Eerste verhaal. Een naakte koning kruipt aan de voeten van een vrouw. Ze is veel groter dan hij, een godin. Hoog boven hem houdt ze een tros druiven in haar hand. Honger heeft hij! Hij wil die druiven, allemaal. Zijn lijf is kwetsbaar. Het lijkt te rillen in de buitenlucht. Maar als het om het begeerde voedsel gaat, haalt hij ongeremd uit. En zijn blik is lelijk, koud, meedogenloos.

Volgende verhaal. Een godin zonder armen danst met een man. Er bloeit zo’n oneindig geluk in haar op, dat de zwaartekracht een stapje terug lijkt te doen. Ze krijgt er vleugels van, tere, flinterdunne, fijngeweven vleugels, die alleen lichte wezens als deze godin op kunnen tillen. Hoe kan iemand zo’n kwetsbaar wezen kwaad doen?