Welke titels schieten je te binnen bij de naam Arvo Pärt? Sonatine opus 1; Symfonie nr. 1; Perpetuum mobile, of Fratres; Für Alina; Spiegel im Spiegel? Ik gok op de tweede reeks, want met dit soort stukken veroverde Pärt eind twintigste eeuw de wereld. Het publiek stroomde in drommen toe om zich onder te dompelen in zijn welluidende klankwereld, maar critici spraken schamper van een ‘warm bad’ vol new-age kitsch. Tegenwoordig is Pärt een van de meest uitgevoerde levende componisten. A.s. dinsdag 24 november belicht ik Pärts route naar zijn ‘nieuwe eenvoud’ tijdens een lezing in VondelCS, het voormalige Filmmuseum in Amsterdam.

VondelCS (fotocredit avrotros)
VondelCS (fotocredit avrotros)

Arvo Pärt (Paide, Estland 1935) groeide op in een dictatuur: al tijdens de Tweede Wereldoorlog, in 1944 werd Estland geannexeerd door de Sovjetunie. Daar woei al jaren een gure en onverdraagzame wind, vooral ook op het gebied van de kunsten. In 1948, amper drie jaar na de overwinning op de nazi’s en hun keiharde vervolging van zogenoemde ‘entartete Kunst’, werden grote componisten als Sergei Prokofjev en Dmitri Sjostakovitsj publiekelijk aan de schandpaal genageld om hun ‘formalistische perversies en antidemocratische tendensen’. In een dergelijk klimaat was weinig ruimte voor experiment.

Pärt studeerde compositie aan het Conservatorium van Tallin, waar hij onderwezen werd in het klassieke standaardrepertoire. De atonale muziek van modernisten als Arnold Schönberg was taboe. Pärts vroegste stukjes, waaronder bovengenoemde Sonatine voor piano solo, hebben dan ook een klassiek karakter. Ze zijn geheel tonaal en keren altijd terug naar een grondtoon – als luisteraar kom je veilig ‘thuis’. Dat betekent overigens niet dat het hier om suffe werkjes gaat. Wie bijvoorbeeld zijn Vier leichte Tanzstücke voor piano beluistert, zal onmiddellijk aangestoken worden door de dartele sfeer van deze op sprookjes geïnspireerde miniaturen. 

In-socialistische manier van componeren

Zoals het gaat, voelde ook de jonge Pärt zich aangetrokken tot de meest verboden vruchten, in zijn geval die van de westerse avant-garde. Hij bestudeerde binnengesmokkelde partituren en ging de daarin gebruikte nieuwe compositietechnieken in zijn eigen stukken verwerken. In 1961 veroorzaakte hij een schandaal met het orkestwerk Nekrolog, de eerste Estse compositie gemaakt volgens het door Schönberg ontworpen twaalftoonssysteem.

Kortgezegd worden in de twaalftoonsmuziek alle twaalf halve tonen van het octaaf in een reeks geplaatst, die telkens in zijn geheel moet klinken alvorens hij opnieuw mag worden ingezet. Niet langer is één toon ‘de baas’ (de eerder genoemde grondtoon), maar zijn alle tonen aan elkaar gelijk. Dat deze toch in-socialistische manier van componeren door de sovjets zo verfoeid werd, is een tragische vorm van ironie. Nekrolog leverde Pärt zijn eerste erkenning op in het Westen, maar de apparatsjiks in eigen land betichtten hem van ‘westerse decadentie’.

Voor je verder leest...

Wij doen ons best om onafhankelijke en volledig professionele journalistiek over de wereld van kunst en cultuur te brengen. Journalistiek die al heel veel mensen waarderen, omdat het op zo weinig plekken nog gebeurt. We kunnen daarmee doorgaan als jij lid wordt of ons steunt met een donatie. Die bijdrage komt ten goede aan de auteur, in dit geval Thea Derks. Zo kan Cultuurpers blijven bestaan!

Bepaal onderaan zelf hoeveel je wilt bijdragen aan het werk van Thea Derks.

Arvo Pärt (fotocredit Rabotheater)
Arvo Pärt (fotocredit Rabotheater)

Hierna experimenteerde Pärt met zogenoemde collagetechnieken, waarin verschillende muzikale stijlen als het ware op elkaar botsen. Zo wordt in Collage über B-A-C-H een lieflijk thema voor hobo en klavecimbel van Johann Sebastian Bach ‘aangevallen’ door fel aangezette, zwaar dissonante akkoorden van een strijkorkest. Het verst ging Pärt in 1968 in zijn groots opzette Credo voor koor, piano en orkest: hierin wordt een prelude van Bach belaagd door ongemeen dissonante samenklanken van het orkest. De première veroorzaakte een nog groter schandaal dan Nekrolog, niet alleen vanwege de muziek zelf, maar ook vanwege de openlijke geloofsbelijdenis: Pärt gebruikte Latijnse teksten uit het evangelie van Mattheus en opent met de zin ‘Credo in Jesum Christum’ (Ik geloof in Jezus Christus).

Compositorische impasse

Het communistische regime moest niks hebben van religie en zag Credo als een openlijke provocatie. De politieke leiders voelden zich persoonlijk aangevallen en gingen een kat-en-muisspel aan met Pärt. Nu eens werd hij met de grond gelijk gemaakt, dan weer werd hij geprezen – vergelijkbaar met hoe het Sjostakovitsj in Rusland verging. Maar ook zelf bleek Pärt niet gelukkig met de weg die hij was ingeslagen: steeds sterker voelde hij dat ‘atonale muziek alleen geschikt is om conflictueuze muziek te schrijven,’ zoals hij eens zei. Na Credo raakte hij in een jarenlange compositorische impasse.

Hij ging zich verdiepen in oude muziek, zoals de Russisch-orthodoxe kerkmuziek, het Gregoriaans en de Vlaamse polyfonie uit de Renaissance. Hij zei hierover: ‘Het Gregoriaans bracht me een soort kosmisch geheim, dat zich openbaart in de kunst van het combineren van twee of drie noten.’ Dit leidde in 1977 tot een explosie van stukken in Pärts inmiddels wereldwijd geliefde ‘tintinnabuli’-stijl, genoemd naar het klokachtige geluid van drieklanken. Composities als Für Alina voor piano solo, Fratres voor blaas- en strijkkwintet en Spiegel im Spiegel voor viool en piano plaatsen een stapsgewijs voortschrijdende melodie tegen een achtergrond van welluidende samenklanken en een traag ritmisch verloop.

De rest is geschiedenis. In 1980 verhuisde Pärt naar het Westen, waar hij aan een muzikale zegetocht begon die nog altijd niet ten einde is. De kritiek is inmiddels verstomd, zijn muziek verscheen op talloze cd’s en zijn tachtigste verjaardag werd gevierd met een ongekend aantal concerten en herdenkingen.

Recent is hij weer teruggekeerd naar Tallin – waar ik hem enkele jaren geleden al eens trof tijdens een festival voor nieuwe muziek. In alle bescheidenheid zat hij op een wankel houten bankje in een piepklein zaaltje, naast jongere collega’s als Erkki-Sven Tüür en Helena Tulve. Geconcentreerd luisterde hij naar een uitvoering van zijn opus 1 door een pianostudent. Na afloop schudde ik Pärt de hand en dankte hem voor zijn mooie stuk. Hij reageerde met een verheugde, bijna verlegen glimlach.

VondelCS op 24 november 2015, 20.30 – 22.00 uur, lezing over Pärt door musicoloog Thea Derks, met een gastoptreden van Cello8ctet Amsterdam, later die avond hoofdgast van Opium op 4. Info en reserveringen via deze link.