Je kunt dit lezen, omdat onze 400+ leden dat mogelijk maken.
Goed hè?

De culturele sector omarmt AI voorzichtig en vooral binnenskamers

D

Wie in de culturele sector zoekt naar zichtbare toepassingen van kunstmatige intelligentie, komt al snel uit bij het publiek zichtbare. Een chatbot op de website. Een pratende robot in een tentoonstelling. Een kunstwerk dat zich gedraagt als gesprekspartner. Dat levert fraaie koppen op en een zekere nieuwsgierigheid. Maar wie iets beter kijkt, ziet een ander beeld. Het openbare gebruik van AI in het culturele veld valt vooralsnog erg mee. De echte opmars speelt zich veel minder zichtbaar af, in de interne systemen waarop instellingen inmiddels draaien en steeds afhankelijker worden.

Dat is relevant, juist omdat het debat over AI in de cultuursector de afgelopen tijd vaak is gevoerd vanuit toezicht, verantwoordelijkheid en governance. Eerdere artikelen van mij gingen al over de vraag wie er bestuurlijk aan de lat staat als instellingen AI inzetten, hoe toezicht zich verhoudt tot technologische afhankelijkheden en hoe culturele organisaties publieke waarden kunnen bewaken in een tijd van snelle digitale adoptie. Dit vervolg vraagt een meer praktische vraag. Wat ziet het publiek daar nu eigenlijk van terug?

Het antwoord is vooralsnog: niet zo veel. Zeker niet in de vorm van wat in de technologiesector graag “agentic AI” wordt genoemd, systemen waarin kunstmatige agenten in meer of mindere mate zelfstandig taken uitvoeren namens of voor gebruikers. In het culturele domein lijkt dat publieke gebruik nog uiterst beperkt. Meestal blijft het bij een eenvoudige chatbot op de site, een zoekfunctie in natuurlijke taal of een begeleidende digitale gids die vooral een bestaande audiotour wat slimmer maakt.

Dat betekent niet dat er geen voorbeelden zijn. Alleen zijn ze schaars, experimenteel en vaak nog tamelijk voorzichtig. Het London Museum lanceerde in juli 2025 Clio 1.0, een experimentele conversationele zoekagent die bezoekers helpt om via gewone taal door collecties, verhalen en blogs te navigeren. Op zichzelf is dat interessant, juist omdat het museum benadrukt dat het systeem zich baseert op de eigen, vertrouwde data en niet op het open web. Daarmee wordt de interpretatie begrensd en beter controleerbaar gehouden. Het is een belangrijk detail, omdat het laat zien dat culturele instellingen zich wel degelijk bewust zijn van de risico’s van vrije generatieve systemen. Tegelijk is Clio nog geen autonome museumcollega, maar eerder een nette, afgebakende ingang tot bestaande kennis. En op heel veel vragen heeft Clio geen antwoord en dat is jammer

In Tokio is de stap iets ambitieuzer. Het Mori Art Museum experimenteerde met de ARTLAS AI Companion voor Roppongi Crossing 2025. Die gepersonaliseerde gids past zich aan aan leeftijd, taal, interesses en beschikbare tijd van de bezoeker en stelt op basis daarvan een route en commentaar samen. Daar schuift de technologie al wat meer op richting agentisch gedrag. Niet omdat het systeem spectaculair autonoom is, maar omdat het actief keuzes maakt in wat het aan een bezoeker toont en hoe het de ervaring structureert. De klassieke audiotour verandert daar van een lineair hulpmiddel in een bescheiden, sturende gids.

Nederland kent soortgelijke aanzetten. In Discovery Museum in Kerkrade kunnen bezoekers in AI: de expo kennismaken met Ami, een humanoïde robot met opvallende communicatievaardigheden. Dat is een aansprekend voorbeeld aan de publiekskant, juist omdat het zichtbaar, tastbaar en direct ervaarbaar is. Maar ook hier geldt dat het eerder gaat om een converserende interface dan om een werkelijk autonome culturele agent die zelfstandig taken namens de bezoeker uitvoert. Het is een demonstratie van mogelijkheden, geen nieuw fundament onder de museumpraktijk.

Aan de andere kant van het spectrum zit het Nxt Museum in Amsterdam. Daar werd in 2025 samen met Prosus een residency opgezet rond intent driven AI, systemen die niet alleen reageren op expliciete opdrachten, maar proberen de onderliggende bedoeling van een gebruiker te begrijpen en daarop te handelen. Dat is inhoudelijk misschien wel dichter bij het idee van agentic AI, maar het kreeg hier vooral de vorm van een artistieke en onderzoekende proeftuin. Het is minder een direct publieksproduct dan een laboratorium waarin kunstenaars, ontwerpers en programmeurs verkennen wat zulke systemen cultureel en esthetisch kunnen betekenen.

Precies daar ligt voorlopig de kern. Waar publieke instellingen nog terughoudend opereren, blijken kunstenaars sneller bereid om AI agenten als onderwerp, medium of tegenspeler in te zetten. Dat levert interessantere vragen op dan de gemiddelde websitechatbot. In The Brooklyn Rail werd in 2025 bijvoorbeeld gewezen op Agentic Fatigue Prevention Unit van Chiara Kristler en Marcin Ratajczyk, een werk waarin de converserende agent niet alleen functioneel is, maar ook kritisch. Het werk legt iets bloot van digitale vermoeidheid, van de cultuur van voortdurende bevestiging en van de merkwaardige intimiteit die ontstaat wanneer machines zich voordoen als aandachtige begeleiders.

Ook Botto, de gedecentraliseerde autonome kunstenaar die zich via gemeenschapssturing blijft ontwikkelen, laat zien waar de experimentele voorhoede zit. Met Mirror Stages op Art Basel Hong Kong in maart 2026 schoof Botto verder op van gegenereerd beeld naar live installatie en aanwezigheid in de mainstream kunstwereld. Zulke voorbeelden zijn belangrijk, niet omdat zij morgen de norm worden in Nederlandse musea, maar omdat zij zichtbaar maken waar de verbeelding van agentische systemen nu werkelijk wordt getest: niet in de publieksbalie van het gemiddelde museum, maar in de kunstpraktijk zelf.

Daarmee ontstaat een wat paradoxaal beeld. Het openbare gebruik van AI in de culturele sector lijkt nog bescheiden, soms zelfs opvallend bescheiden gezien alle maatschappelijke ophef. De meest zichtbare toepassingen zijn vaak eenvoudig en ondersteunend. Een chatbot. Een robot. Een persoonlijke gids. De grote sprong naar agenten die namens bezoekers plannen, selecteren, adviseren en handelen, is voorlopig niet gemaakt. Niet omdat de techniek ontbreekt, maar omdat culturele instellingen van nature terughoudend zijn wanneer interpretatie, betrouwbaarheid en publieke verantwoordelijkheid in het geding zijn.

Intussen gaat het gebruik van AI achter de schermen veel harder. Niet als spectaculaire agent voor de bezoeker, maar als onzichtbare laag in zoeksystemen, collectieregistratie, publieksanalyse, marketingautomatisering, planning, tekstverwerking en digitale infrastructuur van leveranciers. Juist daar zal het toezicht zich de komende jaren waarschijnlijk het meest op moeten richten. Want het grootste risico voor culturele instellingen is op dit moment niet dat de bezoeker wordt bedolven onder te veel autonome museumassistenten. Het is eerder dat AI in interne systemen stilzwijgend normaliseert, zonder dat bestuur, toezicht of publiek nog goed zien waar de afhankelijkheden precies zijn ontstaan.

Wie dus wil weten hoe ver de culturele sector met AI is, moet niet alleen kijken naar wat er in de foyer staat of op de homepage verschijnt. De echte beweging voltrekt zich dieper in de organisatie. Openbaar blijft het nog rustig. Achter de schermen allerminst. En dat is jammer om dat culturele instellingen juist zo’n sterke rol kunnen spelen in het duiden van maatschappelijke ontwikkelingen.

Waardeer dit artikel!

donatie
Ik doneer

Reageer!

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.

Populaire berichten

Recente uitgaven

Het moeras trekt

Het moeras trekt

Over een stinkende zaak bij het Nederlands Fotomuseum, een pop zonder huid, en waarom dit werk de moeite waard blijft
Analoog of AI?

Analoog of AI?

Vergeet niet om AI te doorgronden. En Holland Festival, en Jip en Naaz, en VPRO.

Categorieën