‘Zij is de belichaming van de ongelooflijke lichtheid van het bestaan, beweeglijk, alert en precies op de tel.’ Aldus een criticus over de Koreaans-Amerikaanse dirigent Han-Na Chang (Suwon, 1982), die na haar debuut in 2007 zo’n beetje alle belangrijke orkesten leidde. In 2014 gooide ze hoge ogen tijdens de vermaarde BBC Proms met haar frisse opvatting van de Vijfde Symfonie van Tsjaikovski. Als we de kranten mogen geloven paart ze in haar interpretatie een ‘nietsontziende ritmische drive’ aan ‘honingzoete introspectie’ en ‘ware finesse in de details’.

Op 26 en 27 mei maakt Chang haar Nederlandse debuut bij het Noord Nederlands Orkest. Opnieuw met Tsjaikovski, ditmaal het Eerste Pianoconcert uit 1875 met de Braziliaanse pianist Nelson Goerner aan de vleugel. Daarnaast presenteert zij de Tiende Symfonie van Sjostakovitsj, die een kleine tachtig jaar later ontstond. ‘Ik voel me aangetrokken tot kunstenaars die met zichzelf worstelen. Tsjaikovski vocht tegen zijn vulkanische emoties, Sjostakovitsj trachtte ondanks de onderdrukking zijn eigen stem te vinden.’ Zes vragen aan Han-Na Chang.

Wat betekent Han-Na eigenlijk?

‘Grappig dat je dat vraagt, want ik heet eigenlijk Hannah, wat zoiets betekent als ‘gunst’, of genade’. Ik kom uit een protestantse familie en ben vernoemd naar de moeder van de profeet Samuel uit de Bijbel. Dat geloof gaat terug tot mijn groot- of zelfs overgrootouders. In de tijd dat de missionarissen kwamen bekeerden zij zich tot het christendom. Dat is tegenwoordig de grootste religie in Korea, na het boeddhisme. Toen ik een paspoort moest aanvragen konden de ambtenaren niks met mijn naam aanvangen, daarom hebben ze er een Koreaanse versie van gemaakt.’

Je ging op je derde piano spelen en vervolgens cello, hoe gebruikelijk was dat in Zuid-Korea?

‘Dat is nu meer voor de hand liggend dan toen, maar er waren een paar andere kinderen in mijn omgeving die bijvoorbeeld viool gingen spelen, bij ons in huis stond een piano. Mijn moeder is componist en mijn vader is een groot liefhebber van muziek. Niet zozeer van klassiek trouwens, hij houdt vooral van oude popgroepen als de Beach Boys. Ik was enig kind en mijn ouders wilden me al heel jong de muziek meegeven, als een levenslange vriend.

Voor je verder leest...

Wij doen ons best om onafhankelijke en volledig professionele journalistiek over de wereld van kunst en cultuur te brengen. Journalistiek die al heel veel mensen waarderen, omdat het op zo weinig plekken nog gebeurt. We kunnen daarmee doorgaan als jij lid wordt of ons steunt met een donatie.
Bepaal onderaan zelf hoeveel je wilt bijdragen.

Ik speelde wel piano, maar hield eigenlijk helemaal niet van het instrument. Voor mij was het een van de meubelstukken in de kamer: hier is de sofa en daar staat de piano. Ik vond het een lomp ding en vertelde mijn moeder dat ik het niet leuk vond erop te spelen. Toen ik naar de lagere school ging, kocht ze een cello voor me, een 1/4 model. Ze had ook een viool of een ander instrument kunnen kopen, maar ze hield nu een keer het meest van de cello.

Een geweldige zet, want ik vond de cello eindeloos veel leuker dan die logge piano. Je kunt hem met je meedragen, je kunt hem omhelzen en je speelt met je linkerhand totaal anders dan met je rechter. Mijn eerste lessen kreeg ik van een buurvrouw die in het lokale orkest speelde. Ze was heel streng – goed voor een beginner – maar helaas verhuisde ze al na een paar maanden naar een andere stad.

Toen vonden we een conservatoriumstudente, die vooral lol wilde hebben. Van serieuze studie was nauwelijks sprake, maar zo leerde ik spelenderwijs toch mijn instrument kennen. Mijn derde docent was gedegen, hij leerde me alle etudes, Bach, en het overige standaardrepertoire. Maar de belangrijkste van wie ik les heb gehad is Misha Maisky. Mijn ouders hadden hem een video gegeven waarop ik het concert van Haydn speelde, waarna hij me uitnodigde voor zijn zomercursus in Siena. Ik was tien. Daarna mocht ik ook bij hem thuis in Brussel studeren.’

Op je elfde verhuisde je met je ouders naar New York, waarom?

‘Mijn ouders zagen hoe vol ik was van muziek en hoe vlijtig en serieus ik studeerde. Ze begrepen dat ik een bredere horizon nodig had om mijn talent te ontplooien. Ze stuurden dezelfde video aan de Juilliard School of Music, waar ik werd aangenomen in de voorbereidende klas. Dat jaar won ik ook de Rostropovitsj Cello Competitie in Parijs – ik speelde inmiddels op een 7/8 cello – en toen kwam alles in een stroomversnelling. Ik kreeg les van Rostropovitsj, de oud-docent van Maisky, en de aanvragen van platenmaatschappijen, managers en concertorganisatoren stroomden binnen.’

Waarom verruilde je op je vijfentwintigste dan toch je strijkstok voor een dirigeerstok?

‘Daar ging een lang proces aan vooraf. Als cellist heb je niet zo’n groot repertoire tot je beschikking en binnen die toch al beperkte kaders word je altijd maar weer gevraagd dezelfde concerten te spelen. Haydn, Dvořák, Elgar, Saint Saëns, Tsjaikovski en dan wéér Haydn, Dvořák enzovoorts… Na een poos kreeg ik behoefte aan meer verdieping. Ik had geen zin die stukken de rest van mijn leven te blijven spelen: ik zou dat niet keer op keer met een onbevangen blik kunnen doen.

Ik zocht een nieuwe uitdaging en ging de symfonieën bestuderen van Beethoven, Mahler en Bruckner. Van daaruit ontstond organisch de behoefte die ook zelf te gaan uitvoeren. Rond mijn twintigste nam ik directieles en uiteindelijk kreeg ik in 2007 de kans mijn debuut te maken als dirigent. Ik speel nog wel cello, maar voornamelijk thuis. Het is een lastig instrument om mee te reizen en ik concentreer me nu op het dirigeren.’

Je nam Tsjaikovski’s Rococo Variaties op, kreeg lovende kritieken voor je interpretatie van diens Vierde en Vijfde Symfonie en nu dirigeer je zijn Eerste Pianoconcert. Heb je een speciale affiniteit met hem?

‘Ik voel me aangetrokken tot kunstenaars die met zichzelf worstelen. Als Tsjaikovski werkt aan zijn Vierde, Vijfde en Zesde Symfonie, schrijft hij brieven aan zijn broer. Bijvoorbeeld terwijl hij in de trein zit. Je leest dan dat hij huilde tijdens het componeren, stel je voor! De Vierde was een breekpunt in zijn leven en in zijn werk als symfonicus. Het is een spel met begeerte, verlangen, bijna als een gebed. Om al die intieme persoonlijke gevoelens uit te drukken, moet je een hartstochtelijke, zangerige toon vinden, zingend vanuit je hart.

Tsjaikovski kolkte binnenin van de emoties, maar tegelijkertijd was hij hoogopgeleid. Hij behoorde tot een verfijnde klasse, die de Franse cultuur hoog in het vaandel had, hij sprak uitstekend Frans. Dat bracht het besef mee dat je je niet in emoties moet verliezen, vandaar dat proportie en vorm zo’n belangrijke rol spelen in zijn composities. Die spanning boeit mij. Je moet als musicus een heel helder beeld hebben van wat je wilt zeggen, een sterke relatie voelen met zijn muziek. Ik verheug me op de samenwerking met Nelson Goerner en ben benieuwd naar zijn visie op dit populaire Pianoconcert.’

Daarnaast klinkt de Tiende Symfonie van Sjostakovitsj. Hoe passen die stukken bij elkaar?

‘Ten eerste was Tsjaikovski een belangrijk rolmodel voor alle Russische componisten tijdens het Sovjetbewind, ook voor Sjostakovitsj. Hij is net als zijn voorganger heel persoonlijk in zijn muziek, maar op een volstrekt andere manier. Veel dubbelzinniger. Sjostakovitsj leefde onder de vreselijkste repressie en stond continu doodsangsten uit. Iedereen kon op elk moment zomaar verdwijnen – niet alleen hijzelf maar ook zijn geliefden. Ondanks die stress en angst besloot hij de muziek te componeren die hij zelf wilde maken, bewonderenswaardig.

De Tiende Symfonie schreef hij in 1953, kort nadat Stalin was overleden. Hartverscheurend hoe in het eerste deel de celli vanuit de diepte zachtjes, onheilspellend opstijgen en vervolgens tot explosie komen. Wat ging er in hem om? Aan het slot van dat deel is alles kaal en verlaten, er hangt nog maar één blaadje aan de boom, zó kwetsbaar! Het tweede deel is van een totaal andere orde: woest en meedogenloos, er is enkel dat voortrazende go, go, go. Daarin hoor ik de wreedheid van Stalin.

Het derde deel is typisch voor Sjostakovitsj: je weet niet of hij je voor de gek houdt of het serieus meent. Ook dit heeft een rauwe, gewelddadige drive. Het lijkt sarcastisch, maar dan duiken zijn eigen initialen op, in de noten D-Es-C-H. Wat wil hij hiermee zeggen? Het laatste deel klinkt met zijn grootse E-majeurakkoorden bijna als een briljant, happy end. Maar ook dan komt opeens zijn naam tevoorschijn. Die wordt steeds prominenter, alsof hij zich afvraagt: zal het leven veranderen?  Oh ja, denk je dat echt? Het lijkt een grap, maar is tegelijkertijd uiterst gewelddadig.

Tegenwoordig weten wij dat het daarna niet erger werd, maar voor hem was dat terra incognita: wie weet lag er na het kwaad van Stalin nog wel erger in het verschiet. Mij fascineert de vraag: wat dacht hij? Hadden ze überhaupt de gelegenheid om na te denken bij zoveel onderdrukking? Het mooie van Sjostakovitsj is dat er enorm veel ruimte is om vragen te stellen. Zoals Misha Maisky zei: een en een is twee, maar in de muziek kan het ook drie zijn. Of vier. Of zelfs vijf. Er is nooit maar één antwoord. ‘

Meer informatie en kaarten via deze link.