevraagd voor dat essay over vluchtelingen, was ik eigenlijk bezig met een roman over de Oudheid. Maar ik raakte zo betrokken bij het vluchtelingendrama, dat ik besloot deze roman even te laten liggen en het antieke Rome voor Lampedusa en Libanon te verruilen.

Als je openstaat voor het onverwachte, blijft het leven verrassend. Hoeveel mensen dromen er niet al jaren van om een grote reis te maken of willen eigenlijk weg bij hun partner? Doe dat dan! Je moet je nooit laten leiden door angst voor het onbekende of voor verandering, want het leven ís verandering. De tijd verstrijkt en op een gegeven moment kan het misschien niet meer.’

‘Ik heb gemerkt dat leeftijd betrekkelijk is. Daardoor kan ik bevriend raken met mensen die ouder of juist veel jonger zijn dan ik.’ ©Marc Brester/A Quattro Mani

5. Nieuwsgierigheid houdt je jong

‘Als klein kind wilde ik graag bij de volwassenen zitten en verstopte ik me onder de kussens van de bank om naar hun gesprekken te kunnen luisteren. Als er werd gezegd dat iets niet voor kleine kinderen was, dacht ik bij mezelf: Ik begrijp dit net zo goed als jullie, want in mijn diepste wezen ben ik een oude man.

Toen ik als twintiger relaties kreeg met oudere mannen, riep ik al dat hun leeftijd er niet toe deed. En dat wás ook zo. Ik viel niet per se op oudere mannen, zoals iedereen dacht. Ik ontmoette toevallig deze mannen, die eigenlijk gewoon jongens waren gebleven en heel creatief waren. Nu denk ik dat die aantrekkingskracht misschien toch wel een beetje met mijn vader te maken had, op wie ik heel dol was. Hij was letterkundige, een geestige en taalgevoelige man. Door hem was ik zo bevattelijk voor die oudere, sprankelende geesten. Later kwam ik erachter dat sommige mannen van mijn eigen leeftijd of jonger dat ook hadden en kreeg ik een langdurige relatie met iemand die bijna twintig jaar jonger was dan ik.

Ik heb gemerkt dat leeftijd betrekkelijk is. Daardoor kan ik bevriend raken met mensen die ouder of juist veel jonger zijn dan ik. Voor mij zijn originaliteit en nieuwsgierigheid belangrijk, openheid en levenslust. Sommigen hebben dat nog volop op hun tachtigste, anderen al niet meer op hun dertigste. Ik streef ernaar om zelf ook die nieuwsgierige en open levenshouding te behouden. Ik vind het niet erg om ouder te worden, ook niet fysiek. Je moet niet krampachtig aan de jeugd vasthouden, vind ik. Alleen aan de innerlijke jeugd.’

‘In de kerk hoorde ik altijd wel iets wat me raakte.’ ©Marc Brester/A Quattro Mani

6. Religie geeft handvatten voor het leven

‘Ik begrijp dat voor iemand die op een beklemmende manier met het geloof is opgevoed, met allerlei verboden, het een opluchting is om daarvan verlost te zijn. Maar ik heb godsdienst op een prettige manier meegekregen. Mijn beide opa’s waren dominee; van mijn moeders kant zijn ze predikant sinds de Reformatie. Mijn vader kon prachtig uit de Bijbel voorlezen en vertelde niet alleen over het christelijk geloof, maar ook over het hindoeïsme, boeddhisme, het jodendom. Van mijn moeder en oma leerde ik om de bijzondere momenten te vieren. Feestelijke diners, de stoel versieren als iemand jarig was, aandacht voor rituelen. Naar de kerk gaan heb ik nooit als drukkend ervaren. Ik hoorde altijd wel iets wat me raakte en vond het fijn om samen te zingen en te bidden met mensen van alle leeftijden, rangen en standen.

Het is mooi om in een traditie te staan, omdat dat veel geeft. Dat besef ik des te sterker op momenten van dood en afscheid, zoals tijdens de indrukwekkende rouwdienst van mijn vader. Ik realiseerde me dat mijn godsdienstige opvoeding me handvatten heeft gegeven om met de grote momenten in het leven om te gaan, door er met rituelen, oude teksten, liederen en gebed vorm aan te geven.

Mijn geloof is niet meer dat kinderlijke geloof van een vader in de hemel, maar de figuur van Jezus is voor mij nog steeds een concrete inspiratie. Je naasten liefhebben, vergevingsgezind zijn, dat zijn waarden die ik belangrijk vind en in de praktijk probeer te brengen. Het gevoel gedragen te worden, ervoer ik heel sterk toen ik maandenlang op mijn rug in het ziekenhuis lag, buiten de tijd, niet meer bang voor de dood. Het was een bewegingloze pelgrimage. Een vorm van verlichting.’

Over Rosita Steenbeek
Schrijfster Rosita Steenbeek (1957) debuteerde in 1994 met de roman De laatste vrouw. Ze publiceerde diverse romans, zoals Schimmenrijk, Ballets Russes en Ander licht, en non-fictie-boeken, waaronder boeken over Rome en Intensive Care. Haar familiegeschiedenis verwerkte ze tot de roman Rose, een familie in oorlogstijd (2015). Ter gelegenheid van de Maand van de Spiritualiteit schreef Steenbeek vorig jaar het essay Heb uw vijanden lief. Haar nieuwe boek Wie is mijn naaste? Mijn verhaal over de vluchtelingenopvang verscheen vorig jaar.

Met geluid. Eerherstel voor Marga Klompé; Actie Tomaat tijdens herdenking definitief begraven.

Marga Klompé.

Er moest maar eens een einde komen aan de mythe. Nan van Houte, voormalig directeur van het kleine theater Frascati in Amsterdam, heeft Aktie Tomaat begraven. Tijdens Requiem voor Tomaat, op 4 november 2019, maakte ze glashelder dat deze legendarische gebeurtenis door onze theaterhistorici een te grote broek aan is gemeten. Toen in 1969 een paar tomaten naar het al lang kwijnende toneel van de Nederlandse Comedie werden gegooid, was dat hoogstens een markant moment, maar de veranderingen die eraan worden toegeschreven, waren allang in gang gezet.

Avatar

Beste lezer!

Dit wil je toch niet missen? Natuurlijk krijg je dit verhaal gratis, zonder 'betaalknop' of andere belemmering! Gratis = fijn. Maar, als je wilt, kun je onderaan een donatie doen. Zo kan ik nog meer van dit soort relevante verhalen maken. Elk bedrag is welkom!
Dank je wel!
Wijbrand Schaap

Van Houte was sterk geëmotioneerd, zeker toen zij de inmiddels al even mythologische recensent Loek Zonneveld in herinnering bracht. Ze wees de verzamelde incrowd op een paar details in de geschiedenis. Zo was er in de jaren zestig allang vernieuwend theater te zien in kleine zaaltjes in Den Haag, Utrecht en Rotterdam. Alleen Amsterdam bleef achter. Fijntjes wees ze er ook op dat net in dat jaar de eerste lichting studenten van de opleiding dramaturgie van school kwam. Die zocht naar een toepassing van al het geleerde. Of naar een plek in de handboeken die ze hadden bestudeerd. En dan waren er nog de raden-communisten, die de Culturele Revolutie naar Nederland wilden halen.

Niets veranderd

Fantastisch daarom, dat tijdens de herdenking, op 4 november 2019, ‘hoogtepunten’ uit de discussie van 1969 werden nagespeeld. Ontluisterend om mee te maken hoe de discussie van toen vrijwel identiek is aan nu. Kijk maar eens naar de talloze fora, symposia en meet-ups die nu plaatsvinden op festivals. Of het jaarlijkse Paradisodebat. Kunst moet altijd van alles, dat is in 50 jaar niet veranderd. Sterker nog: zoals Van Houte in haar speech al aangaf: misschien moet kunst wel steeds meer. Maar kan die steeds minder.

UIteindelijk is Nan van Houtes speech, te beluisteren vanaf minuut 21 in de podcast, een groot eerbetoon aan Marga Klompé, de eerste vrouwelijke minister van Nederland. Zij was het die de na ‘Tomaat’ doorgevoerde veranderingen allang in de planning had. De minister, die ook de Bijstandswet invoerde, was een cultuurminister waar je alleen maar van kunt dromen. Iemand met een ruim hart en oog voor de vrijheid van de kunstenaar.  Als lid van de Katholieke Volks Partij had ze geen enkel probleem om Gerard Reve een grote prijs uit te reiken, kort nadat hij wegens het legendarische ‘Ezelsproces’ de woede van gelovig Nederland over zich had afgeroepen.

Collateral damage

De avond werd dankzij Van Houte’s speech geen viering van een oud succes. De mythe van ‘Tomaat’ werd ten grave gedragen: de veranderingen waren toch wel gekomen, daar waren die tomaten, inclusief de ‘collateral damage’ die ze in het leven van de ´oude garde veroorzaakten, niet voor nodig. En dat volk, waarvoor iedereen in 1969 zo graag de nek uitstak, dat volk, die arbeidersklasse, is inmiddels iets waar de mensen op het toneel een beetje bang voor zijn.

Luister in onze raw-podcast naar de speech van Ewald Engelen, die dat op zijn bekende manier uitlegt, gevolgd door een fragment uit de heropgevoerde discussie uit 1969 en tot slot de prachtige speech van Nan van Houte.

Broedplaatsen hadden we al, maar waar was de broedmachine? Is Art-up Incubator de redding voor cultureel Nederland?

Vijftig jaar geleden vlogen enkele tomaten en rookbommen door de Amsterdamse Stadsschouwburg. Dat wordt op 4 november herdacht in ITA, de vroegere Stadsschouwburg, met een bijeenkomst waarvoor blijkens de vele mailtjes die ik krijg nog niet alle kaarten zijn verkocht. Ondertussen verschijnen er lijvige essays in het vakblad en vraagt menigeen zich af of er niet weer eens een tomaat door een zaal moet vliegen. Spannend, natuurlijk, maar in 1969 hobbelde de theatersector ook een paar jaar achter de (maoïstische) actualiteit aan, dus zo’n enorme vaart zal het niet lopen. Al kan ik er na vanavond heel anders over denken.

Avatar

Beste lezer!

Dit wil je toch niet missen? Natuurlijk krijg je dit verhaal gratis, zonder 'betaalknop' of andere belemmering! Gratis = fijn. Maar, als je wilt, kun je onderaan een donatie doen. Zo kan ik nog meer van dit soort relevante verhalen maken. Elk bedrag is welkom!
Dank je wel!
Wijbrand Schaap

Wat er ondertussen wel gebeurt: kunstenaars moeten zich zakelijker opstellen. Het volstaat niet meer om je met je allerindividueelste uiting van je allerindividueelste emotie vanuit je werkplek in een postindustriële rafelrand te melden bij een subsidieloket. Daar wil men tegenwoordig ook een businessplan met echte targets hebben, en daarvoor hebben de meeste kunstenaars niet doorgeleerd op de kunstopleiding.

Innovatieve geschiktheid

Dat vraagt om een plan. En laat daar nu een plan liggen? Deze maand is de start-up ‘Art-Up’ gelanceerd. Een initiatief van twee mensen die met succes het programma Leiderschap in Cultuur hebben doorlopen, en nu een eigenlijk best wel goed plan hebben uitgewerkt. Het komt erop neer dat je je aanmeldt met je organisatie (ze doen alles, van éénmanszaak tot BV), en dat je vervolgens, bij gebleken innovatieve geschiktheid, een half jaar stevig begeleid en doorgezaagd wordt over je plan, coaches krijgt, intervisie, een mentor, the works.

Hoop buzzwords uit de consultancy-bingo, maar ik kan uit eigen ervaring melden dat het werkt. Dat Leiderschapsprogramma heb ik in het zelfde jaar gevolgd als Jon Heemsbergen en Anne Houwing. Langs diverse burn-out afgronden en bijnarampen hebben we het overleefd en mede daardoor bestaat bijvoorbeeld deze site ook nog. Niet omdat er opeens iemand met een zak geld klaarstond, maar omdat ik mezelf de weg leerde wijzen naar dat overlevingsmodel. Dat zijn nu donaties en contributies, en daar komt nog een groter verhaal over. (TL;DR: het werkt!)

Of dat met de twee initiatiefnemers van Art-Up ook gaat lukken? Ze hebben in ieder geval een jaloersmakend stel cultuurfondsen en geldschieters achter zich weten te krijgen, en dat alleen zou al vertrouwen moeten geven. Ik vind het best jammer Cultuurpers geen start-up meer is. Zou zo meedoen.

Enfin. Omdat ik het een jofel plan vind, krijgen ze dit juichende stukje gratis van me. Al blijven donaties natuurlijk welkom, he. 🙂

‘Wikileaks is nog nooit op één fout betrapt’ – Iris ter Schiphorst schrijft Assange: Fragmente einer Unzeit

Iris ter Schiphorst

‘Er is op dit moment een informatieoorlog gaande, die aantoont hoe belangrijk data zijn. De zaak-Assange is daarvan het meest schrijnende voorbeeld.’ De Nederlands-Duitse componist Iris Ter Schiphorst schreef een stuk over Julian Assange, de inmiddels omstreden verklaarde oprichter van Wikileaks.

Thea Derks

Beste lezer!

Dit wil je toch niet missen? Natuurlijk krijg je dit verhaal gratis, zonder 'betaalknop' of andere belemmering! Gratis = fijn. Maar, als je wilt, kun je onderaan een donatie doen. Zo kan ik nog meer van dit soort relevante verhalen maken. Elk bedrag is welkom!
Dank je wel!
Thea Derks

Ze heeft daar een missie mee: ‘Hoewel Wikileaks nog nooit op één fout betrapt is, wordt Assange beticht van spionage en landverraad en als een crimineel vervolgd. Zowel in Engeland als Amerika trachten politici de wet op de vrijheid van meningsuiting aan te passen, opdat onwelgevallige informatie als staatsgevaarlijk kan worden aangemerkt.’

Het Duitse Ensemble Modern speelt donderdag 7 november de wereldpremière van Assange: Fragmente einer Unzeit. Wat karakteriseert Iris ter Schiphorst als componist?

‘Ik ga in op onderwerpen die me persoonlijk erg boos maken, meestal zijn deze op het eerste gezicht ‘buitenmuzikaal’…. Zo reageer ik in mijn ensemblewerk Zerstören I (‘Vernielen’) op de aanslag op de Twin Towers. Die leidde tot het ontstaan van een nieuwe vorm van irrationaliteit, waarin de politiek terugvalt op primitief geweld. Tegelijkertijd werpen verschillende religies zich op als hoeders van archaïsche normen en waarden. Dit is vooral voor vrouwen een fatale, beangstigende ontwikkeling.’

‘In mijn documentaire muziektheaterstuk Volk unter Verdacht (‘Het volk als verdachte’) ga ik in op de werkwijze van de Staatsveiligheidsdienst in de DDR. In Das Imaginäre nach Lacan voor sopraan, orkest en live elektronica reflecteer ik op onze manier van waarnemen.’

Vooroordelen en wetteloosheid

‘Een zangeres draagt fragmenten voor uit klassieke Arabische poëzie, nu eens gestoken in Arabische dan weer in Europese kledij. Zij herhaalt vaak letterlijk haar verzen, maar uitgesproken in een andere gedaante. Zo stel ik de vraag of wij onafhankelijk zijn in onze waarneming of ons laten leiden door vooroordelen. In Meine kleine Lieder adresseer ik de ruk naar rechts in het huidige Duitsland.’

Waar gaat je nieuwe stuk over?

‘Assange: Fragmente einer Unzeit gaat over de bedreiging van onze vrijheid als individu. Het draait om de aantasting van de vrijheid van meningsuiting, de persvrijheid en ten diepste over het gevaar dat ons allen bedreigt wanneer de wet plotseling niet meer van toepassing is. De zaak rond Julian Assange toont wat er gebeurt als iemand ‘onaangename’ waarheden verkondigt.’

‘Assange is een meermaals onderscheiden Australische journalist, die optreedt als woordvoerder van het in 2006 opgerichte platform Wikileaks. Deze website biedt onderzoeksjournalisten de kans anoniem misstanden aan de kaak te stellen. Het platform heeft sindsdien veel zaken onthuld. Zoals de wantoestanden in Guantanámo Bay, over hoe westerse staten oorlog voeren op basis van fake news, hoe zij belastingparadijzen creëren, verkiezingen manipuleren en klokkenluiders de mond snoeren.’

Wij moeten ons als kunstenaars uitspreken

‘Helaas lijken veel mensen hierin slechts matig geïnteresseerd, maar het gaat ons allen aan. Om te spreken met Edward Snowden: “Wanneer het onthullen van een misdrijf wordt behandeld als een misdaad, worden we door misdadigers geregeerd.” Nu journalisten vervolgd en zelfs vermoord worden is het belang van transparantie groter dan ooit. Wij moeten ons als kunstenaars uitspreken, want niets minder dan de toekomst van onderzoeksjournalistiek en persvrijheid staat op het spel.’

Hoe heb je de compositie opgezet?

‘Ik gebruik korte fragmenten uit toespraken en uitspraken van politici die zich hebben uitgelaten over de zaak-Assange. Deze opnamen heb ik bewerkt en geprogrammeerd voor een sampler, die wordt bediend door een van de pianisten. Tegelijkertijd probeer ik in de muziek zelf uit te drukken hoezeer deze situatie me verontrust. De muziek overstemt vaak de solosopraan, ook al zingt zij versterkt. Het geheel maakt me zo van streek omdat duidelijk is dat deze vorm van rechteloosheid ons allen kan treffen’

Goed om te weten Goed om te weten
Ensemble Modern / Enno Poppe
Iris ter Schiphorst: Fragmente einer Unzeit
Muziekgebouw aan ‘t IJ, 7 november 20.15 wereldpremière
Verkadefabriek Den Bosch 8 november 20.45 uur

Op 7 november organiseert Muziekgebouw aan ‘t IJ van 16.30-17.00 uur een gratis toegankelijke openbare repetitie. Na afloop spreek ik met Ter Schiphorst en dirigent Enno Poppe. Het concert wordt de volgende dag herhaald in November Music, waarover ik hier eerder een voorbeschouwing schreef.

OK Boomer. De Code Diversiteit & Inclusie gaat de kunstwereld veranderen. Of was die allang veranderd?

Van 42 naar 18 pagina’s. Eigenlijk is daarmee alles al gezegd over de nieuwe Code Diversiteit en Inclusie die vrijdag 1 november het levenslicht zag. Na alle wolligheid en mitsen en maren van de oorspronkelijke Code Culturele Diversiteit, is het nieuwe ding een wonder van helderheid. Is misschien ook wel nodig, in deze tijden van identiteitsoorlogen, waar ter linker- en rechterzijde van het debat de emoties nogal eens hoog willen oplopen.

Avatar

Beste lezer!

Dit wil je toch niet missen? Natuurlijk krijg je dit verhaal gratis, zonder 'betaalknop' of andere belemmering! Gratis = fijn. Maar, als je wilt, kun je onderaan een donatie doen. Zo kan ik nog meer van dit soort relevante verhalen maken. Elk bedrag is welkom!
Dank je wel!
Wijbrand Schaap

Niets van dat alles in het Kinderboekenmuseum in Den Haag, waar een fijn bont gezelschap, hoewel nog steeds overwegend wit, de nieuwe code ontving. Veel plek ook voor de minder voor de hand liggende gevallen van diversiteit en inclusie: waar menigeen alleen denkt aan mensen van kleur, andere genders en andere afkomst, gaat het natuurlijk ook om mensen met een handicap. Fijn dus dat één van de twee &-awards deze dag was bestemd voor WatTelt, een club die streeft naar een maatschappij waarin doven en slechthorenden volledig kunnen meedoen.

Vijf vingers

Maar wat houdt die code in? Joan Tol, die op deze vrijdag het stokje overnam van voorzitter Siebe Weide, legde het nogal hands-on uit. ‘Het is niet zo simpel om die code opeens toe te passen. Vergelijk het met stoppen met roken, je hebt een hele nieuwe mindset nodig.’ Om de gebruikers over de streep te trekken is de code in vijf principes, of stappen, samen te vatten. ‘Ik heb de hand-pitch bedacht. Bijna iedereen heeft een hand. Niet iedereen heeft een hand, en niet iedereen heeft een hand met vijf vingers, dat realiseer ik me ook als het gaat om inclusief denken, maar laat ik het uitleggen met mijn eigen hand.’

‘Principe nummer één, de duim, is dat je je bewust bent van de noodzaak van diversiteit en inclusie. Tweede principe is de wijsvinger, waarmee je aangeeft waar je naartoe wilt gaan. Integreer diversiteit en inclusie in je visie. Dan hebben we de volgende interessante vinger. Deze ‘middelste’ vinger heeft heel erg te maken met het creëren van commitment en draagvlak. Dat ga je heel erg nodig hebben. Realiseer je dan ook dat je te maken krijgt met weerstand. Daar moet je dus maling aan hebben. De ringvinger staat voor trouw. Maak een plan. Schrijf dat ook op, want je hebt het nodig als je subsidie wilt aanvragen. Tenslotte, de pink, dat is een beetje een rare twist, maar evalueer wat je doet. Dat zijn de vijf principes van de code. Iedereen snapt hem nu!’

Dubbele code

Cultuurminister Ingrid van Engelshoven kreeg vervolgens de code in haar handen gedrukt, met een ferm ‘succes ermee’. In haar dankwoord benadrukte de minister dat de code diversiteit en inclusie nu ook subsidievoorwaarde is, net als de code fair practice. Kunstinstellingen die subsidie aanvragen zullen vanaf nu dus niet alleen de code moeten toepassen, maar ook moeten uitleggen hoe ze dat doen. Een en ander is dus heel wat minder vrijblijvend dan de vorige code, en dat stelt meteen al diverse instellingen voor moeilijke keuzes. Zo werd vorige maand al duidelijk dat de combinatie van de code fair practice en die voor diversiteit en inclusie voor een geweldige aardverschuiving gaat zorgen bij het Fonds Podiumkunsten. Niet alleen is er minder geld voor minder mensen, dat moet ook nog eens over meer nieuwe makers verdeeld worden.

De Minister wil het ook niet té strikt maken: ‘De code onderschrijven als subsidievoorwaarde betekent niet dat je alleen subsidie krijgt als je op alle gebieden een tiptop organisatie bent. Maar wel dat je bereid bent eraan te werken en een plan van aanpak maakt.’

‘Akkefietje met Stef Blok’

‘Diversiteit is dat je wordt uitgenodigd op het feestje,’ vervolgde ze, ‘en inclusie betekent dat je ook daadwerkelijk mee mag dansen op de dansvloer. Juist de cultuur is een plek in de samenleving waar iedereen mee moet doen.’

Van Engelshoven erkende dat ook het ministerie van OCW zelf nog wat werk te verzetten heeft: ‘De vorige zomer, naar aanleiding van een akkefietje met Stef Blok, hebben we scherp gekeken naar hoe we het zelf doen in Den Haag op de ministeries, als het gaat om diversiteit. Toen bleek dat OCW helemaal onderaan bungelde. We doen het goed als het gaat om man-vrouw-verhoudingen, maar in cultureel opzicht doen we het helemaal niet zo goed.’

Roddelen met open ogen

Als remedie is de minister gaan luisteren naar medewerkers. Ze maakt nu deel uit van het ambassadeursnetwerk diversiteit op het ministerie. Ze hoorde van een slechthorende medewerker dat die niet meekwam met de roddels bij het koffie-apparaat, omdat mensen met de rug naar haar toe stonden. Voortaan dus roddelen terwijl je iedereen aankijkt, was haar oplossing. Of dat nu dankzij de code is?

Vraag wordt, voor de komende jaren, of deze code, net als die voor de fair practice, echt iets gaat veranderen. Loopt het beleid niet, zoals het hoort, keurig achter de feiten aan? Zo gaat het immers ook met de fair practice code: die kwam op een moment dat het water kunstenaars aan de lippen stond, na jaren van uitholling van de arbeidsvoorwaarden onder druk van bezuinigingen. Zoiets geldt eigenlijk ook wel voor de code. Die is eigenlijk alleen nuttig voor organisaties met bestuurders in de Gerard Cox-leeftijd, de ‘boomers’ die het allemaal maar gelul vinden.

Op dit moment verandert de wereld namelijk al ingrijpend, zo vertelde ook Joan Tol: ‘Er is een hele generatie in opkomst voor wie diversiteit een vanzelfsprekendheid is. Hele competente mensen die op een gegeven moment op posities komen waar zij de beslissers zijn.’

Goed om te weten Goed om te weten

Lees alles over de code diversiteit en inclusie.

Luister naar een deel van de toespraken tijdens de introductie.

Hogescholen zijn veel te lang buiten schot gebleven in alle discussies over onderwijs.

“Als jij het vertelt lijkt het allemaal zo logisch”, zei een goede vriend vorige week, “als een bestuur dit zou horen…”

Hannah Roelofs

Beste lezer!

Dit wil je toch niet missen? Natuurlijk krijg je dit verhaal gratis, zonder 'betaalknop' of andere belemmering! Gratis = fijn. Maar, als je wilt, kun je onderaan een donatie doen. Zo kan ik nog meer van dit soort relevante verhalen maken. Elk bedrag is welkom!
Dank je wel!
Hannah Roelofs

Onderwijs, elke dag staat het in de krant en debatteren we ons maatschappijbreed suf over het belang van goed onderwijs, over de lerarentekorten en de grootte van klassen. Terwijl het kabinet muisstil zit in de hoop er onderuit te komen om broodnodige structurele verbeteringen zelf te initiëren. Hetzelfde doen ze met de boeren en de stikstofcrisis, Schiphol, de bouw, Zwarte Piet en vaccinaties. Het is een beleid van pappen en nathouden en de burgers het onderling laten uitvechten.

Als leraar Engels in de dop verbaas me ik me voortdurend

Ik verbaas me over de dingen die we voor de Hogeschool van Amsterdam moeten doen, voor een tweedegraads bevoegdheid. En, met terugwerkende kracht, verbaas ik me ook nog over de dingen die ik twintig jaar geleden op de Universiteit Utrecht moest doen.

Waarom moest ik op de universiteit een website bouwen? Maar kreeg ik nooit een vak hoe je een fatsoenlijke paper moest schrijven? En waarom word ik op de Hogeschool van Amsterdam om de oren geslagen met vakken zoals ‘research writing’ en wetenschappelijk correcte bronvermeldingen?

studieboeken voor de lerarenopleiding

De Hogeschool Utrecht maakt het trouwens nog bonter dan de Hogeschool van Amsterdam, die hebben een ‘onderzoekscompetentie’ aan hun lerarencurriculum toegevoegd. Hogescholen die universiteitje spelen en universiteiten die hogeschooltje spelen, wie is daar nou mee gediend?

Persoonlijk zou ik nu liever een extra vak klassenmanagement of differentiëren volgen. Dat heb ik namelijk keihard nodig voor mijn stage op een ROC. Met klassen vol leerlingen met rugzakjes, 16 jarigen die amper Engels gehad blijken te hebben, nieuwkomers die net Nederlands leren spreken en oh ja, die ene gesjeesde gymnasiast die zich dood verveelt in mijn lessen.

Het klinkt heel leuk hoor, dat ik ‘Shakespeare in huis heb’, maar mijn klasgenoot die de 26 beste spiekmethodes uit eigen ervaring kent, is potentieel pas echt een topleraar.
We hebben het voortdurend over ‘het lerarentekort’, maar we hebben het veel te weinig over de opleidingen die legio nieuwe leraren en allerhande zij-instromers mogen opleiden. Alleen de instapeisen van de pabo staan ter discussie.

Als hogeschoolstudent met werkervaring in andere vakgebieden blijf ik me verbazen over de starheid en logheid van het systeem. Ja, ik wil en gun iedere leerling heel goed opgeleide leraren, met een grote algemene ontwikkeling. Maar de weg daarnaar toe lijkt nooit ter discussie te staan in het publieke domein.

Leve de literatuur, maar noodzakelijk?

Een voorbeeld. Mijn klasgenoten hebben literatuurvakken en velen van hen worstelen daarmee, Pride and Prejudice is niet hun kopje thee. Ik heb daar vrijstellingen voor, maar de opleiding versnellen is voor mij bijna niet mogelijk. Mijn klasgenoten en ik leren voor een tweedegraads bevoegdheid, dat wil zeggen de onderbouw van het voortgezet onderwijs. De boeken die ze nu moeten lezen en het niveau van begrip dat ze moeten beheersen zullen ze never nooit hoeven toepassen in hun onderwijspraktijk.

foto: Hannah Roelofs

Persoonlijk zou ik het liefst met Shakespeare in de brugklas beginnen (en dat heb ik op een middelbare school waar ik een kunstvak gaf ook gedaan). Maar redelijk, nodig of efficiënt? Nee. Laat mensen die doorleren voor een eerstegraads bevoegdheid die literatuurvakken volgen, nu lopen er studenten op stuk met een achtergrond die je broodnodig hebt in een grootstedelijke onderwijs omgeving.

Het klinkt heel leuk hoor, dat ik ‘Shakespeare in huis heb’, maar mijn klasgenoot die de 26 beste spiekmethodes uit eigen ervaring kent, is potentieel pas echt een topleraar.

Onnodige talentverspilling

Ik en vele anderen luisteren voorlopig naar het klappen van de zweep en springen door hoepels van eisen. Ogen op de bevoegdheid en door. Mijn omgeving vindt me ‘dapper’. Maar met een op maat programma had ik al bijna klaar kunnen zijn, nu zit ik nog 2,5 jaar aan de hogeschool vast. Ongeveer de helft van de HBO studenten op een lerarenopleiding schijnt af te vallen in het eerste jaar. Bij de deeltijdopleidingen zitten een hoop mensen met baan en/of een gezin, die het onderwijs veel te bieden hebben, maar die het zich niet kunnen permitteren om vier jaar lang onbezoldigd te investeren.

Misschien dat de politiek gevoelig is voor het argument dat dit kapitaalvernietiging is. Dat past immers helemaal in ons neoliberale discours. Maar erger vind ik ‘de talentverspilling’ die plaatsvindt. Ik heb al te veel veelbelovende docenten in de dop de handdoek in de ring zien gooien. Hogescholen zijn blijkbaar gebaat bij een vierjarige opleiding en hun eigen, logge, curriculum? In mijn ogen zijn ze veel te lang buiten schot gebleven in alle discussies over onderwijs.

Scholen moeten er zijn voor de leerling, in plaats van leerlingen voor de scholen. En dat geldt ook voor de plekken waar de docenten van de toekomst worden opgeleid.

No Time To Die? Op de New Cinema Conference gaat het over marketing – en nauwelijks over Netflix.

Speerpunten voor de bioscoopbranche volgens bezoekers van de conferentie New Cinema.

Wat zal de bioscoopwereld de komende jaren het meest opschudden? De nieuwe James Bond-film? Of een op uw voorgaande bioscoopbezoeken afgestemde persoonlijke filmtip die zomaar op uw smartphone opduikt? Of misschien een technische innovatie die voor een heel nieuwe filmbelevenis zorgt?

Leo Bankersen

Beste lezer!

Dit wil je toch niet missen? Natuurlijk krijg je dit verhaal gratis, zonder 'betaalknop' of andere belemmering! Gratis = fijn. Maar, als je wilt, kun je onderaan een donatie doen. Zo kan ik nog meer van dit soort relevante verhalen maken. Elk bedrag is welkom!
Dank je wel!
Leo Bankersen

Zomaar een paar zaken die opdoemen rond het onderwerp van de deze week gehouden conferentie New Cinema. Anderhalve dag voordrachten en presentaties in Eye, voor een zaal gevuld met vertegenwoordigers van bioscopen, filmtheaters, distributeurs en andere betrokkenen. Georganiseerd door de Nederlandse Vereniging van Bioscopen en Filmtheaters (NVBF), samen met Eye, Filmdistributeurs Nederland en Filmonderzoek Nederland. Een follow-up van het evenement dat de NVBF ruim drie jaar geleden organiseerde onder de titel Cinema 2020. Stond toen de digitalisering hoog op de agenda, nu gaat het om de uitdagingen waar de branche de komende vijf jaar voor komt te staan.

Netflix

Overigens is het uitgangspunt tamelijk comfortabel. In haar openingswoord onthult NVBF-voorzitter Winnie Sorgdrager dat 2019 qua bioscoopbezoek in de richting van een topjaar gaat. Zo zijn er meer feiten die aangeven dat Nederland het in Europa lang niet slecht doet. Gemeten naar bezoek is bijvoorbeeld de Top 20 minder dominant dan in andere landen.

Bioscoopbezoek in Europa.

Ook is Nederland een van de weinige landen die over de afgelopen 18 jaar een stijgend bezoek laten zien.

Wat uitdagingen betreft dacht ik ook direct aan het opvijzelen van het Nederlandse marktaandeel, en aan Netflix. Opmerkelijk genoeg is over het eerste hoegenaamd niets gezegd. Niet veel meer dan de opmerking dat er diverser aanbod moet komen, plus de aanbeveling meer risico te nemen. De aanwezigen (zie hieronder) hebben er weinig vertrouwen in.

En Netflix? Ergens valt de opmerking dat Netflix niet met de bioscoop concurreert, maar met Fortnite en slaaptijd. Maar toch krijg ik het gevoel dat er om de pot heen wordt gedraaid. Pas tegen het eind van de bijeenkomst geeft Wendy Bernfeld (Rights Stuff BV) een snelle schets van het Video on Demand-landschap en noemt zij het de ‘olifant in de kamer’.

Blockchain

Bij gebrek aan kristallen bol blijft het natuurlijk lastig om vooruit te kijken, al is het maar vijf jaar. Misschien is dat de reden dat veel bespiegelingen eerder een impressie van de huidige situatie zijn, terwijl toch niet de minste sprekers zijn uitgenodigd. Wel de nodige leerzame statistiek, minder uitdagende vergezichten. En dan meestal nog in betrekkelijk algemene termen. Enkele aanwezigen die ik halverwege spreek hebben dan nog weinig nieuws gehoord.

Wel noteer ik uitspraken als: stel je doelen hoog, net als toen de eerste mensen naar de maan gingen. Als je ambitieus genoeg bent komt de innovatie vanzelf. Wees open-minded. Of: de tech-lieden van Silicon Valley hebben het niet alleen voor het zeggen.

Het meest concreet is misschien nog wel de Indiase filmmaker Anurag Kashyap. Hij ergert zich aan het gebrek aan inzicht dat hij als filmmaker krijgt van de distributie- en vertoningsketen. Met behulp van de blockchain-techniek werkt hij nu aan een platform waar makers hun film uploaden, die daarna tegen betaling te bekijken is. Makers kunnen precies zien wat er gebeurt

Uitdagingen

Wanneer moderator Robert Daverschot alle sprekers vraagt wat volgens hen de grootste uitdaging waar de bioscoop de komende tijd voor staat. Dat leverde stellingen op als:

  • Personalisering van de marketing.
  • De strijd om de vrije tijd.
  • Bestaande formules doorbreken.
  • Samenwerking bioscoop en VoD
  • Nieuwe redenen bedenken om daar de bioscoop te gaan.

Intussen kan ook de zaal via de smartphone live antwoord geven op een aantal vragen. Zo zien we dat de meerderheid niets ziet in een centraal online-verkooppunt voor bioscoopkaartjes, een voorstander is van experimenteren met release-windows (wat al gebeurt), niet verwacht dat Netflix een eigen bioscoopketen zal beginnen en geen vertrouwen heeft in een stijging van het Nederlandse marktaandeel.

Bioscoopbeleving

Als ik een rode draad probeer te vinden merk ik dat het minder om technologische vernieuwing gaat, maar veel meer over verfijnde marketing en het verbeteren van de ervaring van het bioscoopbezoek. Niet alleen extra luxe stoelen, maar ook de voor- en nazorg. De bioscoop moet niet op een winkel lijken, zoals een spreker opmerkt. Zorg voor een fijne sfeer, maak eens een praatje met de bezoekers, geeft ze tips voor een andere film die ze misschien interesseert. En waarom vijf bezoeken niet beloond met een gratis kaartje voor de zesde – of zoiets.

Het meest bondig en tegelijk veelzijdig is Patrick von Sychowski van het ironisch getitelde, maar informatieve platform Celluloid Junkie. Als aftrap van de meeting vat hij trends, ontwikkelingen en aandachtspunten samen in een A tot Z. Dat kunt u ongetwijfeld straks vinden in het binnenkort te publiceren conferentieverslag. Ik noem alleen een paar voorbeelden.

De A staat voor Alibaba, de Chinese online-shoppinggigant die ook in filmfinanciering gaat. De D is van Disney+, die zich met Netflix en anderen in de VoD-strijd mengt. Maar op hoeveel streamers wil een filmliefhebber zich abonneren? E is de Escape room, de nieuwe concurrerende attractie voor een uitje met vrienden. En met Z haalt hij het voorbeeld aan van Zoo Palast, de 100-jarige Duitse bioscoop. Terwijl het in heel Duitsland sukkelen is met het bioscoopbezoek, is het geheel vernieuwde, opgewaardeerde en van leuke attracties (water- en lichtshow) voorziene Zoo Palast de uitzondering.

Onderzoek

Vers van de pers komt ook het door ABN Amro gepubliceerde rapport Netflix jaagt innovatie in de bioscoop aan ter tafel. In samenwerking met Filmonderzoek Nederland hield de bank een onderzoek onder een steekproef van ruim 1000 bioscoopgangers. Wie zijn ze en wat verlangen ze.

Twee bevindingen als voorbeeld. Het kan de moeite waard zijn om te experimenteren met flexibele prijzen, dus meer betalen voor een première, en minder voor een zitplaats vlak voor het doek. Ook geconstateerd: wie graag naar Netflix kijkt, gaat ook veel naar de bioscoop.

Mooie afronding is het praatje met drie sprekers, als live-podcast opgenomen voor de site Film Disruptors van Alex Stolz. Heel aardig om Michel Reilhac (programmeur van de VR-competitie in Venetië) eerst zijn hoofd hoog in de VR-wolken te zien steken met een fantasie over een virtuele bioscoop. Waarna hij op aarde landt met een bijna ouderwetse aanprijzing van de traditionele cinemabeleving.

En James Bond? Tja, het schijnt dat er na de stroom van blockbusters met Marvel-helden nu toch ietsje minder van dit soort veilige eventfilms in de steigers staan. De hoop voor 2020 is dus gevestigd op No Time to Die, verwacht in april.

Goed om te weten Goed om te weten
  • Het NVBF-verslag van de conferentie zal over enkele weken beschikbaar zijn via newcinema.nl.
  • Het rapport van de in 2016 gehouden conferentie Cinema 2020 is hier te downloaden.

Waarom de prachtige jaarcijfers van de schouwburg- en concertgebouwdirecties duidelijk maken dat het stelsel om moet. 

Het gaat weer eens waanzinnig met de Nederlandse theaters en concertgebouwen. De directies, verzameld in de VSCD, slagen er ieder jaar weer in om in het najaar met werkelijk fantastische cijfers naar buiten te komen. Ook dit jaar is het gejuich niet van de lucht. Alles groeit. Het aantal banen, en het aantal vrijwilligers, bijvoorbeeld. (beiden met 3% gestegen in 2018, trendbreuk met voorgaande jaren waarin het aantal banen niet groeide, maar het aantal vrijwilligers wel).

Avatar

Beste lezer!

Dit wil je toch niet missen? Natuurlijk krijg je dit verhaal gratis, zonder 'betaalknop' of andere belemmering! Gratis = fijn. Maar, als je wilt, kun je onderaan een donatie doen. Zo kan ik nog meer van dit soort relevante verhalen maken. Elk bedrag is welkom!
Dank je wel!
Wijbrand Schaap

Waarom ben ik zo cynisch? Er is toch warempel echt goed nieuws te melden? Immers, de bezoekcijfers stijgen (+8%), het aantal voorstellingen neemt toe (+3%). Dus: wat loop ik te mekkeren?

Laten we zeggen dat de Vereniging van Schouwburg- en Concertgebouwdirecties elk jaar een persbericht uitbrengt met dezelfde opbouw en er dus ook elk jaar slecht nieuws in de laatste alinea’s verborgen zit. Ook dit jaar vinden we daar iets waar mensen die van ‘kwetsbare’ kunst houden en mensen die over subsidie gaan van zullen schrikken: het gesubsidieerde theater- en muziekaanbod daalt verhoudingsgewijs opnieuw. Tenminste, als we hogere wiskunde toepassen op de cijfers, want de VSCD noemt alleen percentages en verhoudingen, maar dus geen absolute cijfers. Bedrijfsgeheim, gevoelige informatie, dat soort dingen. En zonder absolute aantallen zeggen percentages helemaal niks.

Percentage van wát?

Wat is er aan de hand met het gesubsidieerde aanbod? Welnu, dat stijgt met 1 procent, al zegt de VSCD er niet bij van welk percentage naar welk percentage dat is. Volgens de laatste schattingen uit 2017 schommelt het rond de 13 procent, dus mooi dat het nu weer op 14 staat. Mogelijk. Wel jammer dat het publiek voor dat aanbod niet meegroeit. Sterker nog: dat krimpt met 3 procent. Was al niet veel, in eerdere jaren steeg het publiek minder hard dan het aanbod. Nu zet die trend zich dus in negatieve zin voort.

Wat wel enorm groeit, het staat er echt, is het gesubsidieerde aanbod in de categorie ‘overig’. Wat kunnen we daaronder rekenen, volgens de VSCD? ‘Onder ‘overig’ vallen urban arts, theatercolleges, literaire lezingen en meer. Deze voorstellingen worden 21 procent meer geprogrammeerd en 18 procent meer bezocht.’ Prachtig natuurlijk, maar proberen we de kabbalistische exegese even toe te passen op de totalen, gaat het hierbij om iets totaal marginaals. Immers: het totale gesubsidieerde aanbod stijgt met 1 procent, dan is de bijdrage van de groei van de categorie ‘overig’ dus niet echt van invloed. Laten we het houden op een groei van 10 naar 12 voorstellingen. Dat is 21 procent.

Vrij aanbod

Waarom maak ik me nu zo druk om die cijfers, die maar zo’n klein deel van het totaal uitmaken? Met 87 procent van het aanbod in theaters en concertgebouwen gaat het toch fantastisch? De reden waarom iedereen zich hier druk om zou moeten maken is eenvoudig: Nederland subsidieert theaters en concertgebouwen, en subsidieert kunst om in die theaters en concertgebouwen te laten zien. Op dit moment gaat echter een groot deel van het subsidiegeld dat we met zijn allen aan theaters en concertgebouwen uitgeven, naar ‘vrij’, ofwel ‘commercieel’ aanbod. Dat aanbod kan dus bestaan dankzij die subsidies. Sterker nog: de Nederlandse theaters en concertgebouwen maken dat commerciële aanbod dankzij subsidie mogelijk. Ook de musicals van Stage, ook de seventies tribute bandjes die overal rondtoeren.

En terwijl dit ‘gemakkelijke’ aanbod de programma’s vol stopt, aanbod waarover je niet al te lang hoeft na te denken, maar ook aanbod dat niets met de ‘bildung’ te maken heeft waarvoor die gebouwen ooit zijn neergezet, houden de directies steeds vaker de handen ver van het aanbod dat hun bestaansreden is.

Vijftien zalen

Vorig jaar nog vroegen de directies om extra geld van de overheid om dat moeilijke aanbod beter te verteren te maken voor hun leden. Gezien het feit dat het ‘moeilijke’ aanbod al jaren minimaal is, lijkt me dat geen kwestie van geld, maar van wil. Aan die wil ontbreekt het dus bij het merendeel van de schouwburg- en concertgebouwdirecties. Daar moeten we iets aan doen.

Ik zou zeggen: zadel al die schouwburgen en concertzalen die nu met lange tanden hun gesubsidieerde levertraan doorslikken niet met dat aanbod op. Geef dat ‘kwetsbare’ aanbod, mét een zak geld, aan schouwburgen en concertzalen die er wél heil in zien. Dat zijn er een stuk of vijftien. Meer niet. De gesubsidieerde kunst zal bloeien.

‘Hoog tijd dat er een einde komt aan gescheiden religies!’ – Joost Kleppe componeert Spirit of Mustafa voor Groot Omroepkoor en Radio Filharmonisch Orkest

Rumi ontmoet de derwisj Shams van Tabriz - uit Ottomaans manuscript

‘Alles wat ik maak komt voort uit gevoel, uit geraaktheid’, zei Joost Kleppe (1963) eens over zijn muziek. Die sensibiliteit wordt vaak getriggerd door poëzie en zijn oeuvre telt dan ook veel vocale werken. Zijn lyrische, ritmisch gevarieerde stukken staan geregeld op de lessenaars van zowel professionele- als amateurkoren. Met zijn aansprekende stijl treedt Kleppe in het voetspoor van illustere collega’s als Daan Manneke en Ton de Leeuw.

Thea Derks

Beste lezer!

Dit wil je toch niet missen? Natuurlijk krijg je dit verhaal gratis, zonder 'betaalknop' of andere belemmering! Gratis = fijn. Maar, als je wilt, kun je onderaan een donatie doen. Zo kan ik nog meer van dit soort relevante verhalen maken. Elk bedrag is welkom!
Dank je wel!
Thea Derks

Op acht november presenteren het Radio Filharmonisch Orkest en het Groot Omroepkoor de wereldpremière van Spirit of Mustafa. Het stuk is geïnspireerd op de poëzie van Mevlana Rumi, ‘universeel dichter van liefde en tolerantie’. Ik vroeg hem wat hem zo aantrekt in de verzen van de Perzische poëet. En hoe heeft hij deze naar muziek vertaald?

Je zei eens: ‘Als componist móet je gewoon denken: nu heb ik iets gemaakt dat de wereld verandert.’ – Geen geringe ambitie. Wat doe je als eerste wanneer je een opdracht krijgt, zoals in dit geval van het AVROTROSVrijdagconcert?

‘Allereerst ga ik nadenken over tekst en onderwerp. Ik kies graag iets wat me na aan het hart ligt, iets wat ik raadselachtig en intrigerend vind. Bovendien kijk ik naar de rest van het programma, met in dit geval twee Latijns-christelijke composities van Poulenc en Stravinsky. Mijn eerste gedachte was dat mijn stuk minstens net zo goed moest worden. Dat lijkt misschien een onmogelijke ambitie, maar wie niet durft te dromen zal nooit wat bereiken. Ik was dus tegelijkertijd blij met de opdracht maar ook ietwat bevreesd.’

‘Ik besloot meteen dat ik niet uit de Bijbel wilde putten. Eerder heb ik wel Bijbelteksten op muziek gezet, maar ik vond het nu tijd voor een breder perspectief. Het concept van gescheiden religies is wat mij betreft passé. Ik wilde iets doen met de liefdevolle kant van de Islam en dat bracht me al snel bij Rumi. Hij vertrok weliswaar vanuit de Islam, maar groeide uit tot universeel dichter van liefde en tolerantie. Dat is ook de kern van het soefisme dat hij vertegenwoordigt.’

Waarom de Islam?

‘In de Islam had ik me tot voor kort nooit zo verdiept. Mijn oppervlakkige indruk was dat het een nogal intolerant en restrictief geloof was. Totdat ik vorig jaar een Requiem-deel mocht maken voor de Marokkaanse vader Houssein. Hij verloor zijn dochter en jongste zoon aan IS in Syrië. Zijn verhaal is hartverscheurend; hij is ook nog eens één van de zachtaardigste mensen die ik ooit heb ontmoet. Houssein zei: ‘Mijn Islam is liefdevol en vergevingsgezind.’ Toen het Groot Omroepkoor mij vroeg iets voor hen te schrijven dacht ik hier onmiddellijk aan terug.’

Joost Kleppe

‘In de dertiende eeuw reisde Rumi als alom gerespecteerd religieus leider door het Ottomaanse Rijk. In de stad Konya ontmoette hij de zwervende derwisj Shams van Tabriz, die hem totaal van zijn stuk bracht. Shams stelt namelijk dat je wijsheid niet enkel vindt in boeken maar ook in het leven van alledag. – In de kroeg, in arme wijken, in humor en in de liefde. Er ontstaat een hechte spirituele vriendschap tussen beiden en ze worden onafscheidelijk.’

‘Rumi slaat aan het dichten, maar tot ergernis van zijn naasten verwaarloost hij zijn plichten als geestelijk leider. Uiteindelijk verdwijnt Shams uit zijn leven. Wellicht werd hij vermoord, mede door Rumi’s eigen zoon. Spirit of Mustafa beschrijft in vijf episoden hoe Rumi dit verlies verwerkt. De titel betekent zoveel als “Geest van het zuivere” en is ontleend aan het vijfde en laatste deel. Rumi maakt een innerlijke reis met universele dimensies. Het is een herkenbaar gegeven dat een pijnlijke, onverwachte gebeurtenis uiteindelijk kan leiden tot inzicht en wijsheid.’

Hoe heb je ‘Spirit of Mustafa’ vormgegeven?

‘Mede op verzoek van dirigent Peter Dijkstra heb ik gekozen voor Engelse vertalingen van de verzen van Rumi. En aangezien het Gloria van Poulenc al voorziet in een solosopraan, heb ik ook een solopartij toegevoegd. Elk van de vijf delen beschrijft een ander onderdeel van de reis, met telkens verschuivende accenten. In deel I en IV zijn orkest en koor gelijkwaardig; in het tweede mag het orkest schitteren, in het derde speelt het koor de hoofdrol. Het vijfde en laatste deel is een lied voor sopraan en orkest, met een bescheiden rol voor het koor.’

‘Het monumentale eerste deel is een credo: Rumi vraagt zich af of hij nog wel Moslim is. Sterker nog: of het verschil tussen Christen, Moslim, Jood, etcetera er nog wel toe doet. Deze vraag is ook na 800 jaar nog bijzonder actueel gezien het vele bloedvergieten door godsdiensttwisten. In het tweede deel is Rumi wanhopig en woedend, mogelijk dronken en helemaal de weg kwijt. – Humor uit de 13e eeuw, die ik heb aangezet met swingende syncopen, gestopte trompetten en Oosters aandoende glissandi.’

‘Het derde deel wordt ingeleid door een baritonsolo. Het verdriet is inmiddels zó groot dat Rumi wanhopig een uitweg zoekt in zijn fantasie. Zijn gevoel  stagneert, als water dat niet wil stromen. Om Rumi’s kwetsbaarheid te benadrukken koos ik hier voor een begeleiding door een klein, oudemuziekachtig ensemble.’

‘Deel IV is een herhaling van het eerste. Dit wordt besloten met een bevrijdende tekst van Shams, gezongen door het vrouwenkoor: zonder pijn geen geboorte. In “Spirit of Mustafa” begrijpt Rumi ten slotte dat Shams niet echt weg is, maar besloten ligt in hemzelf. Het is een gedroomd paradijs, maar kwetsbaar, fragiel en een beetje “weird”. Bindend element in de compositie vormt een kleine secunde, ofwel de toonafstand ti-do. Dit interval stijgt in de loop van de vijf delen steeds verder omhoog. – Als symbool van het pad naar verlichting dat Rumi aflegt.’

Zijn er behalve Oosters klinkende glissandi andere referenties aan Arabische muziek?

‘Niet al te letterlijk. Ik ben wel naar het graf van Rumi in Konya geweest en heb ook derwisjen bezocht. Hun soefi-muziek heb ik opgenomen en daar heb ik vervolgens eindeloos naar geluisterd. Indirect klinkt die invloed dus zeker door in mijn stuk, bijvoorbeeld in onregelmatige ritmes en afwijkende toonschalen. Soms ook vraag ik de zangers ietwat nasaal te zingen.’

‘Daarnaast creëer ik af en toe een Oosterse sfeer met ongebruikelijke klankkleuren. Bijvoorbeeld door een lage piccolo te gebruiken of een gestopte hoorn gecombineerd met strijkers-pizzicati. Op andere momenten haak ik aan bij popmuziek of zelfs bij de stijl van de door mij bewonderde Harry Bannink. Je zou mijn muziek poly-stilistisch kunnen noemen, maar ik streef ernaar die contrasten tot één organisch geheel te smeden.’

Goed om te weten Goed om te weten
Vrijdag 8 november 2019, TivoliVredenburg 20.15 uur en live op Radio4
Radio Filharmonisch Orkest, Groot Omroepkoor
Peter Dijkstra dirigent
Elsa Benoit sopraan o.a. Joost Kleppe: Spirit of Mustafa, wereldpremière

Info en kaarten hier.

De gemaskeerde waarheid in HBO’s Watchmen

Credit: HBO

In een tijd waarin stripverfilmingen, superhelden en alternatieve dystopische realiteiten hoogtij vieren, vreesde ik het ergste toen HBO Damon Lindelof’s Watchmen aankondigde. Zelf heb ik geen uitgebreide kennis van Alan Moore en Dave Gibbons’ stripboek Watchmen, maar wel vond ik de film uit 2009 een teleurstelling. Lindelof is de man achter de beruchte serie Lost. Waar de kijker bij Lost soms het zicht op de verhaallijnen kwijtraakte, is het — onderliggende — realisme in Watchmen duidelijk zichtbaar. Watchmen toont een dystopie waarin zowel de held als schurk zich letterlijk en figuurlijk verschuilt achter een masker, maar waar de pijnlijke en confronterende realiteit  zich niet laat verbergen.

Avatar

Beste lezer!

Dit wil je toch niet missen? Natuurlijk krijg je dit verhaal gratis, zonder 'betaalknop' of andere belemmering! Gratis = fijn. Maar, als je wilt, kun je onderaan een donatie doen. Zo kan ik nog meer van dit soort relevante verhalen maken. Elk bedrag is welkom!
Dank je wel!
Annika Hoogeveen

Ik moet toegeven dat de serie mij op een goede manier heeft verrast. Hoewel ik Watchmen hier en daar betrapte op voorspelbare elementen, zijn de verhaallijnen boeiend. De cinematografie — een visueel hoogstandje — leek soms elementen van Bertolt Brecht’s episch theater te bevatten. Het deed me nadenken over mens en samenleving. Bovendien staat de cast van Watchmen als een huis. Vooral — de voor mij enigszins onbekende— Tim Blake Nelson zette als Looking Glass/Wade een interessant personage neer.

Feit of fictie?

Watchmen’s openingsscène bekeek ik met horror en fascinatie. Was het werkelijk een historische Amerikaans gebeurtenis? Om met de onsterfelijke woorden van Queen’s Bohemian Rhapsody te spreken: “Is this the real life? Is this just fantasy?” Dat is meestal het probleem met film en televisie; de ‘waarheid’ op het scherm vervangt de gebeurtenissen zoals die in het verleden hebben plaatsgevonden. Het is dan gemakkelijk om zulke scènes als fictief te bestempelen. Vooral in een alternatieve wereld waarin Nixon vijf termen aan de macht is geweest en Robert Redford zijn opvolger was. Na wat onderzoek van mijn kant, bleek HBO’s ‘naspeling’ van de Tulsa Massacre van 1921 helaas een keiharde en verschrikkelijke waarheid te zijn.

Zwart-wit

In de Verenigde Staten schiet een blanke politieagent een donker persoon zelfs in zijn of haar eigen huis dood. Het is geen op zichzelf staande gebeurtenis. Dat racisme een heikel, maar reëel probleem is, laat Watchmen zien. In Moore en Gibbons’s strip was de Koude Oorlog nog Amerika’s grootste zorg. In de serie is dat ‘white supremacy’, oftewel, een organisatie van blanke racisten genaamd ‘Seventh Cavalry’. Een Ku Klux Klan versie 2.0 met hun eigen Rorschach maskers. Lindelof gaf aan in een interview met The New York Times dat er een culturele onrust heerst in Amerika. De reden hiervoor is, voor hem, de angst voor een vergelding.

Ik moest inwendig zuchten toen Watchmen mij een bekende wereld voorschotelde, waarin de betrouwbare politie een niet te winnen en voorspelbare strijd voert tegen het onuitroeibare alt-right. Stereotypen. Goed vs. slecht. Zwart-wit, waar grijs ontbreekt. Wanneer je meer inzicht krijgt in de werkwijze en structuur van de politie, besef je als snel dat in Watchmen niets is wat het lijkt.

Verwijderen van de maskers

In Moore en Gibbons’ Watchmen zijn de gemaskerde superhelden die de wereld en samenleving behoren te beschermen, niet foutloos. ‘Who watches the Watchmen,’ oftewel, wie houdt zicht op de superhelden? In de serie vervullen de agenten de rol van gemaskeerde ‘helden’. Wederom rijst de vraag: wie houdt de politie aansprakelijk voor zijn daden. Wie zit er werkelijk verborgen achter het masker en de gepresenteerde façade? Bij Watchmen kijk je toe hoe het masker langzamerhand wordt verwijderd.

 

Goed om te weten Goed om te weten
Watchmen is zeker de moeite waard, alleen al om uit te vinden welke verhalen er achter de maskers verschuilen. Daarnaast zetten de acteurs ijzersterke optredens neer, die ervoor zorgen dat de personages jouw interesse prikkelen. Verder is de cinematografie een lust voor het oog.

Watchmen is te zien op Ziggo Movies & Series XL

Als niemand met een Plan B komt… 

Op 23 oktober jl schreef website Theaterkrant.nl een stuk over de toekomst van de podiumkunsten. Een toekomst die zwart en somber is wanneer je als maker op groei, of zelfs überhaupt voortbestaan rekent. Kort gezegd: er gaat zoveel geld weg bij het Fonds Podiumkunsten, dat vanaf volgend jaar nog maar tussen de 50 en 60 aanvragen kunnen worden gehonoreerd, in plaats van de 112 nu. Reden: kortingen, fair practice en overheveling naar de Basisinfrastructuur, waardoor daar uiteindelijk 16 gezelschappen in de reddingsboot zitten.

Avatar

Beste lezer!

Dit wil je toch niet missen? Natuurlijk krijg je dit verhaal gratis, zonder 'betaalknop' of andere belemmering! Gratis = fijn. Maar, als je wilt, kun je onderaan een donatie doen. Zo kan ik nog meer van dit soort relevante verhalen maken. Elk bedrag is welkom!
Dank je wel!
Wijbrand Schaap

Ik wil niet lullig doen, maar de nu aangekondigde kaalslag komt vier jaar te laat. Niet dat ik de huidige ramp goedkeur, integendeel zelfs, maar het Fonds Podiumkunsten heeft er vier jaar geleden bewust voor gekozen 112 gezelschappen en makers te subsidiëren met te weinig geld. Zo ontstond de menselijke tragedie van burnouts en failissementen die een Fair Practice Code noodzakelijk maakte. Die Fair Practice Code zorgt er nu voor dat de bezuinigingen door Halbe Zijlstra alsnog keihard binnenkomen.

Minder draagvlak

Harder, zelfs, omdat zoveel makers met zoveel gevolgen voor privéleven en zelfrespect zijn door blijven werken, terwijl het maatschappelijk draagvlak samen met hun eigen draagkracht naar de bodem zakte. Immers: om aan subsidie te komen telde het aantal verkochte uitvoeringen zwaarder dan het aantal gemaakte producties. Dat leidde tot meer producties met per productie minder uitvoeringen, en onvermijdelijk kwaliteitsverlies.

Nu het dan eindelijk doordringt hoe zwaar de podiumkunst getroffen is, geldt sterker dan ooit dat er een structurele oplossing moet komen. Lobbyen bij Kamerleden gaat dit jaar weinig opleveren, zolang je geen tractor of cementmolen voor hun deur kunt zetten. En laten we wel zijn: de gevolgen van het rampzalige stikstofbeleid van de achtereenvolgende regeringen zijn maatschappelijk ook heel wat urgenter dan die van het minstens even wankele kunstenbeleid. Meer dan een paar ongevaarlijke miljoenen zullen er dus niet bijkomen, en dan nog zal dat zijn op basis van een privébelang van enkele cultureel angehauchte kamerleden.

Stip aan de horizon

Wat nu? Die vraag hangt dus al een tijdje boven de markt. Hij hangt wel zo hoog boven de markt dat clubs als Kunsten 92 er liever niet over nadenken. Het Fonds Podiumkunsten denkt momenteel vooral in probleemoplossing en de Raad voor Cultuur dacht de politiek te veranderen door alles en iedereen weer onder rechtstreekse verantwoording van het ministerie in de Basisinfrastructuur te brengen. Geen van deze aanpakken getuigt van visie, of de bekende stip aan de horizon die in andere gevallen altijd wordt aangehaald.

Laat ik het dan eens doen: wat is een mogelijk Plan B? Daarvoor is het het handigst om een keertje helemaal vanaf nul te beginnen. Dus: alle bestaande structuren even overboord. Dan zit je met een pot geld, een berg theaters en concertgebouwen, opleidingen en een potentieel publiek. De vraag is dan: zou je voor die situatie een ‘basisinfrastructuur’ ontwerpen, aangevuld met een ‘flexibele schil’, ofwel een pot met geld die naar de waan de dag of de tijdgeest kan worden besteed? En dat allemaal centraal vanuit Den Haag?

Blanco

Eerlijk gezegd denk ik van niet. Een structuurontwerper die nu blanco aan de gang zou gaan, zou eerst kijken naar hoe het land erbij ligt en waar het potentiële publiek zit. Het zou mij niets verbazen wanneer zo iemand uit zou gaan van steden en hun ommelanden. Het is hier natuurlijk vaker door mij gepropageerd, maar ik kan me, uitgaande van zo’n blanco situatie, geen andere inrichting van een podiumkunststelsel indenken dan één waarin landelijk een visie geldt waarin een paar vaste waarden staan, maar vervolgens een tiental strategisch gelegen en demografisch geschikte steden het budget te verdelen krijgen.

Dus ja: ik pleit voor een soort Duits systeem. Omdat dat beter is dan ons systeem dat van houtjes en touwtjes aan elkaar hangt. Er zijn daar een paar grappige argumenten voor te geven.

1 ‘In Duitsland is veel meer subsidie dan in Nederland’.

Dat is de meest gehoorde opmerking over Duitsland in de kunstsector en het is fake news. Duitsland geeft op alle  niveaus minder subsidie aan kunst dan Nederland, maar dat subsidiegeld wordt vrijwel volledig besteed aan stadsgezelschappen. Over de praktische invulling daarvan kun je van alles zeggen, maar de band tussen stad, theater en muziekscene is er een stuk hechter dan in Nederland met zijn landelijke en regionale ‘voorzieningen’. Het beste argument voor die situatie is dan ook dat men in Nederland denkt dat Duitsland veel meer subsidie geeft, omdat het nogal vaak zulk rijk theater oplevert.  Logisch, natuurlijk, want: twee verschillende structuren met tientallen klein zelfstandige deelnemers kost idioot veel overhead, en die mis je wanneer je het in één huis organiseert.

2 Wat de landelijke politiek niet regelt, lost de stad op.

Er wordt nogal wat gefuseerd, de laatste jaren, en soms pakt dat goed uit. Of eigenlijk: in 1 geval pakt dat goed uit. Den Haag schijnt echt één groot communaal succeshuwelijk te zijn, waar stadsbreed loftuitingen klinken en de stad een groot en divers aanbod heeft gekregen, binnenkort aangevuld met een eigen liefdesnest tegenover het Theater aan het Spui: Amare. In de andere steden is de fusie anders gelopen. In Rotterdam is het nog steeds een puinhoop, en Amsterdam is met fusieclub ITA een zelfstandige unit rijker, die internationaal en nationaal een trekpleister is, maar lokaal een beetje boven de partijen staat. Op zich niks mis mee, maar het voelt een beetje als een multinational op de Zuidas: mooie brievenbus, maar waar gaan ze naar de bakker? Het Holland Festival, waarmee ITA overduidelijk concurreert, staat dichter bij de mensen.

Is het daarom goed om steden meer geld en zeggenschap te geven over hun podiumkunst? Ik denk het wel, omdat dan uiteindelijk de stad en haar bevolking de podiumkunst krijgen die het best bij ze past. Waarom moet ‘Den Haag’ bepalen wat ITA in Amsterdam doet? Dat kan Amsterdam toch best zelf? Sterker nog: het levert voor alle deelnemers meer onzekerheid op, maar vergroot tegelijk de betrokkenheid van de bevolking enorm. Wie weet, wordt kunst weer een lokaal verkiezingsitem.

3 Overhead op de guillotine

Hoe dan ook: met nog maar één subsidieloket en een groot stadstheater met een brede taak is de overhead een stuk kleiner dan al die fondsen en verschillende officiële geldstromen waar al die individuele clubs nu extra personeel voor moeten inhuren om rond te komen.

4 Neem eens een voorbeeld aan Maastricht

Met alle successen van regionaal locatietheater zou je zeggen dat in Den Haag het kwartje moest vallen, maar er wordt nauwelijks op gereageerd. Het lijkt of men die succesproducties in Twente, Drenthe en Maastricht als toevalstreffers ziet. Maar wat als ze getuigen van een diepe behoefte van het potentiële publiek aan theater dat dichtbij hun wereld staat, en in dit geval ook letterlijk? Hoeveel kleinere voorstellingen kun je maken in die regio’s, voor die veertigduizend verkochte stoelen?

5 Geef het experiment en de landelijke ontwikkelingsbudgetten over aan de festivals

Als er één plek is waar experimentele kunst gedijt, dan is dat het festival. Ook daar is genoeg over geschreven, dus ik ga niet alles herhalen. Feit blijft dat festivals met hun bovenlokale, regionale en landelijke uitstraling inmiddels een duidelijke plek hebben, ook nog eens met een steeds duidelijker eigen identiteit.  Versterk dat. Stop daar landelijk budget in, en doe hetzelfde met de festivals die internationaal topaanbod brengen.

6 Vervang commissiebureaucratie door aansprekend leiderschap

Zo’n beetje mijn hele sociale netwerk zit in een commissie, of heeft daarin gezeten, ikzelf incluis. Hartstikke tof, iedereen belangrijk, een paar mensen kijken elkaar nooit meer aan en alle kunst is door meerdere mensen goedgekeurd. De polder in optima forma.

Hoe vaak heb ik niet met verholen jaloezie naar Berlijn gekeken, waar vorig jaar een theatrale machtsstrijd ontbrandde om het leiderschap van één van de meest roemruchte theaters van de stad? Chris Dercon kwam om onduidelijke redenen van de Tate naar de Volksbühne en werd ongeveer direct gefrituurd, gegrild en gefileerd omdat hij andere ideeën had over het oude theater van Brecht. Een jaar lang voorpaginanieuws in de lokale, en zelfs de landelijke pers.

Niet dat ik welke Nederlandse kunstwereld dan ook zo’n rel toewens, maar het hele debat ging niet over banen en pensioenplannen en structuren, maar over kunst en wat we daar met zijn allen mee willen. Een debat dat in de hele stad gevoerd wordt vanwege een aanstelling van een artistiek leider is me heel wat liever dan een commissie. Met een kunstsubsidiesysteem dat de stad centraal stelt, komt dat een stap dichterbij.

7 Focus het landelijke geld op maximaal 10 steden

Men zegt dat mensen niet willen reizen voor hun avondje uit. Het zou kunnen, maar de regionale succesvoorstellingen, de locatieprojecten, de musicals in de Randstad, ze bewijzen allemaal dat mensen graag een flink aantal kilometers afleggen, mits ze een beetje weten wat ze kunnen verwachten. Ik wil ze ook wel noemen. Naast Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht kom je dan uit bij Arnhem, Enschede, Groningen, Maastricht en twee Brabantse steden.

Wie als stad niet tot de happy few behoort blijft niet van cultuur verstoken, maar moet het op een andere manier oplossen. Commercieel, privaat gefinancierd, puur lokaal, whatever. Zolang die tien maar kunnen zwemmen in landelijk geld. Want dan gaan daar mooie dingen gebeuren die mensen niet meer kwijt willen.

En dat, lieve lezers, moet ons aller doel zijn.

‘De sopraan zucht, steunt, fluistert, ademt in, ademt uit, blaast, slaakt gilletjes’ – Helmut Lachenmann Got Lost in November Music

Helmut Lachenmann (c) Marion Kalter/Lebrecht Music

De Duitse componist Helmut Lachenmann (1935) is kampioen suggestieve piepjes, kraakjes en knarsjes. Net als bijvoorbeeld John Cage hoort hij muziek in onalledaagse bronnen. Zelden wordt een instrument bespeeld zoals het in de boeken staat. ‘Muziek maken met geluiden is relatief eenvoudig en altijd wel ergens modern,’ zei hij hier ooit over.

Hoewel hij zijn carrière begon als koorknaap telt zijn catalogus verrassend weinig vocale werken. Op zeven november klinkt in November Music zijn enige cyclus voor sopraan en piano, Got Lost. Deze wordt uitgevoerd door de sopraan Yuko Kakuta en de pianiste Yukiko Sugawara, echtgenote van de componist. Lachenmann komt zelf speciaal naar Den Bosch voor een gesprek na afloop van het concert.

Hij componeerde Got Lost in 2008 in opdracht van de Biënnale voor Nieuw Muziektheater in München. Het was een verzoek van de Britse sopraan Sarah Leonard, een van de zangeressen in zijn opera Het meisje met de zwavelstokjes. Dit verklaart de subtitel ‘Sarah’s Song’. Was die opera gebaseerd op het gelijknamige sprookje van Andersen, dit keer gebruikte hij teksten van Nietzsche en Pessoa. Van de eerste koos hij verzen uit Der Wandrer over een afgrond die onvermijdelijk leidt naar de dood. Van Pessoa citeert hij een bespiegeling over hoe belachelijk het is om liefdesbrieven te schrijven. – Met als conclusie dat het nóg belachelijker is er geen te schrijven.

My laundry basket got lost

Tot slot is er nog een Engelse tekst, waaraan de titel van de cyclus is ontleend. ‘Today my laundry basket got lost. It was last seen standing near the dryer. Since it is pretty difficult to carry the laundry without it I’d be most happy to get it back.’ Bij een eerdere uitvoering in Muziekgebouw aan het IJ vertelde Sugawara me dat deze woorden stammen van hun buurvrouw. Die had een briefje opgehangen in de wasserette waar ze haar wasmand was kwijtgeraakt. Sindsdien werd de uitdrukking een running gag tussen het echtpaar. ‘Helmut is altijd dingen kwijt, dus dan zegt hij weer: oei, mijn pyjama got lost.’

Anders dan bij een liederencyclus van pakweg Schubert op Schumann kun je de woorden zelden letterlijk verstaan. De partituur van Got Lost bestaat vooral uit losse medeklinkers, klinkers en lettergrepen. De sopraan zucht, steunt, fluistert, ademt in, ademt uit, blaast, slaakt gilletjes en zingt slechts af en toe een flard arioso. De pianiste roert zich soms met tongklakken en plots uitgestoten keelklanken, onderwijl daverende clusters afwisselend met sierlijke notenslierten.

Belachelijke situaties

In een eigen toelichting beschrijft Lachenmann hoe hij ‘drie slechts schijnbaar onverenigbare teksten’ tot een eenheid heeft gesmeed. Hij heeft ze ‘ontdaan van hun emotionele, poëtische en profane dictie’ en in de mond gelegd van de sopraan. Zij produceert ‘een voortdurend veranderend veld van klank, nagalm en beweging. Nu eens roepend, dan weer speels trillend of jammerend.’

Omdat Lachenmann de verschillende teksten voortdurend door elkaar husselt ontstaan onverwachte interacties, betekenislagen en een geestig soort expressiviteit. Zo benadrukt hij naar eigen zeggen de ‘transcendente, goddeloze boodschap van de belachelijke situaties’ die de drie teksten met elkaar verbindt.

Net als Anna Korsun schrijft Helmut Lachenmann muziek die zich onttrekt aan analyse. Zelf wil hij graag ‘de horizon van de luisteraar verbreden’. Dat is hem in Got Lost uitstekend gelukt.

Goed om te weten Goed om te weten
Donderdag 7 november Willem Twee Toonzaal, 12.30 uur
Helmut Lachenmann – Got Lost

Mark Andre – iv 1
Mark Andre – Job. 3.8

Yuko Kakuta – sopraan; Yukiko Sugawara – piano

Meer info en kaarten hier.

Vacature productieverantwoordelijke en vrijwilligerscoördinator deBuren

Momenteel is er een vacature voor een productieverantwoordelijke en vrijwilligerscoördinator deBuren. We zoeken een enthousiaste, gemotiveerde en praktische collega voor uiteenlopende taken.

Het Vlaams-Nederlands Huis deBuren bevordert de culturele en maatschappelijke samenwerking en uitwisseling tussen Vlaanderen en Nederland door te presenteren, te produceren, te inspireren en te verbinden. Speerpunten van deBuren zijn Vlaams-Nederlandse samenwerking, talentontwikkeling en diversiteit.

Als huis van cultuur en debat bieden wij een uitgebreid programma aan met jaarlijks 150 publieksactiviteiten en diverse culturele producties en projecten. deBuren bestrijkt vele genres en is actief in het eigen huis te Brussel, in de rest van Vlaanderen, in Nederland en in derde landen.

Wat verwachten we van jou?

A. Productieverantwoordelijke

  • Je bent, samen met een collega, de productionele spil in huis.
  • Je zet alle stappen die moeten worden gezet om onze presentaties en producties in de praktijk te brengen. Denk aan het boeken van (trein)tickets, hotels en restaurants, het klaarzetten van zalen voor podiumactiviteiten en vergaderingen. Je vraagt deze informatie proactief op bij collega’s, herinnert hen aan de praktische opvolging van hun projecten en ondersteunt hen daarin zodat zij zich volop op hun inhoudelijke taak kunnen richten.
  • Je volgt programma’s en projecten op in de tijd door productieplanningen te maken en door jezelf en de collega’s daaraan te houden.
  • Je voert algemene, administratieve kantoorwerkzaamheden uit. Denk hierbij aan het opnemen van de telefoon, het aannemen van pakketjes en het helpen bij de postverwerking.
  • Dit is een halftijdsfunctie.

B. Vrijwilligerscoördinator

  • deBuren wil vanaf het voorjaar een vrijwilligerswerking opstarten. We willen vrijwilligers uit het Brusselse betrekken bij de werking van deBuren door hen praktisch in te schakelen en door met hen en met anderen in gesprek te gaan over de Brusselse missie van het huis.
  • Jij bent vanaf het begin verantwoordelijk voor de opstart van deze werking.
  • Je stippelt een traject uit om een selectieve ploeg vrijwilligers uit Brussel aan het huis te binden. We verwachten van deze vrijwilligers dat zij tijdens programma’s helpen met de bar en de ticketing. Daarnaast vragen we hen om de communicatiecel te ondersteunen, bijvoorbeeld door te flyeren en posters uit te hangen.
  • Op gezette tijden breng je de vrijwilligers samen om de Brusselse missie van het huis te bespreken. Je nodigt hen uit om in gesprek te gaan met de inhoudelijke medewerkers.
  • Na de opstart blijf je de vrijwilligers motiveren en zorg je voor een correcte in- en uitstroom die aansluit bij de behoeftes van de vrijwilligers en de noden van het huis.
  • Dit is een halftijdsfunctie.

We pinnen ons niet vast op specifieke diploma’s, maar gaan ervan uit dat je een bachelor-diploma hebt of verworven competenties die daaraan gelijkstaan. Belangrijker is dat je je verbonden voelt met de dynamische en uitdagende stad Brussel. Interesse in het culturele en maatschappelijke veld is belangrijk, we staren ons niet blind op jaren ervaring daarin.

Je rapporteert aan de algemeen directeur en werkt nauw samen met programmamakers, projectcoördinatoren, de communicatieverantwoordelijken en je collega-productieverantwoordelijke. Je bent gemotiveerd, creatief, flexibel (zowel naar taakopdracht als werkuren) en respecteert deadlines.

Je denkt in oplossingen en bent positief ingesteld. Je kunt goed mondeling communiceren in het Nederlands, we verwachten niet dat je vlekkeloos schrijft. We bieden je de kans deze en andere vaardigheden via opleidingen aan te scherpen.

Wat bieden wij jou?

Wij bieden je een aantrekkelijke job in een omgeving die doordrongen is van alles wat met cultuur in Vlaanderen en Nederland te maken heeft. Ons team is dynamisch, gemotiveerd, open en nieuwsgierig, met een vinger aan de pols voor elk maatschappelijk relevant onderwerp. Wij houden van overleg en samenwerken maar nemen ook individueel onze volle verantwoordelijkheid op.

Het is mogelijk deze twee halftijdsfuncties (A en B) te combineren in één voltijdsfunctie. Geef vooral duidelijk aan in je sollicitatiebrief of je kiest voor A of B of A én B en motiveer deze keuze.

Indiensttreding in overleg en al mogelijk vanaf 1 december 2019.

Je contract van onbepaalde duur gaat gepaard met een competitief salaris, gebaseerd op de barema’s en gebruikelijke afspraken in de culturele sector. We houden daarbij rekening met je ervaring. Bovendien vergoeden we woon-werkverkeer binnen België en bieden we maaltijdcheques, een groepsverzekering en een hospitalisatieverzekering aan.

deBuren zet in op talentontwikkeling van medewerkers en luistert graag naar jouw ideeën over opleiding en zelfontplooiing. Het Vlaams-Nederlands Huis deBuren is gelegen in hartje Brussel, op 5 minuten stappen van het Centraal Station.

deBuren is een open huis. Wij weerspiegelen graag de superdiverse maatschappij waarin we leven. Daarom moedigen we kandidaten die het huidige team op enigerlei wijze kunnen diversifiëren van harte aan om te solliciteren.

Weet je graag meer?

Contacteer dan directeur Willem Bongers-Dek via willem@deburen.eu. Je mag vanaf maandag 21 oktober een antwoord verwachten. Neem zeker ook een kijkje op onze website www.deburen.eu.

Of solliciteer je meteen?

Stuur uiterlijk op dinsdag 5 november 2019 (voor 11:00 ‘s ochtends) aan Joke Daniëls – joke@deburen.eu – een mail met in bijlage één bestand (Word of pdf) van maximaal 3 A4, bestaande uit twee onderdelen: een vlot geschreven motivatiebrief (1A4) en je cv (maximaal 2 A4).

Opgelet! Bij langere bijlagen krijgt de jury alleen de eerste pagina van de brief en de eerste twee pagina’s van het cv te lezen. Je mag de motivatiebrief ook vervangen door een korte video (maximaal 4 minuten) die je via WeTransfer in MP4 doorstuurt. In dat geval stuur je je cv (maximaal 2 A4) met diezelfde WeTransfer mee.

Op basis van de ingezonden sollicitatie wordt een deel van de kandidaten uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek in de laatste week van november.

Ook de Nederlandse jeugdfilm in zwaar weer? Genoeg gespreksstof tijdens het Cinekid-festival

Superjuffie, de best bezochte jeugdfilm van het afgelopen seizoen (foto: Entertainment One)

Het jeugdfilmfestival Cinekid opent deze week met Binti, een aanstekelijke, hoogst actuele jeugdfilm die bruist van optimisme. Dat klinkt goed, want optimisme kan de Nederlandse jeugdfilm op dit moment goed gebruiken. Jammer dus dat Binti, over een meisje uit Congo dat alles in het werk stelt om met haar vader in België te mogen blijven, een grotendeels Belgische productie is. Dat het toonaangevende festival niet, zoals in het verleden vaak gebeurde, met een Nederlandse titel opent mag dan toeval zijn, misschien is het toch een klein teken aan de wand.

Publiek haakt af

Leo Bankersen

Beste lezer!

Dit wil je toch niet missen? Natuurlijk krijg je dit verhaal gratis, zonder 'betaalknop' of andere belemmering! Gratis = fijn. Maar, als je wilt, kun je onderaan een donatie doen. Zo kan ik nog meer van dit soort relevante verhalen maken. Elk bedrag is welkom!
Dank je wel!
Leo Bankersen

Deze zomer publiceerde het Filmfonds het onderzoek Zien en Gezien Worden, samengesteld door Peter Bosma en Esther Schmidt. Kort geleden verscheen er nog een aanvullende verkenning op persoonlijke titel van Peter Bosma: Op de groei gemaakt en bekeken. Uit deze rapporten blijkt dat de gouden jaren van de Nederlandse jeugdfilm voorbij zijn. Het bezoek, zowel totaal als per titel, is in de afgelopen vijf jaar flink gedaald en ook het aantal geproduceerde titels neemt voorzichtig af.

Gaat Cinekid aan dit onderzoek ook aandacht besteden? Volgens Erik Tijman, hoofd programmering, niet heel direct. Maar hij laat weten dat Cinekid het wel heeft aangegrepen om de Nederlandse jeugdfilm extra in het zonnetje te zetten. Woensdag 23 oktober is de Dag van de Nederlandse Jeugdfilm. Dan wordt ook de Top 25 gelanceerd – de 25 Nederlandse jeugdfilms die je beslist gezien moet hebben.

Daarnaast zal het volgens Tijman zeker meespelen in gesprekken en ontmoetingen tijdens de dagen voor professionals.

Moeten we ons erover verbazen dat de Nederlandse jeugdfilm in zwaar weer verkeert? Ja en nee. Nee, want uit diverse noodkreten in het afgelopen seizoen is gebleken dat ook de Nederlandse film in zijn geheel het moeilijk heeft. Ja, want naast alle sombere geluiden klonk doorgaans ook de opmerking dat de jeugdfilm (en documentaire) het sterkste segment van de Nederlandse film is. En prijzen op buitenlandse festivals zijn er ook. Maar toch.

Gouden jaren

Hoe heeft het zo ver kunnen komen? De gouden jaren van de Nederlandse kinderfilm begonnen in de jaren negentig van de vorige eeuw, met filmmakers die zich lieten inspireren door (ik vat het heel ruw samen) Scandinavische voorbeelden, het werk van Annie M.G. Schmidt en andere kinderboekenschrijvers. Na films als Het zakmes (1991) en Lang leve de koningin (1995) zorgde Abeltje in 1998 voor een doorbraak. Dit avontuur van de vliegende liftboy liet met ruim 900.000 bezoekers Disney’s Mulan ruim achter zich.

Nog grotere successen zouden volgen. Minoes (voor jong en oud) trok 1,2 miljoen bezoekers, Pietje Bell ongeveer 1 miljoen. Zelfs een film voor heel jonge kijkers zoals het hartveroverende Het paard van Sinterklaas kwam tot 331.000 – minder spectaculair, maar voor een Nederlandse speelfilm nog altijd jaloersmakend. Opvallend ook dat het verschil tussen artistieke jeugdfilm en publieksfilm hier in veel gevallen vervaagt.

Terugval

Het bovengenoemde rapport kijkt naar de Nederlandse jeugdfilm in de jaren 2011- 2018, en in deze periode is de magische grens van 1 miljoen niet meer gehaald. Toppers zijn hier Mees Kees (600.000) en de vervolgen daarop, en bijvoorbeeld een Carry Slee-film als Spijt (418.000). Illustratief voor de terugloop van het publiek is dat Mees Kees langs de lijn (2016) bleef steken op 359.000. De best bezochte jeugdfilm in 2018 was Superjuffie met 287.000 bezoekers.

Wat is er aan de hand? Is het publiek moe van meester Kees? Zijn er niet genoeg bestsellers meer om te verfilmen? Zijn er te veel titels die elkaar verdringen, nu door de digitalisering er meer films worden uitgebracht dan ooit? Of juist te weinig jeugdfilms, of niet genoeg kwaliteit?

Het onderzoeksrapport Zien en gezien worden, en de aanvulling van Peter Bosma houden het bij betrekkelijk algemene constateringen. Het eerste rapport benadrukt het belang van betere marketing en meer spreiding van releases over het jaar. Deze twee verslagen bevatten vooral veel cijfermateriaal, naast beschrijvingen van wat er gaande is in de sector en een aantal casestudies. Bijvoorbeeld van het veelbekroonde, maar aan de kassa geflopte Kauwboy. Plus reacties van enkele producenten, distributeurs en vertoners. Kortom, verplicht materiaal voor iedereen die zich diepgaand in deze materie wil verdiepen.

Onderzoek

Peter Bosma, onafhankelijk onderzoeker, docent en vanaf 1992 twintig jaar jeugdfilmprogrammeur bij LantarenVenster in Rotterdam, had al het vermoeden dat het niet lekker liep met de Nederlandse jeugdfilm. Vandaag dat hij een mailtje stuurde aan Doreen Boonekamp, directeur van het Filmfonds, met de suggestie eens een onderzoek in te stellen. Tot op dat moment had er nog nooit een afzonderlijk onderzoek naar de jeugdfilmsector plaatsgevonden. Toeval wilde dat Boonekamp al met hetzelfde idee speelde. Waarna het Filmfonds Bosma de opdracht gaf aan de slag te gaan.

Gevraagd naar zijn motivatie stelt Bosma dat de jeugdfilm hem na aan het hart ligt. “Diversiteit is een van mijn stokpaardjes. Ook voor kinderen moet er keus zijn uit allerlei films. Ik zie nu dat de Nederlandse film het steeds moeilijker krijgt naast het aanbod van bijvoorbeeld Disney-Pixar. Met dat laatste is op zich niets mis, heel mooie films, maar je ziet dat ook de filmtheaters die steeds vaker gaan programmeren. Er moet een tegenwicht zijn.”

Mijn bijzonder rare week met Tess (foto: September Film)

Ter illustratie van de moeilijke situatie noemt hij Mijn bijzonder rare week met Tess. “De leukste film van dit jaar. De marketing was goed, maar uitbreng in de zomer is lastig en de film is volgens mij voornamelijk in de filmhuizen vertoond.” Inderdaad bevestigt distributeur September Film dat Tess naast de filmhuizen slechts in een paar grote bioscopen was te zien, en dan nog heel kort. Sinds de uitbreng op 3 juli trok Tess tot nu toe krap 18.000 bezoekers (het kan iets meer worden, want nog steeds te zien). Dat is heel weinig. Zeker gezien het feit dat Tess op buitenlandse festivals met prijzen is overladen, waaronder een Special Mention in Berlijn en een publieksprijs in New York.

“Het is soms raadselachtig”, merkt Bosma op.

Digitalisering

“Het onderzoek begint in 2011, het jaar waarop de digitalisering van de Nederlandse bioscopen voor een groot deel is afgerond. Daardoor is een ander filmlandschap ontstaan. Meer titels in de bioscoop, met meer kopieën per titel. Aan de ene kant biedt dat meer kansen voor de jeugdfilm, maar aan de andere kant zijn de druk en de competitie groter. Sommige filmhuizen zijn meer kinderfilms gaan vertonen, maar filmhuizen vertonen ook Disney.”

Volgens Bosma is het belangrijk dat er een goed samenspel komt tussen de filmhuissector en de grote bioscoopketens, zonder met de vinger naar elkaar te wijzen. Dikkertje Dap (2017, 260.000 bezoekers) noemt hij als voorbeeld van een geslaagde samenwerking.

In zijn eigen verslag noemt Bosma een aantal factoren die een handicap voor jeugdfilms zijn. Zoals de kleine doelgroep voor kleuterfilms, het gebonden zijn aan schoolvakanties en matineevoorstellingen en de structureel mindere aandacht in berichtgeving (recensies, interviews). Maar voor een belangrijk deel is dat altijd al het geval geweest bij de jeugdfilm. Vandaar mijn vraag: wat is er de afgelopen tien jaar nu echt veranderd?

“Ik wil daar niet al te stellig over zijn, maar de digitalisering heeft wel voor een grotere competitiedruk gezorgd, waardoor titels weer sneller uit de bioscoop verdwijnen. Ook zien we de laatste jaren een verschuiving naar de Amerikaanse familiefilm die steeds meer aanwezig is.”

“Daarnaast zijn kinderen op veel meer media actief en hebben ze het ook vaak drukker met allerlei andere activiteiten. De bioscoop raakt daardoor misschien wat uit het zicht.”

Publieksonderzoek

Opvallend is wel dat voor het rapport uitgebreid is gesproken met producenten, distributeurs en vertoners, maar dat er geen publieksonderzoek heeft plaatsgevonden. Terwijl juist de kennelijk verschuivende keuze van het publiek (kinderen, maar zeker ook hun ouders) vermoedelijk een grote rol speelt. Bosma beaamt dat, en geeft als reden dat zo’n publieksonderzoek een vak apart is, dat lastig is om te doen en heel zorgvuldig moet gebeuren.

Het staat wel als nummer een bij zijn lijstje van aanbevelingen, wat eigenlijk een lijstje is van verder te onderzoeken onderwerpen.

Actiepunten

Maar wat zou hij nu al, zo voor de vuist weg, willen aanraden? Verbeterpunten die de Nederlandse jeugdfilm weer een duw omhoog kunnen geven?

“In grote lijn ben ik het eens met de aanbevelingen van het Filmfonds. Meer marketing, meer continuïteit en spreiding, wat betekent dat jeugdfilms ook buiten de schoolvakanties te zien moeten zijn.”

Maar hij wil het graag breder zien.

“Het zou bijvoorbeeld ook goed zijn als oudere, bekende titels weer eens opnieuw uitgebracht worden. Ook bundeling van de activiteiten rond een of twee gespecialiseerde distributeurs is belangrijk. De betrekkelijk nieuwe distributeur In the Air is wat dat betreft goed bezig. Ook goed samenspel tussen filmhuizen en bioscoopketens is belangrijk.”

“Daarnaast kan de voeling met het publiek verbeteren. De standaardmarketing is op zich goed, maar bereikt een klein publiek. Betrek scholen en docenten er meer bij, organiseer evenementen, werk samen met kinderboekhandels.”

Ook Erik Tijman ziet een samenspel van factoren aan het werk.

“De marketingbudgetten zijn laag. In het verleden was een nieuwe Nederlandse jeugdfilm al gauw een event, maar misschien is het publiek nu verwend geraakt. En kinderen kunnen uit veel meer media kiezen dan alleen de bioscoop. Wat ook meespeelt is dat de aandacht voor jeugdfilms beperkt is. Het gaat bij recensies meestal niet verder dan de vraag: ‘Is het leuk?’ Dat de jeugdfilm het meest succesvolle onderdeel is van de Nederlandse film zie je daar niet in terug.”

“Bij de productie speelt mee dat de budgetten voor jeugdfilms lager zijn dan voor volwassen films, zeker bij televisie. Daarbij komt dat door wetgeving met betrekking tot werkvoorwaarden voor kinderen, op zich een goede zaak, het draaien van een jeugdfilm bewerkelijk is.”

“Het is een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Ook de Filmacademie zou bijvoorbeeld aandacht aan de jeugdfilm kunnen besteden.”

Ter relativering van alle gesignaleerde problemen wil Bosma nog opmerken dat een gemiddelde Nederlandse jeugdfilm in de bioscoop nog altijd meer bezoekers trekt dan de gemiddelde Nederlandse film voor volwassenen. En: “Op gebied van kinderfilms is Nederland binnen Europa nog steeds gidsland.”

Goed om te weten Goed om te weten
De opening van Cinekid is op 16 oktober. In Amsterdam loopt het festival van 19-25 oktober. Cinekid On Tour in diverse andere steden nog tot 27 oktober.

De genoemde rapporten zijn de Filmfonds-publicatie Zien en gezien worden, en de aanvullende verkenning van Peter Bosma Op de groei gemaakt en bekeken.

‘Als een angstaanjagend koor van spookachtige buitenaardse wezens.’ Waarom je Anna Korsun in November Music gewoon moet ondergaan.

Anna Korsun (c) Konrad Fersterer

‘Anna Korsun stak met haar verrassende, ingeleefde en communicatieve muziek met kop en schouders boven haar collega’s uit.’ Dat schreef ik in 2014, toen zij de Gaudeamus Award won. ‘Van haar gaan we beslist meer horen,’ concludeerde ik en sindsdien heeft de Oekraïense die belofte meer dan ingelost. Ze maakte naam als componist, pianist, vocalist, dirigent en (mede)-organisator van concertseries. Haar werk wordt uitgevoerd tijdens alle belangrijke modernemuziekfestivals en eerder dit jaar kreeg ze de Open Oor Prijs van Stichting Trillende Lucht. In November Music presenteert Modelo62 een dwarsdoorsnede van haar inmiddels ruim 50 composities tellende oeuvre.

Het Haagse Ensemble is met zijn genre-overschrijdende programmering de ideale vertolker van Korsuns muziek. De musici braken eerder een lans voor eigenzinnige componisten als Sedje Hémon en Petra Strahovnik. Ook Anna Korsun kleurt graag buiten de lijntjes en gaat dwarsverbanden aan met beeldende kunst, dans, theater en literatuur. Ze betrekt zowel professionele en amateurmuzikanten als niet-muzikanten in haar werk en is tevens actief als vocalist en toetsenist. Ze regisseert bovendien muzikale projecten en geeft compositieles aan het Conservatorium van Amsterdam.

Poëtische muziek

Korsun heeft een grote liefde voor de menselijke stem en weeft spanningsbogen uit ongehoorde klanken, doordesemd met verwachtingsvolle stiltes. Met haar poëtische muziek weet zij ook de niets vermoedende leek in het hart te raken. ‘Haar werk is een onvervalste en zeer originele combinatie van archaïsche en betoverende muzikale arrangementen’, schreef de jury van de Open Oor Prijs. Geboren in 1986 in Donetsk studeerde ze compositie en muziektheorie aan de Muziekacademie in Kiev, waarna ze naar München verhuisde. Daar vervolgde ze haar studie bij Moritz Eggert aan de Hogeschool voor Muziek en Theater.

Een schot in de roos, zo bleek. ‘Ik kende Moritz niet toen ik tot zijn klas werd toegelaten, maar het was een gelukkig toeval, hij was en is heel belangrijk voor mij. Hij gaf vele nuttige adviezen en stond altijd open voor vragen over willekeurig welk onderwerp. Moritz beschikt over een aantal briljante vaardigheden. Zo heeft hij een geweldig analytisch vermogen, is hij een bijzonder getalenteerd musicus en heeft hij een goede intuïtie. Ik heb genoten van elke les en van al onze gesprekken.’

Eigen stem?

Toch gaat het haar te ver te zeggen dat ze dankzij Eggert haar eigen stem gevonden heeft. ‘Het vinden van een “eigen stem” is een complex proces dat door veel omstandigheden wordt bepaald. Het is vooral belangrijk te weten dat iemand je in je zoektocht ondersteunt. Maar eerlijk gezegd zou ik niet eens willen beweren dat ik een eigen stem gevormd heb. Dat zou immers betekenen dat ik vastzit aan een bepaalde stijl, terwijl ik me liever verder ontwikkel. Hoe dan ook, je weet nooit precies wanneer en door wie of wat je beïnvloed wordt, dat gebeurt onbewust.’

Een muzikale epigoon van Eggert is ze beslist niet geworden. ‘Onze muzikale richtingen zijn heel anders en zo hoort het ook. Het is vreselijk als de student een kopie wordt van zijn of haar leraar. Ik hou er sowieso niet van om kunst te vergelijken en zou ook niet weten hoe. Een kunstuiting is altijd uniek. En of je iets mooi vindt of niet is puur een kwestie van persoonlijke smaak.’

Spookkoor van buitenaardse wezens

Alleen al de opbouw van het concert op vijf november sluit aan bij de avontuurlijke geest van Anna Korsun. Vier van haar stukken worden gepresenteerd op twee verschillende locaties. Van zeven uur tot half acht speelt Modelo62 in de Grote Kerk in den Bosch. In deze strak vormgegeven, zonverlichte ruimte klinkt allereerst Pulsar voor orgel en sopraan, uitgevoerd door Korsun zelf.

Met aangehouden, pulserende tonen weeft zij een hypnotiserend klankweb waarin stem en orgel naadloos met elkaar versmelten. In het hierop volgende Signals zijn veertien musici uitgerust met een megafoon. Een scala aan kreten, gilletjes, fluittonen, geprevelde tekstflarden en uitgerekte vocalen omcirkelt het publiek. ­– Als een angstaanjagend koor van spookachtige buitenaardse wezens.

Claustrofobisch

Hierna verkassen publiek en musici naar de Willem Twee Toonzaal voor het tweede deel van het concert. Het claustrofobische Tollers Zelle voor gitaar en zang is geïnspireerd op de Duitse dichter en revolutionair Ernst Toller. Hij was een van de leiders van de communistische Beierse Radenrepubliek, die direct na WOII werd uitgeroepen maar slechts een jaar bestond; in 1919 werd Toller gevangengezet.

De gitaar is afwijkend gestemd en wordt bovendien bespeeld met een wijnglas. De aldus gevormde glissandi vinden een echo in de stem, die vooral ‘niet klassiek’ moet zingen. Zo schept Korsun een benauwend universum waarin opnieuw de grenzen tussen instrument en mens vervagen. Het portret eindigt met Ucht voor ensemble en tape, waarin Korsun onze oren wederom trakteert op ongehoorde, geheimzinnige klanken.

De muziek van Anna Korsun onttrekt zich aan analyse en valt niet in een hokje te vangen. Je moet haar simpelweg ondergaan, als een avontuur waarvan je de afloop niet kunt voorzien. Maar wie het aandurft zich in Korsuns particuliere universum onder te dompelen wordt rijkelijk beloond.

Goed om te weten Goed om te weten
November Music 5 November 2019
19.00 – 19.30 uur; Anna Korsun – Pulsar / Signals (Grote Kerk)
20.00 – 20.30 uur: Anna Korsun – Tollers Zelle / Ucht (Willem Twee Toonzaal)
Meer info en tickets hier.

Lazarus in Nederlandse première: it’s Valentine’s Day!

Dragan Bakema en Esmée Dekkers (Foto: Jan Versweyveld)

Voor ik iets inhoudelijks zeg over Lazarus, zondag 13 oktober dé musicalpremière voor mensen die nooit naar musicals gaan, een paar misverstanden de wereld uit. Allereerst, het album Blackstar, dat David Bowie drie dagen voor zijn dood op 11 januari 2016 uitbracht, is níet de soundtrack van Lazarus, de musical van zijn hand die een maand voor zijn dood uitkwam. Het album Blackstar is ontzettend veel meer. Het is de apotheose van een leven, een viering van het ongewisse, vol stervensmuziek die het leven viert op een manier die het requiem van Mozart tot een vage doodsrochel reduceert.

Avatar

Beste lezer!

Dit wil je toch niet missen? Natuurlijk krijg je dit verhaal gratis, zonder 'betaalknop' of andere belemmering! Gratis = fijn. Maar, als je wilt, kun je onderaan een donatie doen. Zo kan ik nog meer van dit soort relevante verhalen maken. Elk bedrag is welkom!
Dank je wel!
Wijbrand Schaap

Zo. Voldoende mensen boos gemaakt.

Misverstand twee: Lazarus is ook niet een autobiografisch egodocument van David Bowie, grotendeels omdat diens ego – en dat bedoel ik uiterst positief – onnoemelijk veel groter en gelaagder was dan wat in één uur en vijftig minuten aan tekst en muziek kan worden gezegd.

Bucketlist

Wat Lazarus wel is: een fascinerend stuk muziektheater, grotendeels opgebouwd uit een playlist die kriskras door Bowies oeuvre gaat, en een verhaal dat raakt aan het leven van David Bowie. Geschikt voor fans van het eerste uur, late instappers en mensen die nog nooit van de goede man hebben gehoord. Foei voor die laatsten, overigens, maar die mensen zijn er, en verdienen ook een plek onder de zon.

Voor David Bowie, geboren Jones, was Lazarus het laatste ding van zijn bucketlist. HIj had alles gedaan in zijn carrière, van idiote kinderdeuntjes (The Laughing Gnome) tot culthits als Heroes en megasellers als Let’s dance. Films (The Man Who Fell To Earth e.v.a.) en theater (The Elephant Man) waren al afgevinkt, maar een eigen muziektheaterstuk was er nog niet van gekomen. Het waren de erven van George Orwell die niets zagen in het plan van het seventies glamrock-icoon om een concertante versie van 1984 te maken. Dat werd dus gereduceerd tot een theatrale tour (de eerste in de geschiedenis) rondom het album Diamond Dogs waarin Bowie nog te zien is in een wat lastige bondage-act met twee dansers. Legendarisch, uniek, maar geen musical. Briljant album, overigens.

Vier velletjes

Maar nu is er dus Lazarus, een stuk dat Bowie in vier velletjes papier en een playlist uit handen gaf aan schrijver Enda Walsh en regisseur Ivo van Hove. Na de New Yorkse première, die later zwaar overschaduwd werd door de dood van het creatieve genie erachter, was het lang spannend of de musical naar Nederland zou komen. Zo’n megawerk is tegenwoordig namelijk te groot voor ons gesubsidieerde theater. Niet eens qua budget, maar qua beschikbaarheid van zalen en talent voor een langere speelduur dan twee maanden.

Mooi dus dat het in Delamar kon. Ook voor Albert Verlinde, die hiermee zijn reputatie als koning van het platte vermaak wat kan upgraden.

Bloednerveus

Welnu: is het wat geworden? Laat ik stellen dat ik bloednerveus was, vooraf. Ik heb zelfs sterk het idee dat de buikkrampen waaraan ik sinds de donderdag voorafgaand aan de Nederlandse première leed, deels door die zenuwen veroorzaakt zijn. Oorzaak; ik ben Bowie-fan. En niet zomaar. Voor deze overtuigde atheïst heeft Bowie sinds de eerste kennismaking op een cassettebandje van mijn broer in 1973 goddelijke status. Een status die er ook voor zorgde dat ik totaal verbijsterd, en nog steeds in de rouw ben om Bowie’s onverwachte dood in 2016.

Mijn zenuwen betroffen de twee mogelijke uitkomsten van mijn bezoek: dat ik het echt helemaal kut zou vinden en de voorstelling een eeuwige smet op mijn fandom zou werpen, of dat ik het zo goed zou vinden dat ik door mijn tranen heen niets meer van het gebodene zou meekrijgen.

Opwellend oogvocht

Dat laatste gebeurde veelvuldig, zondag 13 oktober. Logisch, je hoeft mij de eerste noten van een willekeurig nummer van Bowie maar te laten horen en ik schiet vol. Toen titelsong Lazarus inzette was ik dus in soft-focus vanwege opwellend oogvocht. Bijkomende oorzaak: Dragan Bakema, de acteur die ik al sinds zijn vroege jaren in Rotterdam volg, is buitengewoon overtuigend als Thomas Newton, de hoofdfiguur van Lazarus. En hij kan dus goed Bowie zingen. Zingen als in: de tekst en muziek van Bowie vertolken met meer nadruk op betekenis en emotie dan op zangtechniek. Best lastig, wanneer je weet dat Bowie alle drie die dingen in overvloed had. Er gloort een Jeroen Willems (god hebbe zijn ziel) in die jongen.

Bakema, alias Newton, treffen we aan als een ontspoorde en onsterfelijk geachte alcoholist, omgeven door hulpjes uit het heden en geesten uit het verleden. Zijn doel: weg uit deze aardse ellende, bij voorkeur terug naar de planeet waar hij ooit vanaf viel, naar de aarde. Of dat een reële wens is, en of hij echt een gevallen alien is, laat de voorstelling fijn in het midden, een hele prestatie van schrijver Enda Walsh.

Juliana Zijlstra

Hij converseert met een engelachtig meisje, en dat meisje – Juliana Zijlstra – zingt dus echt fan-tas-tisch. Zij doet – onder andere – Life on Mars (Bowie’s versie van Sinatra’s My Way) op een eigenzinnige  manier die onze halfgod uit zijn graf zou kunnen doen herrijzen. Reden twee om te gaan kijken.

Niet alles is goed. Er vinden een paar ongelukken plaats, ook met auto’s, en het slotnummer  maakt van Heroes wel een heel apart soort musicalact, maar die overschaduwen de verder uitstekende voorstelling niet.

Rock ‘n roll

Dat hebben we mede, en misschien wel vooral te danken aan Pieter Embrechts. Hij is de massamoordenaar Valentine, een figuur dat liefhebbers kennen van het album The Next Day. Hij doet dat met een schwung en een présence die de voorstelling vleugels geven, elke keer als hij opkomt. Oudgedienden kennen Embrechts van de Utrechtse Paardenkathedraal onder fenomeen Dirk Tanghe. Hij was eind vorige eeuw de Tartuffe die van het gelijknamige barokke personage een jezus wist te maken die het origineel overtrof. Sindsdien blijkt hij gegroeid.

Blijft dus over dat er voor niemand  reden is om niet naar Lazarus te gaan kijken en luisteren. De fans zullen door de stevige uitvoering niet teleurgesteld worden, de nieuwsgierigen die Bowie niet kennen, krijgen een waardige introductie in ‘s mans oeuvre. Musicalfans leren dankzij Bakema en Embrechts iets over rock ‘n roll.

Gewoon gaan kijken dus.

Goed om te weten Goed om te weten

Wereldberoemd ‘broddelwerk’ – waarom Monets waterlelies en blauweregens nog steeds zo bijzonder zijn

De waterlelies van Claude Monet in het echt ©Marc Brester/A Quattro Mani

Vroeger vond men het drie keer niks, tegenwoordig zijn de schilderijen van waterlelies en blauweregens de beroemdste doeken van de Franse schilder Claude Monet. We bezochten zijn tuinen in Giverny en keken even door de ogen van de meester.

A Quattro Mani

Beste lezer!

Dit wil je toch niet missen? Natuurlijk krijg je dit verhaal gratis, zonder 'betaalknop' of andere belemmering! Gratis = fijn. Maar, als je wilt, kun je onderaan een donatie doen. Zo kan ik nog meer van dit soort relevante verhalen maken. Elk bedrag is welkom!
Dank je wel!
A Quattro Mani

Mokken en sokken

Denk je aan de schilder Claude Monet, dan gaan de eerste gedachten waarschijnlijk uit naar diens kleurrijke doeken van waterlelies, blauweregen, rozen en groene bruggetjes bij een vijver. Net als veel beroemde schilderingen van Vincent van Gogh zijn deze glycines en nymphéas vereeuwigd op mokken, sokken, paraplu’s en potloden. Maar hoe vaak zijn die werken eigenlijk van dichtbij te bekijken?

Detail van een blauweregen in de tuin van Claude Monet ©Marc Brester/A Quattro Mani

De tentoonstelling Monet –Tuinen van verbeelding, die op 12 oktober open gaat in Kunstmuseum Den Haag (de nieuwe naam van het Gemeentemuseum), is de eerste grote Monet-expositie in Nederland in meer dan dertig jaar. Het is ook de eerste die zich specifiek op de tuinen richt. Het schilderij Blauweregen uit de eigen collectie van het museum vormt de spil van deze nieuwe tentoonstelling, en wordt getoond samen met drie andere blauweregens. Van de veertig internationale stukken is een groot deel nooit eerder in ons land te zien geweest.

Detail van een witteregen. ©Marc Brester/A Quattro Mani

Bron van inspiratie

De bloemen- en waterlelietuin die de Franse schilder aanlegde bij zijn huis in het charmante dorpje Giverny, vormden in de laatste decennia van zijn leven een onuitputtelijke bron van inspiratie voor Claude Monet (1840-1926). Wandelend door de weelderige tuinen – die door hemzelf werden aangelegd en onderhouden – snap je goed waarom. De variëteit aan soorten bloemen en planten, kleuren en vormen is fenomenaal en sprookjesachtig.

Een deel van de weelderige tuin van Claude Monet. ©Marc Brester/A Quattro Mani

Vernieuwend

Monets eerste waterlelieschilderij dateert van 1895, maar de grote versies die in Musée de l’Orangerie in Parijs hangen, maakte hij pas na 1914. De dood van zijn tweede echtgenote Alice, de diagnose dat hij grijze staar had, en het sterven van zijn oudste zoon Jean – in een tijdsbestek van drie jaar – hadden hem een paar jaar van het schilderen afgehouden. Zijn goede vriend, staatsman Georges Clémenceau, adviseerde iets groots te schilderen om zijn rouw te verwerken. Daar gaf Monet gehoor aan. Hij bouwde een royaal, licht atelier, waar hij meterslange waterlelieschilderijen maakte.

‘Wat vernieuwend was in die tijd,’ vertelt curator Frouke van Dijke van het Kunstmuseum Den Haag, ‘was dat hij speelde met de compositie. Daardoor was het amper te herleiden waar je naar keek: was het lucht? Reflecties in het water? Met het grote formaat van de werken refereerde hij aan de grote decoratieve werken uit de negentiende eeuw. Maar door zijn techniek maakte hij daar een heel nieuwe versie van.’

Monet bracht een fenomenale variëteit aan planten en bloemen bij elkaar. ©Marc Brester/A Quattro Mani

Staar

Het is geen toeval dat dit eerbetoon te zien is in het Kunstmuseum Den Haag. De speciale band tussen Monet en het Haagse museum gaat al langer terug. Een groot retrospectief in het Gemeentemuseum en Kunsthaus Zürich in 1952 zorgde in belangrijke mate voor de herwaardering van de tuinschilderingen van Monet. De nu wereldberoemde schilderijen van glycines en nymphéas werden in zijn eigen tijd namelijk totaal niet gewaardeerd door publiek en kunstcritici. Die grote brij aan impressies moest wel het gevolg zijn van de grijze staar die de ogen van de oude meester kwelde – hij zag het waarschijnlijk niet meer zo scherp allemaal.

Ook al kreeg Monet voor elkaar dat acht imposante doeken van waterlelies permanent in Musée de l’Orangerie kwamen te hangen, zijn series van hooibergen, de Thames of de kathedraal van Rouen werden alom veel hoger aangeslagen. Daardoor bleven honderden schilderijen van zijn tuinen na Monets dood verweesd en verwaarloosd achter in zijn atelier. Het had weinig gescheeld of ze waren voorgoed verloren gegaan tijdens de Tweede Wereldoorlog, toen atelier en doeken ernstig beschadigd raakten.

Een van Monets beroemde bruggetjes. ©Marc Brester/A Quattro Mani

Droomplek

Een bezoek aan Giverny maakt duidelijk hoe belangrijk deze omgeving is geweest voor de Franse schilder. Het was zijn droomplek, vertelt Frouke van Dijke, curator van de tentoonstelling, terwijl ze ons rondleidt door Monets vroegere woning. Eerst huurde hij het, maar na een aantal jaar had hij als schilder zo veel succes dat hij het perceel kon kopen.

De tuinen van Claude Monet inspireren nog dagelijks tal van kunstenaars. ©Marc Brester/A Quattro Mani

Het huis is ingericht zoals in de tijd dat hij er woonde: bomvol schilderijen gemaakt door hemzelf of door schilders met wie bij bevriend was, zoals Paul Cézanne en Piere-August Renoir. ‘Monet was een echte verzamelaar,’ vertelt Van Dijke. ‘De vele Japanse prenten hier in de gang vormden voor Monet bijvoorbeeld, net als voor Van Gogh, een grote bron van inspiratie. In tegenstelling tot Van Gogh zie je dat bij Monet niet terug in zijn stijl of onderwerpen, maar wel in zijn gebruik van kleuren.’

Monet had oog voor kwaliteit, maar een snob was hij niet. ‘Bij het verzamelen was hij niet gericht op exclusief of kostbaar, maar op wat hem aansprak. Hij had er ook geen problemen mee dat zijn eigen werken werden toegepast op bijvoorbeeld tapijten, iets waarvan veel kunstenaars nu waarschijnlijk zouden gruwelen. En als hij een werk kocht van een van zijn vrienden, betaalde hij hen gewoon de reële prijs.’

Het huis van Monet is vanbinnen en vanbuiten een Villa Kakelbont. ©Marc Brester/A Quattro Mani

Nutteloze bloemen

Het huis is een Villa Kakelbont, met Monet-groene kozijnen, deuren en veranda, een blauwe keuken en een kanariegele eetkamer – plafond, muren én meubels – die haast licht geeft. Zijn liefde voor kleur gaat buiten verder, in de weelderige bloemenvelden die hij met zijn Monet-groene vingers kunstig aanlegde. Irissen, rozen, lupines en afrikaantjes in alle kleuren van de regenboog wedijveren met elkaar om de aandacht.

Monet spaarde kosten nog moeite voor zijn waterlelietuin. ©Marc Brester/A Quattro Mani

Van heinde en verre liet hij heesters, klimmers en bloeiers komen, maar ook allerlei ‘exotische’ soorten waarmee hij de boeren op stang joeg, omdat ze bang waren dat die het grondwater zouden vergiftigen. Terwijl zij hem voor gek verklaarden dat hij kostbare landbouwgrond opofferde voor ‘nutteloze’ bloemen, kocht de gepassioneerde Monet zonder blikken of blozen een stuk grond aan en liet hij een beekje verplaatsen om zijn zo vurig gewenste waterlelietuin te kunnen aanleggen. De zandweg die de twee tuinen scheidde, liet hij verharden, vertelt Van Dijke met een glimlach. ‘Monet had namelijk ook een collectie auto’s en was dol op hard rijden. Hij reed het hardst van iedereen. Omdat dit stof gaf op de bloemen, liet hij de weg asfalteren.’

Uitmageren

Monets werkwijze van ‘uitmageren’ was en is nog altijd bijzonder, aldus Van Dijke. ‘De schilderijen bestaan uit veel verschillende lagen over elkaar, die meer of minder olie bevatten, want hij haalde olie uit de verf om die matter te maken. Hij schilderde laag over laag over laag, lagen met meer of minder glans en matheid over elkaar heen. Dat zorgde voor een enorme diepte, waarmee hij de reflecties in het water weergaf. Hij was zich ervan bewust dat verf kon verkleuren, dus hij maakte gebruik van stabiele verfsoorten: verf met het juiste pigment, zodat het over tig jaar ook nog de kleur zou hebben die hij wilde dat het had.’

Detail van een van zijn doeken in Musée de l’Orangerie in Parijs. ©Marc Brester/A Quattro Mani

De schilder werkte aan vele doeken tegelijk. Technisch onderzoek heeft laten zien dat de verf steeds helemaal droog was als hij er weer een nieuwe laag op zette. Dat betekent dat hij aan elk doek wel enkele maanden of soms zelfs jaren werkte.

Van Dijke: ‘Hij schilderde steeds over de vorige laag heen en schraapte delen van de verf juist weer weg. Soms zie je van dat heerlijke gesmeer met olieverf en liggen de klodders er dik op, op andere plekken zijn de lagen zo dun dat je het doek erdoorheen ziet en lijkt de verf meer op krijt, omdat het zo droog is. Op die manier legde hij er de nadruk op dat schilderkunst niet alleen draait om de voorstelling die te zien is, maar dat het kunstwerk is opgebouwd uit verf. Hij speelde dus bewust met zijn materiaal, met het medium verf. Al die werken waren een experiment om uiteindelijk tot het perfecte ensemble te komen: de acht imposante doeken die vandaag de dag nog in Musée de l’Orangerie in Parijs te zien zijn.’

In Musée de l’Orangerie kun je de werken van Monet ervaren zoals hij ze bedoeld had. ©Marc Brester/A Quattro Mani

Truttig

Moderne kunstenaars als Jackson Pollock en Mark Rothko bewonderden juist deze schilderijen van Monet, omdat ze tegelijk impressionistisch en abstract zijn. ‘Monet wilde een fysieke ervaring bij de toeschouwer oproepen, door hen te omringen met zoiets monumentaals en kleurrijks, waar een diepte in zit waar je als het ware in kunt verdrinken. Het werkt van Monet lijdt, net als dat van bijvoorbeeld Mondriaan, onder het feit dat het zo vaak wordt afgebeeld op koektrommels of posters. Die eendimensionale reproducties ontkrachten nou juist die diepte en gelaagdheid, en de manier waarop hij van verf gebruikmaakte. Dat komt op een koektrommel niet over. Daardoor denken veel mensen dat Monet truttig is.’

Monet kreeg geen genoeg van alle spiegelingen en reflecties in het water. ©Marc Brester/A Quattro Mani

Alleen als je echt voor zo’n doek staat, ervaar je de impact van het formaat en de magie van zijn techniek, vindt Van Dijke. ‘Daar is niets truttigs aan, want er zijn geen bloemetjes geschilderd. Het is iemand die zo vrij bezig is geweest met verf als je nog nooit hebt gezien. Er zit heel veel beweging en energie in zijn werk, terwijl het tegelijk een grote sereniteit uitstraalt.’

In het huis van Monet. ©Marc Brester/A Quattro Mani

Of deze doeken nu mede hun vorm gevonden hebben door zijn oogziekte of niet, de combinatie van figuratief, impressionistisch en abstract tegelijk was destijds uniek en vernieuwend. Eigenlijk is het dat nog steeds. Als je langs de waterlelies en blauweregens wandelt, kijk je heel even door zijn ogen en zie je wat hij zag: het spel tussen licht, water en de reflecties van de natuur. En vooral hoe fenomenaal hij dat heeft weten vast te leggen.

Goed om te weten Goed om te weten

Monet – Tuinen van verbeelding is van 12 oktober t/m 2 februari te zien in Kunstmuseum Den Haag, www.kunstmuseum.nl

Muziek vanuit woede en machteloosheid – Extra aandacht voor opzienbarende componist Georg Friedrich Haas in November Music

Georg Friedrich Haas (c) Ricordi

Vorig jaar baarde de Oostenrijker Georg Friedrich Haas opzien in het Holland Festival door openlijk te vertellen over zijn meester-slaaf-relatie met zijn echtgenote Mollena. Zo mogelijk nog opzienbarender was hun gezamenlijke productie Hyena. Mollena Williams-Haas vertelde een bloedstollend relaas over hoe zij afkickte van haar drankverslaving, haar man leverde de hypnotiserende muziek. Dit jaar is Haas een van de centrale componisten van November Music. Voor het festival schreef hij het gloednieuwe Solstices voor het Britse Riot Ensemble. Ook klinkt de Nederlandse première van zijn Negende Strijkkwartet.

In moderne-muziekkringen geldt Georg Friedrich Haas als een van de belangrijkste componisten van onze tijd. Bij het algemene publiek is hij echter nog altijd grotendeels onbekend – de openhartige ontboezemingen over zijn seksleven ten spijt. Toch leren gaandeweg steeds meer mensen zijn kleurrijke, iriserende composities te waarderen. Mede dankzij zijn ook hier te lande vaker uitgevoerde ensemblestuk in vain, dat deels in volledige duisternis wordt uitgevoerd.

Machteloosheid

Haas componeerde het in 2000 vanuit een gevoel van woede en machteloosheid. Zojuist was een regeringscoalitie gevormd tussen de extreemrechtse Freiheitliche Partei Österreichs en de Österreichische Volkspartei. In vain is geïnspireerd op de oneindige trappen in de litho Stijgen en dalen van Maurits Escher. Zoals de mensen doelloos rondjes lopen, cirkelt ook de muziek om haar eigen as. Een fraai symbool voor het vergeefse verzet tegen de verrechtsing van de maatschappij.

Sterk is ook hoe Haas verschillende klankwerelden op elkaar laat botsen tijdens de in het donker gespeelde passages. Harmonische, aangename akkoorden stuiten op angstaanjagende bouwsels van microtonen. Omdat deze tonen afwijken van de twaalf halve tonen van de gangbare toonladder klinken ze voor onze oren ‘vals’. De toch al dreigende sfeer wordt sterker wanneer het licht gedoofd wordt. Mét de musici daalt het publiek als het ware af in de ondoordringbare duisternis van het rechts-populisme.

Geen visuele prikkels

Bijkomend effect is dat je muziek veel intenser ervaart als je niet wordt afgeleid door visuele prikkels. Dit moge haaks staan op de trend om beelden en installatiekunst in te zetten, Haas spint er garen bij. Solstices en het Negende Strijkkwartet worden zelfs van begin tot eind in het gitzwarte donker uitgevoerd. Solstices ging afgelopen februari in première en kreeg lovende kritieken.

Een vleugel speelt de hoofdrol. Die staat in de zogenoemd ‘reine stemming’, wat betekent dat alle intervallen microtonaal zijn. De tien musici moeten intensief naar de piano en elkaar luisteren, om zonder enig visueel houvast te kunnen reageren. Het stuk opent met turbulente, verwrongen akkoorden van de piano, doorsneden met schelle uitroepen van trombone en andere blazers. De opwindende wervelingen zijn enigszins verwant aan in vain.

Na ongeveer vijf minuten schakelt Haas naar een lagere versnelling. De musici bouwen samenklanken van langgerekte lijnen, de piano plaatst losse tonen in de ruimte. Zo ontstaat een proces van diepgaand luisteren, waarin we bijna letterlijk de wonderlijke microtonale klankwereld worden ingezogen. Deze herinnert aan de minimalistische stukken die La Monte Young in de jaren zeventig in reine stemming componeerde.

Vertraagde dageraad

‘Het was alsof de dageraad zich aankondigde, maar op een ondraaglijke manier door de muziek werd vertraagd’
Haas verdeelde Solstices onder in segmenten, die hij zelf beschouwt als spelletjes en die worden geïntroduceerd door de pianist. De overige musici spelen uit het hoofd geleerde fragmenten, maar mogen deels ook improviseren. Samen werken ze toe naar een immense climax. Daarop voortbouwend houden ze naar het einde toe een akkoord bijna vijf minuten aan. Dan keert het licht geleidelijk terug; hoe sterker het licht, hoe zachter de muziek, waarna deze uitsterft in het niets.

‘Het was alsof de dageraad zich aankondigde, maar op een ondraaglijke manier door de muziek werd vertraagd’, schreef een criticus na de première. ‘De geest beweegt zich naar vreemde, soms sinistere plekken wanneer hij zo geïsoleerd in het donker wordt geplaatst.’ Een andere recensent repte simpelweg van een ‘onvergetelijke luisterervaring’. Solstices is hoe dan ook een belevenis.

Ook het Negende Strijkkwartet dat Haas in 2016 componeerde voor het Jack Quartet is microtonaal en wordt uitgevoerd bij gedoofd licht. In dit kwartet koppelt hij de buitengewone stemming aan zinderende spanningsbogen en een groot gevoel voor muzikaal drama. Het Italiaanse Quarteto Maurice staat garant voor een gloedvolle vertolking.

– Op naar Den Bosch dus!

Goed om te weten Goed om te weten
Zaterdag 2 november Georg Friedrich Haas: Solstices, Riot Ensemble
Vrijdag 8 november: Georg Friedrich Haas: Strijkkwartet nr. 9, Quarteto Maurice 

Advies onderzoekers: Amersfoort, zie kunstenaars meer als visitekaartjes!

Amersfoort investeert weer in cultuur. Dat is heel goed nieuws na een periode waarin bezuinigingen de boventoon voerden. Nu wordt het dus extra interessant wat de stad met het extra geld gaat doen. Er ligt al het nodige aan onderzoek. Vorige week kwam er uit onverwachte hoek nog een onderzoek bij. De belangrijkste uitkomst: Amersfoort mag wel wat trotser zijn op de eigen cultuur.

Wie wat wil zeggen over het Amersfoortse culturele leven, doet er goed aan om ook eens buiten de stad te kijken. Eerder dit jaar verscheen een onderzoek van een professioneel bureau, waarin Amersfoort werd vergeleken met steden als Breda, Den Bosch en Zwolle. Het ging toen om een advies over de noodzaak van nieuwbouw voor Flehite. In dezelfde periode keek een groep deelnemers aan het Utrechtse programma ‘leiderschap in cultuur’ rond in twintig andere steden. Ze wilden erachter komen welke slimme dingen Amersfoort zou kunnen overnemen van steden die voor vergelijkbare uitdagingen staan op cultuurgebied. Donderdag 10 oktober presenteren zij hun bevindingen aan de stad en de Raad.

Makelaar

Een van de onderzoekers, Joyce Roskamp, geeft een voorbeeld van de suggesties waarmee ze zullen komen: ‘In Arnhem hebben ze bijvoorbeeld een cultuurmakelaar met een eigen budget. Dat is heel simpel. In Nederland hebben we nogal eens de neiging om alles in ingewikkelde systemen te verpakken. Dan moet je met je kleine clubje plannen schrijven van tien kantjes. In Arnhem is die makelaar er speciaal voor aangesteld, met zijn eigen budget. Daarmee kan zij toffe initiatieven rechtstreeks steunen met geld of andere faciliteiten.’

Lees het hele verhaal op De Stadsbron

‘Ik heb besloten een ongegeneerd groots romantisch gebaar te maken en mensen lekker weg te blazen’ – Mathilde Wantenaar schrijft nieuw stuk voor Rotterdams Philharmonisch Orkest

Mathilde Wantenaar (c) Karen van Gilst

Creatief zijn op bestelling? Dat kan niet, zou je denken. Toch is het de werkelijkheid voor componisten en kunstenaars die in opdracht werken. Mathilde Wantenaar (1993) kreeg dan ook acute keuzestress toen het Rotterdams Philharmonisch Orkest haar vroeg om een nieuw stuk. Ze werkte net aan een opdracht van De Nationale Opera. ‘Ik voelde me als een konijn in de koplampen, totaal verlamd. Maar zo’n mooi aanbod kón ik gewoon niet afslaan.’ Op 11 oktober gaat Prélude à une nuit américaine in première in Rotterdam, een dag later klinkt het in het AVROTROSVrijdagconcert in Utrecht.

Thea Derks

Beste lezer!

Dit wil je toch niet missen? Natuurlijk krijg je dit verhaal gratis, zonder 'betaalknop' of andere belemmering! Gratis = fijn. Maar, als je wilt, kun je onderaan een donatie doen. Zo kan ik nog meer van dit soort relevante verhalen maken. Elk bedrag is welkom!
Dank je wel!
Thea Derks

Je beide ouders zitten in de muziek. Hoe heeft dat je leven bepaald?

‘Het is de reden dat ik überhaupt besta. Mijn moeder heeft kleinkunst gestudeerd en lang bij een toneelgezelschap gezeten. Op een gegeven moment is ze daarmee gestopt omdat ze zelf theater wilde gaan maken, ook op straat. Ze zocht een accordeonist en kwam uit bij mijn vader. Samen hebben ze door het hele land opgetreden, ook bijvoorbeeld op Oerol. Ze werden verliefd en daar ben ik uit voortgekomen. Mijn moeder geeft tegenwoordig alleen nog zangles, ze treedt niet meer zelf op, mijn vader wel.’

‘Hij komt uit een boerengezin, is opgegroeid in Soest als de jongste van zeven kinderen. Mijn opa had een handeltje in accordeons en mijn vader is uiteindelijk met dat instrument naar het conservatorium gegaan. Eerst deed hij klassiek, maar na een jaar stapte hij over naar de jazzafdeling aan het Conservatorium van Hilversum. Als tweede hoofdvak studeerde hij jazzpiano en sindsdien heeft hij ontzettend veel verschillende dingen gedaan. Hij speelde bijvoorbeeld tango met het Malando-Orkest, waarin hij zich ook nog bekwaamde op de bandoneon.’

Warm bad

‘Mijn vader is nog altijd heel actief. Hij begeleidt ook de voorspeelavonden van mijn moeder en soms doe ik ook mee, op gitaar of zang. Zo lang ik me kan herinneren kwamen er mensen over de vloer voor zangles. Het is altijd heel gezellig, want ze gaan niet meteen oefenen maar eerst een kop koffie drinken. Er komen mensen van alle leeftijden, van jong tot oud, de sfeer bij ons thuis is heel warm. Laatst heb ik nog een duetje gezongen met een van mijn moeders leerlingen.’

‘Vanaf dat ik pianoles kreeg bedacht ik eigen stukjes, die mijn vader noteerde, zelf beheerste ik het notenschrift nog niet. Hij speelde het mij voor, waarop ik zei welke noten goed of fout waren. Mijn vader was mijn eerste uitvoerder, haha. Toch zag ik componeren meer als mijn eigen gekke dingetje, waar eigenlijk niemand anders wat mee te maken had. Op het gymnasium dacht ik er aanvankelijk over wetenschapper te worden.’

‘Maar toen ik als onderdeel van het vak muziek kon meedoen aan een compositieproject van Asko|Schönberg sloeg de vlam in de pan. Een selectie uit onze stukjes werd uitgevoerd in de Kleine Zaal van het Concertgebouw. Dat was zó ontzettend tof! Dus na mijn eindexamen schreef ik me in voor de vooropleiding aan het Conservatorium van Amsterdam. Ik dacht: als het niet bevalt kan ik altijd nog scheikunde of industrieel ontwerpen gaan studeren.’

Inmiddels ben je afgestudeerd en stromen de opdrachten binnen. Hoe ga je daarmee om?

‘Dat is soms lastig. Ik werk nu aan een familieopera die volgend jaar in première gaat in het Opera Forward Festival. Toen kwam opeens dat verzoek van het Rotterdams Philharmonisch Orkest. Mijn eerste reactie was: oh nee! Ik had pas net gehoord dat de opera doorging en daar was ik helemaal verguld mee. Het is al heel lang mijn droom om opera te maken, maar dit viel precies in diezelfde periode. Ik dacht: nou krijg ik zo’n mooie kans om voor orkest iets te schrijven, terwijl ik me eigenlijk wil concentreren op mijn opera. Dat wordt een stressvolle boel.’

Konijn in de koplampen

‘Ik voelde me als het spreekwoordelijke konijn in de koplampen, totaal verlamd. Want eigenlijk kon ik de opdracht niet aannemen, simpelweg vanwege de planning. Ik heb programmeur Floris Don gevraagd of het niet op een later moment kon, maar hij wilde mijn stuk toch echt in oktober presenteren. Ik zat eindeloos te dubben: moet ik het nou wel doen? Op een gegeven moment vroeg Floris of ik niet nog iets had liggen wat ik kon hergebruiken. Een gouden tip, die me hielp de impasse te doorbreken.’

Ik vind het heerlijk als het motortje rolt en je voelt dat je ergens naar op weg bent. Dat op een gegeven moment het koper erbij komt, er een climax ontstaat en alles even in de lucht zweeft.
‘Er sprong me namelijk meteen een stukje materiaal in gedachten dat ik al heel lang eens verder uit wilde werken. Alleen had zich de mogelijkheid nooit eerder voorgedaan. Dat muzikale motief kwam voort uit een compositie waarin ik experimenteerde met een twaalftoonsmelodie. Uiteindelijk is dat in iets anders uitgemond maar dit specifieke stukje heeft een mooie, ietwat wringende harmonie. Het is welluidend en tegelijkertijd een beetje jazzy.’

Romantisch gebaar

‘Die harmonische wereld vind ik mooi. Ik ben een bewonderaar van Ravel en Debussy, maar ook van Tsjaikovski, vooral van diens Vierde Symfonie. Ik wilde net zulke prachtige lange strijkerslijnen schrijven. Heb me verdiept in hoe je zo’n spanningsboog opbouwt en welke harmonische progressies je daarvoor kiest. Ik vind het heerlijk als het motortje rolt en je voelt dat je ergens naar op weg bent. Dat op een gegeven moment het koper erbij komt, er een climax ontstaat en alles even in de lucht zweeft. Ik besloot een ongegeneerd groots romantisch gebaar te maken en mensen lekker weg te blazen.’

‘Mijn stuk staat naast muziek van Steve Reich en John Adams. Door zijn jazzy harmonieën en dansante ritmiek heeft het ook een wat Amerikaans tintje. Tegelijkertijd ademt het een meer Franse, nachtachtige zwoelheid, de sfeer van een nocturne. Over de titel heb ik lang zitten twijfelen, want zodra je een stuk een naam geeft, schep je verwachtingen. Ik hou het liever abstract. Ik dacht aan Nocturne voor orkest, maar dat vonden mijn vrienden té saai. Daarna heb ik zitten dubben over Dans la nuit, een woordspeling rond “dans”, die ook de Franse, nachtelijk sfeer vangt. Maar uiteindelijk heb ik gekozen voor Prélude à une nuit américaine.

Met een knipoog: ‘Uiteindelijk wordt het dan toch gewoon Prélude.’

Goed om te weten Goed om te weten

Rotterdams Philharmonisch Orkest / André de Ridder
11 oktober, De Doelen, Rotterdam

12 oktober, AVROTROSVrijdagconcert, Utrecht
Meer info en kaarten hier

Walking Through The Walls: unieke VR-ervaring aan de rand van de afgrond, waar draken leven.

Virtual Reality neemt een nieuwe vlucht. Op vrijdag 11 oktober om 15:00 uur kun je de wereldpremière meemaken van het ijzingwekkende Walking through the Walls, een totaal onderdompelend werk gemaakt voor de Oculus Go en MEZE AUDIO koptelefoon, samen de meest complete draagbare VR set die er bestaat. Het gebeuren vindt plaats bij Mediamatic in Amsterdam, in samenwerking met Stichting AV Node. 

De VR-video is onderdeel van het transmediale project Hic Sunt Dracones van de kunstenaar Francesco Bertelé, met curator  Chiara Pirozzi. 

Draken

Bertelé is jaren bezig geweest met Hic Sunt Dracones. De titel is latijn voor ‘Hier zijn draken’ en stond vaak op oude zeekaarten om onbekende gebieden te beschrijven. Voor het project werkte de kunstenaar met een team aan een performance, die bestond uit een zijwaartse klim langs de noordelijke kliffen van een eiland in de Middellandse Zee. Via digitale carteringstechnieken legden zij de tocht tot in het kleinste detail vast, om die zo compleet mogelijk te kunnen delen.

In het overkoepelende ‘Hic sunt dracones’ verkent Francesco Bertelé wat ‘Het spektakel van de grens’ (P. Cutitta) wordt genoemd. Hij onderzoekt wat er achter de schermen van het politieke spel gebeurt, dat zich afspeelt in grensgebieden. Via de performance sta je midden in dat toneel, de kunstenaar verstoort het evenwicht van je lichamelijke en psychische grenzen en doorbreekt het lineaire denken. 

‘Sensorische verstoring’

Zo kom je terecht op onverkende plaatsen; daar waar de draken zijn, of, zoals de kunstenaar het zelf beschrijft: ‘Virtual- en Augmented Reality technieken versmelten met connotaties die voortkomen uit actuele thema’s als geopolitieke grenzen, informatiemanipulatie en glitches als hiaat tussen fysieke en schijnwerkelijkheid. De uitkomst is een disconnectie tussen heden en ervaring, een sensorische verstoring in hybride en overgestimuleerde omgevingen, waar grenzen van zekerheid worden overtreden.’

Goed om te weten Goed om te weten
Aanmelding en informatie is te vinden op facebook: https://www.facebook.com/events/387572101935239/

Het project is mogelijk gemaakt dankzij de steun van het directoraat-generaal voor kunst, architectuur en stedelijke randgebieden van het Italiaanse ministerie voor Cultureel Erfgoed en Culturele Activiteiten, als onderdeel van de vierde editie van het Italian Council Project 2018.

We zijn nog lang niet gek genoeg. Waarom het theater dringend een beetje meer Crazy Wisdom nodig heeft.

‘Wij zullen nooit genoeg ‘hetzelfde’ zijn, wij randfiguren: bipolair, borderline, homo, lesbo, onbestemd, narcistisch, autistisch, hysterisch – en we zijn allemaal dodelijk onzeker en we hebben allemaal een knuffel nodig.’

Permanente, schijnbaar onvermijdelijke onzekerheid is de theatersector eigen. Ramsey Nasr trof dat scherp in zijn toespraak bij het ontvangen van zijn tweede Louis D’Or. De moed, of soms bijna masochistische drang om zichzelf voortdurend te bevragen en te bekritiseren is even sterk aanwezig als de halsstarrige neiging om niet te willen veranderen en de gelederen te sluiten zodra de kritiek de sector te veel wordt. De veel gehoorde verzuchting dat het niet goed gaat met het theater kan in een oogwenk omslaan in de conclusie dat ‘we’ het toch best prima doen.

Manisch Depressief

Waar de een aan de alarmbel trekt vanwege de verschraling van het aanbod in de schouwburgen, besluit een ander dat er best een paar zalen dicht mogen. Als iemand het heeft over kansen voor jonge makers, spreken anderen over overaanbod, een begrip dat vroeger alleen door onwetende bestuurders werd gebezigd. Pleit er iemand voor fair practice, dan staat zijn buurvrouw klaar om te roepen dat een bijbaantje voor jonge acteurs zo slecht nog niet is. Je kon het allemaal in sneltreinvaart voorbij horen komen tijdens het afgelopen Nederlands Theater Festival in september.

Iemand noemde de theatersector in de dagen voorafgaand aan Nasr’s speech daarom ‘bijna manisch-depressief’. Op dat moment waren de kwalificaties ‘emotioneel, praatziek, naar binnen gekeerd, egocentrisch en conservatief’ al voorbij gekomen. Ik zou daar zelf graag ‘knettergek’ aan toe willen voegen.

Dreigementen

Het is goed om met een nuchtere blik te kijken naar wat er allemaal gezegd is in de afgelopen festivalperiode en welke lessen daar misschien uit te trekken zijn. Allereerst: Nasr’s oproep om wat liever voor elkaar te zijn in deze soms wat oververhitte sector. Die oproep lijkt me terecht. Want ook in de culturele sector klinken onderling dreigementen, zien we intimidatie, scheldpartijen en soms veel te harde verwijten. Vaak gebeurt dat met zogenaamde passie en gedrevenheid als excuus.

Een sector die zich vooruitstrevend noemt zou de eerste moeten willen zijn om die hardheid te veranderen. Lief doen hoeft voor mij persoonlijk niet. Ik ben allang blij wanneer we een beetje aardig voor elkaar zijn, normaal overleggen, redelijk blijven en constructief samenwerken. Hier om de hoek hangt bij een winkel een bord met een simpele aanbeveling: Be nice, or go away. Dat lijkt me een redelijk en afdoende verzoek.

Ratten

Waar die toenemende boosheid vandaan komt? Mogelijk is het de algehele maatschappelijke verontwaardiging die hier meespeelt. We voelen ons op de een of andere manier allemaal tekortgedaan. Daar komt bij dat we onze frustraties makkelijker via sociale media de wereld in slingeren zonder acht te slaan op de gevoelens van de ontvanger. De blijvende druk op de culturele sector helpt denkelijk niet echt mee. Het is misschien die voortdurende bestaansonzekerheid en het gebrek aan (zelf)waardering waardoor de sector zich neigt te gedragen als een stelletje ratten in een ton.

Maar de waarheid is: er zijn geen ratten en er is geen ton. Er is alleen de wereld en de eeuwigdurende uitnodiging om in die wereld te handelen.

Haagse Mores

Dat handelen is nodig. Gaat het goed met theater? Inhoudelijk: ja. Driewerf ja. Er wordt fantastisch theater gemaakt in Nederland. Als acteurs voetballers waren geweest dan loopt dit land over van de Frenkies en de Liekes. Ons theater is modern, aansprekend, actueel en van hoog niveau. Er is voor ieder wat wils, zoals dat heet. Wie voor het eerst sinds lange tijd weer eens naar het theater gaat kijkt zijn ogen uit. Maar weet de joviale buurman op de camping wat er in het theater gaande is? Nee. Heeft hij van de Louis d’Or gehoord? Misschien. Maar waarschijnlijk niet.

Is er voldoende politiek en maatschappelijk draagvlak voor theater? Nee. Op de politieke agenda komt cultuur nauwelijks voor. Wie zich te veel met cultuur associeert verliest stemmen, zo vertellen de Haagse mores. Voor wie wil bezuinigen zijn de podiumkunsten al sinds jaar en dag een gewillig slachtoffer. We hebben, getuige al het bovenstaande, vervolgens de grootste moeite om met een mond te spreken.

Mindset

We kijken als een hert in de koplampen naar het cultuurbeleid. We zijn voortdurend reactief bezig: de politiek drukt op een knop en we schreeuwen, kermen, pruttelen, protesteren en gaan weer over tot de orde van de dag. We presenteren geen plan waartoe politici zich zullen moeten verhouden of beter nog: geïnspireerd door kunnen raken.

Het is daarom tijd voor een nieuwe mindset. Want meerdere vragen drongen zich tijdens het Theaterfestival op: Is het cultuurbeleid het probleem of is het feit dat we ons laten leiden door het cultuurbeleid het punt? Zijn de zalen te groot of is onze ambitie te klein? Neemt de politiek ons niet serieus of nemen wij onszelf niet serieus genoeg?

Zelfbewust

Wat wij als theatersector nodig hebben is een nieuw en gezond zelfbewustzijn. Een gezond zelfbewustzijn betekent dat je weet waar je kracht en je uitdagingen liggen. Dat je met afstand en compassie naar jezelf kunt kijken. Dat je je ego overstijgt en je groter kunt zijn dan jezelf. Dat je luistert naar de ander en daarin de wensen, de kansen en niet de bedreigingen hoort. Oftewel: ‘Be cool’, zoals mijn Tibetaanse leraar de gehele Boeddhistische leer graag kernachtig samenvat. Om daar monter ‘We are all going to die’, aan toe te voegen.

Vanuit dat gezonde zelfbewustzijn moeten we de leiding nemen bij het ontwikkelen van een nieuwe cultuurvisie. We moeten bepalend willen zijn, niet volgend. Dat is de juiste ambitie. De kracht waarop Nasr ons wijst is het afwijkende, het niet-gestroomlijnde, het niet volgende. Het gaat om de fluïditeit, de moed om alles te bevragen, de durf om anders te zijn.

Onschatbare waarde

Zit een politicus er werkelijk op te wachten om voortdurend een kopie van zichzelf te zien of wil hij geprikkeld worden door het vreemde? Moet een directeur van een culturele instelling inspiratie bieden of met het publiek rustig afwachten tot de inspiratie naar hem of haar toekomt? Moeten we onze Raden van Toezicht werkelijk vullen met brave borsten uit het bedrijfsleven of doen we ons vak en onszelf daarmee ernstig tekort?

Wees bewust! Wij maken deel uit van een creatieve industrie van onschatbare waarde. Wij zijn goed voor dit land dat een toekomst wil bouwen op kennis en innovatie. Creativiteit is de motor achter onze toekomstige economie. Het is tijd dat we zelfbewust naar buiten treden en het heft in handen nemen.

Woke

Zodra we elkaar met positieve suggesties en visionaire plannen ondersteunen zetten we een vliegwiel van creativiteit in gang
Wanneer we kritisch maar opbouwend naar elkaar kunnen zijn, eerlijk durven zijn wanneer er ergens iets niet goed gaat, zetten we grote stappen vooruit. Zodra we elkaar met positieve suggesties en visionaire plannen ondersteunen zetten we een vliegwiel van creativiteit in gang dat nauwelijks te stoppen valt. Het feit dat we woke zijn, bewust van sociale misstanden, geeft ons nog eens extra kracht.

Zelfbewustzijn is een. Een visie voor de toekomst formuleren is twee. Hier en nu handelen is drie. Er is geen excuus om niet ogenblikkelijk te handelen. Touretteshero Jessica Thom riep daar tijdens het festival met haar Call to Action nadrukkelijk toe op. Je kunt over toegankelijkheid blijven praten, je kunt ook vandaag nog de al dan niet spreekwoordelijke drempels uit je gebouwen slopen. Er is geen rechtvaardiging voor uitstel: begin nu en laat zien wat echt bewust zijn inhoudt.

Crazy Wisdom

Zei ik dat we knettergek waren? We zijn nog lang niet gek genoeg. We moeten de ambitie hebben om alle Nederlanders van 2 tot 102 naar het theater te krijgen, niemand uitgezonderd. Wij moeten in gesprek met onze politici en beleidsmakers, zetel voor zetel, van dorp tot dorp, van stad tot stad. Niet om ze de les te lezen, maar om ze te inspireren met ongebruikelijke visies op een creatieve wereld. Visies waar ze warm van worden. Waar ze zich sterk voor willen maken. Waar ze zich mee willen associëren omdat er geen ontkomen aan is.

Wij hebben dringend een beetje meer Crazy Wisdom nodig. Vrije geesten die buiten de conventies denken. ‘Niet hetzelfde zijn’ zoals Ramsey Nasr dat noemde, is onze allergrootste kracht. Laten we daar vooral schaamteloos en effectief gebruik van maken.

We voorspelden het goed: Zwanen voor Conny Janssen Danst en Schuitemaker

Conny Janssen. Foto: Lex de Meester.

Ruben Brugman voorspelde het op 22 juni al. Dus een totale verrassing was het niet. Op vrijdag 4 oktober zijn tijdens Het Nederlandse Dansdagen Gala van Festival de Nederlandse Dansdagen 2019 in Theater aan het Vrijthof te Maastricht de VSCD Dansprijzen, de Zwanen, uitgereikt. Conny Janssen, artistiek leider van Conny Janssen Danst, ontving van minister van Engelshoven de Gouden Zwaan voor de grote bijdrage die zij met haar carrière aan de Nederlandse dans heeft geleverd. De Zwaan voor ‘meest indrukwekkende dansproductie 2019’ is toegekend aan The Way You Sound Tonight van Arno Schuitemaker. Danser Redouan Ait Chitt kreeg de Zwaan voor ‘meest indrukwekkende dansprestatie 2019’ voor zijn rol in REDO van Shailesh Bahoran/ Illusionary Rockaz Company.

Uit het juryrapport:

Conny Janssen Danst: ‘Janssen legt verbindingen tussen het publiek en haar werk met professionals uit verschillende kunstdisciplines, stimuleert opkomende talenten en uitwisseling met het amateur-dansveld. Daarvoor breekt zij regelmatig uit de vaste kaders van theater en dansstudio om de toeschouwers naar bijzondere locaties te brengen; van kerk tot fabriekshal, van een onderzeeboot-loods tot tramremise. Hierin toont Conny Janssen zich keer op keer een avontuurlijke cultureel ondernemer.’

The Way You Sound Tonight:  ‘Met de keuze van Schuitemaker voor deze ‘akoestische danszaal’ word je ondergedompeld in een verleidelijke en aan extase grenzende ervaring. De zucht naar perfectie, de oorspronkelijke interpretatie van bewegingen uit de clubdans en de onontkoombare dwang, maken de voorstelling The Way You Sound Tonight volgens de jury tot de meest indrukwekkende productie van het afgelopen seizoen.’

6,077FansLike
1,419VolgersVolg
16,013VolgersVolg