De infrastructuur van morgen is niet alleen digitaal. Ze is ook van beton, hout, kabels, tafels en gesprekken. Precies daar, op het snijvlak van ruimte en idee, laat The Lighthouse zien hoe een nieuwe culturele motor eruit kan zien. Het is hoog tijd dat Nederland dat voorbeeld serieus neemt.
Digitale cultuur wordt vandaag overal gemaakt en bijna nergens verankerd. Makers werken vanuit slaapkamers, cafés en tijdelijke hubs, verspreid over de wereld, verbonden via platforms maar zelden via een gedeelde plek. Dat lijkt efficiënt, maar het heeft ook een keerzijde: versnippering, een gebrek aan uitwisseling en weinig ruimte voor verdieping, experiment en overdracht. Juist in dat gat positioneert The Lighthouse zich. Niet als co-working space, niet als traditioneel productiehuis, maar als een fysieke infrastructuur voor de creator economy. En precies daarom is het zo’n relevant voorbeeld voor Nederland.
Die positionering maakt ook meteen duidelijk wat The Lighthouse níét is1. Het is amper te vergelijken met Nederlandse initiatieven als De Coöperatie. Een korte blik op de website en het jaarverslag over 2024 van De Coöperatie wekt zelfs de indruk dat dit type model het inmiddels op zijn minst moeilijk heeft, en zich mogelijk in een afsluitende fase bevindt.
Ooit was het idee helder en sympathiek: gedeelde, betaalbare werkruimte voor journalisten, gecombineerd met de gedachte dat samenwerking ook tot betere journalistiek zou leiden. Maar het uitgangspunt was primair tekstueel, individueel en kosten-gedreven.
Fundamenteel anders
The Lighthouse is iets fundamenteel anders. Het gaat hier niet om een schrijversplek, maar om een productieomgeving met zware en kostbare infrastructuur: studio’s voor video, audio en fotografie, faciliteiten voor postproductie en zelfs testkeukens. Niet primair dus de schrijvende pers, maar de audiovisuele maker staat centraal. In de Verenigde Staten kost een lidmaatschap circa 5.500 dollar per jaar. Dat lijkt veel, totdat je het afzet tegen de professionele faciliteiten die ervoor terugkomen. Dan is het bedrag eerder bescheiden dan excessief.
The Lighthouse, met campussen in onder meer Venice Beach en Brooklyn, is opgezet vanuit een simpele maar krachtige gedachte: ook in een digitale wereld blijft nabijheid ertoe doen. Makers floreren wanneer ze elkaar ontmoeten, elkaars werk zien ontstaan en toegang hebben tot professionele faciliteiten zonder meteen in institutionele logica vast te lopen. Het is een plek waar podcastmakers, fotografen, chefs, journalisten en videomakers niet naast elkaar werken, maar daadwerkelijk mét elkaar. Niet vanuit formats of zendtijd, maar vanuit ideeën.
Ecosysteem
Wat The Lighthouse biedt, is een geïntegreerd ecosysteem. Leden krijgen toegang tot hoogwaardige studio’s voor audio, video en fotografie, montagefaciliteiten en presentatieruimtes. Maar minstens zo belangrijk is de programmatische laag: workshops, masterclasses, informele ontmoetingen, gezamenlijke lunches en spontane samenwerkingen. Creatie wordt hier niet gezien als een eindproduct, maar als een proces dat baat heeft bij frictie, nabijheid en gedeelde nieuwsgierigheid.
The Lighthouse is bovendien geen abstract idee, maar een plek waar zeer concrete producties ontstaan. Chef en ondernemer Marian Cheng gebruikt de testkeuken om kookdemonstraties te filmen voor sociale media, waarmee ze haar restaurant en diepvriesdumpling-lijn nationaal opschaalt. Podcastproducent Becca Ramos (iHeartMedia) ontwikkelt er nieuwe series, van redactie tot opname, zonder de frictie van externe studiohuur. Fotograaf en regisseur Brad Ogbonna zet de studio’s in voor zowel commerciële als redactionele shoots, terwijl hij tegelijk zijn eigen artistieke praktijk verdiept.
Daarnaast ontstaan er samenwerkingen die vooraf niet bedacht zijn: een ontmoeting leidt tot een nieuw format, een masterclass tot een betaalde opdracht, een gedeelde werkvloer tot een onverwachte cross-over tussen disciplines.
Niet lineair
Dat alles contrasteert scherp met hoe productie in Nederland – en zeker binnen de publieke culturele mediasfeer – traditioneel is georganiseerd. Hier verloopt creatie vaak lineair: een idee wordt ingediend, beoordeeld, gefinancierd en uiteindelijk uitgezonden. Dat model levert nog steeds kwaliteit op, maar sluit steeds minder aan bij hoe makers vandaag werken en hoe publiek cultuur consumeert. Experiment, hybride vormen en platform-overstijgend denken passen slecht in commissies, formats en subsidierondes.
Dat maakt ook meteen duidelijk waarom de vraag naar het model voor een Nederlandse zelfstandige maker met een jaaromzet van 25.000 euro eigenlijk eenvoudig te beantwoorden is: daar is geen enkel professioneel commercieel productie-ecosysteem voor te bouwen. The Lighthouse kiest er expliciet voor om niet alles voor iedereen te willen zijn, maar een infrastructuur te bouwen die kwaliteit, professionaliteit en duurzaamheid als uitgangspunt neemt, in een land dat veel groter is en een sterke commerciële markt kent.
Kans voor NPO
Juist daarom is het interessant om de blik te verleggen naar de publieke omroep en de culturele sector. De NPO en de omroepen beschikken gezamenlijk over meer dan een miljard euro aan publieke middelen per jaar, met een enorme hoeveelheid bestaande infrastructuur voor alle vormen van mediaproductie. Als men dat zou willen, kan een model à la The Lighthouse relatief eenvoudig binnen de bestaande begrotingen worden georganiseerd. Desnoods door een deel van eventuele inkomsten of exclusieve uitzendrechten te bedingen.
Sterker nog: een dergelijk initiatief zou ook uitstekend in een publiek-private samenwerking kunnen worden opgezet. Door commerciële partijen, platforms en makers zelf te betrekken, daalt niet alleen de drempel, maar neemt ook de uitvoerbaarheid toe. Het zou een concrete manier zijn om nieuwe makers daadwerkelijk een vliegende start te geven, in plaats van er uitsluitend beleidsmatig over te spreken.
Kracht in openheid
Een Nederlandse ‘The Lighthouse’ zou daarmee nadrukkelijk géén nieuwe omroep moeten zijn, en ook geen verlengstuk van bestaande culturele instituties. De kracht zit juist in de openheid. Makers kunnen er werken aan projecten die uiteindelijk bij de NPO of culturele instellingen landen, maar net zo goed op eigen kanalen, internationale platforms of in live-vormen. De publieke taak verschuift daarmee van zender naar vrijplaats: het mogelijk maken van cultuur in wording.
Belangrijk is ook wat The Lighthouse níét is. Het is geen vastgoedconcept vermomd als creatieve hub, geen decor voor netwerkborrels of pitch-events. Het succes zit in de dagelijkse praktijk: samen werken, samen leren, samen kijken. In de wetenschap dat iemand aan de andere tafel nét dat perspectief heeft dat jouw idee verder brengt. Die sociale infrastructuur is moeilijk te vangen in KPI’s, maar cruciaal voor culturele vernieuwing.
Innovatie is ook sociaal
In Nederland wordt innovatie vaak besproken in termen van technologie: AI, data, platforms. The Lighthouse herinnert ons eraan dat innovatie net zo goed sociaal en ruimtelijk is. Dat vooruitgang begint bij ontmoeting. En dat publieke waarde niet alleen ontstaat door distributie, maar door condities te scheppen waarin makers hun werk serieus kunnen nemen.
Een Nederlandse The Lighthouse zou daarom vooral een statement zijn: dat we makers niet langer uitsluitend zien als leveranciers van content, maar als dragers van cultuur. Dat we begrijpen dat de toekomst van publieke media en culturele instellingen niet ligt in meer controle, maar in vertrouwen. En dat we durven investeren in plekken waar nog niet vaststaat wat eruit komt.
De infrastructuur van morgen is niet alleen digitaal. Ze is ook van beton, hout, kabels, tafels en gesprekken. Precies daar, op het snijvlak van ruimte en idee, laat The Lighthouse zien hoe een nieuwe culturele motor eruit kan zien. Het is hoog tijd dat Nederland dat voorbeeld serieus neemt.
- The Lighthouse in dit verhaal is ook niet deze (prachtige) coworking space in Litouwen ↩︎




