Naakte mannen en zwarte bronstigheid onder filosofisch vernis. Schiet Angelica Liddell met The Scarlet Letter haar doel voorbij? (Waarom het Holland Festival een rel kan verwachten)

Foto: Bruno Simao

Dat je een zwarte man niet schaamteloos mag bejegenen als bronstig oerbeest en een gezichtsloos object voor jouw onbegrensde lustfantasie als blanke vrouw? Lijkt me logisch, maar voor Angélica Liddell, wereldvermaard performancekunstenares, is het typisch een voorbeeld van het nieuwe puritanisme waardoor de vrije kunst wordt bedreigd. Ze brengt nu The Scarlet Letter naar Nederland, een theatrale performance die nogal wat grenzen overschrijdt. De scène waarin een zwarte acteur op zijn ‘woest aantrekkelijke’ plek wordt gezet is een pijnlijk dieptepunt. Dat hij – als enige – niet bij het slotapplaus aanwezig was, een heel erg onbeantwoorde vraag.

De voorstelling is in juni ook te zien in het Holland Festival. In The Scarlet Letter omgeeft Liddell zich met tien mannen, die, op een in het rood geklede priesterfiguur en die zwarte man na, allemaal naakt zijn. Op zeker moment staan alle mannen in het gelid met het lid vooruit, en inspecteert Liddel de edele delen handmatig. Even later verdwijnt een van de organen kort in haar mond. Dit actief beroeren van geslachtsdelen is een van de middelen waarmee Liddell haar boodschap kracht bijzet: het lichaam is een onuitputtelijke bron van genot, tot je oud en rot wordt.

Dubbele moraal

The Scarlet Letter is geïnspireerd op de gelijknamige negentiende-eeuwse roman van Nathaniel Hawthorne. In dat boek wordt een vrouw, die een kind krijgt uit een slippertje met een dominee, verstoten uit haar gemeenschap. Hierna volgt een boel gedoe waarmee Hawthorne de dubbele moraal van het puriteinse Amerika van de achttiende eeuw aanklaagt.

Liddell gebruikt het gegeven vooral om ten strijde te trekken tegen wat zij het moderne puritanisme noemt: #metoo, identiteitspolitiek en algemene politieke correctheid. Ze stelt dat kunstenaars niet meer alles mogen tonen en dat censuur misschien niet openlijk plaatsvindt, maar dat sociale druk leidt tot zelfcensuur. En dat is slecht voor de totale artistieke vrijheid.

Problematisch

De voorstelling is dus nogal opmerkelijk. Liddell is niet echt van het subtiele. Ze galmt, ze schreeuwt, ze kermt, ze zwalkt en hijgt amechtig. Dat is zo nu en dan best tenenkrommend en soms gewoon saai. Het is in beeldtaal ook nog eens katholiek op een manier die menig voormalig koorknaap nog op de minder prettige plekjes zal voelen. En inhoudelijk dus nogal, hoe zal ik het zeggen, problematisch.

Nadat ze haar naakte mannen eenmaal genoeg betast heeft, alle acht piemels een keer vastgehouden heeft, de mannen genoeg met tafels hebben gesjouwd en de muziek alle hoeken van smartlap tot barok en Blondie heeft verkend, volgt een woedende monoloog, onstopbaar en in een Spaans dat ratelt van de keihard rollende erren. In de monoloog de boodschap, met referenties aan een hele trits filosofen en Antonin Artaud, de uitvinder van het theater van de wreedheid.

Tegen #metoo

Kunst mag niet gecensureerd worden vanwege teergevoelige zielen in het publiek. #metoo heeft van slachtoffers daders gemaakt, aldus Liddell. Ze gaat tekeer alsof het laatste uur geslagen heeft voor de vrije kunsten, een beetje zoals de artistieke baas van de NTR ZaterdagMatinee onlangs deed in een nogal ongefundeerde ingezonden brief in De Volkskrant. Alt-rechtse paniek? Die zag ik even niet aankomen, zelfs niet in Wenen, waar ik heen ging om de voorstelling vooraf te bekijken. Het behoefde toelichting, maar Angélica Liddell doet niet aan interviews.

Gelukkig was er een kans op nadere uitleg. Liddell had voor enkele toeschouwers een toetje bedacht, helaas slechts te proeven voor twee groepen van dertig mensen. Ze nam ons mee in het Weense Kunsthistorisch Museum. In het gebouw dat in alles de vergane glorie van Habsburg uitstraalt, tot het biedermeier beeldhouwwerk in de koepel boven de cafetaria aan toe, leidde Angélica Liddell ons langs een stuk of tien kunstwerken. Stuk voor stuk meesterwerken van mensen als Breughel, Rembrandt, Rubens en nog zo wat grootheden. Keuze te over: het gebouw hangt zo ramvol met oude meesters dat je er een driedubbele Stendhal van oploopt.

Heerlijke naakte mannenlijven

Alle werken, waar Liddell ons langs leidde, verbeelden vleselijke lust, zinderende lijven en angst voor dood en aftakeling. Een schilderij van Rubens’ leermeester Otto van Veen, waarop naakte meisjes zich overgeven aan een compleet leger, verbeeldt volgens haar niet de plunder en eerroof door terugkerende troepen. Zij vertelt dat hier de vrouwen zichzelf naakt overgeven, om de mannen die als winnaars uit de oorlog terugkeren met een bronstig potje seks te belonen. Voor Liddell namelijk niets mooiers dan blote jonge mannen, zei ze. Ze zou ze het liefst in elke voorstelling inzetten.

Een schilderij vol naakte volwassenen en naakte kinderen, samen genietend van hun natuurlijke staat, is volgens Liddell typisch iets wat nu niet meer gemaakt zou kunnen worden, en je zou het beeld al helemaal niet op het toneel kunnen zetten. Ze deed zelf tijdens de voorstelling wel een poging, maar dat bleef steken in een wat afstandelijke referentie aan de beruchte plasseks-poster die ooit in dit land voor een een rel zorgde. Dit keer met een naakt cherubijntje als object van haar dorst naar levenssappen.

King of pop

Bij het laatste werk van de rondleiding kwam de definitieve aap uit de mouw. Liddell vindt dat kunst per definitie grensoverschrijdend moet zijn. Aan de hand van een schilderij van Caravaggio, volgens haar de Michael Jackson van de beeldende kunst, legt ze uit dat we kunst nodig hebben om onze neiging tot geweld te kanaliseren. ‘Alleen door de esthetische verbeelding van geweld kunnen we het echte geweld met onze ethische vermogens onschadelijk maken,’ vertelde Liddell.

De vraag is of ze daarmee een punt heeft. Al het getoonde werk is gecreëerd in een tijd die als een stuk gewelddadiger en wreder te boek staat dan de onze. De kunst heeft daar destijds niet echt tegen geholpen. Of zou het sindsdien erger voorkomen hebben, en hebben wij onze relatieve beschaving juist aan deze kunstwerken te danken? Zou het nogal grove racisme, vermomd als lust voor de zogenaamde oerkracht van het zwarte mannenlijf, dat ze in The Scarlet Letter laat zien, eigenlijk bedoeld zijn om racisme in de echte wereld te bestrijden?

Die vraag bleef een beetje hangen.

Goed om te weten Goed om te weten
The Scarlet Letter is op 8 en 9 juni te zien in het Holland Festival. Inlichtingen.

De was hangt nog aan de lijn en in restaurants staat het eten nog op de tafels. Het doemscenario van Tsjernobyl, nu als HBO tv-serie.

Credit: HBO

Op 26 april 1986 vond er een ontploffing plaats in de kerncentrale van Tsjernobyl, Oekraïne. Het is tot op heden één van de meest catastrofale rampen veroorzaakt door de mens. De gevolgen van de kernramp zijn zelfs vandaag nog merkbaar. Voor menig mens staat Tsjernobyl voor een lang vergeten herinnering. Plekken met een macabere geschiedenis hebben altijd mensen getrokken en dat is met Tsjernobyl niet anders. De spookstad is tegenwoordig een Instagram-waardige omgeving. De ramp— en de daarna opeenvolgende gebeurtenissen— heeft alle ingrediënten die perfect zijn voor een interessant scenario. HBO vond dit blijkbaar ook en besloot er een miniserie over te maken: Chernobyl. Ik mocht al enkele afleveringen kijken van deze boeiende serie.

In de doofpot

Toen ik mijn vader vroeg wat hij nog wist van de Tjernobyl ramp, antwoordde hij: “Niet zoveel.” Volgens hem was er weinig informatie beschikbaar. De Sovjet-Unie probeerde uit alle macht ervoor te zorgen, dat er zo weinig mogelijk naar buiten kwam over de ernst van de ramp. Dit wordt ook op een pijnlijke manier duidelijk gemaakt in de serie. Chernobyl geeft een fascinerend chronologisch overzicht van en inzicht in het verloop van de ramp. Het is verbazingwekkend om te zien hoe men — de arbeiders, hulpverleners, het bestuur van de centrale, leden van de Communistische partij en Sovjet leider Gorbatsjov— ermee omging. Gorbatsjov roept tijdens een bijeenkomst: “Our power comes through the perception of power.” Daar draaide het om. In die tijd was de Koude Oorlog natuurlijk nog een feit. Gezichtsverlies is dan ondenkbaar. De Staat is het belangrijkste. Communisme op zijn best. Op een dergelijk moment besef je dat een democratie toch echt een zegen is.

Bezegeld lot

Complete ontkenning resulteert in totale geheimhouding. Hiervoor is opoffering nodig. Zowel bewust als onbewust. Hulpdiensten, arbeiders en mensen uit de omgeving zijn zich niet bewust van hun gitzwarte toekomst, terwijl een groep van mijnwerkers met open ogen hun lot ondergaat. Ze hebben geen keuze en dat beseffen de werkers zelf maar al te goed. Als kijker zie je het tijdsverloop van de ramp —met enige kennis van de gevolgen— met lede ogen aan. Ironisch genoeg heeft de Koude Oorlog ervoor gezorgd dat Gorbatsjov en de Sovjet Staat de informatie niet langer verborgen kon houden; beelden van de Amerikaanse satellieten brachten de ramp in beeld: “De wereld weet het.”

Gevoel van frustratie

Net als sommige personages voel je de frustratie en wanhoop van binnen opborrelen. Elke actie en ieder advies dat gebaseerd is op het feit om hulp te bieden wordt geblokkeerd; mensen evacueren, jodiumpillen uitdelen, quarantaine. Zelfs wanneer de Russische top op de hoogte is van de catastrofe, is alles nog gericht op het beperken van de informatie. Ongelooflijk om te zien hoe de Sovjet-Unie miljoenen mensen op wilde offeren voor de Staat en de perceptie van macht. Het gevoel van frustratie dat je als kijker ervaart is, ook het resultaat van een perfecte montage. Scènes waarin duidelijk wordt dat de uranium kern ontploft is, worden opgevolgd door beelden waarin kinderen buitenspelen terwijl er radioactieve deeltjes op hun neerdalen. Niet te vergeten de shots van de brandweerlui die langzamerhand van binnen vergaan terwijl zijn in het hart van de ramp aan het werk zijn.

Een bepaald personage riep contrasterende gevoelens op. Hoewel ze een slachtoffer is van de situatie— als vrouw van een brandweerman— liegt ze en slaat alle adviezen van het medisch personeel in de wind. Ze brengt niet alleen haarzelf, maar ook het leven van haar ongeboren kind in gevaar. Een gevoel van dubio ontstaat. Moet je medelijden met haar hebben of is het meer een geval van ‘wie niet horen wil, moet maar voelen?’ Een goed verhaal zorgt voor verschillende en conflicterende emoties. Daar is Chernobyl zeker in geslaagd.

Het had erger kunnen aflopen

De realisatie van wat er had kunnen gebeuren slaat ook in als een bom. Chernobyl toont op een dramatische, maar realistische wijze een scenario van de eventuele gevolgen. Valery Legasov ( Jared Harris), een nucleaire natuurkundige is degene die men de ernst van de situatie doet inzien. Eerst moet hij de stoïcijnse plaatsvervangende premier Boris Shcherbina (Stellan Skarsgård ) — hoofd van de Tsjernobyl commissie — weten te overtuigen. Aan de hand van vergelijkingen en voorbeelden schetst Legasov, zowel voor de personages als voor de kijker, een angstaanjagend scenario. Ook wordt er een vergelijking gemaakt met de bom op Hiroshima; de hoeveelheid straling die in twintig uur vrijkwam in Tsjernobyl kan worden vergeleken met veertig Hiroshima bommen. Wat als? Als de maatregelen niet hadden geholpen, dan was het aantal slachtoffers ontelbaar geweest. Verder zou de omvang van het getroffen gebied— onder andere ook Roemenië, Hongarije en Tsjechië — immens zijn geweest.

Verloren toekomst

Uiteraard heeft de verwoestende werking van uranium — vervoerd door lucht en water— zijn effect gehad op de natuur en de mens. Het had echter nog dramatischer kunnen zijn. Wederom met behulp van de montage. Indrukwekkend wide-angle shots van flora en fauna en van de wijde omgeving van Tsjernobyl, doen je realiseren hoe catastrofaal de ramp is en hoe veel erger het had kunnen zijn. Dit te bedenken dat de stralingsmeter in Minsk (400km verwijderd van Tsjernobyl) binnen een dag afging en in Zweden ook verhoogde niveaus van radioactiviteit werden gemeten. Dat zelfs de doden een bedreiging zijn voor de levenden, wordt pijnlijk duidelijk wanneer de lichamen van de omgekomen arbeiders en brandweerlui in loden kisten in een massagraf worden getakeld en daarna worden overgoten met beton.

De serie toont een race tegen de klok. Dit wordt prachtig weergegeven in scènes waarin duidelijk te zien is dat de inwoners per direct zijn geëvacueerd; de was hangt aan de lijn en in restaurants staat het eten nog op de tafels. Een ware spookstad.

De donkere, dramatische cinematografie en een sterke cast (o.a. Jared Harris, Stellan Skarsgård en Emily Watson) zorgen voor een beklemmende en fascinerende weergave van de kernramp in Tsjernobyl.

Goed om te weten: Chernobyl is vanaf 7 mei te zien bij Ziggo Movies & Series.

 

Hoe erg is de zelfmoord van een opblaaspop? Chileense meiden spelen zich vrij in Paisajes para no colorear op het Holland Festival

Foto: Jorge Sanchez RAM

‘Ik ben het afgelopen jaar op weg naar school twee keer lastiggevallen.’ De jonge actrice, krap 15, zegt het met flink wat woede in haar stem. Het is de ochtend na de Berlijnse première van het Chileense stuk Paisajes para no colorear, waarin ze meespeelt, met 8 leeftijdsgenoten. Die woede was er de voorgaande avond, tijdens de voorstelling die 14 en 15 juni in het Holland Festival te zien is, ook. Als jonge vrouw, als kind zelfs, heb je het heel erg moeilijk in Chili, waar machismo hand in hand gaat met de onderdrukking van vrouwen.

Marco Layera, de theatermaker die eerder in het Holland Festival op bezoek was, kwam op het idee voor de voorstelling nadat Chili was opgeschud door de verkrachting en moord op twee jonge vrouwen, een jaar of zes geleden. Het was vooral de bijna lethargische reactie erop, die veel bij hem losmaakte. Hij ging met een team aan het werk om verhalen van meisjes te verzamelen. meer dan 140 verhalen tekenden ze op, waarna ze actrices gingen werven bij jeugdtheaterscholen in de hoofdstad.

Betekenisvol

Layera: ‘Die moord was een signaal om jonge vrouwen een stem te geven, en hen te laten vertellen hoe zij met deze geschiedenis omgaan. Dus toen we eenmaal de acteursgroep bij elkaar hadden zijn we verder gegaan met het verzamelen van verhalen. Ook de meiden zelf hebben hun verhalen ingebracht.’

‘Het was veel betekenisvoller dan ik had verwacht.’ zegt een van de actrices na afloop. ‘Ik dacht dat het alleen theater zou zijn, maar het bleek iets wat me heel veel heeft geleerd over het leven.’

Teksten schreven ze zelf mee, soms op basis van eigen ervaringen. Zonder het te persoonlijk te maken, verklaart een ander: ‘We hebben de monologen gemaakt op basis van wat er aan materiaal lag. Daarmee zijn we gaan improviseren. Bijvoorbeeld een scène over een vader die er niet is voor zijn kinderen. Die is niet op een enkele vader gebaseerd, maar samengesteld uit heel veel verhalen van heel veel meisjes.’

Tranen met tuiten

Paisajes is een nogal heftige voorstelling. Hij begint vrij open, maar wordt allengs steeds zwaarder. De scène waarin een meisje vertelt over hoe erg ze gepest wordt, leidde tot veel tranen in de zaal. Volgens Marco Layera was het een ‘cathartisch’ moment: ‘Tot nu toe werd er niet zo emotioneel gereageerd als nu. Het was enorm intens. De meiden brachten het prachtig. Ik hield het zelf niet droog, terwijl ik tussen het publiek zat. Dat is iets wat ik vanaf nu ook meeneem in het werk.’

De meisjes ervoeren het ook als intens: ‘Ik werd er heel gelukkig van.’ zegt een van hen. ‘Ik voel dan veel empathie met de zaal, omdat ik snap dat zij herkennen wat wij ook hebben meegemaakt.’

Zelfmoord

Een opmerkelijke rol is weggelegd voor ee opblaaspop. Ze wordt door de negen actrices tijdens de voorstelling bejegend als één van hen. Tot ze er een eind aan maakt. Nogal heftig beeld, en zeker niet geschikt voor tere zielen.

‘We zochten naar een manier om het ook over zelfmoord te hebben,’ verklaart de dramaturge de volgende dag, ‘en de beste manier was om dat via die pop te doen.’ ‘ Terwijl we aan het repeteren waren kwam er nieuws dat een meisje zich van het leven beroofde in een Starbucks, omdat ze gepest werd.’ vertelt Marco Layera. ‘Dat moesten we in het stuk verwerken. Dit was een creatieve manier om dat bespreekbaar te maken: een opblaaspop die langzaam leegloopt en verdwijnt.’

Waren ze niet bang om zoiets in het theater te brengen?

‘Die pop is een van ons,’ zegt een van de meiden. ‘Ze heeft ook een naam, Sofia. Ze is zwak, een outsider en zo voelen we ons ook. Zelfmoord is een keuze die we zelf niet ambiëren, wij gaan liever de straat op.’

Machocultuur

Layera: ‘We hebben veel zware en intense thema’s in het stuk, maar we kunnen er niet aan ontkomen dat dit ook gewoon de werkelijkheid is. Je kunt die niet negeren. Net als seksueel geweld. Een van onze actrices is ook aangerand in de metro terwijl ze onderweg naar de repetitie was. Een ander meisje werd lastiggevallen door een potloodventer. Het is de werkelijkheid waar je in dit land als jonge vrouw mee te dealen hebt. Sterker nog: het is overal. Toen een van onze medewerkers de opblaaspop Sofia ging kopen, is ze aangerand. Dat was bijna een verkrachting.’

Machocultuur is dus nogal een thema. Bij jullie is het nogal heftig. Hoe zien de meiden hun toekomst in? ‘De dingen zijn aan het veranderen. De jongere generatie is super geëngageerd om het te veranderen.’ Zegt een van de meiden. Een ander: ‘Ik ben blij dat ik nu eindelijk heb kunnen vertellen wat mijn moeder, mijn oma en haar moeder allemaal niet konden vertellen.’

Ook in Nederland zijn jonge meiden niet veilig

Foto: Jorge Sanchez RAM

Is het in Chili zoveel erger als hier? Ik vroeg het aan Jacqueline Kleijer. Zij is deskundige op het gebied van ‘afhankelijkheidsrelaties’ waaronder ook de (online) loverboy-problematiek valt. Een deel van de week is ze therapeutisch hulpverlener voor meiden van 12 t/m 23 jaar bij Pretty Woman in Utrecht.

‘Ook hier gebeuren grensoverschrijdende dingen’. Ik hoor veel in mijn werk als hulpverlener. Ook tijdens voorlichtingen op scholen vertellen meisjes wat hen overkomt. Meiden hebben zelfs op school last van seksuele intimidatie. Soms ook van jongens in de klas. Veel jongens hebben dat zelf niet in de gaten. Daar ligt een punt, dat jongens niet goed om kunnen gaan met een ‘nee’, en dat ook niet goed accepteren. Meisjes vinden het op hun beurt vaak lastiger om ‘nee’ te zeggen. Die twee dingen staan dus naast elkaar.’

De actrices in de voorstelling roepen op tot verzet. Hoe zie jij dat?

‘Wat mij dus stoort is dat er altijd van meiden verwacht wordt dat de zij weerbaarder moeten worden, terwijl ik denk: ‘Wat? Die jongens moeten ook iets! In de basis heeft het gedrag van jongens en meiden met onzekerheid te maken. Meisjes willen er graag aardig gevonden worden. Als meisje zeg je dan niets van het overschrijdend gedrag dat je niet aanstaat omdat je dan als bitchy overkomt. Bij jongens geldt, als je afgewezen wordt door een meisje, ben je misschien niet stoer genoeg, en als jij afgewezen wordt door een meisje vindt de rest jou ook niet stoer. Wat je dan heel vaak zie gebeuren is dat jongens zichzelf gaan overschreeuwen en dat er juist dan grensoverschrijding plaatsvindt.’

Zie je toekomst even hoopvol tegemoet als de makers van Paisajes?

‘Ik hoop dat het beter wordt, tegelijkertijd zie ik ook omgekeerde dingen gebeuren. Vroeger was zorg heel goed ingebouwd in de maatschappij. Nu zijn veel wachtlijsten, botsingen tussen culturen, veel bezuinigingen op prevntie, polarisatie, ook in de jeugdzorg. Alles heeft met elkaar te maken. Ik zie die samenhang heel erg. Voorstellingen als deze zijn daarom enorm belangrijk. Zeker voor jongeren, Verhalen zijn de spil van preventie, voorlichting en awareness. Hierdoor communiceren we met elkaar en dat moet echt veel meer gebeuren. ‘

Goed om te weten Goed om te weten
Paisajes para no colorear is op 14 en 15 juni te zien het Holland Festival. Inlichtingen en reserveren.

Ze werd beroemd met dingen die ze niet wilde. Doris Day was misschien wel groter dan we denken

Mijn generatie krijgt waarschijnlijk gelijk het befaamde liedje van Doe Maar in het hoofd bij het overlijdensbericht van Doris Day. Er is geen bal op de TV, alleen een film met Doris Day. En dat wilde je echt niet, de brave heldin van je moeder. De wholesome ster bij wie je eerder denkt aan een glas melk dan aan wilde feesten. Was zij het niet die de rol van overspelige vrouw in The Graduate weigerde omdat ze die immoreel vond?

Misschien was ze inderdaad het braafste meisje van Hollywood. Maar dat neemt niet weg dat ze de sterren van de hemel speelde naast James Steward in Hitchcocks The Man who knew too much. In haar rol van Jo McKenna raakt ze verwikkeld in een moordzaak in Marrakesh. Om haar en haar man tot zwijgen te brengen, wordt haar zoon gegijzeld. Via allerlei ingenieuze omwegen, die we nu vast weer op TV of in de bioscoop kunnen gaan zien, weet ze zichzelf in het pand te krijgen waar haar zoon vastgehouden wordt. Ze zingt Que sera, sera. Haar zoon beantwoord haar zang en zo kunnen zij en haar man hem bevrijden. Het liedje dat haar heur hele carrière gevangen zal houden. Het liedje dat ze in het begon maar niks vond.

Ze werkte met tal van van grote namen samen: regisseurs Michael Curtiz, Alfred Hitchcock en Stanley Donen, sterren als Frank Sinatra en Rock Hudson.

TV-ster ondanks zichzelf

Haar burgerlijke imago heeft ze vooral te danken aan The Doris Day Show. De show die ze helemaal niet wilde maken. Toen haar echtgenoot Marty Melcher onverwacht overleed, bleek hij haar te hebben opgezadeld met een tv-contract. En al haar geld op te hebben gemaakt. Ze had niet veel keus en moest die 5 jaar wel uitzitten. Het werd, ondanks haar frisse tegenzin in het begin,  een enorm succes en heeft ze er een Golden Globe mee gewonnen.

Halverwege de jaren ’80 kon ze dan eindelijk het programma maken waar haar hart wel lag: het praatprogramma Doris Day and Friends. Ze praatte vooral over dierenwelzijn en -rechten. De laatste jaren van haar leven bracht ze door met werken voor de Doris Day Animal Foundation. Op die website staat te lezen dat ze geen begrafenis wil, geen herdenkingsbijeenkomsten en geen graf. Wel worden we aangemoedigd die website te bezoeken en te doneren.

En daarmee het dichtst te komen bij wie ze werkelijk was en wat haar daadwerkelijk aan het hart ging. Eigenlijk best radicaal voor iemand die de naam heeft zo tuttig te zijn.  Tijd om die films eens te opnieuw (en sommige voor het eerst) te kijken. Er zal toch wel een retrospectief komen?

Jubilerend festival Cinéma Arabe – vijftien jaar venster op de Arabische wereld

Twee volle zalen in het Amsterdamse Rialto Theater voor Fatwa van Mahmoud Ben Mahmoud, de openingsfilm van Cinéma Arabe 2019. Dit Tunesische drama vertelt het indringende verhaal van een vader die naar Tunesië terugkeert om zijn zoon te begraven. En daar tot zijn verbijstering ontdekt dat de seculier opgevoede jongen zijn toevlucht zocht bij radicale moslims. Vorig jaar in Caïro bekroond als beste Arabische film.

Ahmed Hafiene in Fatwa (foto: Cinéma Arabe)

Een krachtige opmaat voor een programma dat een welkome aanvulling biedt op beelden van de Arabische regio in onze media.

Films uit Arabische landen zijn hier weinig te zien. Cinéma Arabe vertoont daarom het beste van hedendaagse Arabische makers. Van heftig drama tot poëtische en humoristische vertellingen en actuele documentaires. Met deze tiende editie viert het festival haar vijftiende verjaardag. Een kleinschalig evenement dat ook een bijdrage aan het maatschappelijk debat wil leveren. Het kampt echter met een te krap budget.

Rijkdom genegeerd

Halverwege het festival spreek ik festivaldirecteur Adel Salem. Niet alleen om te horen hoe Cinéma Arabe er voor staat en wat de ambitie voor de toekomst is, maar ook voor een terugblik. Wat was in het beginjaar 2004 de drijfveer?

Om dat duidelijk te maken gaat hij terug naar de negentienjarige Egyptische student economie die hij halverwege de jaren tachtig was. Hij had die studie alleen gekozen om zijn ouders een plezier te doen. Zijn hart ging uit naar theater en hij besloot te vertrekken. “Ik wilde naar Engeland, maar het lot bracht me in Nederland. Ik kwam op de theateracademie en maakte in 1989 mijn eerste voorstelling in het Polanentheater: Sinbad op het IJ.”

Intussen werd de mede door Frits Bolkestein aangezwengelde discussie over de multiculturele samenleving heftiger en heftiger. Er werd denigrerend over immigranten gesproken. De rijkdom van de Arabische cultuur werd genegeerd.

Het raakte Salem diep. “Ik dacht, laten we met films meer laten zien. Ik heb toen voor het Filmmuseum een programma van Egyptische klassiekers georganiseerd.”

Een aantal programma’s verder dacht hij: “We kunnen niet blijven praten over vroeger, laten we naar de toekomst kijken. Zo begon in 2004 het festival Cinéma Arabe met aandacht voor hedendaagse makers en bijzondere films. Speelfilms, documentaires, experimenteel, lang en kort.”

Bijdrage aan debat

Die opzet is hetzelfde gebleven. De noodzaak is volgens Salem nog steeds even groot.

“Denk aan de oorlogen die gaande zijn in de Arabische wereld. Denk aan de discussie rond immigratie die steeds harder wordt. Er is bewaking bij synagogen en moskeeën nodig. Ik wil op mijn manier een bijdrage leveren aan het debat, aan de verbetering van de samenleving.”

Het programma van deze editie bestaat uit 28 titels. Recent werk, een terugblik op 15 jaar Cinéma Arabe, en een aantal korte films. Tunesië, waar de filmproductie profiteert van de toegenomen vrijheid, krijgt dit jaar extra aandacht. Daarnaast films uit onder meer Marokko, Palestina en Syrië.

Van magisch-realisme tot spionagesoap

Sawsan Ercheid in The Day I Lost My Shadow (foto: Cinéma Arabe)

Zelf ben ik onder de indruk van Still Recording. Een soort videojournaal van twee Syrische studenten die zich in 2011 bij de opstand aansluiten. Heel anders, maar even opvallend, is het magisch-realistische The Day I Lost My Shadow. Het dagelijks leven en de paniek van de naderende oorlog in Damascus anno 2012. Een verrassend humoristische traktatie is de bij vlagen hilarische komedie Tel Aviv on Fire rond een Palestijnse spionagesoap. Een publiekstrekker, leert een blik op de zaal.

Eyeopeners en herkenning

Afgaande op bezoekers die ik spreek ik de waardering voor het programma hoog.

Neem bijvoorbeeld Whispering Sands van de Tunesische filmmaker Nacer Khemir. Een soort zwerftocht door de woestijn, én door de wereld van herinneringen, verhalen en sprookjes. Voor actief filmtheaterbezoeker Maarten (67), die als internationaal landbouwexpert 15 jaar in het buitenland werkte, onder meer in Syrië en Jordanië, is het een topper. “De film laat het belang van het vertellen van verhalen zien.” Het festival sluit aan bij zijn warme belangstelling voor de islamitische cultuur en had wat hem betreft langer mogen duren.

Renault 12 is een deels documentaire roadmovie waarin toneelschrijver en regisseur Mohamed El Khatib na de dood van zijn moeder zijn familie in Marokko herontdekt. Meiert (66) is aangenaam verrast door de originele aanpak en de kijk op het familieleven. De film maakte ook herinneringen wakker aan zijn eigen tochten door Spanje en Portugal, 40 jaar geleden. “Film is een soort op reis gaan. Het hoeft niet perse politiek te zijn.”

Arabische films kunnen voor autochtone Nederlandse kijkers een eyeopener zijn. Voor bezoekers met Arabische roots kan het een emotioneel moment van herkenning opleveren, zoals de Amsterdamse filmliefhebbers Meryam (30) en Asma (38) bevestigen. Ze komen oorspronkelijk uit Tunesië en voelen zich daardoor tot het Tunesische onderdeel aangetrokken. Vinden ze het festival een goede aanvulling op de beelden die de nieuwsmedia ons doorgaans voorschotelen? “Beslist!”

De in Amsterdam wonende Pool Jarek (40) heeft cultuur en film gestudeerd, maar kent weinig Arabische films. “En gezien er veel gebeurt in de Arabische wereld is dit een mooie manier om bij te blijven.” Hij is enthousiast over Fatwa. “Een sterke film.”

‘Film is de beste manier’

Saleem (26) kende het festival niet, zag bij toeval de poster en is erg ingenomen met Fatima, een drama over een werkende moeder in een Franse provinciestad. Hij prijst de eerlijkheid en herkenbaarheid, en ziet er de generatie van zijn eigen moeder in terug. Saleem is een filmmaker uit Jordanië die nu anderhalf jaar in Amsterdam woont en hier ook wil blijven. Hij vindt het festival een geweldig idee. “Film is de beste manier om een cultuur te presenteren.” Voor een Nederlandse producent werkt hij op dit moment aan een plan voor een documentaire over de artistieke underground in Jordanië, met een buikdanseres als hoofdpersoon. Wie weet zien we hem daarmee terug bij Cinéma Arabe.

Inkrimping

Bij twee films – Fatwa en Whispering Sands – is er een uitgebreid nagesprek met de makers, maar verder is het aantal aanwezige regisseurs bescheiden. Graag had de festivaldirecteur veel meer filmmakers uitgenodigd. Het krappe budget laat dat helaas niet toe. Waarmee we het grootste punt van zorg te pakken hebben.

Waaierde Cinéma Arabe een aantal jaren geleden nog uit over 5 tot 6 andere steden in het land, dit jaar is het programma buiten Amsterdam beperkt tot een vijftal voorstellingen in Lumière Maastricht. Dat heeft alles te maken met het wegvallen van subsidie. In feite staat die noodgedwongen inkrimping haaks op de ambitie voor de toekomst.

Ambitie en budget

Adel Salem legt uit dat Cinéma Arabe in de periode 2013 – 2016 vanuit het Kunstenplan van de Gemeente Amsterdam jaarlijks een bedrag van ruim 48.000 euro kreeg, ongeveer tweederde van het totale subsidie. Inmiddels heeft de Gemeente de verantwoordelijkheid voor de subsidiëring overgeheveld naar het Amsterdams Fonds voor de Kunst, dat vervolgens de nieuwe aanvraag van Cinéma Arabe afwees. Op de AFK-website lezen we dat het fonds positief is over de programmering, maar de zakelijke kant zwak vindt.

Adel Salem is nog steeds verbolgen over de gang van zaken. “We hebben een bezwaarschrift ingediend en dat is gegrond verklaard, maar het AFK bleef bij het oude besluit.”

Het stoort hem ook dat hij ieder jaar weer opnieuw moet aanvragen. “Wij zijn al vijftien jaar bezig en hebben onze kwaliteit laten zien. Toch moet ik telkens weer in de rij staan en bedelen ‘mag ik meedoen?’.”

Voor 2019 kende het AFK een projectsubsidie van 23.000 euro toe. Samen met andere fondsen, moet Cinéma Arabe dit jaar rondkomen van ongeveer 40.000 euro subsidie.

Toch hoopt Salem op een nieuwe ronde met nieuwe kansen. De ambitie is niet alleen om weer in meer steden te komen, maar ook om het hele jaar door zichtbaar te blijven. En dan bijvoorbeeld een filmmaker uit te nodigen die iets komt vertellen in wijken waar anders alleen de imam spreekt. Ook zouden films na het festival op tournee kunnen gaan langs filmtheaters met iedere maand een weekend Cinéma Arabe Special.

Nieuw publiek voor gesubsidieerd theater? Nederland werkt dat tegen.

Samen met twee 12-jarige kids ga ik naar een toneelvoorstelling. Naar een toneelvoorstelling met het label ‘volwassen voorstelling’. De kaarten kosten 25,- per stuk. Korting voor studenten. Korting voor CJP. Geen korting voor kinderen, excuus,  jongeren, want ja, die twee brugklassers zijn al 12.

Is deze voorstelling gemaakt voor kinderen? Nee. Ze is gemaakt voor de nieuwsgierige, open kijker, voor mensen die met de maatschappij bezig zijn. Is deze voorstelling geschikt voor  – nou vooruit – jongeren? Ja. Met een ‘pasje’ had ik eventueel korting kunnen krijgen. Een identiteitsbewijs met de leeftijd erop is niet voldoende.

Cultuurland sluit de grenzen

Terwijl achter de coulissen tientallen marketeers, cultuurbeleidsmakers, educatieafdelingen, theaterdirecteuren, en, ja, ook theatermakers, wanhopig bedenken hoe je toch nieuw publiek de zalen in krijgt. En hoe we vooral jongeren in de schouwburgen krijgen. En het liefst vrijwillig. Zonder dwang.

Alleen: we bevinden ons in cultuurland. Daar is het niet genoeg om jongere te zijn, een identiteitsbewijs is in cultuurland helaas niet geldig. De staat: uitgeschakeld. Alleen een speciaal pasje geeft je als beoogde doelgroep de permissie om betaalbare toegang tot cultuur te verkrijgen. Uitzondering op deze regel? Nee. Beleid is beleid. (Ik mocht trouwens wel een persoonlijke mail naar info@ sturen om de theaterdirectie over mijn mening te informeren. Op een of andere manier vat ik het woord klantenservice en vraaggericht werken toch anders op.)

Om zo vlak voor de Europese verkiezingen toch een blik over de grenzen te wagen: ik heb een foto bijgevoegd van een Nederlands buurland. Daar staat: scholieren en studenten 7,-. Zo simpel kan het ook. En weet: de scholieren en studenten gaan écht naar het theater. Want dat is een avondje uit. Zeer betaalbaar. Goedkoper dan de bios.

Gescheiden werelden

Een oorzaak van dit absurde beleid zou kunnen zijn dat theater- en beleidsmakers geneigd zijn om doelgroepen te scheiden en doelgroepspecifiek te produceren. Waardoor alleen de beoogde uitverkorenen (peuters, volwassenen, kinderen, 55+ enz.) benaderd worden en een VIP-treatment mogen genieten.

Of misschien worden jongeren gewoon onderschat, dat men al bij voorbaat denkt dat zij een bepaald thema, een bepaalde concentratie of een bepaalde lengte niet aankunnen. En dat men ze vervolgens bewust uit de zalen probeert te weren door een prijsdrempel op te werpen.

Of misschien is het een weerspiegeling van een bepaalde Nederlandse opvoedkundig visie. Pas met 18 heb je volgens dat idee misschien pas de rijpheid om naar een theatervoorstelling te gaan met teksten die in de laatste 2000 jaar zijn geschreven.

Vijftig euro

Ik heb de vijftig euro voor die twee pubers betaald. Omdat zij zo graag naar toneel willen. Omdat we veel te lang al niet zijn geweest. Omdat de voorstelling in de kranten vijf sterren kreeg. Ik vertelde wel dat andere teenagers die de voorstelling al hadden gezien, haar een krap zeventje gaven. En dat het een lange zit ging worden. Dat kon mijn twee 12-jarigen niet weerhouden. Zij willen zelf kijken en zelf hun conclusies trekken. En ze hebben er zin in. Ik ook.

Faustin Linyekula en de verscheurdheid van de reizende kunstenaar

Faustin Linyekula in De Balie (Foto: Wijbrand Schaap)

‘Hulpverleners komen naar mijn stad om weer weg te gaan. Ik kom er om te blijven.’ Kernachtiger kun je Faustin Linyekula niet krijgen. ‘Hulpverleners scheppen geen band met de mensen die ze willen helpen. Hun werk is verdwenen zodra ze vertrokken zijn. Ik kom niet om hulp te verlenen, maar omdat ik er wil zijn. Als ik daarmee een paar mensen help, is dat meegenomen.’ De wereldvermaarde Congolese kunstenaar is dit jaar, met William Kentridge, associate artist van het Holland Festival.

Donderdag 9 mei was Linyekula te gast in het Amsterdamse debatcentrum De Balie.  Hij sprak daar over hoe het is om in tijden van oorlog en conflict en onder moeilijke omstandigheden een kunstencentrum te leiden.

Gesprekspartners waren Dessy Gavrilova, die in de Bulgaarse hoofdstad Sofia een tweelinginstituut van De Balie heeft opgezet, en filmmaakster Beri Shalmashi, die na haar opleiding aan de Amsterdamse filmacademie terugkeerde naar Iraaks Koerdistan om daar een filmhuis op te richten. Gespreksleider Yoeri Albrecht is overigens momenteel zelf baas van een kunstencentrum in conflictgebied. Dat gebeurde nadat een groep extreemrechtsen tijdens een bijeenkomst in zijn gebouw, De Balie, om de deportatie van moslims riep.

Verhalenverteller

Albrecht had zich degelijk voorbereid, maar kon zijn briefjes met vragen al snel in de prullenbak werpen toen Linyekula eenmaal het woord nam. Faustin Linyeluka is namelijk een man met een geweldig charisma. Hij mag dan te boek staan als choreograaf, zelf noemt hij zich liever verhalenverteller. Dat is de kunst die van huis uit meekreeg. Dat is de kunst waarmee hij hier de hele volle zaal diep imponeert. Zuiver gekozen woorden, betekenisvolle stiltes en ogen die je echt aankijken. Zo weet hij ook precies dat onder woorden te brengen wat de andere twee gasten aanzet om het gesrpek naar een veel persoonlijker niveau te trekken.

Uiteindelijk, zo stelt Linyekula, is kunst een geweldig eenzaam vak, omdat je veroordeeld bent tot de rol van buitenstaander. Hij keerde terug naar zijn geboortestad om er – na grote successen in de rest van de wereld – een kunstencentrum op te richten. Hij deed dat niet als ontwikkelingswerk of als hulpverlener, maar omdat hij ernaar snakt om thuis te zijn. Daarmee raakte hij zijn gesprekspartners in het hart, omdat zij ook de mogelijkheden voor een internationale carrière en de luxe die daarbij hoort, opzij zetten voor werk in hun eigen land of stad. Dessy Gavrilova doet dat in Bulgarije, terwijl de braindrain in dat land in volle gang is. Al meer dan twee miljoen mensen zijn vertrokken naar elders, en vaak zijn dat ook juist de intellectuelen en kunstenaars waar haar debatcentrum het van moet hebben.

Weggaan is geen optie

In zo’n situatie volhouden, terwijl de wereld om je heen steeds leger wordt, vereist moed. Moed die ook Beri Shalmashi niet kan worden ontzegd. Toen zij terugkeerde naar Erbil nam de oorlog in het vlakbij gelegen Syrië steeds ergere vormen aan. ‘IS zat op twintig kilometer afstand, en niemand wist zeker of ze niet ook Erbil zouden innemen.’ De kunstenaars die er nog waren toen ze kwam, vluchtten of trokken ten strijde, de stad leeg achterlatend.

Toch is weggaan geen optie voor deze terugkeerders, zo meldden ze. Daarvoor is je eigen verhaal, je eigen achtergrond en taal te belangrijk. Zo hoopt Dessy Gavrilova dat haar centrum, The Red House, klaar zal staan als ooit de Bulgaarse elite zijn zelfvertrouwen en de weg naar Sofia teruggevonden heeft. Beri Shalmashi heeft haar oog laten vallen op een leegstaand art-deco bioscoopgebouw, aan de voet van de middeleeuwse burcht van Erbil, waar ze zodra het kan haarr filmhuis wil openen.

En Faustin Linyekula hoopt dat ooit kunstenaars als hij en zijn collega’s in Congo weer dezelfde eervolle reputatie hebben als ze ooit hadden, al was dat dan onder de verschrikking van de dictatuur van Mobutu. Verscheurdheid kan geen enkele kunstenaar in conflctgebied ontzegd worden.

Goed om te weten Goed om te weten
Faustin Linyekula is associate artist van het Holland Festival 2019. Inlichtingen.

‘We zijn toeschouwers geworden, in plaats van acteurs’; Philipp Blom vertelt podiumkunstenaars op SPOT-Live wat er op het spel staat.

‘We staan aan de vooravond van een nieuwe culturele revolutie. We moeten weg uit ons paradigma en kunst kan daar een rol in spelen. De kunst kan ons beelden tonen van een andere toekomst, een andere gedachte. Kunstenaars kunnen helpen om dat besef in te laten dalen.’

Aan het woord is schrijver en journalist Philipp Blom. In 2017 kwam zijn boek ‘Wat op het spel staat’ uit, een briljant geschreven en in één adem uit te lezen beschrijving van waar het fout gaat in de wereld, met toch nog een optimistisch slothoofdstuk. Inmiddels is het een wereldwijde bestseller. En terecht.

Toekijken

Blom is – met Gloria Wekker en Eric De Vroedt – curator van het vernieuwde congres podiumkunsten, dat onder de naam SPOT-Live op 27 mei in Rotterdam wordt gehouden. Wat heeft deze schrijver, die in zijn werk de kwalijke gevolgen van klimaatverandering, digitalisering en de vrije markt als bijna onomkeerbaar beschrijft, te bieden aan mensen in de podiumkunst? Aan de telefoon vanuit Wenen verklaart de auteur, die publiceert bij gezaghebbende media als Guardian, Frankfurter Allgemeine en BBC:

‘We zijn toeschouwers geworden, in plaats van acteurs. Wij bepalen niet meer wat er gebeurt als het gaat om klimaatverandering. Dat wordt bepaald in China, dat 30 procent van de wereldwijde  CO2-uitstoot levert, en India, dat in rap tempo een economische wereldmacht wordt en dezelfde rechten op fossiele brandstof zal eisen die wij hebben. Daar kunnen we alleen maar bij toekijken. Voor het eerst in de geschiedenis zijn wij niet degenen die bepalen wat er gebeurt en hoe dat gebeurt.’

Patent

Dat klinkt als het summum van machteloosheid. Philipp Blom zal de laatste zijn om dat te ontkennen. Toch, zo stelt hij, is het mogelijk het tij – al is het dan niet letterlijk – te keren. ‘Koude kernfusie is nog niet uitgevonden. We hebben dus nog geen onbeperkte toegang tot energie, maar we kunnen hier in het Westen wel onze kennis en ervaring inzetten om nieuwe, duurzame, energieneutrale technieken te ontwikkelen. Die kunnen we zonder patent – dus zonder winstbejag – voor iedereen ter beschikking stellen. Dan kunnen landen als India en China daar gebruik van maken om hun energietransitie duurzaam te maken. Maar daarvoor is een andere manier van denken nodig.’

En om die andere manier van denken is het Blom begonnen. ‘We moeten af van de idee van economische groei en de ongeremde vrije markt. Juist die energiebubbel die alle omwentelingen in de 19e en 20ste eeuw heeft veroorzaakt maakt de mensen nu wanhopig. Pessimisme kan heel gevaarlijk worden. Wanneer we het ongebreidelde kapitalisme loslaten en niet meer voor economische winst, maar voor echte levensverbetering gaan, kunnen we het tij keren.’

Kleine IJstijd

Maar hoe zit dat dan met de kunst? Blom is op dreef: ‘In “De opstand van de natuur” beschrijf ik wat de Kleine IJstijd, aan het eind van de 16e eeuw tot begin 18e eeuw, teweeg heeft gebracht. De gemiddelde temperatuur daalde enkele graden, de winters werden koud en lang, rivieren en meren bevroren en de zomers waren onstuimig, met extreme stormen en onweer. Overal mislukten oogsten en leden mensen honger en kou. Niet alleen boeren maar ook landeigenaren raakten verarmd. Het agrarische, feodale fundament van Europa brokkelde af. Landbouw was niet meer bepalend, de economie en de overlevingskansen verschoven naar de steden. Het feodale systeem stortte in en er ontstonden markten. Tegelijkertijd maakte  de boekdrukkunst meer mensen geletterd en kregen veel meer mensen toegang tot kennis die voorheen bestemd was voor alleen de kerk. Er ontstond wetenschap, en dat leidde tot de Verlichting. Het nieuwe denken over de rol van de mens in de wereld ontstond door de klimaatverandering die de Kleine IJstijd was. Kunst speelde daar een essentiële rol in.’

Ons aanpassingsvermogen kan bij een rampzalige gebeurtenis als klimaatverandering dus ook tot positieve dingen leiden. Dat bewustzijn hoopt hij tijdens SPOT-Live aan de podiumkunstsector mee te geven: ‘Net als toen zijn nu revolutionaire veranderingen nodig, en onvermijdelijk. Veel mensen beseffen dat niet omdat het hun goed gaat, maar ze zijn wel bang dat hun kinderen het slechter zullen hebben. Aan deze generatie is dus de taak om ervoor te zorgen dat die kinderen, in een wereld waar niet economische groei maatgevend is, toch een beter leven zullen hebben dan zij.’

Goed om te weten Goed om te weten
Spot-Live is het symposium voor de podiumkunsten en vindt plaats op 27 mei, van 10:00 tot 18:00 in Theater Rotterdam Schouwburg, Inlichtingen: Spot-Live

Podcast! Vier strijkers live in vier helikopters, voor Stockhausens ‘Aus Licht’: ‘We moeten qua planning nog iets aan die postduiven doen.’

In 2016 sloegen het Holland Festival, De Nationale Opera, het Koninklijk Conservatorium en de Stockhausenstiftung de handen ineen ineen om het magnum opus van de Duitse avant-gardist op de planken te brengen in de Amsterdamse Gashouder. Licht steekt in ambitie en omvang Wagners Ring des Nibelungen ruim naar de kroon. Tegenover de vier avondvullende opera’s van zijn oudere collega plaatst Stockhausen ‘Sieben Tage der Woche’, die in totaal zo’n 26 uur duren. Nog nooit zijn alle zeven opera’s in één keer uitgevoerd. Mijn hart sprong op toen ik hoorde van deze moedige onderneming, die Nederland andermaal op de kaart zal zetten als moderne-muziekminnend land.

In tijden waarin cultuur en intellect wereldwijd onder vuur liggen kan degene die een grootse droom wil realiseren niet genoeg geprezen worden. Hulde dus aan de drie instellingen dat zij ons mee willen nemen op dit spannende avontuur. Jammer dat het ambitieuze project slechts een selectie van 16 uur omvat. – Vandaar de titel ‘Aus Licht’.  Fluitiste en artistiek leider Kathinka Pasveer zei desgevraagd dat het simpelweg onmogelijk is in twee jaar tijd de veeleisende partituren onder de knie te krijgen.

Een jaar werk

De musici worden namelijk niet alleen geacht de moeilijke partijen uit hun hoofd te spelen, maar moeten tevens acteren en een grote hoeveelheid elektronica bedienen. Alleen al de voorbereidingen voor een productie van Donnerstag aus Licht in Basel in 2016 namen een jaar in beslag.

Om jonge musici vertrouwd te maken met de klankwereld van Stockhausen zette het Koninklijk Conservatorium een tweejarige masteropleiding op. Hier kregen studenten les van docenten die nog met Stockhausen persoonlijk gewerkt hebben. Naast diens erven Kathinka Pasveer en de klarinettiste Susanne Stephens zijn dat onder anderen de pianiste Ellen Corver en de slagwerker Renee Jonker.

Collega-muziekjournalist Olivier Keegel startte een petitie om deze marathon-onderneming te voorkomen, maar zijn actie had gelukkig geen succes. Van 31 mei tot en met 10 juni kunnen we in drie voorstellingen 16 uur uit de opera Licht beleven. Een buitenkans.

De Podcast

Afgelopen dinsdag 7 mei kreeg de pers alvast een voorproefje, tijdens een repetitie van het beroemde en beruchte Helikopterstreichquartett, onderdeel van ‘Mittwoch aus Licht’. Het beleefde in 1995 – eveneens in het Holland Festival – zijn wereldpremiére. Namen destijds de vier strijkers van het Arditti Quartet plaats in evenzoveel helicopters, nu waren het vier studentes van het Koninklijk Conservatorium, samen het Pelargos Kwartet geheten.

Voor de repetitie begon vertelde Renee Jonker kort over de achtergronden en de praktische invulling. Zo startten in 1995 de helicopters gewoon direct vanachter de Gashouder, maar moest nu worden uitgeweken naar een weiland vlakbij de begraafplaats Sint Barbara. Ik was erbij en ving reacties op van betrokkenen en journalisten.

 

Je beluistert de podcast via deze link.

Waarom je naar ‘Strijd! 100 jaar Vrouwenkiesrecht’ moet komen kijken

In de strijd om het vrouwenkiesrecht speelde de ‘gewone’ huisvrouw uit het Groningse Ten Boer net zo’n essentiële rol als de alom geprezen Aletta Jacobs. Ook zij liep mee in demonstraties, verscheen in haar oma’s klederdracht tijdens protesten en naaide in haar keuken of woonkamer een vaandel voor de beweging. Net als haar lotgenoten uit de rest van Nederland vocht zij voor het recht om te mogen kiezen, om mee te mogen beslissen over de toekomst van haar land. Haar inspanningen zorgen er uiteindelijk voor dat op 9 mei 1919 de Tweede Kamer een wetswijzigingsvoorstel aanneemt. Vrouwen hebben vanaf dat moment actief kiesrecht. Zij mag nu ook haar stem laten gelden.

Het Groninger Museum wil dit historische feit, 100 jaar vrouwenkiesrecht, vieren en doet dit met de tentoonstelling Strijd! 100 jaar Vrouwenkiesrecht.

De tentoonstelling geeft de strijd een gezicht. Dit keer niet het gezicht van Aletta Jacobs. De expositie belicht de verhalen van de vrouwen die niet altijd geassocieerd worden met het vrouwenkiesrecht. Mineke Bosch (hoogleraar moderne geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen) verklaart dat de strijd om vrouwenkiesrecht het meest onderbelichte element in de strijd om algemeen kiesrecht was. ‘Vrouwen waren pas twee jaar na de mannen aan de beurt, na een langdurige strijd,” aldus Bosch “dat verhaal willen wij vertellen.’

Boegbeelden Aletta Jacobs en Wilhelmina Drucker ontbreken uiteraard niet, maar zij zijn niet de focus van het verhaal. De onvertelde verhalen van de ‘anonieme’, maar daarom niet minder belangrijke vrouwen maken deel uit van een groter geheel. Het gaat in de geschiedschrijving meestal niet over de gewone man en, in dit geval, de gewone vrouw. Enkel sleutelfiguren worden erkend en gevierd.

In Strijd!100 jaar Vrouwenkiesrecht is dit andersom. Het is inspirerend om te weten te komen dat ontelbare vrouwen, van allerlei lagen en standen, hun steentje bijdroegen aan de strijd. Ongeacht opleiding en afkomst. Ook de ‘gewone huisvrouw’ uit Ten Boer heeft een verschil ge´maakt. De sobere vaandel die aan de keukentafel in Ten Boer of Borger is gemaakt, heeft net zoveel invloed gehad als de deftige vaandel die bij een atelier in Amsterdam of Rotterdam is besteld.

Een moderne massabeweging

De expositie laat zien hoe breed de strijd om het vrouwenkiesrecht gedragen werd. De veertien gevonden vaandels die gebruikt werden door de afdelingen van Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht zijn hier een voorbeeld van. Het was een moderne massabeweging. Van Ten Boer tot Rotterdam.

Dit wordt ook ondersteund door het boek van Rosa Manus. Zij heeft een plakboek samengesteld voor Carrie Chapman Catt ( Amerikaanse suffragette). Rosa vroeg de Nederlandse vrouwen om haar hun verhalen en boodschappen toe te zenden. Het Groninger Museum heeft verschillende pagina’s tentoongesteld. Ik vond het interessant om deze te lezen. Sommige pagina’s bevatten prachtige en kleurrijke tekeningen. Van onder andere een Hollands landschap, maar ook een mooie ‘groepsfoto’. Andere bladzijden staan vol met persoonlijke verhalen en herinneringen. Het geeft een fascinerend inzicht in de karakters van de strijdsters. Van Aletta Jacobs haar pagina’s spat de strijdlust en humor er vanaf.

Het was heerlijk om te lezen hoe ze hoopte dat ze haar strijdvaardigheid nog kon gebruiken in het leven na de dood. Anders zou ze het wel erg saai vinden. Rosa Manus’ boek is slechts een van de objecten die aantoont dat de vrouwen van deze moderne massabeweging globaal met elkaar communiceerden en strategieën en tactieken uitwisselden.

Reflectie van de samenleving

Een van de hoogtepunten van de tentoonstelling was de zaal met de tekeningen en spotprenten. Een spotprent is altijd de ideale reflectie van een tijdsperiode en samenleving. De creativiteit waarmee de tekenaars de vechters, zowel voor als tegen vrouwenkiesrecht, een spiegel voorhouden. Kritiek vermomd als een komische noot.

Om de namen achter de strijd voor het vrouwenkiesrecht letterlijk een gezicht te geven, is er ook een portrettengalerij te bewonderen. Geheel in de sfeer van de tentoonstelling: onderbelichte verhalen verteld door vrouwen, voor vrouwen. Op een enkel werk na — een marmeren buste en een portret van Aletta Jacobs door Isaac Israëls— zijn alle kunstwerken gemaakt door vrouwelijke kunstenaars. De vrouwen in en achter de mooie schilderijen worden terecht in de spotlights geplaatst. Daarnaast heeft deze prachtige en kleurrijke ‘Hall of Fame’ nog een functie: het laat zien wat de betrokken vrouwen nog meer in hun mars hadden. Een voorbeeld hiervan is een tentoongesteld kinderboek, dat door een van de strijdsters is geschreven.

Bron van inspiratie

Het Groninger Museum toont met Strijd! 100 jaar Vrouwenkiesrecht, door middel van historische en visueel aantrekkelijke objecten, mensen het belang van het onderbelichte verhaal. Dat verhaal krijgt een extra dimensie. De vooralsnog anonieme vrouwen die gestreden hebben voor het hedendaagse en nu vanzelfsprekende recht om te stemmen, hebben een gezicht gekregen. Daarbij wordt duidelijk dat de vrouwen uit de kleine dorpen en de ‘gewone huisvrouw’ net zo onmisbaar waren als Aletta Jacobs en Wilhelmina Drucker. Ook zij hebben veel moeten verduren in hun gevecht voor gelijkheid, maar gingen de strijd, ondanks alles, toch aan.

Zonder enige machtsbasis hebben de vrouwen dit, samen, voor elkaar gekregen. Dat is inspirerend. Dat roept ook de vraag op wat vrouwen —met elkaar— in de toekomst nog meer kunnen bereiken in de strijd om emancipatie.

Goed om te weten Goed om te weten
9 mei 2019 is het officieel honderd jaar geleden dat het wetswijzigingsvoorstel werd aangenomen. Op die dag vindt er in het Groninger Museum een viering plaats met: lezingen, films, theater en muziek. Het gehele programma is te vinden op: 100jaarvrouwenkiesrechtgroningen.nl

Goed om te weten: Strijd! 100 jaar Vrouwenkiesrecht is van 20 april tot en met 15 september 2019 te zien in het Groninger Museum.

Foto’s: auteur.

 

Jesús de Vega maakt Choreopop: ‘Er moet altijd iets zijn dat wrijving veroorzaakt.’ (Wat een jeugd op Gran Canaria met een danser doet)

Foto: Bas de Brouwer

‘Ik heb elk bot aan de linkerkant van mijn lichaam wel een keer gebroken. Mijn knie, tien jaar geleden, mijn elleboog vijf jaar later, een teen, een vinger, en onder mijn linkeroog heb ik een litteken van een steen die iemand naar mij gooide toen ik een kind was.’ Jesús de Vega, danser, choreograaf, videomaker en tereminbespeler, heeft het nodige achter de rug. ‘Allemaal links. Wat het precies betekent, weet ik niet, maar het werd duidelijk dat iets niet in balans was.’

Luister hier naar het gesprek dat ik met hem had (in het Engels):

Die nieuwe balans heeft hij nu gevonden in Choreopop, een voorstelling die hij maakte met de veelzijdige muzikant Chai Blaq. Choreopop is een live album met een tiental nummers waarbij hemelse zang, opzwepend slagwerk en zinsbegoochelende elektronica overtuigend samenkomen. Jesús de Vega gebruikt zijn lijf in dit dansconcert niet eens meer zozeer als danser: hij zet er muziek mee in beweging en laat horen waar het pijn doet. Letterlijk in dit geval, want het openingsnummer bevat het live versterkte geluid van zijn gehavende knie, verwerkt in een opzwepende loop van Chai Blaq.

Voorgoed veranderd

Wanneer ik de show bijwoon in Den Haag gaat er steeds een siddering door de zaal wanneer hij met zijn microfoon naar zijn knie beweegt. ‘Met dat geluid is het allemaal begonnen’, vertelt hij me na afloop in de foyer van het Korzo Theater. ‘Het is exact het geluid dat ik hoorde, tien jaar geleden, toen ik tijdens een generale repetitie mijn knie brak. Ik hoorde het, ik voelde het en ik wist dat mijn leven voorgoed veranderd was. Dus moest dat geluid in deze voorstelling terugkomen.’

Het multitalent dat tegenover mij zit in de foyer van Korzo heeft een lange weg afgelegd voor hij hier kwam. Zijn roots liggen op Gran Canaria. Daar leerde hij dansen van Violetta.

‘Zij is als mijn tweede moeder. Zij had een dansschool waar jongens gratis les kregen omdat ze daar een tekort aan had.’ Nu is het niet heel vanzelfsprekend om als jongen op Gran Canaria balletles te nemen. ‘Je moet weten, Gran Canaria in de jaren negentig was als elk ander land in de jaren veertig. Het liep nogal achter.’

Piratenoog

Jesús de Vega was al geen populair jongetje, vertelt hij: ‘Ik had een lui oog, was dik, kwam niet goed mee met sport en sprak heel wijsneuzerig omdat ik veel boeken las. Daarom werd ik gepest. Ik was die dikzak met het piratenlapje. Toen ik de kans kreeg om te gaan dansen had ik niets meer te verliezen. Eenmaal in die balletklas wist iedereen het zeker: dat is een flikker. Mensen gooiden stenen door de ruiten.’ Een van die stenen raakte hem onder het linkeroog.

‘Ik heb andermans leven niet geleefd, dus ik kan niet zeggen dat het de ergste jeugd van allemaal was, maar voor mij was het dat. Het was een kindertijd die er niet anders toe kon leiden dan dat ik weg wilde. Mijn werk weerspiegelt dat. Het feit dat ik van een heel klein eiland kom, waar ontzagwekkend hoge vulkanen zijn, en prachtige stranden. Het heeft alles van een minicontinent: het is de hele wereld en heel klein tegelijk. Het gevoel van isolement is heel sterk. Dat zit allemaal in mijn werk. Er moet altijd iets zijn dat wrijving veroorzaakt.’

Van de jongens die Violetta voor haar balletklas had gevraagd bleef alleen hij over. Jesús zette flink door en eenmaal in Madrid, waar hij aan een studie journalistiek was begonnen, werd hij gevraagd om mee te doen aan een openluchtfestival in de stad. Sinds die dag is hij professioneel danser.

Chai Blaq

‘Ik ben gaan dansen omdat ik aanvoelde dat dat mijn tribe was. Dat zijn mijn mensen. Ik wist ook dat als ik niet omgeven was door de juiste mensen, ik naar ze op zoek moest gaan. Misschien was ik het me op mijn negende nog niet bewust, maar dat was wat me dreef.’

Zijn carrière voerde hem via Ijsland naar Groningen, en nu Amsterdam, waar hij bij Dansmakers en ICK zijn ideeën verder mag uitwerken. Een idee, dat voortvloeide uit een eenmalig bedoelde samenwerking voor twee nummers met Chai Blaq in Maastricht. Het klikte. De twee nummers vormden de basis voor Choreopop, de voorstelling die nu een succesvolle tour langs theaters in Nederland heeft.

‘Op de een of andere manier was ik altijd op de juiste plek op het juiste moment. Ik ben een van die dansers van wie de carrière helemaal vanzelf ging. Ik heb niets gepland. Het was altijd zo, dat als ik iets anders wilde gaan doen, er iemand langs kwam die me dat andere bood.’

Hij is van ver, en van diep gekomen, en lijkt nu op zijn plaats. Maar toch knaagt er ook weer iets. De eenzaamheid van het werken aan zoiets ingewikkelds als Choreopop – veel elektronica, projecties, uitgekiende belichting en geluidsregie – benauwt hem ook wel eens. ‘Nu is er weer zo’n periode dat ik aan alles twijfel. Dus waarschijnlijk komt er nu weer zo’n verandering aan.’

Goed om te weten Goed om te weten
Choreopop, gemaakt door Jesús de Vega en Chai Blaq, featuring Loulou Elisabettie, is nog te zien. Inlichtingen: ICK Amsterdam/Dansmakers Tourdata en verdere info: Moving Futures.

Eric de Vroedt (Het Nationale Theater)is curator op SPOT-Live: ‘Laten we het eens over liefde hebben.’

Wat we zo vaak vergeten is gewoon eens te praten over onze liefde voor theater.’ Eric de Vroedt, artistiek leider van Het Nationale Theater, wil het nu eens over de inhoud hebben. En dan met de hele podiumkunstsector. Binnenkort is er SPOT-Live, het vernieuwde Congres Podiumkunsten, en daar wil hij over liefde praten. ‘Heel toevallig gebeurde het een maand geleden. De technici waren in de grote zaal het decor voor ‘De Wereld volgens John’ aan het opbouwen, voor het eerst. Ik zag dat het een meter te ver naar achteren stond. Dat maakte het beeld totaal anders en moest dus aangepast worden, maar ik durfde het bijna niet aan de eerste inspiciënt te vragen.’

De Vroedt vroeg het toch.

‘De inspiciënt zei: “Eric, als dat voor de voorstelling nodig is, dan doen we dat. Dan maken we het werk af en vanavond, na afloop breken we het helemaal af en zetten we het goed neer.” Dat betekende dat ze dus al het werk van die dag over moesten doen. Dat deden ze zonder morren, omdat iedereen snapte dat het voor de voorstelling noodzakelijk was. Niemand klaagde over roosters of afspraken.’

Ambachtelijke liefde

‘Dat is het mooiste van werken in het theater, dat iedereen gaat voor het ding dat gedaan moet worden. Mensen stijgen steeds weer boven zichzelf uit omdat er iets moois tot stand wordt gebracht. Het is ambachtelijke liefde. Er zit romantiek bij. Het is die boog naar de première toe. In die acht weken heb je allemaal maar één doel en dat is ook het enige doel in je leven. Alles heeft zin, en alles staat in het kader daarvan. En het is ook letterlijk zo dat je na de première weer in de realiteit terecht komt. Dan is alles opeens heel banaal en denk je dat niemand op je zit te wachten.’

Je zit natuurlijk ook in een enorme bubbel. Hoe vaak ga je naar een museum? Lees je een boek, ga je demonstreren voor het milieu?

‘Ja, dat is zeker zo. Die acht weken zijn heel intensief en hoe dichter je bij de première geraakt hoe geïsoleerder je raakt. Dus zelfs je huwelijk lijdt daar onder. Ik zou bij wijze van spreken nog eerder kunnen gaan demonstreren dan naar mijn vrouw gaan, want dat demonstreren doe je hier in Den Haag. Naar een museum ga ik al helemaal niet meer. Ik ben heel monomaan. Dus zo’n première is altijd weer heel spannend voor ons huwelijk. Maar na zo’n première kom ik weer op aarde en ben ik weer helemaal in de wereld.’

Connectie met de wereld

‘Ook in de research-fase ben ik juist heel erg gericht op de buitenwereld. Aan deze voorstelling is bijvoorbeeld een hele periode voorafgegaan dat ik bijna dagelijks in Duindorp was, documentaires heb gekeken en boeken heb gelezen. Daarom doe ik ook dit soort projecten, omdat ik daarmee de connectie met de wereld juist kan opzoeken. Juist omdat ik weet dat ik me sowieso veel afsluit.’

Je wilt theater weer een plek in de gemeenschap geven. Je ambitie is om van de Koninklijke Schouwburg een gemeenschapshuis te maken. Prachtige ambitie, maar als je naar je eigen premières kijkt zit daar toch weer de upper class van Den Haag. In de ‘provincie’ gaat het ook niet al te best met het theater. Wat zie jij voor oplossing?

‘Ja. dat is de hamvraag. Want het is natuurlijk wanhopig makend. Op slechte dagen denk ik dat we met zijn allen een product zitten te maken dat kennelijk niemand wil hebben. We kijken hoe we het theater anders in de stad of in de samenleving kunnen zetten. Meestal gaat dat heel erg goed maar tegelijk merken we een enkele keer dat dingen faliekant aan het mislukken zijn.’

Taboe

‘Het is taboe om erover te praten, maar op dit moment gaat het heel slecht met de tournee van De Wereld volgens John. Zulke slechte cijfers heb ik nog nooit gezien. Dat staat dan naast het overweldigende succes van The Nation en We zijn hier voor Robbie, waar tienduizenden mensen op af kwamen. Misschien is de titel helemaal fout, of de voorstelling helemaal fout qua inhoud, maar je kijkt ook naar een failliet bestel. Het slaat ook nergens op dat wij onze voorstellingen gewoon het land insturen, en in een seizoensbrochure van de schouwburg vijf regeltjes over De Wereld volgens John laten zetten. Natuurlijk komt er dan niemand in Venlo op een dinsdagavond.’

Nu lijkt het alleen om de marketing te gaan. Maar het heeft natuurlijk ook te maken met de verhalen die je vertelt als theatergezelschap.

‘Mensen weten in ieder geval in Den Haag de schouwburg behoorlijk goed te vinden, als het aanbod op hen toegesneden is. Dus bij Surinaamse comedy zit het hier vol met Surinamers. Bij Melk en Dadels van Daria Bukvić hebben we opeens heel veel Marokkaanse meisjes in de zaal. Die vonden ook hun weg naar The Nation. Dus het gebeurt wel. Wat alleen zo lastig is dat je heel snel terechtkomt in een soort doelgroepentheater. En dan ben je in plaats van een integratiebevorderend instituut opeens een segregatieversterkende machine, omdat die doelgroepen niets samen doen. Dat is het grote dilemma.’

Fantasie

‘Moeten er dan nieuwe en andere verhalen komen waarin meerdere perspectieven een plek vinden, waarin mensen zich kunnen herkennen? Dat is niet makkelijk, maar met The Nation is dat wel gelukt. Dat was een verhaal waarin echt verschillende groepen samenkwamen.’

Is het ook niet allemaal te dicht bij de werkelijkheid? Iedereen kijkt liever naar Game of Thrones dan naar de zoveelste talkshow waar mensen meningen geven. Moet je met het theater niet juist ook de fantasie weer de ruimte gaan geven?

‘Misschien wel. We maken veel voorstellingen die heel erg veel inhoud hebben, maar soms denk ik: we hebben nu Sadettin lopen, en A seat at my table en Onze Straat en De Wereld volgens John. Allemaal actualiteit, allemaal multiculturele samenleving. Ik sta heel erg achter deze voorstellingen en deze inhouden, ik denk alleen dat we het minder thematisch moeten marketen. The Nation ging heel erg over multiculturele samenleving, maar was ook een superspannende politie-thriller en Netflix. We moeten veel slimmer zijn in het samensmelten van ‘zware thematische inhoud’ met entertainende, meeslepende en spannende middelen en verhalen.’

‘Tegelijk zit je als maker ook gevangen in je eigen stijl. Mensen vinden het lastig als ik opeens een hilarisch stuk als de Hereniging van de twee Korea’s breng, omdat dat volgens de pers en het publiek niet bij mij past.’

Moet de theatersector niet eens wat zelfbewuster worden? Zijn jullie met zijn allen niet te bang voor kritiek en subsidievoorwaarden?

‘Toevallig hadden we het daar vanochtend over. Zouden we een stuk als De Wereld volgens John niet puur moeten maken voor Den Haag? Hier is die voorstelling geworteld, hier slaat hij aan, waarom moet hij dan ook op reis naar plekken waar ze niets met dat verhaal hebben? Dat slaat eigenlijk nergens op. We moeten fundamenteel anders over reizen gaan denken. Belangrijk daarbij: we willen absoluut veel blijven reizen, door heel het land, maar in de toekomst wel op hele andere manieren. Nieuwe modellen moeten er worden ontwikkeld!’

‘Maar het is moeilijk afscheid nemen van een structuur waar we heel lang mee gewerkt hebben en waar de hele organisatie van afhankelijk denkt te zijn.’

Goed om te weten Goed om te weten
Spot-Live is het symposium voor de podiumkunsten en vindt plaats op 27 mei, van 10:00 tot 18:00 in Theater Rotterdam Schouwburg, Inlichtingen: Spot-Live

Vis à Vis versus Almere (2): ambtenarij vindt bouwgrond te duur voor cultuur

Museum de Paviljoens, eerder geofferd aan de grondhonger in Almere, Foto: Jordi Huisman. Dit bestand is gelicenseerd onder de Creative Commons-licentie Naamsvermelding-Gelijk delen 3.0 Unported

Twee weken geleden meldden we dat de unieke openluchttheatergroep Vis à Vis een petitie was gestart. Reden: de gemeenteraad van Almere zou van plan zijn de vaste plek van het gezelschap aan het Almeerder strand om te katten tot woonwijk. Dit zou tegen een eerder gemaakte belofte van de wethouder ingaan. Omdat die wethouder inmiddels geen wethouder meer is, zou in een nieuw bestemmingsplan de beloofde vastigheid verdwenen zijn. Omdat de gemeente bij navraag ontkende dat zulks het geval was, meldden we dat. Dat vond Vis à Vis niet leuk, maar we konden niet anders.

Inmiddels is er meer bekend. In een lang artikel op de website ‘Almere deze week‘ vertelt de leiding van het gezelschap dat ze tot twee keer toe – informeel – van ambtenaren hebben gehoord dat ze in 2025 van hun plek weg moeten. De politiek blijft intussen bij vage opmerkingen, die weinig rust geven. Het zou allemaal gaan om een afwaardering van de grond, die nodig zou zijn om het vers gebouwde onderkomen van Vis à Vis permanent te maken.

Vestzak-broekzak

Om het even in gewone taal uit te leggen: grond met bestemming ‘woningbouw’ is veel meer waard dan grond met bestemming ‘evenementenlocatie’. Betaal je als pachter een erfpacht voor woningbouwgrond, is dat veel meer dan wanneer de grond ‘evenement’ is, zeg een factor 10. Nu is dit vooral een rekenkundige kwestie, omdat Vis a Vis die erfpacht financiert uit subsidie die de gemeente weer verstrekt. Is de erfpacht hoger, moet de subsidie ook weer omhoog. Op deze manier financieren de afdelingen ‘Cultuur’ van heel veel gemeentes de afdelingen ‘Vastgoed’ van diezelfde gemeentes.

‘Ambtenaren wilden in 2015 niet dat we een langere erfpacht kregen omdat de grond afgewaardeerd moest worden. Zij zeiden dat de gemeenteraad dit niet zou accepteren”, vertelt Wierbos aan Almere Deze Week. “Burgemeester Annemarie Jorritsma gaf toen de opdracht aan de ambtenaren en wethouders alles goed voor Vis à Vis te regelen. Er werd een erfpachtconstructie opgesteld van 15 jaar. Uiteindelijk werd die vijftien jaar door de gemeente teruggebracht naar tien jaar ( 2015 – 2025), omdat die tien jaar beter naar de raad uit te leggen viel, met louter als doel om de raad niet te confronteren met afwaardering van de grond. Dit had niet als doel om de locatie van Vis à Vis als tijdelijk te bestempelen. De afspraak dat we er mochten blijven, was er immers al door het voormalige college gemaakt.’

Grondopbrengst

Enfin, veel gedoe verder blijkt de ambtenarij in Almere nog steeds geen zin te hebben om de toplocatie aan een theaterclub te geven. Kunst is sowieso niet zo’n ding in Almere, en grondopbrengst is best iets waard in een gebied dat we net met veel moeite aan de zee onttrokken hebben. Bovendien, zo vraagt een willekeurige ambtenaar zich af: hoe lang bestaat zo’n theaterclub eigenlijk gemiddeld, en zitten we dan voor eeuwig opgescheept met waardeloze grond op een toplocatie?

En dus maakt Vis a Vis zich terecht zorgen, temeer omdat Almere geen heel erg betrouwbaar imago heeft als het gaat om omgang met kunstgebouwen op braakliggende grond. Ooit had Almere immers een toonaangevend museum, De Paviljoens geheten, dat ook geofferd werd aan de grondhonger van de projectontwikkelaars, toen de bouw weer uit de crisis klom.

De petitie kan nog getekend worden. In de loop van mei beslist de gemeenteraad over het bestemmingsplan.

Lezen in tijden van Netflix: waarom boeken volgens bestsellerschrijver Joël Dicker (33) een must zijn voor ons koppie

De Zwitserse schrijver Joël Dicker ©Jeremy Spierer

‘Tijdens optredens of signeersessies komen er vaak mensen op me af om me dat te vertellen: “Ik was geen lezer, maar jouw boek heeft me het plezier van lezen laten ervaren en nu lees ik heel graag.” Dat zeg ik niet omdat ik vind dat mijn boeken nou zo goed zijn, maar omdat het laat zien dat zodra iemand ervaart hoe leuk het kan zijn om een boek te lezen, er een nieuwe wereld opengaat.’

Stel één vraag aan de Zwitserse schrijver Joël Dicker (33) en hij brandt los in een bevlogen, ademloos betoog over het belang van literatuur, de liefde voor boeken, de zin van lezen. Hij vertelt met net zo veel plezier en passie als hij schrijft. Ook zijn nieuwe roman De verdwijning van Stephanie Mailer is, net als zijn succesvolle voorgangers De waarheid over de zaak Harry Quebert en Het boek van de Baltimores, weer een lekkere pageturner met een ingenieuze plot, humor en veel vaart.

Een boek van 650 pagina’s: dat is nogal wat in een tijd waarin mensen steeds meer Netflixen en steeds minder lezen.

‘Dat klopt, er wordt minder gelezen, maar ik vind dat we de strijd om mensen aan het lezen te krijgen – en houden – niet moeten opgeven. Lezen is van essentieel belang voor je leven, je carrière, voor de samenleving als geheel. Veel mensen proberen een paar uur aan de realiteit te ontsnappen door te bingewatchen, omdat dat een lekker gevoel geeft. Er worden trouwens steeds meer romans bewerkt tot series; denk aan Game of Thrones van George R.R Martin, Pretty Little Liars van Sara Shepard of De geniale vriendin van Elena Ferrante. Waar een film van twee uur vaak te kort is voor het verfilmen van een roman, biedt een serie veel meer ruimte.’

Je eigen verhaal

‘Maar er is ook een groot verschil tussen televisiekijken en een boek lezen, en dat is je eigen verbeeldingskracht. Bij een boek ben je als lezer zelf deel van het creatieproces, heb je een actieve rol omdat je je de personages voorstelt, en de locaties. Je geeft er je eigen interpretatie aan, die is gebaseerd op je persoonlijke ervaringen. Elke lezer creëert zijn zo eigen verhaal, en dat verhaal spiegelt op zijn beurt iets terug en zegt iets over de lezer.’

 

Waarom is dat belangrijk?

‘Omdat lezen op die manier dus inzicht geeft in jezelf: in je gevoelens, je gedachten en wat je belangrijk vindt. Ik denk dat een samenleving van mensen die lezen een prettiger samenleving is, omdat mensen zichzelf en anderen beter begrijpen, meer in vrede zijn met zichzelf en meer open staan voor het standpunt van een ander. Vandaag de dag zijn we, zeker op de sociale media, zijn vooral heel druk bezig met hoe we eruitzien. Elke dag moet je zoveel stappen zetten, je moet twee keer per week naar de sportschool, en gezond eten. Iedereen wil fysiek goed in vorm zijn, maar als het gaat om onze kennis, onze geest en hersenen, zijn we lang niet zo zorgzaam en gedisciplineerd.’

‘Door alle technologie gebruiken we onze hersenen steeds minder. Hoeveel telefoonnummers ken je tegenwoordig nog uit je hoofd? Toen ik klein was, kende ik er heel veel, maar nu weet ik nauwelijks wat het nummer van mijn beste vrienden is – die staan in mijn telefoon. Daar ben ik beslist niet de enige in, en dat vind ik verontrustend.’

Zijn we lui geworden? Ik denk dat als mensen kunnen kiezen tussen de vier boeken van Ferrante lezen of de tv-serie kijken, de meesten voor dat laatste gaan.

‘Dat klopt wel, ja. Toch denk ik dat het ook komt doordat niet iedereen de schoonheid van een goede leeservaring kent. Tijdens optredens of signeersessies komen er vaak mensen op me af om me dat te vertellen: “Ik was geen lezer, maar jouw boek heeft me het plezier van lezen laten ervaren en nu lees ik heel graag.” Dat zeg ik niet omdat ik vind dat mijn boeken nou zo goed zijn, maar omdat het laat zien dat zodra iemand ervaart hoe leuk het kan zijn om een boek te lezen, er een nieuwe wereld opengaat. Om diezelfde reden gebruik ik ook graag een woordenboek: steeds als je het openslaat om een woord op te zoeken, valt je oog ook op andere woorden die je nog niet kende of niet zo vaak gebruikt. Het vergroot je wereld.’

Cool en sexy

‘Het is goed om na te denken hoe we lezen voor jonge mensen weer cool en sexy maken. Anders hebben we straks generaties jongeren die er alleen nog van dromen beroemd te worden op YouTube of Instagram of de nieuwe Kim Kardashian willen worden. Daarop kan de samenleving niet functioneren. We hebben zo veel hulpmiddelen tot onze beschikking dat we niet meer zonder kunnen. Daardoor neemt onze kennis af. We gebruiken auto-correctie omdat we niet meer weten hoe we woorden moeten spellen, we kunnen geen kaart meer lezen doordat we navigatiesystemen of Google Maps gebruiken. Met een echte kaart kunnen we nauwelijks nog uit de voeten.’

Gezien de populariteit van je boeken lukt het je om veel lezers aan te spreken. Wat is het geheim?

‘Ik weet het niet precies. Tijdens het schrijven denk ik niet aan een doel of aan mijn lezers, ik schrijf vooral om mezelf te vermaken. Maar ik ben wel schrijver geworden omdat ik in de kracht van literatuur geloof, en in het delen van dat plezier. Ik heb inderdaad veel geluk gehad dat mijn boeken zo veel lezers hebben bereikt. Iedereen haalt er weer iets anders uit.’

Litteken

‘Toen afgelopen jaar De verdwijning van Stephanie Mailer uitkwam in Frankrijk, gingen de recensies en gesprekken over de positie van vrouwen in deze tijd van #MeToo, en dat vrouwen nog steeds niet gelijkwaardig worden behandeld. Vervolgens kwam het boek uit in Spanje op het moment dat de Spaanse regering net was gevallen vanwege een groot corruptieschandaal. Omdat corruptie ook een rol speelt in mijn boek, ging het vooral dáárover. In Mexico draaide het vooral om het feit dat er een journalist wordt vermoord, iets wat daar ook geregeld gebeurt. Het is heel interessant om te zien waar welk aspect van het verhaal eruit wordt gelicht.’

Waar draait dit boek om voor jou?

‘Het boek heeft de vorm van een detective: er is een misdaad, dan volgt het onderzoek en aan het einde van het boek heb je alle antwoorden op de vragen. Maar voor mij is dat niet het belangrijkste. Ik zie het vooral als een roman over mensen met een litteken, een persoonlijk drama, die moeten uitvinden hoe ze verder kunnen met hun leven. Dat is iets wat we allemaal in meer of mindere mate meemaken. Allemaal moeten we in het reine komen met wat we hebben gedaan of nagelaten, waar we spijt van hebben of dingen die we graag zouden willen kunnen veranderen. We hebben maar één klein leventje, en dat is breekbaar. Alles wat we wel of niet doen heeft consequenties, die we moeten accepteren en waar we mee moeten leren leven. Dus voor mij gaat deze roman over verlossing en de vraag hoe we onszelf kunnen vergeven.’

Was je zelf met dat thema aan het worstelen?

‘Nou, in mijn persoonlijke leven is er geen groot drama dat ik moet verwerken, als je dat bedoelt. Maar het hoeft ook niet per se iets groots te zijn; we maken in ons dagelijks leven ook allemaal kleine drama’s mee waarvan anderen soms niet eens de impact begrijpen, bijvoorbeeld bij het verlies van een huisdier. Daarom denk ik dat iedereen zich erin kan herkennen, want we hebben immers allemaal wel ergens verdriet of spijt van.’

Goed om te weten Goed om te weten
Joël Dicker, De verdwijning van Stephanie Mailer, is verschenen bij De Bezige Bij, € 25,- Koop via Bol.com en steun Cultuurpers

Zij is vrouw en componist – Nou en?

Terpsichore Pio Clementino (c) https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=1308613

Onlangs publiceerde Kees Vlaardingerbroek, programmeur van de NTRZaterdagMatinee een pleidooi tegen wat hij ‘identiteitspolitiek’ noemt in muziek. ‘Bach was geen vrouw en niet westers. Nou en? luidt de kop. In de subtitel lezen we: ‘Als een componist geen vrouw is of westers, dan past deze niet langer in de klassieke canon.’ Nogal boud gesteld, want in elke willekeurige concertbrochure vind je bijna uitsluitend muziek van witte (vaak dode), mannen. Wellicht vloog de koppenmaker van de Volkskrant hier een pietsie uit de bocht?

Dat lijkt toch niet het geval. Verderop schrijft Vlaardingerbroek: ‘Een geforceerde vervanging van de grote meesters door vrouwelijke tijdgenoten of componisten met niet-Europese wortels leidt onherroepelijk tot publieksvernietiging, en daarmee tot lege zalen en uiteindelijk zelfs sluiting.’ Hoe nu? Heeft iemand ooit beweerd grootmeesters te willen vervangen door hun vrouwelijke collega’s? Niet bij mijn weten. Ook zelf strijd ik al jaren voor meer zichtbaarheid van vrouwelijke componisten. Die wat mij betreft een plaats verdienen naast, niet in plaats van hun mannelijke collega’s.

Twitterstorm

Er barstte dan ook onmiddellijk een – internationale – Twitterstorm los. Voor de één geldt Vlaardingerbroek als de baarlijke duivel die het witte privilege koste wat kost wil handhaven. Voor de ander is hij de held die weerwoord geeft aan het gezeur over achterstelling van vrouwen en minderheidsgroepen.

Tja, de waarheid ligt, zoals meestal, in het midden.

Het is immers juist Vlaardingerbroek die dit seizoen vrouwelijke componisten ruim baan geeft in zijn omroepserie. Dat hij deze zou veronachtzamen kan dus niet gezegd worden. Anderzijds ken ik geen enkele musicoloog of feminist die Bach zou willen vervangen door zijn tijdgenote Anna Bon di Venezia, zoals Vlaardingerbroek betoogt. Het gaat enkel om de vanzelfsprekendheid waarmee vrouwen nog altijd worden ‘vergeten’ in de concertpraktijk.

Kwaliteit m/v

Vlaardingerbroek raakt echter wel aan een wezenlijk punt, waar ik me al mijn hele musicologische leven tegen teweerstel. Muziek van een vrouw moet niet geprogrammeerd worden omdat zij komt van een vrouw, maar om haar kwaliteit. En daar komen we op een hellend vlak. Hoe vaak hoor ik niet: ‘We spelen muziek echt niet NIET omdat ze van een vrouw is, we gaan simpelweg voor kwaliteit.’ Alsof mannen nooit eens een middelmatig stukje afleveren en vrouwen nooit een meesterwerk produceren.

Omgekeerd krijg ik als feminist boze reacties als ik kritiek uit op een compositie van een vrouw. ‘Jij bent toch van de vrouwen?’ klinkt het dan verwijtend. Alsof ik mijn kritische oor zou moeten sluiten zodra er noten van een vrouw op de lessenaar staan. Kortom: de strijd om emancipatie van allerlei minderheidsgroepen duurt, ook in de klassieke muziek, onverminderd voort.

Ondertussen zijn er op 18 mei in Vlaardingerbroeks eigen NTRZaterdagMatinee veel ‘vrouwelijke noten’ te beluisteren. – In de verhouding 4/5 in het voordeel van de dames! De enige man op het programma is Sander Germanus, wiens Im Vortex zijn wereldpremière beleeft. Daarnaast klinken stukken van Unsuk Chin, Rebecca Saunders, Carola Bauckholt en Rozalie Hirs.

Hirs componeerde net als Germanus een stuk in opdracht van Vlaardingerbroek himself, lightclouds. Welke van beide nieuwe composities de betere is kunt u 18 mei zelf beoordelen, in de Grote Zaal van het Concertgebouw of tijdens de live uitzending op Radio4.

Om in Vlaardingerbroeks eigen terminologie te eindigen: Hirs is vrouw en componist. Nou en?

Hoe een kleine rel in Eindhoven grote gevolgen zou kunnen hebben voor alle subsidies (Maar voorlopig is het gewoon een blunder)

Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed [CC BY-SA 4.0 (https://creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0)]

Dankzij een tip van een lezer zagen we dat in Eindhoven gedoe is rond subsidies. Nu gebeurt dat wel vaker, maar hier was iets speciaals aan de hand. Het Eindhovens Dagblad meldde (Blendle link €) dat de voltallige Raad van Toezicht van de Stichting Cultuur Eindhoven was opgestapt. Er was stront aan de knikker omdat, zo schrijft het ED, de leden het onverteerbaar vinden dat het Eindhovense College de verdeling van cultuursubsidies weer naar zich toetrekt.

Tijd voor een blik in de Eindhovense cultuurpolitiek. In 2016 heeft de gemeenteraad van Eindhoven besloten dat ze niet meer wil besluiten over individuele cultuursubsidies. Dat is iets wat veel lokale, maar ook landelijke politici namelijk vervelend vinden: mekkerende kunstinstellingen. Met Thorbecke in de hand (‘De regering is geen oordeelaar van wetenschap en kunst’) besteedt men het vaststellen van wie wel en geen overheidssubsidie krijgt het liefst zo ver mogelijk uit. Daarom hebben we hier cultuurfondsen, en daarom heeft Eindhoven de Stichting Cultuur Eindhoven. Die stichting krijgt alle geld dat voor cultuursubsidie is bestemd en mag zelf bepalen aan wie die wordt toegekend. Heel handig. De politiek hoeft er nog maar eens in de vier jaar naar te kijken.

Niet bevoegd

Dat gaat allemaal goed, totdat het fout gaat. En het ging dus fout toen de Stichting Cultuur Eindhoven besloot dat de Bibliotheek Eindhoven minder geld moest krijgen. De bibliotheek maakte bezwaar, stapte bij geen gehoor naar de rechter, raakte na één beroepszaak al haar subsidie kwijt, ging daar weer tegen in beroep waarna het hele zaakje terecht kwam bij de Raad van State. Dat allerhoogste rechtscollege besloot in februari dat de Stichting Cultuur Eindhoven überhaupt niet bevoegd was om te bepalen wie wel of geen subsidie krijgt. Dat soort besluiten die om overheidsgeld gaan en het welzijn van burgers dienen namelijk altijd wettelijke besluiten te zijn, en een particuliere club als zo’n stichting mag dat helemaal niet doen.

En hier wordt het dus interessant. Want hoe zit eigenlijk met die fondsen waar de Rijksoverheid een deel van het subsidiegeld aan uitgeeft? Stel je voor dat die eigenlijk, als puntje bij paaltje komt, ook geen wettelijke bevoegdheid hebben? Het gaat allemaal om artikel 4:23 van de Algemene Wet Bestuursrecht. Dat stelt: ‘Een bestuursorgaan verstrekt slechts subsidie op grond van een wettelijk voorschrift dat regelt voor welke activiteiten subsidie kan worden verstrekt.’ In gewone taal betekent dat, dat elke toekenning van subsidie een wettelijke regeling is, dus door een democratische besluitvorming vooraf moet worden gegaan.

Eindhoven blundert

Ik besloot het na te vragen bij het Ministerie van OCW, dat gaat over onze cultuursubsidies. Na enig rondneuzen meldde men mij daar dat zulks bij de cultuurfondsen goed geregeld is. Zij zijn uitvoerders van wettelijke regelingen, stelt het ministerie, en staan dus ook open voor alle beroepsmogelijkheden en toetsing die daarvoor zijn ingericht. In Eindhoven, zo stelde het ministerie, had men dat minder handig geregeld: de raad had de besluitvorming over subsidie gemandateerd aan het college, dat op zijn beurt een derde partij inschakelde. En dan valt de wettelijke basis dus weg.

Wie mocht hopen – of vrezen – dat dus nu overal de wettelijke basis onder subsidie door fondsen is weggevallen, kan rustig gaan slapen – of wakker blijven. Het is nu vooral aan burgemeester en wethouders van Eindhoven om de zaak te repareren. Dat heeft het college dus op 19 april gedaan, maar niet op de manier die de Stichting Cultuur Eindhoven goed vond. In plaats van het vaststellen van een wettelijke grond voor de komende vier jaar, zoals bij de overheidsfondsen, gaat de gemeenteraad weer alle besluiten over cultuursubsidie nemen en stuurt die vervolgens ter uitvoering door naar de SCE. Die daarmee dus eigenlijk alleen maar een loket is geworden. Daar hoeft, naast College en Raad, geen extra Raad van Toezicht meer bij.

Haastklus

Waarom voor deze nogal houtje-touwtje-achtige oplossing is gekozen, wordt duidelijk uit het antwoord dat ik kreeg van de juristen van de gemeente Eindhoven. Zij stellen: ‘Deze mandaatregeling is de snelste en – heel belangrijk – een juridisch rechtsgeldige en beproefde constructie.. Hoewel het college via de mandaatregeling wel eindverantwoordelijk is voor de genomen besluiten, wordt de beoordeling en uitvoering van de besluiten via het mandaat volledig bij SCE gelaten. Het College heeft geen enkele intentie om dit proces in eigen hand te nemen dan wel bemoeienis te hebben met de uitvoering door SCE. Wat bij deze keuze voorop heeft gestaan is dat SCE op deze manier op de kortst mogelijke termijn weer operationeel is en  de subsidieverlening aan de culturele sector weer door kan gaan.’

De wethouder stelt wel dat dit niet de allerbeste regeling is, maar dat voor een goede regeling te weinig tijd is: ‘De verordening doet meer recht aan de oorspronkelijke intentie om SCE op afstand van de gemeente te plaatsen. Het nadeel van een verordening is echter dat dit een aanpassing vergt van de Algemene Subsidieverordening (ASV) en/of dat er een aparte subsidieverordening Cultuur Eindhoven vastgesteld moet worden. Dit kost meer tijd, aangezien hier een raadsbesluit voor nodig is.’

Evaluatiemomentje

En dan volgt een staartje. Er vond dit jaar ook een evaluatie plaats van de SCE, en in het najaar bespreekt de gemeenteraad de uitkomsten daarvan. Dat is de reden waarom de wethouder nog geen grote besluiten wil nemen en een echte verordening wil vaststellen. Dan lijkt het erop, maar dit is natuurlijk pure kwaadaardige speculatie, dat de wethouder een vermoeden heeft dat die evaluatie niet heel erg goed gaat uitpakken voor de SCE. Ofwel: dat er voor de volgende subsidieperiode iets totaal anders komt. Of misschien zijn er in het nieuwe, borealere politieke klimaat in Brabant wel raadsleden die juist meer invloed op subsidie willen. Dat zou voor een Raad van Toezicht als die van de SCE natuurlijk ook een hele goede aanleiding voor chagrijn kunnen zijn.

PODCAST! Hoedt u voor de eenarmige pianoleraar. Bellevue brengt komische voorstelling over Paul Wittgenstein.

Still uit promovideo

Pianospelen zonder handen is best moeilijk. Met één hand is het al bijna onmogelijk, al kwam Paul Wittgenstein er een heel eind mee. De pianist – en oudere broer van de beroemde filosoof Ludwig Wittgenstein – verloor zijn rechterarm in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog. Hij zette zich met enige verbetenheid aan het trainen van zijn linkerarm en kon dankzij het familiefortuin een paar beroemde componisten pianowerk laten schrijven, speciaal voor de linkerhand. Hij had er matig succes mee, al worden die werken nog steeds gespeeld.

In De Verschrikkelijke Wittgenstein, een lunchtheatervoorstelling in het Amsterdamse Theater Bellevue, zien we Paul Wittgenstein terug in 1951, wanneer hij werkt als pianoleraar bij rijke New Yorkers. Regisseur en schrijver Roeland Hofman gebruikt deze situatie als uitgangspunt voor een bizar uurtje toneel waarin bloed vloeit. Acteur Martijn Nieuwerf speelt de getroebleerde eenarmige pianoleraar in de van hem bekende, ontwapenende stijl. Naast hem zien we Isabelle Houdtzagers Billy de Walle als twee over het paard getilde vroegpubers en Tobias Nierop als de butler die niet genoemd is naar de wereldberoemde econoom Stiglitz, al zou dat zomaar kunnen. Het stuk is overigens buitengewoon grappig.

Ik ging een inspeelvoorstelling kijken, en vroeg regisseur Hofman en titelrolspeler Nieuwerf naar de achtergronden.

De voorstelling gaat aanstaande zondag in première en is dan tot en met 26 te zien in Theater Bellevue, Amsterdam, steeds om half een ‘s middags. Inlchtingen: http://theaterbellevue.nl/wittgenstein.

Componist Sander Germanus: ‘Gebruik geen drugs, luister naar mijn muziek!’

Sander Germanus (c) Sander Germanus

‘Gebruik geen drugs, luister naar mijn muziek!’ Dit schrijft Sander Germanus (Amsterdam, 1972) zelfverzekerd op zijn website. Woorden die je niet direct verwacht van een componist van modern-klassieke muziek. Hierbij denken velen immers eerder aan onbegrijpelijke ‘plink-plonk’ dan aan geestverruimende klanken.

Een verfrissend geluid van iemand die een eigen compositiemethode ontwierp, de zogenoemde ‘horizontale harmonie’. Ehm… Wat moeten we ons daarbij voorstellen? Op 18 mei gaan we het horen. Dan klinkt de wereldpremière van Im Vortex, gecomponeerd in opdracht van de NTRZaterdagMatinee voor Ensemble Musikfabrik. Ik vroeg Germanus naar het hoe en waarom van zijn stuk en van zijn compositiemethode.

Desoriëntatie

Ten eerste: waarom de titel Im Vortex?

‘Im Vortex is Duits voor ‘in de vortex’, dat vind ik mooi klinken. Het is bovendien toepasselijk omdat het stuk wordt gespeeld door een Duits ensemble en ook in Keulen wordt uitgevoerd. Een vortex (of wervel) is een algemene term voor een draaiende beweging in natuurverschijnselen als een orkaan (lucht) of een draaikolk (water). Ik heb allerlei vormen van vortices vertaald naar muziek, alsof de luisteraar er zelf in zit, vandaar Im Vortex.’

‘De vraag is natuurlijk hoe dat zou zijn, want wie dat ooit heeft meegemaakt kan het niet navertellen. Maar goed. Elk gedeelte in mijn stuk belicht losjes een andere verschijningsvorm van een vortex. Het thema sluit aan bij mijn algemene muzikale doel: desoriëntatie teweegbrengen. Daarbij streef ik overigens wel naar een prettig soort verwarring. Duizeligheid zoals in een vortex hoort daarbij. We kunnen al gedesoriënteerd raken door een plaatje, puur omdat onze hersenen het anders interpreteren op basis van wat zij gewend zijn.’

Tonen tussen de ‘spleten van de piano’

‘Zo kun je in muziek desoriëntatie bewerkstelligen door te spelen met onwrikbaar in ons brein gehamerde klanken en ritmische patronen. Als je structureel de daaraan gekoppelde verwachtingspatronen doorbreekt raakt de luisteraar ‘verdwaald’. Zo formeer ik bijvoorbeeld ongebruikelijke akkoordprogressies met behulp van kwarttonen. Dat zijn zogenoemde ‘microtonen’ die kleiner zijn dan we in het westerse toonsysteem gewend zijn. – Kortweg de tonen die zich verbergen in de ‘spleetjes’ tussen de witte en zwarte toetsen van de piano.’

‘Een tweede manier van ontregeling zit hem in het gebruik van wat ik ‘tempocirkels’ noem. Zo lijkt een passage in Im Vortex constant te versnellen of vertragen doordat ik kortere of langere notenwaarden gebruik. – Echter zonder dat de muziek daadwerkelijk sneller of langzamer wordt. Vergelijkbaar met de schijnbaar eindeloos rondjes lopende mannetjes in de litho Klimmen en dalen van M.C. Escher.’

Horizontale harmonie

Je spreekt vaak over ‘horizontale harmonie’, wat moeten we ons daarbij voorstellen?

‘Dat wortelt in mijn fascinatie voor bovengenoemde microtonen, waarmee ik me al sinds de jaren ’90 bezighoud. De gangbare klassieke muziek was gebaseerd op akkoorden, die al naar gelang hun samenstelling verschillende emoties oproepen. Dat is een verticale benadering van muziek, want die drie, vier, of meer tegelijkertijd klinkende tonen liggen boven elkaar. Ik streef juist naar een horizontale aanpak, waarin stemvoering belangrijk is.’

‘Orenschijnlijk doodnormaal klinkende akkoorden geef ik een andere ‘emotie’ mee door ze in een andere context te plaatsen. Hierin spelen kwarttonen een belangrijke rol, omdat die een verrassend en vervreemdend effect hebben. Kort gezegd: in verticale harmonie bepalen de samenklanken zelf het gevoel, bij horizontale harmonie wordt die opgewekt door de omliggende akkoorden.’

Ronddraaiend puin

‘In Im Vortex hebben hoorn en trompet zelfs een ingebouwd kwarttoonventiel. De partituur bevat veel golvende passages van kleine motiefjes die van laag naar hoog en weer terug bewegen. Zij verklanken voor mij het ronddraaiende “puin” om ons heen. Gaandeweg wordt de lus steeds kleiner, waarbij het puin langzaam verdwijnt en de hogere tonen prominenter worden. Zo raakt de luisteraar gedesoriënteerd en misschien zelfs duizelig, alsof hij zich binnenin zo’n vortex bevindt.’

Je speelt graag met verwachtingspatronen en verstopt ook vaak een grapje in je muziek. Geldt dit ook voor Im Vortex?

‘Het is de bedoeling dat er ‘iets geks’ door het gehele stuk zit, dat is onderdeel van mijn idioom. Ik werk graag met bekende muzikale bouwstenen, zoals grote en kleine drieklanken, of Wagneriaanse akkoorden, die ik door middel van horizontale harmonie een andere lading geef. In Im Vortex knipoogt een gelegenheidsformatie van contrabas, slagwerk en elektronisch orgel op een gegeven moment zelfs naar jazzmuziek. Zo hoop ik de luisteraar iets voor te toveren dat op een vervreemdende manier toch logisch klinkt.’

Tijdens het concert van Ensemble Musikfabrik op 18 mei klinkt ook de wereldpremière van ‘lightclouds’ van Rozalie Hirs, naast werken van Carola Bauckholt, Rebecca Saunders en Unsuk Chin. Meer info via deze link

‘Ik snap nu hoe complex “schuld” eigenlijk is’: Takis Würger schreef roman over Joodse verraadster (en zette zijn e-mailadres erin).

Schrijver Takis Würger

‘Dat ik daders in mijn familie heb geeft me de verantwoordelijkheid om te blijven herinneren. Veel van mijn generatiegenoten zeggen dat we dit nooit moeten vergeten en dat het nooit meer mag gebeuren, maar doen verder niets. Het feit dat ik schrijver ben geeft me de mogelijkheid om wél iets te doen. Om erover te schrijven, lezers zich te laten afvragen wat zij zouden hebben gedaan en te laten zien hoe wreed het naziregime was. In een tijd waarin de laatste getuigen nog maar een paar jaar te gaan hebben, is het noodzakelijk dat wij als jongere generatie dit verhaal tot óns verhaal maken.’

Toen een vriend hem vertelde over Stella Goldschlag, een Joodse vrouw die tijdens de Tweede Wereldoorlog andere Joden verried om zichzelf en haar ouders te redden, was de Duitse journalist en schrijver Takis Würger (33) direct gegrepen. Hij baseerde zijn roman Stella op haar levensverhaal. ‘Het leven van deze vrouw was verschrikkelijk en fascinerend tegelijk en haar verhaal riep vragen die nauwelijks te beantwoorden zijn. Vragen over persoonlijke schuld, en natuurlijk de hamvraag: wat zou ik hebben gedaan?’

Wat was het in deze geschiedenis dat je zo raakte?

‘Ik denk dat het te maken heeft met het feit dat ik op mijn achtentwintigste ontdekte dat mijn overgrootvader was vermoord door de nazi’s, omdat hij psychisch ziek was. Uit schaamte heeft mijn grootmoeder dat altijd geheim gehouden. Na haar dood begon mijn vader uit te zoeken wie zijn opa was, en toen ontdekte hij dit gegeven. Het heeft mijn perspectief op de Holocaust veranderd. In Duitsland groei je op in de wetenschap dat je voorvaderen daders waren: ofwel ze waren buitenstaanders en werden schuldig doordat ze niets deden tegen de nazi’s, of ze maakten er zelf op een of andere manier deel van uit. Mijn beide opa’s bijvoorbeeld zaten bij Wehrmacht en een van mijn oma’s gaf speeches over de superioriteit van het Arische ras.’

De goede kant

‘Ik ben nu 33 en voor mijn generatie is het gebruikelijk te hopen dat wij in die tijd aan de goede kant zouden hebben gestaan, geen nazi’s zouden zijn geweest. Maar zo eenvoudig ligt dat niet. Het verhaal van mijn overgrootvader en dat van Stella zetten me opnieuw aan het denken over hoe dit alles mijn leven beïnvloedt. Het deed me beseffen dat de Duitse geschiedenis míjn geschiedenis is.’

Je baseerde de roman op de historische figuur Stella Goldschlag, maar maakte er wel fictie van. Waarom?

‘De verteller van het verhaal, de Zwitserse jongeman Friedrich die verliefd wordt op Stella, is compleet fictief. Ook Stella is niet de historische Stella, al zijn ze beiden Joods, jong en mooi, goed opgeleid, en worden ze voor de keuze gesteld hun ouders  te laten afvoeren naar Auschwitz of mee te werken met de nazi’s. De echte Stella Goldschlag is altijd mysterieus gebleven. Ze was slachtoffer en dader tegelijk. Maar we weten niet hoe ze over zichzelf en haar daden dacht, ze heeft zich nooit over haar schuld uitgelaten. Vlak voor haar dood – in 1994 beroofde ze zichzelf van het leven – gaf ze nog een interview, en daarin staan zo veel leugens dat je niet zeker kunt weten dat andere uitspraken of beweringen wel waar zijn.’

Soms is vragen stellen voldoende

‘Mijn roman is een poging om zo dicht mogelijk bij allerlei vragen in de buurt te komen – hoe heeft dit kunnen gebeuren, wat zou ik zelf in die situatie hebben gedaan – zonder die overigens te beantwoorden. Soms is vragen stellen en daarover nadenken voldoende.’

Wat zou jij hebben gedaan als je in haar schoenen had gestaan, denk je?

‘Ik zal je eerlijk zeggen dat ik het écht niet weet. Ik denk dat er niemand zoveel over deze vraag en deze vrouw heeft nagedacht als ik. Alles heb ik over deze kwestie gelezen, elke getuigenis, elk essay dat ik kon vinden. Ik heb met onderzoekers gesproken, tweemaal Auschwitz bezocht voor research, in Israël  gesproken met een man die me vertelde hoe het was om als Jood onder het naziregime te leven, en nog steeds kan ik deze vraag niet beantwoorden. In Duitsland heb ik meer dan vijftig lezingen gegeven, drie maanden lang zat ik elke avond op het podium en sprak ik met het publiek hierover. Je zou verwachten dat je dan op een gegeven moment een antwoord vindt, maar nee.’

Stella’s ouders worden alsnog gedeporteerd, maar ook daarna blijft ze andere Joden aangeven. Om zichzelf te redden?

‘Dat is inderdaad een groot vraagstuk in haar leven. Om haar ouders te redden dwongen de nazi’s haar om infiltrant te worden, maar uiteindelijk voerden ze haar ouders toch af. Gewoon, omdat ze dat nu eenmaal konden doen en harteloos waren. Waarom ze daarna toch voor de nazi’s bleef werken, weet ik niet. Het antwoord op die vraag heeft ze mee haar graf in genomen. Waarom ze uiteindelijk in 1994 zelfmoord pleegde, is evenmin bekend. Ze bleef een mysterie.’

Wat heeft het schrijven van dit boek je geleerd over schuld?

‘Mijn hoofdpersoon Friedrich hoopt in het Berlijn van 1942 erbuiten te kunnen blijven en probeert te leven alsof de nazi’s er niet zijn. Maar door zo passief te blijven, wordt hij als het ware zelf toch ook schuldig. Die man met wie ik heb gesproken in Tel Aviv – hij was in de negentig en is helaas in december gestorven – vertelde me dat het in die tijd eigenlijk niet mogelijk was om géén partij te kiezen. Zelfs als je slechts een eenvoudige fluitspeler was zonder lidmaatschap van de Nationaalsocialistische Arbeiderspartij, kon je je er eigenlijk niet aan onttrekken. Je kreeg er hoe dan ook mee te maken, bijvoorbeeld doordat je niet ingreep als je Joodse buren werden afgevoerd.’

Vervaging

‘Door het schrijven van dit boek ben ik me gaan realiseren hoe complex “schuld” eigenlijk is. Hoe weeg je Stella’s schuld? Hoe fout is een daad als die tot doel heeft je familie te redden? In onze wereld zien we iets als goed of slecht. Als we naar het tijdperk van de nazi’s kijken, kun je zien dat het ontketenen van een oorlog en het vermoorden van zes miljoen Joden slecht was. Daar is geen twijfel over mogelijk. Maar kijk je naar een individueel verhaal als dat van Stella, dan begint die helderheid te vervagen.’

Wat zegt dit over de wereld van vandaag?

‘Het is belangrijk om over deze vraagstukken na te denken, omdat we daardoor nadenken over wie we zijn en wie we willen zijn. We leven in een tijd waarin we moeten besluiten hoe we met vluchtelingen omgaan, met vreemdelingen en minderheden. Op wie we willen stemmen. Wat het betekent om Europeaan te zijn. Hoe willen we herinneren en herinnerd worden? Wat leren we van de geschiedenis? Dit boek heeft mijn leven veranderd.’

Op wat voor manier?

‘Het deed me beseffen dat het ook míjn geschiedenis is, dat het ook mijn verantwoordelijkheid is om die nooit te vergeten. Ik heb er nooit naar gestreefd een politieke schrijver te worden of kinderen op school te leren over de Tweede Wereldoorlog. Maar Stella wordt in Duitsland op scholen gelezen en er is in de media uitgebreid over gedebatteerd. Toen ik eraan begon wist ik dat dit onderwerp groter was dan ik.’

‘Dat is niet altijd gemakkelijk geweest, omdat alles wat met de oorlog te maken heeft heel gevoelig ligt in mijn land. Maar het feit dat er debat kan zijn, is juist zo mooi aan democratie. In de tijd waarin het verhaal zich afspeelt, was die vrijheid er niet. We moeten met elkaar in gesprek en verschillende standpunten uitwisselen. Daarom heb ik ook mijn e-mailadres in het boek gezet. In een paar maanden tijd kreeg ik duizenden reacties, elke dag kostte het me minimaal een uur om alle berichten te beantwoorden. Dat waren niet allemaal mails om me te vertellen: hee, ik hou van jou, Takis, dank je wel dat je dit boek hebt geschreven. Maar het feit dat mensen over dit boek nadenken, is wat ik ermee heb beoogd. Dat ze erover nadenken en erdoor worden geraakt.’

Goed om te weten Goed om te weten

Stella is verschenen bij Signatuur, € 19,99 Koop via Bol.com en steun Cultuurpers

Crash Park: Armageddon is kinderspel. In het Holland Festival laat Philippe Quesne ons vrolijk elke ramp overleven.

Foto: Martin Agyroglo

‘Ik ben totaal niet optimistisch over de planeet. Ik ben ook niet optimistisch over het optimisme waarmee de mensen in mijn voorstelling steeds weer opnieuw een oplossing vinden om door te leven ondanks de rampspoed die hen overkomt.’ Philippe Quesne heeft van die wanhoop een prachtig theaterstuk gemaakt. Vol niet-cynische overlevers die van alles een avontuur maken.

Hoe hij dat doet? Hij zet geen mensen op het toneel die ervoor hebben doorgeleerd. Hij vertelt niet echt een verhaal. Er zit eigenlijk geen dramatische spanning in. Hier en daar is het dan ook een tikje langdradig. En dan heeft het ook nog een soort van happy end. Quesne maakt professioneel amateurtheater. Toch wordt het stuk ‘Crash Park’ door het prestigieuze Holland Festival op het programma gezet. Dat betekent dat ze daar van het padje zijn. Of dat er iets anders aan de hand is. Want ‘Crash Park’ is in heel Europa een daverend succes.

Rookmachine

Wat er dan zo bijzonder is aan Crash Park? Kenners zullen gelijk roepen: Philippe Quesne. Maar ook voor wie de naam Philippe Quesne geen bel doet rinkelen, is Crash Park toch iets om meegemaakt te moeten hebben. Ik ben wezen kijken en liet me na enige strijd overtuigen. Daarna heb ik hem gevraagd wat zijn geheim is.

Philippe Quesne. Foto: Obadia Wills

Crash Park gaat over een crash. Nadat we eerst filmbeelden zien van passagiers in een vliegtuig, zien we daarna dat vliegtuig zelf door de zaal vliegen. Met heel eenvoudige middelen, zoals een draagbare rookmachine, weten de spelers de illusie te scheppen van een echt vliegtuig, speelbal van de elementen. Een vliegtuig waarvan we even later de tragische resten zien naast een niet helemaal onbewoond eiland. Uit die resten kruipen vervolgens de gehavende overlevenden. Ze redden zich op het eiland.

Geen Lord of the flies

Wie op dat moment gaat klaarzitten voor een verhaal à la de roemruchte tv-serie Lost, of de doemvolle roman Lord of the Flies, kortom: voor onderlinge spanningen, verdere catastrofes, moord, kannibalisme en veel moraal, komt bedrogen uit. We kijken namelijk naar een clubje blije mensen, die elke mogelijke tegenslag als een avontuur zien, en zich niet echt zorgen maken om wat er om de hoek ligt. Sterker nog: over simpele dingen doen ze wel heel moeilijk, maar niet omdat het moeilijk is, maar omdat het zo leuk is om moeilijk te doen. Het lijken wel kinderen.

Dat klopt, legt Philippe Quesne mij de volgende ochtend uit. ‘Als kinderen met autootjes spelen, of met soldaatjes, spelen ze altijd de vreselijkste ongelukken na. En iedereen overleeft altijd. Dat is het optimisme waarmee wij nu al 20 jaar de grootste dreigingen voor onze planeet negeren.’

Decor in de hoofdrol

Hoe vrolijk zijn voorstelling dus ook lijkt, ze is gemaakt vanuit een diep gevoeld pessimisme over waar we met zijn allen naartoe gaan. Onze fantasie is ons redmiddel. Zelfs van een atoomschuilkelder kunnen we nog een ruimteschip maken, met een beetje verbeelding.

We blijven dus altijd kinderen. Dat zit in al het werk van Quesne, sinds hij 15 jaar geleden afstudeerde als scenograaf.

‘Mijn decors stellen altijd iets voor uit de natuur, maar ze zijn ook altijd nadrukkelijk van bordkarton. Ik heb me daarbij laten inspireren door de grote italiaanse films uit de vorige eeuw, waar de Cinecitta-studio’s ook zulke prachtig kunstmatige decors maakten.’ Net als gebeurde in die roemruchte periode van de Italiaanse cinema, werkt hij ook liever niet met professioneel opgeleide acteurs: ‘In mijn stukken speelt altijd het decor de hoofdrol. De mensen daarin doen niet anders dan zo menselijk mogelijk met de mogelijkheden van het decor omgaan. Het is een speelplaats, waarmee gespeeld wordt.’

Clownerie

Niet gek dus, dat je bij het zien van zijn werk ook aan de oer-Franse films van Jacques Tati moet denken. Daarin ook steevast – zeker in de legendarische ‘Mon Oncle’ – mensen die met een soort droefgeestig-blijmoedige vanzelfsprekendheid omgaan met de techniek van een nieuwe tijd. Of een verkeersopstopping.

Maar er zijn meer inspiratiebronnen. Quesne is gefascineerd door clownerie, zoals die ook te zien is in het werk van Beckett, zoals Wachten op Godot, waarin twee landlopers met niet aflatend optimisme wachten op de aangekondigde komst van ene Godot, die dus niet komt. ‘We hebben er altijd op vertrouwd dat onze leiders verstandige mensen zijn, maar inmiddels is wel duidelijk dat de grootste clowns nu aan de macht zijn, en de verstandige mensen in het theater staan.’

Schoonmaakster

Quesne werkt graag met niet-professionele acteurs: ‘Ik wil theater maken met mensen die het recht hebben om te twijfelen, om fouten te maken, om dingen te proberen. Als je met mensen begint die dezelfde opleiding als jij hebben, wordt het eenvormig. Ik wil verschillende karakters, een divers gezelschap. Het is mijn eigen Ark van Noach.’

Bijzondere figuren zijn er dus volop. Zoals de juriste, die pas op latere leeftijd haar lucratieve baan opzegde en zich aansloot bij Vivarium, Quesnes gezelschap. Of de vrouw die als schoonmaakster werkte in het gebouw waar Quesne repeteerde aan de voorstelling. ‘Ze was erg geïnteresseerd in wat we deden en bleef vaak kijken bij de repetities. Toen heb ik haar gevraagd om mee te doen. Ze reist nu mee en is volledig opgenomen in de groep.’

Gele hesjes

Niet dat de theatermaker veel vertrouwen heeft in de oplossingsvaardigheid van de gewone man. In de voorstelling lopen de mensen in reddingsvestjes, die sommige mensen kunnen doen denken aan de ‘gele hesjes’, waarmee de Franse burgerbeweging wordt aangeduid die zich in het najaar van 2018 manifesteerde. ‘Toen wij repeteerden kwamen opeens de gele hesjes in het nieuws. Dat was een raar toeval. De gele hesjes zijn namelijk ook een voorbeeld van ongericht optimisme. Ze zijn boos, maar zijn het onderling totaal oneens over waarop ze boos zijn en wat de oplossing is. Die beweging is dus gedoemd te falen als het om het oplossen van het echte probleem gaat.’

Dat echte probleem is, zoals Quesne steeds weer benadrukt: de wereld, en hoe wij die uitwonen. ‘Al sinds de vroegste prehistorie, dat verbijstert me steeds weer.’

Cultuurfondsen willen langzame vernieuwing. Maar daarvoor is het veel te laat.

Op 11 april 2019 zette de Raad voor Cultuur de schop in de dijken van de polder die het Nederlandse cultuurbestel is. De basisinfrastructuur, in 2009 ingesteld om nu eindelijk eens vernieuwing en doorstroming in het systeem in te bakken, is immers dood. Het in jaren zorgvuldig bedachte bouwwerk is in een ruïne veranderd door 10 jaar cultuurbeleid waarin de VVD dominant was. Het lapwerk door ministers ter linkerzijde, kamerleden met een eigen agenda en een culturele lobby die zichzelf vaker in de staart bijt dan goed is, heeft de boel alleen maar erger gemaakt.

Een paar dagen na 11 april (four-eleven voor onze overzeese vrienden) kwamen de gezamenlijke cultuurfondsen (een unicum) met een reactie die enerzijds te verwachten, maar anderzijds eigenlijk heel raar was. De fondsen vonden namelijk dat wat de Raad voorstelde, veel te ingrijpend was. Vernieuwing, zo stelden ze, moest in een lagere versnelling gezet worden. Hiermee, om de hiervoor geschetste beeldspraak af te maken, begonnen de fondsen met een dijkverzwaringsproject rondom diezelfde culturele polder.

Monstrueus

Zo lijnrecht als nu hebben beslissers in de culturele sector nog nooit tegenover elkaar gestaan, wil ik maar zeggen. Om het even scherp te zetten: de Raad pleit voor een terugkeer naar het systeem van vóór 1986. Toen bracht het rapport van de Commissie De Boer een scheiding aan tussen lokale, regionale en nationale financiering in respectievelijk presentatie, educatie en productie.

De monstrueuze gevolgen daarvan zijn nog altijd voelbaar. De drie bestuurslagen werken niet alleen slecht samen, in het veld staan de partijen helemaal tegenover elkaar. Theaters bekommeren zich niet echt om welk gesubsidieerd aanbod er nu weer voor ze is bedacht, cultuureducatie is een stiefkindje van provincies en makers zijn het contact met het publiek buiten de eigen woonplaats kwijt.

Op scherp

De basisinfrastructuur van 2009 hield de grens tussen productie van kunst en de presentatie daarvan aan een (regionaal) publiek potdicht. Fondsen – die nu de taak kregen voor vernieuwing en doorstroming te zorgen –  waren er voor de makers, niet hun klanten. Cultureel emanciperende steden klagen nu dus over het gebrek aan afstemming tussen wat hun (cultureel geïnteresseerde) bevolking wil, en wat er centraal door de fondsen wordt aangeleverd.

Toen de VVD het hele gebouw opblies door de subsidies grotendeels in te trekken, kwam de zaak op scherp te staan. Voorheen zekere ‘functies’ werden uit de permanente subsidie gekieperd en op het bordje van de fondsen gelegd, die met minder geld meer monden te voeden kregen.

Wolven

De fondsen wilden vervolgens geen sprookjesoplossing, die eruit zou hebben bestaan dat een paar van de koters ter verdwaling het wolvenbos in werden gestuurd, maar besloten zoveel mogelijk overeind te houden. Het Fonds Podiumkunsten, het grootste cultuurfonds, bouwde bovendien productiedwang in: subsidie werd berekend voor het aantal voorstellingen dat je aan – steeds onwilliger – regionale theaters wist te verkopen, ongeacht het aantal producties dat je uitbracht. Theoretisch was het mogelijk om in een jaar veertig verschillende eenmalige producties uit te brengen, die je elk op een andere plek liet zien.

Dat niemand over zulke onuitputtelijke creativiteit beschikt, is evident. Dat geïnteresseerde toeschouwers op zeker moment ophouden elk nieuw aanbod te volgen, logisch. Dat het bovendien leidde tot burn-outs onder makers, tot structurele onderbetaling van artiesten en medewerkers in en buiten loondienst, een kwalijke bijwerking.

Prioriteiten

Dat alles anders moet, is dus al een tijdje duidelijk. Dat niet iedereen aan werkgevers- en werknemerszijde daarop zit te wachten, eveneens. Maar voortmodderen met slechts marginale aanpassingen, zoals de fondsen nu voorstellen, is rampzalig.

Dat maakt de brief van de fondsen wrang. Hij maakt vooral duidelijk dat men daar de afgelopen jaren drukker bezig is geweest met het lobbyen tegen ingrijpende vernieuwingen, dan na te denken over succesvolle alternatieven. Dat is zeer kostbare tijd gebleken, nu de Raad, ondanks de door de lobby opgelegde beperkingen (geen verandering van geldstromen tussen rijk, provincie en gemeenten) toch een noodzakelijke stelselherziening doordrukt.

Dat de Raad daarmee de klok eigenlijk 35 jaar terugdraait klinkt dramatisch, maar is voorstelbaar. Je kunt namelijk ook stellen dat de ambities, waarmee de diverse stelselwijzigingen werden ingezet, misschien te groot waren. Altijd was het doel om vernieuwing en doorstroming mogelijk te maken. Altijd wees de praktijk uit, dat wanneer die vernieuwing en doorstroming werden geforceerd, de behoudslobby sterker was. Maar meer nog geldt misschien wel dat het bieden van uitzicht op vernieuwing en doorstroming, door daar een hele fondsenstructuur voor op te zetten, averechts werkt.

Niet waar te maken belofte

Immers: nu vernieuwing en doorstroming aan makerszijde daadwerkelijk mogelijk leek, werd deze ook overal gepropageerd. Jonge makers kregen hoop, en ook de kans om hun dromen te verwezenlijken. Alleen liepen ze ergens tegenaan. Iets dat niet de verantwoordelijkheid van de fondsen is: lege zalen en galeries, een recensietje op een specialistische site. Al worden die ook stevig door de fondsen gesubsidieerd. Maar het lot van heel veel fondsenkunst is toch vergetelheid, provinciehaat en burn-out. Niet noodzakelijk in die volgorde.

Het systeem dat de Raad voorstelt zou volgens de fondsen leiden tot verstarring. Die verstarring is zeer goed mogelijk, ook al spreek je niet meer van ‘voorzieningen’, zoals in de jaren 1975, maar van ‘keteninstellingen’. Het probleem zit hem toch ook een beetje  in de gescheiden geldstromen voor de kunst. Waarom niet de regionale structuur die de Raad in een eerdere fase voorstelde? Waarom niet geld voor productie en presentatie in handen leggen van die plekken waar kunst ertoe doet: in de stedelijke regio’s?

Nederland heeft goed ontwikkelde regio’s, waar niet alleen onderontwikkelde, laagvoorhoofdige neanderthalers wonen. Want zo reageren sommige kunstenaars en subsidiënten wel wanneer je een grotere inbreng van de stedelijke bevolking bepleit. Alsof dan alleen nog McDonalds de norm wordt. Laten we stoppen het gebied ten oosten van de A30 tot cultureel ontwikkelingsland te bestempelen. De Raad doet een dappere poging, nu doorpakken. Geef het cultuurbeleid terug aan de cultuur.

Zet de sluizen maar open.

Creativiteit moet een grotere plaats krijgen in het proces van filmproductie, stelt de Netherlands Society of Cinematographers in het New Deal-manifest

Nederlandse cameramensen trekken aan de bel (beeld: NSC)

Vorig jaar waren het eerst de Nederlandse filmdistributeurs die de noodklok luidden over de Nederlandse film. Vervolgens riepen op het Filmmakerssymposium regisseurs, scenaristen en acteurs op tot meer lef en creativiteit. En nu trekt de Netherlands Society of Cinematographers (NSC), die dit jaar 25 jaar bestaat, aan de bel. Met een New Deal-manifest roepen de cameralieden op tot verbetering van het werkproces van het filmmaken. Creativiteit moet weer bloeien.

De NSC heeft dit voor en door cameramensen opgestelde manifest verspreid over de sector en hoopt zo een bijdrage aan het proces van bezinning te leveren.

De strekking van het stuk is dat veel producties na het passeren van fondsen en producenten al te veel zijn dichtgetimmerd. Met vervolgens te weinig ruimte voor de makers tijdens pre-productie en draaiperiode. Minder voorgebakken procedures, meer ruimte voor creativiteit, is het advies. Een werkwijze met meer rust en ruimte. De films worden er beter van en ze worden minder uniform, zo stelt de NSC.

Geen beschuldigende vinger

Waaraan NSC-voorzitter Richard van Oosterhout desgevraagd met enige nadruk toevoegt: “We willen beslist niet met een beschuldigende vinger wijzen naar fondsen of producenten. Het is niet dat zij fouten maken. Het vloeit voort uit de manier waarop het hele systeem is georganiseerd.”

Als voorbeeld noemt hij dat het bij een coproductie met Luxemburg kan gebeuren dat de Director of Photography niet de vrije hand heeft bij de keus van crewleden. Domweg omdat een coproductieafspraak maakt dat die uit Luxemburg moeten komen. En daar mag dan veel geld zijn, er is weinig crew.

“Als cameramensen hebben we een bescheiden positie, maar we zien wel zaken minder goed gaan. We willen daar aandacht voor vragen en suggesties aandragen voor verbetering. We moeten met z’n allen beter analyseren hoe het systeem werkt.”

Weg met de uniformiteit!

“Er is nu heel veel invloed van buitenaf, wat het ook voor de regisseur moeilijk kan maken. Als er bijvoorbeeld een omroep bij betrokken kan het gebeuren dat die weer een eigen dramaturg inbrengt.”

Het manifest stelt dat filmmaken is verworden tot een ambtelijk systeem, waarbij alles is vervat in regels en gewoontes. ‘Weg met die standaardisering en uniformiteit!’, zo is de oproep.

Verder ziet de NSC graag dat de taken van fonds, producent en makers weer duidelijker gescheiden worden. Het fonds gaat over geldverstrekking, politiek en ondersteuning. De producent gaat over de organisatie. De regisseur en andere makers zijn de spil waarom het draait. Het team van makers moet vooral in de pre-productiefase meer rust en ruimte krijgen om de creativiteit te laten bloeien.

Gevraagd wat volgens hem het belangrijkste advies is, stelt Oosterhout: “Beter communiceren in de sector. De heersende verzuiling doorbreken, minder in eilandjes denken. Dat is niet revolutionair, en ook geen aanval of kritiek. Iedereen wil immers een mooie film maken, en daar zijn nu eenmaal veel partijen bij betrokken.”

Eerste hulp bij vlammenzee. Rudolf Escher biedt troost met Musique pour l’esprit en deuil

Rudolf Escher in 1944

Maandag 15 april 2019, deze datum staat voorgoed in ons geheugen gekerfd. Ik hield het niet droog bij de beelden van de allesverzengende brand in de Notre-Dame de Paris. Net als miljoenen anderen zat ik urenlang met ingehouden adem aan mijn schermpje gekleefd: dit mag niet waar zijn! Toen de structuur, de roosvensters en zelfs het orgel gered bleken sprongen mij opnieuw de tranen in de ogen. Een wonder was geschied. Het gouden kruis stond fier overeind in de rokende puinhopen – je zou er haast religieus van worden.

Dat het vuur uitgerekend toesloeg in de week voor Pasen lijkt symbolisch. De Notre-Dame als verpersoonlijking van Christus, die zijn lijdensweg manmoedig volbrengt maar uiteindelijk zegeviert en opstaat uit zijn graf. De uitvoeringen van Bachs Matthäus-Passion zijn in deze periode amper nog te tellen. Daarnaast klinken – op bescheidener schaal –verschillende versies van het Stabat Mater. Hierin staat niet het lijden van Christus centraal maar het verdriet van zijn moeder, Notre Dame.

Iconische kerk versus naamloos slachtoffer

Toen binnen no-time een miljard euro binnenstroomde voor de restauratie van de iconische kathedraal klonk meteen ook flink gemor. Die gulle miljardairs doneren hun vermogen enkel ter eigen eer en glorie. Kunnen we dat geld niet beter gebruiken om het klimaat te redden? Waarom geld besteden aan een hoop stenen, terwijl oorlogsvluchtelingen creperen in armzalige kampen? Ja, de wereld staat in brand.

Toch kunnen we ons makkelijker vereenzelvigen met de Notre-Dame dan met naamloze slachtoffers van oorlog en geweld. Die krijgen een stem in het orkestwerk Musique pour l’esprit en deuil van Rudolf Escher. Hij componeerde het in 1943 en het wordt donderdag 25 april uitgevoerd door het Radio Filharmonisch Orkest in TivoliVredenburg.

Escher en zijn vrouw Beatrijs woonden aan de Rotterdamse Leuvehaven toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak. Ze hadden geen telefoon of radio. Toen ze op 14 mei 1940 Duitse watervliegtuigen over de Maas zagen scheren trokken ze nieuwsgierig naar de Maasbrug. Ze waren eerder verrast dan bang.

Partituren verbrand

Zodra ze rubberboten en mitrailleurs aan wal zagen komen, keerden ze als de wiedeweerga terug naar huis. ‘Ik heb een tandenborstel gepakt en we zijn naar Kralingen gefietst, waar mijn ouders woonden’, zei Beatrijs Escher hierover. Tijdens het bombardement schuilde de familie er in het souterrain. Een bom sloeg in op twintig meter afstand, waarna ze per auto naar Reeuwijk vluchtten. Toen Rudolf Escher de volgende dag ging kijken bleek hun woning compleet verwoest. Ook de vleugel en nagenoeg alle partituren waren in vlammen opgegaan. Met ongeveer 80.000 anderen werd het gezin dakloos, er kwamen naar schatting 650 tot 900 mensen om.

Escher weigerde lid te worden van de Kultuurkamer en ondernam zelfs koeriersdiensten voor de sabotagegroep van verzetsman ‘Witte Klaas’. Dat maakte het leven er uiteraard niet makkelijker op. In 1942 begon hij aan Musique pour l’esprit en deuil (Muziek voor de geest in rouw), dat hij een jaar later voltooide. Hierin schetst hij treffend de sombere en dreigende sfeer van die vroege oorlogsjaren.

Flamenco-melodie

Het eendelige stuk opent met aangehouden tonen van twee harpen in de allerlaatste regionen, begeleid door dreigend tromgeroffel. Het strijkorkest speelt angstige tremoli, eveneens in het lage register. Na deze getroebleerde inleiding ontstaan enkele melodieën van houtblazers en violen in de hogere regionen. Deze worden echter gesmoord voor ze zich volledig kunnen ontplooien.

‘De lyriek moet dood’, schreef Escher in een eigen toelichting. ‘Onrust en dreiging treden in de plaats van verwachting en lyriek.’ Als teken van hoop vlamt na een minuut of vier een flamenco-achtig gegeven op in de trompet. Ook dit moet echter wijken ‘in het wassend tumult’. Een marsdreun leidt tot een dynamisch hoogtepunt, waarna de motieven uit de lage registers terugkeren.

Aan het slot speelt de trompettist opnieuw de flamenco-melodie en ditmaal kan zij ongestoord ten einde klinken. In plaats van te besluiten op een sombere toon biedt Musique pour l’esprit en deuil zo troost en verzoening. Niet voor niets wordt het stuk vaak uitgevoerd rond de dodenherdenking van WOII.

Partituren opgestookt

Het had overigens weinig gescheeld of ook deze partituur was door het vuur verzwolgen. Escher was uitgesproken zelfkritisch en stookte flink wat composities op in zijn kolenkachel. Musique pour l’esprit en deuil onderging vier revisies, maar bleef gelukkig gespaard voor de vlammen. Ruim zeven decennia na zijn ontstaan biedt het stuk nog altijd troost aan een wereld in rouw.

Tijdens het bombardement op Rotterdam werd de Sint-Laurenskerk zwaar beschadigd. Deze werd in alle glorie gerestaureerd. Moge dit ook gelden voor de eveneens Middeleeuwse Notre-Dame.

Het concert op 25 april vormt onderdeel van het AVROTROSVrijdagconcert en wordt live uitgezonden op Radio 4. Naast Musique pour l’esprit en deuil staat ook Das Lied von der Erde van Mahler op het programma. Info en tickets hier.

Paniek om niets? Vis à Vis slaat alarm om gedwongen vertrek uit Almere.

Schokkende mail, vanmiddag. Theatergroep Vis à Vis, het gezelschap dat op het strand bij Almere al heel wat jaren heel fijn openluchtspektakels maakt, zou over een kleine maand weg moeten van hun net gebouwde onderkomen. Tenminste, zo lijkt het. Lees de tekst van het noodbericht: ‘Na 10 jaar onzekerheid heeft Vis à Vis te horen gekregen van het college van B&W dat ze de huidige locatie (Muiderzandplaats 1) moet verlaten. Twee jaar na de feestelijke opening van het pand, krijgt Vis à Vis te horen dat ze moet vertrekken.’

Dat is heftig. Des te heftiger nog als je ziet op welke termijn een en ander gaat gebeuren: ‘WE HEBBEN NIET VEEL TIJD MEER. Op 9 mei moeten we onze petitie indienen en op 16 mei worden we behandeld in de gemeenteraad. Help Vis à Vis.’

‘Niets aan de hand’

En dan is er een knop om de petitie te tekenen. Wat we natuurlijk vrolijk doen. Want Vis à Vis moet blijven. Voordat we op TEKENEN drukten, hebben we nog wel even gebeld met de gemeente Almere. Daar kregen we een iets ander verhaal te horen. Volgens gemeentevoorlichter Maarten Schulte Noordholt is er helemaal niets aan de hand. Dit staat er in de verklaring die hij ons gaf: ‘September 2015 heeft het college ingestemd met een erfpachtaanbieding voor Vis a Vis in Muiderduin voor een periode van 10 jaar. Op basis van deze erfpachtovereenkomst kan het theater in ieder geval tot eind 2025 op de huidige locatie gevestigd blijven. Gelet op de waarde van Vis à Vis voor de stad en het gebied worden op dit moment zowel de mogelijkheden voor een alternatieve locatie in de directe omgeving als behoud van de huidige locatie onderzocht voor de periode na 2025. In het nog door de gemeenteraad vast te stellen bestemmingsplan Poort Oost / DUIN wordt voorgesteld om een wijzigingsbevoegdheid voor het gebied Muiderduin op te nemen om mogelijke toekomstige Leisure vestigingen die passen in het gebied mogelijk te maken.’

Dat klinkt niet als een gedwongen verhuizing. Dus maar even uitleg gevraagd bij Klaartje Wierbos van Vis à Vis. Zij is verbaasd te horen dat er niets aan de hand is: ‘In maart vertelden mensen bij de gemeente ons nog dat vanaf 2015 woningbouw op ons gebied zou plaatsvinden, dus ik snap niet dat er nu nog gewoon sprake is van ‘Leisure’. Dat er woningbouw zou komen stond ook in het antwoord op ons bezwaar tegen het nieuwe bestemmingsplan.’

Vis a Vis: reactie gemeente

Toch tekenen?

Nu de gemeente toch helemaal niet van plan blijkt om de locatie om te bouwen tot een nieuwbouwwijk, is de petitie wellicht een beetje prematuur. Maar goed. Voor het geval dat een enkele politicus opeens op andere gedachten komt, toch maar tekenen?

Echt acuut is de nood in ieder geval niet, liet Vis à Vis al weten in het persbericht: ‘Uiteraard laten we jullie niet in de kou staan en spelen we de voorstelling ROBOT dit jaar sowieso nog op het Almeerderstrand. Maak je daarover geen zorgen.’

Over de tijd tot minstens 2025 doen we dat dan ook niet.

Morgan Knibbe schuwt de zware onderwerpen niet: ‘film is een empathiemachine.’

Those Who Feel The Fire Burning

In 2014 maakte Morgan Knibbe (1989) de korte film Shipwreck, over de nasleep van een gruwelijke schipbreuk aan de kust van Lampedusa waarbij 350 vluchtelingen verdronken. Kort daarna maakte hij zijn eerste lange documentaire, eveneens over vluchtelingenproblematiek: ‘Those Who Feel the Burning’. Deze zeer indrukwekkende, originele en visueel sterke film was een van de beste Nederlandse films van de laatste decennia. Gefilmd vanuit het gezichtspunt van de geest van een verdronken vluchteling. Beide films wonnen terecht meer dan 30 prijzen, waaronder het Zilveren Luipaard van Locarno en een Gouden Kalf voor Beste Lange Documentaire.

De aanleiding voor dit gesprek was een symposium eind februari voor filmmakers georganiseerd door de Dutch Directors Guild(DDG) en Eye: Hoe hoog leggen we de Lat? Daarin zei je op de tribune dat het sinds ‘Those who Feel The Fire Burning’ (2014) erg moeilijk is om een film gefinancierd te krijgen.

Morgan Knibbe

‘Dat klopt. Ondanks de vele prijzen die ik heb gewonnen met mijn extreme-low-budget producties moet ik iedere keer vechten voor het vertrouwen van het filmfonds en word ik vaak afgewezen. Maar het ligt wel iets genuanceerder dan dat het Filmfonds mij consequent geen geld geeft. Ik heb de afgelopen jaren veel meegedaan aan financieringswedstrijden zoals De Oversteek, die ik steeds verloor, maar inmiddels heb ik na vaak opnieuw proberen wel wat regulier ontwikkelingsgeld gekregen. Daarnaast waren de ideeën die ik presenteerde behoorlijk gewaagd en groots van aanpak en soms hadden deze volgens het fonds niet voldoende relevantie voor de Nederlandse film.

In dit land moet je Nederlandse elementen in je film hebben om het gefinancierd te krijgen en het moet de Nederlandse cultuur stimuleren. Persoonlijk begrijp ik niet hoe dat rijmt met de ambitie van het fonds om de blik te verruimen en een internationale markt aan te spreken. We zien hier telkens dezelfde soort particuliere polderdrama’s. Hoe dan ook denk ik dat het goed is dat ik kritiek heb geuit tijdens het symposium, omdat veel mensen het idee hadden dat het met mij wel goed ging na Those Who Feel The Fire Burning.’

* Morgan Knibbe (5e van links) wint DDG Award voor The Atomic Soldiers.

Ik kan me voorstellen dat het filmplan van Those Who Feel The Fire Burning moeilijk te plaatsen is voor een fonds.

‘Zeker. Ik had veel creatieve vrijheid omdat de film gefinancierd was met een Wildcard, een stimuleringsprijs van 40.000 euro die ik won met mijn eindexamenfilm. Ik denk dat de fondsen het hadden afgewezen als het op de normale manier was ingediend voor financiering. Wat ik frappant vind is dat de fondsen nooit vragen wat ik met de teksten die ik heb geschreven bedoel. Ze geven hun mening en zijn vaak hard in hun kritiek, maar ze proberen niet echt te begrijpen hoe ik tot mijn keuzes ben gekomen. Ze vragen diepgang, lef en uitdaging, maar diepgang en lef zijn niet altijd makkelijk te begrijpen en passen niet altijd binnen het referentiekader van de lezer. Maar goed, miscommunicatie en misinterpretatie zullen veel voorkomen, doordat alles op papier gecommuniceerd moet worden.

Het is moeilijk een financieringsstrategie te bedenken die voor iedereen werkt. Met mijn laatste filmplan heb ik wel geld voor het schrijven van een treatment ontvangen. Ik wil ook niet met mijn vinger wijzen naar mensen bij de fondsen, zij proberen het ook goed te doen. Er is te weinig echte dialoog tussen auteur en financier/fonds. Het is wel tekenend dat de filmers die anoniem meededen aan de enquête van de DDG ageren tegen de financiering, maar in de zaal er weinig makers reageren.’

Welke regels van het Fonds maken het moeilijk?

‘Vaak kom je net niet in aanmerking voor financiering door bureaucratische regels. Er zijn ook regels bedacht op Europees niveau waar je vrij weinig tegen in te brengen hebt, De films moeten een bepaalde lengte zijn, geschreven in het Nederlands, met Nederlandse elementen en een bepaalde hoeveelheid Nederlandse crew. Dat maakt het moeilijk als je een film in Manilla draait met voornamelijk een Filipijnse crew. Met mijn volledig zelf gefinancierde film The Atomic Soldiers wilde ik post-productie-financiering aanvragen. Ik dacht dat dat mogelijk was omdat ik op het IFFR draaide, maar ik kwam niet in aanmerking omdat je in competitie moet draaien.

Ik hoop dat het Gouden Kalf en de publicatie in de New York Times daar wel verandering in brengt… Mijn vriendin heeft ook een Wildcard gewonnen, maar zij mocht van het fonds niet mensen onder een bepaald honorarium in dienst nemen, terwijl er een hele groep mensen in de startblokken stond om met passie een film te maken en zo veel mogelijk geld in de productie terug te stoppen.’

Waar gaat je nieuwe filmplan over?

‘Het speelt zich af in Manila en gaat over een 12-jarige, aan crystal meth verslaafde biseksuele straatjongen en een Nederlandse pedofiel’

Het valt me op dat je behoorlijk zware onderwerpen kiest, vluchtelingen, soldaten als proefkonijn bij kernproeven en straatkinderen in Manilla.

‘Ik vind het belangrijk om de zere plekken in de samenleving aan te raken en mensen na te laten denken en te confronteren over moeilijke kwesties. Belangrijke thema’s in mijn werk zijn zelfdestructie, onderdrukking, machtsverhoudingen, de littekens van het koloniale verleden, xenofobie en seksualiteit. In Nederland gaan films vaak over particuliere onderwerpen. Zoals rouwverwerking, psychologische aandoeningen, ziektes, verlies. Dit is volgens mij een reflectie van onze welvaarsmaatschappij. Terwijl die Westerse welvaartspositie juist een interessant onderwerp is om het over te hebben, maar daar gaat het zelden op een diepgaande manier over. ‘

Maar meer naar binnen gerichte films kunnen ook de moeite waard zijn.

‘Dat is zo, ze kunnen ook heel mooi zijn. Ik heb een plan over een meer naar binnen gekeerde idee, maar het gaat wel over gender, seksualiteit en seksisme geschreven vanuit persoonlijke ervaring.’

Over je film Those Who Feel The Fire Burning, daarin ga je naar Lampedusa en Griekenland om je te verdiepen in het lot van de vluchtelingen. De film wordt verteld vanuit het gezichtspunt van de ziel van een verdronken vluchteling. Zijn ziel waart rond en wij zien korte scenes van vluchtelingen in hun overlevingsstrijd.

In hoeverre verschilden jij met jouw filmcrew dan van een journalisten crew?

‘Vaak was het alleen ik en mijn geluidsman. Het verschil was dat wij echt een band wilden opbouwen met de vluchtelingen. We waren op zoek naar mensen die hun alledaagse ervaringen wilden delen met ons, de menselijke kant van hun bestaan waarmee we ons allen kunnen identificeren. Het kost tijd om die dingen vast te kunnen leggen. Wij probeerden altijd eerlijk te zijn over onze intenties, wij konden ze geen geld geven maar we konden wel gezamenlijk een verhaal vertellen en we konden deze identiteit loze mensen een podium bieden.’

Hoe lang draaiden jullie?

‘In Griekenland ben ik ongeveer drie maanden geweest en in Lampedusa ongeveer twee weken. In Lampedusa had ik meer tijd willen hebben, ik voelde me daar een aasgier. Ik filmde er de nasleep van de verschrikkelijke schipbreuk van 13 oktober 2013, waarbij 350 mensen verdronken. Ik had weinig tijd om een band op te bouwen met de mensen en heb veel gefilmd gedurende de chaos aan de haven. Er waren talloze journalisten die ook aan het filmen waren. In plaats van de vluchtelingen die normaal gesproken worden gezien als indringers, was ik nu juist de indringer.

Het project begon eigenlijk in 2008. Mijn klasgenoot van de filmacademie Sam de Jong en ik gingen toen in ons eerste studiejaar op eigen houtje met twee krakkemikkige DV cameraatjes naar de havenstad Patras in Griekenland, omdat we de vluchtelingenproblematiek aan de kaak wilden stellen. Toen leefde het onderwerp nog nauwelijks in de media. We filmden de absurde situatie in de haven: er waren meer dan 4000 dakloze vluchtelingen die via de veerboten dieper Europa binnen probeerden te komen. Er waren toen veel Noord-Afrikanen, Syriërs en mensen uit Eritrea, Iran en Afghanistan.’

Waarom koos je ervoor om de film te maken vanuit de geest van een overleden vluchteling?

‘Dat kwam voort uit gesprekken met vluchtelingen in de eerste periode in Griekenland. Zij voelden zich als geesten in een vagevuur, tussen de hel die ze achterlieten en het vermeende paradijs waar ze naartoe op weg waren. Het perspectief van de film is het hoofdpersonage. De geest probeert schoonheid te zien te midden van alle misère, dat is de enige manier waarmee hij ermee kan omgaan.

Op het einde zie je mannen die op rituele wijze aan zelfkastijding doen. Hierdoor wordt de geest naar een hogere dimensie gezonden, waarin op een andere manier naar de realiteit gekeken wordt. Dan zweeft hij over de stad met talloze lichtjes. Hij kijkt omhoog en ziet de sterren, die samensmelten met de lichtjes van de stad. Dat is een symbool voor eenheid.

Film is een buitengewoon krachtig medium waarmee je ervaringen kunt delen en een zeer persoonlijke, subjectieve blik op de wereld kan laten zien. Met Those Who Feel wilde ik geen klaagzang maken maar proberen de kijker te laten voelen hoe het is om een vluchteling te zijn. Film is een empathiemachine, waardoor mensen zich kunnen verplaatsen in de situatie van anderen.’

Een soort verlichting?

‘Ja, zo kun je het zien, een vereniging waar het gaat om liefde en verbintenis in plaats van het uit elkaar drijven van mensen.’

Misschien ben je te origineel en te goed voor de Nederlandse film. Hollanders verdragen geen mensen die boven het maaiveld uitkomen.

‘Haha, nou dank je… Maar dat oordeel laat ik over aan het publiek. Maar ik voel wel dat ik in hokjes wordt geplaatst en ik voel me dus tijdens de ontwikkeling vaak onbegrepen, terwijl mijn werk wanneer het af is wel erkenning krijgt.

Hoe ik omga met de afwijzingen? Ik heb geleerd dat film maken een heel lang proces is, je hebt een lange adem nodig. Om te overleven doe ik allemaal klussen en maak soms iets voor Vice of doe camerawerk voor bijvoorbeeld David Verbeek’s film An Impossibly Small Object of A Year of Hope over straatkinderen in Manilla.’

Over The Atomic Soldiers, een korte documentaire over Amerikaanse soldaten die in de jaren vijftig verplicht meededen met atoomproeven in de Mojavewoestijn. Zij mochten er aan niemand iets over vertellen.

‘Soldaten werden gedwongen te zwijgen over hun ervaringen en moesten een contract tekenen, waarin stond dat zij vrijwillig meededen. Tot Bill Clinton in de jaren 90 de geheimhouding heeft opgeheven, maar dat is zo onder de radar gedaan dat mensen dat niet doorhadden. In totaal hebben ongeveer 400.000 Amerikaanse soldaten meegedaan aan de tests, waarvan de meesten zijn gestorven aan kanker. En dan hebben we het nog niet eens over de straling die over de rest van de VS en de wereld zijn verspreid, of de tests die door de Russen, Chinezen en Europeanen zijn uitgevoerd. Alles bij elkaar meer dan 2000 kernproeven wereldwijd.’

 Hoe zijn de reacties in Amerika?

‘De film werd in een kortere versie uitgezonden door The New York Times, de reacties waren erg positief. Mensen waren blij dat deze misstand aan het licht is gekomen. Frappant is dat de veteranen boos zijn op hun overheid, maar toch vinden dat de Verenigde Staten het beste land is van de wereld.’

Ik las dat je van de documentaire The Atomic Soldiers een fictie film gaat maken.

‘Ja, dat is de bedoeling, de korte film is eigenlijk de research voor de grote film. Ik moest de film nu maken anders zouden de veteranen dood zijn, ik heb er zelf geld ingestoken. Met behulp van de National Association of Atomic Veterans, ben ik ze op het spoor gekomen. In het verleden zijn er wel films over de tests gemaakt, maar nooit zo gefocust op de persoonlijke verhalen.’

De stijl van filmen is totaal anders dan van ‘Those Who Feel The Fire Burning’. Die is heel vloeiend (steadycam) en in The Atomic Soldiers richt je je uitsluitend op de gezichten van de veteranen. Het zoveelste bewijs dat ‘Talking Heads’ erg fascinerend kunnen zijn als ze maar iets te vertellen hebben.

Ik las dat je de kijker bewust wilt maken dat een film subjectief is.

‘Ik vind het belangrijk dat de kijker zich bewust is dat het een subjectieve benadering is van de realiteit. Ik geloof niet in objectiviteit van de media.’

Is er dan niet het gevaar dat je de kijker eruit haalt?

‘Je moet doseren wanneer je de toeschouwer er bewust van maakt dat het film is. Je probeert mensen namelijk mee te slepen in een filmische, zintuigelijke ervaring. Maar tegelijkertijd vind ik het persoonlijk belangrijk om ook duidelijk te maken dat het een subjectieve interpretatie van de werkelijkheid is. Dit is een vorm van eerlijkheid die vaak ontbreekt in media.‘

Ik zit nu in de toelatingscommissie van de Filmacademie. Laatst zei een meisje ‘ik wil niet opleggen, maar blootleggen’. Dat vind ik heel sterk.’

Welke andere filmmakers inspireren je? ‘Op internationaal niveau worden er veel mooie dingen gemaakt. Recentelijk Mandy van Panos Cosmatos, Heli (Escalante). Good Time van de Safdie Brothers. Michael Glawogger (Working Man’s Death), Hubert Sauper (Darwin’s Nightmare), Lars von Trier vooral zijn vroege werk zoals Dancer in the Dark en The Idiots. Hana-Bi van Takeshi Kitano. George Lucas eerste film THX 1138. Under the Skin van Jonathen Glazer, Katherine Bigelow, Sean Baker, Ruben Ostlund, Ciro Guerra, Chris Cunningham, Bahman Ghobadi, Ousmane Sembene, Elem Klimov, Paul Thomas Anderson, Apichatpong Weerasethakul, Ulrich Seidl, Gus van Sant, Terrence Malick, Antonioni, Kubrick. En Irréversible van Gaspar Noé, een van de beste films die ik heb gezien. Welke Nederlandse makers? Echt op een hand te tellen. Alex van Warmerdam en Paul Verhoeven. En Hani Abu-Assad, maar dat is eigenlijk een Palestijn’

 Hoe was het voor je om na het succes van ‘Those Who Feel’ zo de hemel in geprezen te worden?

‘Het zorgt wel voor wat prestatiedruk, maar de erkenning en de prijzen zijn erg fijn. Net als de publicatie van de New York Times en een reportage over atoomsoldaten die ik maakte voor Vice die nu 50 miljoen views heeft. Je hebt de erkenning nodig om weer verder te kunnen.’

6,078FansLike
1,333VolgersVolg
16,032VolgersVolg
50% Complete

Dank voor je bezoek!

Wil je echt niets meer missen? Schrijf je dan in voor onze GRATIS nieuwsbrief
Holler Box