NIOD Onderzoeker Benien van Berkel

Apartheidsactivist Martin Bosma begon er tijdens een van zijn vele hilarische optredens in de tweede kamer al over, maar had het, zoals wel vaker, bij het verkeerde eind. Hij zei dat kunstsubsidies een uitvinding waren van de Nazi’s en daarom verderfelijk. Wij wisten beter, want onderzoekster Benien van Berkel is gedegen en houdt zih met feiten bezig. Uit haar promotieonderzoek blijkt dat de Duitse bezetter de uitvinding van het kunstsubsidiestelsel hoogstens omarmd heeft.

Vermoedelijk omdat ze wisten dat het goed is voor de pr van welke regering dan ook. En mocht het besmet zijn, dan is het altijd nog minder besmet dan de autosnelwegen en de Volkswagens die erop in de file staan.

Volgt hier de tekst van het persbericht, dat we – kritiekloos als altijd – integraal overnemen:

 Het Nederlandse cultuurbeleid met zijn stelsel van kunstsubsidies, dat momenteel zwaar onder druk staat door de bezuinigingen van het kabinet Rutte, is tijdens de oorlogsjaren tot stand gekomen. De nationaal-socialist Dr. Tobie Goedewaagen, door de Duitsers benoemd tot secretaris-generaal van het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten, stond aan de wieg van een fundamentele koerswijziging van de overheidsbemoeienis met kunst en cultuur in Nederland. Hij zorgde voor een aanzienlijke verbetering van de sociaal-economische positie van de kunsten en de kunstenaars. Dit beleid werd na de oorlog door de opeenvolgende regeringen overgenomen. De invloed van kunstenaars was in deze omwenteling te verwaarlozen. Dit zijn de belangrijkste conclusies uit een onderzoek uitgevoerd aan het NIOD Instituut voor oorlogs-, holocaust- en genocidestudies, waarop theatermarketeer en historica Benien van Berkel op 9 maart a.s. zal promoveren.

In Goedewaagens visie stond kunst in dienst van het volk. Om de kunsten een centrale plaats in de samenleving te geven, verhoogde hij de kunstbegroting van 172.000 gulden in 1940 naar tweeënhalf miljoen gulden in 1943. Het grootste deel daarvan was bestemd voor subsidies aan gezelschappen en orkesten, en voor sterk verhoogde salarissen en honoraria voor toneelspelers, musici, beeldend kunstenaars en schrijvers. Dit geld werd door vrijwel de hele kunstsector en door alle kunstenaars aangenomen. Goedewaagens belangrijkste wapenfeit was de oprichting van de Kultuurkamer, waar vrijwel alle Nederlandse kunstenaars zich bij aansloten, ook al wisten ze dat deze hun Joodse collega’s uitsloot en Goedewaagen de deportatie van Joodse kunstenaars niet belette.

Na de oorlog nam het Ministerie van OK&W de kunstbegroting uit de bezettingsjaren over, inclusief het idee dat kunst een functie had als ‘cement van de samenleving’. Het nieuwe beleid leidde tot de subsidiëring van orkesten en toneelgezelschappen, tot de aankoop van kunstwerken en de opdrachtverlening aan beeldend kunstenaars, tot lage toegangsprijzen zodat ook de massa van kunst kon genieten, tot de kunstzinnige opvoeding van de jeugd en tot de stimulering van de Nederlandse film. Het idee van cultuurbevordering in de samenleving heeft sindsdien aan geen enkel regeerakkoord meer ontbroken, ook niet aan die van de huidige regering Rutte.