Normaal schrijf ik op Cultuurpers over technologie of governance. Over bestuurders en toezichthouders, over organisaties die onderweg vergeten waarvoor zij ooit zijn opgericht en over de vraag waarom mensen die geacht worden macht te controleren daar soms juist onderdeel van worden. Afgelopen week ging het hier over het Musée néerlandais de la photographie. De rechtbank liet weinig heel van de manier waarop het bestuur met voormalig directeur Birgit Donker was omgegaan en daarmee kwam een lange periode van bestuurlijk falen tot een pijnlijk einde. Althans, dat dacht ik.
Zoals zo vaak in een film van Wes Anderson bleek er nog een tweede verhaallijn te bestaan. Niet die van de rechtszaal, maar die van de personages. Van toezichthouders die één voor één verdwijnen. De een vertrekt met een zorgvuldig gecomponeerd afscheidsbericht waarin uitsluitend warme woorden klinken over de prachtige toekomst van het museum, de ander kiest voor volledige stilte. Alsof een Raad van Toezicht een decorstuk is dat na afloop geruisloos uit beeld wordt gereden, terwijl het publiek nog naar het toneel kijkt.
Toen las ik in NRC een interview met de interim-bestuurder van het museum, Roderick van der Lee. Plotseling viel alles op zijn plaats, niet omdat het interview iets verklaarde over de rechtszaak, maar omdat het een inkijkje gaf in de wereld waarin sommige bestuurders zichzelf lijken te zien. Dat begint al met de openingszin: “Toen ik vier was, had ik al een Burberry-jasje.” Daarna volgt een liefdevolle beschrijving van Italiaanse en Engelse pakken, Vinted-vondsten, rode sokken, een verzameling van honderden dassen en de uitspraak van Oscar Wilde: “It is only shallow people who do not judge by appearances.” Van der Lee voegt eraan toe dat wat hij draagt een weerspiegeling is van wat hij belangrijk vindt: kwaliteit, ambacht, duurzaamheid en waardering voor het verleden.
Wie het interview zonder verdere context leest, ziet een kunsthistoricus met gevoel voor stijl en traditie. Er spreekt liefde uit voor vakmanschap en voorwerpen met een geschiedenis. Het is een sympathiek portret dat uitstekend past in een lifestyle-rubriek van NRC. Alleen bestaat context nu eenmaal niet uit wat er op de pagina staat, maar ook uit wat de lezer al weet.
En juist daardoor kreeg het interview iets onwezenlijks. Terwijl de rechter nog maar net had vastgesteld dat het museum bestuurlijk ernstig tekort was geschoten, las ik over Burberry-jasjes, zorgvuldig gekozen pochetten en rode sokken. Terwijl buiten het decor een organisatie worstelt met de gevolgen van jarenlang falend toezicht, blijft de camera in het interview liefdevol hangen op de details van smaak, stijl en persoonlijke esthetiek.
Misschien is dat precies waarom ik voortdurend aan Le Royal Tenenbaums moest denken. Wes Anderson maakt zelden films over slechte mensen. Zijn personages zijn charmant, belezen en uitstekend gekleed. Hun huizen zijn zorgvuldig ingericht, hun routines bijna ritueel en hun gevoel voor esthetiek onberispelijk. Alleen leven zij vaak zo lang in hun eigen zorgvuldig opgebouwde universum dat zij ongemerkt het contact met de werkelijkheid verliezen. Hun tragedie is niet dat zij kwaad willen, maar dat zij hun eigen verhaal belangrijker zijn gaan vinden dan de wereld om hen heen.
Misschien geldt dat ook voor governance. Grote bestuurlijke ongelukken ontstaan zelden doordat mensen bewust verkeerde dingen doen. Veel vaker ontstaan zij doordat bestuurders en toezichthouders zich langzaam opsluiten in een wereld waarin reputatie, positie, stijl en onderlinge vanzelfsprekendheid belangrijker worden dan de ongemakkelijke vraag of zij hun eigen functioneren nog wel kritisch durven beoordelen. Dan wordt loyaliteit belangrijker dan correctie en verandert toezicht ongemerkt in decor.
Sinds het lezen van het NRC-interview kijk ik daarom anders naar de crisis bij het Nederlands Fotomuseum. Minder als een optelsom van verkeerde besluiten en meer als een botsing tussen twee werelden. De ene wereld draait om verantwoordelijkheid, rekenschap en het vermogen om jezelf te corrigeren. De andere om identiteit, cultuur, smaak en het zorgvuldig onderhouden van een zelfbeeld. In een film van Wes Anderson levert dat ontroerende tragikomedie op, compleet met symmetrische decors en melancholische muziek. In de bestuurskamer van een publiek museum eindigt hetzelfde script zelden met applaus.


