Journalistiek moet vrij zijn.
Eens?

De Bloei van de Nederlands-Caribische Cinema

D

Zalen van lokale filmfestivals zitten vol, het Nederlands Filmfonds opent zijn deuren voor producties uit de niet Europese regio’s, en het Caribisch filmtalent groeit rap. Wat vijftien jaar geleden nog een droom leek voor filmmakers uit het Caribisch deel van het Koninkrijk lijkt langzaam werkelijkheid te worden.

Ook buiten de eilanden zelf trekken films uit het Caribisch deel van het Nederlands Koninkrijk steeds meer aandacht. Zo toonde het Morelia International Film Festival in Mexico in oktober een selectie van vijf Nederlands-Caribische en Surinaamse korte films. De Curaçaose korte film Sunny (2025) van regisseur, scenarioschrijver en producent German Gruber is zelfs te zien geweest op Tribeca in New York, en draaide volgens Gruber zelfs vaker in Nederland dan op Curaçao.

Kleine camera’s, grote ambities

Gruber heeft deze ontwikkelingen van dichtbij meegemaakt. Zo’n twintig jaar geleden besloot hij om aan de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht (HKU) te studeren, om daar kennis op te doen om in het Caribische deel van het Koninkrijk films te maken. In die tijd was er nog geen filminfrastructuur op de eilanden, en dat vond Gruber eigenlijk wel fijn. “Het idee van je moeten inwerken in een industrie was voor mij moeilijker dan het filmmaken zelf. Dus ik dacht: misschien kunnen we hier een eigen stijl maken.”

Zijn afstudeerproject en eerste korte film, E leyenda di Buchi Fil (De legende van Buchi Fil), die het verhaal vertelt van de Antilliaanse legende over de sterkste slaaf die ooit heeft geleefd, kwam uit in 2008. “Het idee van, je gaat echt een film maken die in een zaal wordt vertoond, dat was toen nog echt een droom.”

Toen Buchi Fil een jaar later Best Short Film won op het Trinidad and Tobago Film Festival (TTFF) werd deze droom ineens werkelijkheid en ontmoette Gruber meer mensen uit het Caribisch gebied “met kleine camera’s, maar grote ambities,” wat hem inspireerde om zich verder te ontwikkelen in de filmwereld.

Een klein sponsorvijvertje

Tegelijkertijd liep hij ook tegen financiële uitdagingen aan. Mogelijkheden voor de toenmalige Nederlandse Antillen om in Nederland subsidie aan te vragen waren er destijds nauwelijks. Om een aanvraag te kunnen doen bij het Nederlands Filmfonds voor een speelfilm, documentaire of lange animatie bij het fonds moest de producent namelijk minimaal een film hebben geproduceerd die in de bioscoop heeft gedraaid.

“Curaçaose filmmakers hebben dat niet,” zegt Eloise van Wickeren, toenmalig locatiemanager en huidige filmcommissioner van Curaçao. “We hebben hier wel bioscopen, maar dat is niet wat zij verstaan onder een bioscoop-release. Die criteria waren heel erg gericht op Nederlandse producenten. En daar konden wij nog niet aan voldoen.” In de praktijk betekende dat dus dat er altijd samengewerkt moest worden met een Nederlandse producent, maar dan zou het werk “nooit echt van ons zijn.”

Door deze Nederlandse connectie en daarmee ook de taalbarrière was coproduceren met makers uit andere Caribische of Zuid-Amerikaanse landen echter ook lastig. “We konden internationaal ook geen subsidieaanvragen indienen bij andere instituten, omdat ze ons zagen als deel van Nederland,” legt Sulin Passial, eigenaresse van het Curaçaose productiebedrijf Pantalla Chica Productions, uit.

“Desalniettemin hadden we altijd ambities en hebben we ook altijd films gemaakt,” zegt Passial, al was het vaak erg complex om het financiële plaatje rond te krijgen. Zo vertelt de producente dat ze eens vijf jaar lang aan een documentaire werkte, omdat het telkens een uitdaging was om sponseringen bij elkaar te schrapen.

“Als je niet het eigen vermogen hebt, dan ben je afhankelijk van sponsoring. En alle creatievelingen op Curaçao, die vissen in datzelfde sponsorvijvertje,” benadrukt Van Wickeren.

Grubers eerste speelfilm, Sensei Redenshon (2013), was dan ook een no-budget film, gemaakt met wat financiële hulp van particuliere sponsoring en in samenwerking met oud-klasgenoten uit Nederland.

Eye-opener

In 2013 begon het bij meer filmmakers te jeuken. Zo nam regisseur en producent Dolph Van Stapele het initiatief voor Tula: The Revolt (2013), een op Curaçao gefilmde speelfilm over een slavenopstand.

“Dat is eigenlijk een beetje een eye-opener voor de rest van de community geweest,” vertelt Van Wickeren. “De filmcommunity was in die tijd nog niet zo heel groot en actief, maar Tula liet zien dat wij dus wel gewoon een speelfilm op Curaçao kunnen opnemen.” Zo kwam ook het script van Dubbelspel (2017) na tien jaar weer van de plank.

Om meer structuur aan te brengen in de lokale filmsector heeft de Curaçaose overheid in 2017 Eloise van Wickeren aangesteld als de eerste filmcommissioner van het eiland.

In diezelfde periode kwam ook het Curaçao International Film Festival (CIFF) van de grond op initiatief van de stichting Fundashon Bon Intenshon en het International Film Festival Rotterdam.

Sinds 2012 “is het festival een katalysator geweest voor de lokale filmmakers,” zegt festivaldirecteur Michael Elias.

De eilanders lijken meer belangstelling te krijgen voor films: veel van de screenings van het festival zitten goed vol en inmiddels organiseert een lokaal productieteam het festival zonder expertise van buitenaf.

Aan de andere kant motiveert het festival lokaal talent ook om de camera op te pakken. “Ook qua programma zien we steeds meer een verschuiving naar wat lokaal wordt gemaakt,” voegt Elias toe.

Ruimte voor diversiteit

Vanaf ongeveer 2020, het jaar dat Black Lives Matter-demonstraties zich over Nederland verspreidden, groeide de roep om diversiteit en dekolonisering in de Nederlandse maatschappij, en daarmee ook de filmindustrie.

“Je ziet dat er steeds meer documentaires worden gemaakt die afwijken van de witte mainstream norm. Waar zwarte makers en andere niet-witte makers kansen krijgen, kansen pakken, kansen creëren om hun films te maken en hun verhalen te vertellen,” Emiel Martens, docent-onderzoeker Postkoloniale Filmstudies aan de UvA en oprichter van Caribbean Creativity, een non-profitorganisatie die Caribische films in Nederland programmeert en promoot.

Sindsdien gaat een divers Nederlands publiek vaker naar Caribische filmavonden en worden Caribische makers regelmatig uitgenodigd voor evenementen om hun film te vertonen en bespreken. 

Stroomversnelling

De laatste vijf jaar is de Nederlands-Caribische filmwereld dan ook in een behoorlijke stroomversnelling terechtgekomen.

Na jaren lobbyen van Van Wickeren, Elias en lokale filmmakers en producenten heeft het Filmfonds in 2021 haar criteria aangepast. “Ze hebben nu speciale consulenten die specifiek op de aanvragen uit Caribisch Nederland worden gezet,” vertelt Van Wickeren. Deze consulenten geven de Caribische Nederlandse filmmakers extra begeleiding met hun aanvraag. En met succes. “Ik denk dat er nu ongeveer drie projecten lopen bij het filmfonds,” voegt ze toe.

Sinds 2024 heeft het CIFF ook een nieuwe competitie Caribbean Focus, speciaal voor filmmakers uit het Caribisch deel van het Koninkrijk, Suriname en de diaspora. De winnende films in deze categorie worden ook getoond op het Morelia International Film Festival in Mexico en Film by the Sea in Vlissingen.

“Filmindustrie is nog een groot woord,” vindt Elias, maar hij kijkt hoopvol naar de recente ontwikkelingen. “Ik zou zeggen dat het het begin is van een filmklimaat.”

In hetzelfde jaar opende op Curaçao het Krioyo filmfestival, dat zich puur en alleen richt op Papiamentstalige films. “De zalen zitten altijd vol,” zegt Van Wickeren. Vooral de oudere generaties zijn geïnteresseerd. “Je ziet dat die heel erg behoefte hebben aan films waarin ze in hun eigen taal en hun eigen mensen zien, waarin ze zichzelf in kunnen herkennen.”

Ze ziet ook dat er steeds meer lokale korte films worden geproduceerd. “Het feit dat dit festival bestaat, dat geeft ook meer motivatie voor lokale filmmakers om korte films te maken. Want wat is anders het doel, als je het hier nergens kunt vertonen?”

Studio Caribe

Een grote hulp bij het maken van deze korte films is het ook in 2024 opgerichte Studio Caribe. Deze stimuleringsregeling van het Filmfonds begeleidt filmmakers uit het Caribisch deel van het Koninkrijk met workshops en individuele coaching bij het maken van een korte film, van ontwikkeling tot productie.

Het Filmfonds heeft deze regeling in leven geroepen toen ze merkten dat er naast een gebrek aan mogelijkheden voor financiering ook een kenniskloof bestond op de eilanden. “Er waren ook makers die bij ons aanklopten, maar niet aan onze criteria voldeden,” legt Monique Ruinen, hoofd filmactiviteiten van het Filmfonds, uit. “Als dat een paar keer gebeurt en je ziet tegelijkertijd dat dat misschien wel mensen zijn met talent, dan ga je nadenken over andere manieren waarop alle talent wat er in het Nederlands Koninkrijk is, een kans krijgt.”

Tot nu toe zijn er op Curaçao slechts twee producenten met voldoende ervaring om een reguliere aanvraag in te dienen bij het Filmfonds: Sulin Passial en Michel Drenthe. “Hopelijk komen er uit dit traject uiteindelijk meer producenten die kunnen indienen om zo de film community van de eilanden verder te ontwikkelen,” zegt Passial. “

Er waren bijna zestig aanvragen voor de eerste editie van Studio Caribe, “wat iets zegt over het animo en het talent dat er ook daadwerkelijk is,” vindt Ruinen. Twaalf van deze projecten zijn geselecteerd voor het ontwikkelingstraject, waarvan de helft ook gesteund wordt bij de werkelijke realisering.

Toekomstplannen

Het groeiende aantal Nederlandse en buitenlandse producties op Curaçao zetten ook zoden aan de dijk. Deze producties hebben meestal een groter budget en meer ervaring, wat ook meer werkgelegenheid creëert op het eiland.

“Je ziet nu dat steeds meer mensen hun dagelijkse brood kunnen verdienen in de filmsector. Maar dat was tien jaar geleden nog echt niet zo. Het was vooral een hobby die mensen naast hun dayjob deden,” aldus Van Wickeren. 

Ook is Van Wickeren bezig met het ontwikkelen van een klein lokaal filmfonds, want Nederlandse fondsen zullen ook altijd blijven vragen naar eigen inbreng. “Als je eigen overheid je niet steunt, waarom zou Nederland dat dan doen?”

Uitdagingen

Hoewel de Nederlands Caribische cinema zich dus flink heeft ontwikkeld in de afgelopen jaren, blijven er uitdagingen.                                                              

“Opgepikt worden door een distributeur, dat gebeurt eigenlijk nog steeds bijna nooit,” vertelt Martens bijvoorbeeld. Als Caribische films in Nederland worden getoond, zijn dat voornamelijk eenmalige vertoningen, “dat wordt vooral door non-profits gedaan, zoals Caribbean Creativity, maar ook andere organisaties, met specials die buiten de reguliere distributie vallen ,” legt Martens uit. “Omdat distributeurs nog steeds vaak denken: daar zal niet een groot genoeg publiek voor zijn.”

Verder is de Nederlands-Caribische filmwereld nog erg gefragmenteerd. De ontwikkelingen concentreren zich voornamelijk op Curaçao, terwijl er zeker op Aruba ook veel talent en interesse is.

Ondertussen timmeren de filmmakers zelf gestaag door aan de weg. “Op een bepaald moment moeten wij ook zelf gaan inzien hoe we kunnen groeien,” benadrukt Gruber.

Waardeer dit artikel!

donatie
Ik doneer

Reageer!

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.

Populaire berichten

Recente uitgaven

Gedraag je

Gedraag je

Wat codes ons leren over wat niet vanzelf gaat
Meer uitleg

Meer uitleg

Leren van een nieuwe generatie journalisten.

Categorieën