Wat maakt een opera tot een succes? De zonderlingen, leeghoofden, comici, lyrici en tragici menen het te weten, en verkondigen hun standpunt op de gekste momenten en zijn zelfs niet te beroerd om in de handeling in te grijpen. Welkom in wondere wereld van Prokofjevs L’amour des trois oranges, deze maand opnieuw op de planken in het Amsterdamse muziektheater.

Centraal lijkt een absurdistisch sprookje over een hypochondrische prins te staan die door een tovenares tot liefde voor drie sinaasappelen wordt gedoemd. Die sinaasappelen krijgen we ook te zien, maar regisseur Laurent Pelly en decorontwerper Chantal Thomas gebruiken een eerdere scène uit de opera als basis voor de hele enscenering. Het kaartspel dat tovenares Fata Morgane (een prachtige rol van Anna Shafajinskaja) wint van Tchélio (uitmuntend gezongen door de uitblinker van de avond: Kurt Gysen) zet het verhaal in gang, en daarom zien we overal speelkaarten. Metershoog en op afstand bestuurbaar, als instortend kaartenhuis vlak voor de pauze en verdroogd en omgekruld in de woestijnscène.  Het resultaat is visueel overrompelend.

Nadrukkelijk verwijst Laurent Pelly ook naar het opmerkelijke levensverhaal van Prokofjev zelf. Na de Russische revolutie vertrok hij naar Parijs en maakte als émigré deel uit van roemrucht gezelschap: Matisse schilderde zijn portret, Picasso bezocht zijn premières, Gershwin bezocht hem in zijn flat en met Nabokov sprak hij over literatuur. Hij maakte als pianist en componist reizen naar de Verenigde Staten en in die tijd (1919) schreef hij L’amour des trois oranges. Maar op het hoogtepunt van zijn roem liet hij zijn luxe westerse leven achter zich en vestigde zich in 1936 definitief in de Sovjetunie onder Stalin.

Waarom? Wat bezielde de veertigjarige componist om op het moment dat het schrikbewind van Stalin ook tot het westen doorgedrongen was terug te keren naar Rusland? Niet alleen omdat hij door zijn terugkeer onbereikbaar werd voor Europese schuldeisers – Prokofjev had forse gokschulden. Hij dacht echter vooral dat zijn internationale faam hem zou vrijwaren van het regime en hij over alle staatfaciliteiten zou mogen beschikken om zo zijn opera’s gemakkelijker uitgevoerd te krijgen. Die gok pakte rampzalig uit en Prokofjev raakte meer en meer verbitterd en nadat hij op 61-jarige leeftijd overleed, 55 minuten voor Stalin, waren er volgens de overlevering geen bloemen op zijn begrafenis – die waren allemaal opgekocht voor de ceremonie van Stalin.

In L’amour des trois oranges horen we Prokofjev echter op zijn uitbundigst. De opera is geen sprookje, maar een satire, zeker ook muzikaal. Zo is de uitbundige en wel erg luide mars die de koning begeleidt vooral een persiflage op zo’n mars en wordt die de eerste keer niet voor niets voorafgegaan door noten die met Wagner de spot lijken te drijven. Aria’s ontbreken, maar het liefdesduet uit het derde bedrijf is weer zo mierzoet georkestreerd, dat de ironie er vanaf druipt.

Het palet aan klanken is ongelooflijk ruim en de dynamische verschillen zijn al even groot, maar daar waar een onzekere dirigent die contrasten zou verkleinen, dikt de relatief jonge Tomás Netopil ze juist aan, geholpen door het messcherp spelende Residentie Orkest. Het koor van De Nederlandse Opera, uitstekend ingestudeerd door de Taiwanese Ching-Lien Wu, eist wederom een hoofdrol op. Uit de cast van 2005 keren Martial Defontaine als de Prins en Serghei Khomov als nar Trouffaldino terug, maar net als destijds maken vooral de decors blijvende indruk.

Voor je verder leest...

Wij doen ons best om onafhankelijke en volledig professionele journalistiek over de wereld van kunst en cultuur te brengen. Journalistiek die al heel veel mensen waarderen, omdat het op zo weinig plekken nog gebeurt. We kunnen daarmee doorgaan als jij ons steunt met een donatie.
Bepaal onderaan zelf hoeveel je wilt bijdragen.

De Nederlandse Opera: Sergei Prokofjev: L’amour des trois oranges, Muziektheater, Amsterdam, 5, 7, 10, 12, 15, 18, 21 maart 2013