“The question is no longer only whether libraries use these tools, but whether they have a hand in how the tools work.”
Wilma van Wezenbeek, KB Nationale Bibliotheek
Toen de Nederlandse overheid begin deze maand haar Internationale AI-strategie presenteerde, was de ambitie duidelijk. Kunstmatige intelligentie is volgens het kabinet niet langer een gewone technologie, maar een strategische factor die bepalend wordt voor onze economie, veiligheid, democratie en internationale positie. Nederland moet daarom investeren in rekenkracht, hoogwaardige data en Europese technologische autonomie. AI is volgens het kabinet een sleuteltechnologie voor onze toekomstige waarden, welvaart en weerbaarheid.
“AI is een sleuteltechnologie voor onze toekomstige waarden, welvaart en weerbaarheid.”
Het is een overtuigend verhaal. Maar wie het document aandachtig leest, ontdekt een opvallende omissie. Terwijl de strategie voortdurend spreekt over data, publieke waarden en Europese autonomie, blijft de cultuursector vrijwel volledig buiten beeld. Dat is opmerkelijk, omdat juist in Europa een fundamenteel andere discussie op gang is gekomen. Daar wordt cultuur niet langer gezien als een sector die zich moet aanpassen aan AI, maar steeds vaker als een onmisbare bouwsteen van de AI-infrastructuur zelf.
Van cultuurbeleid naar AI-infrastructuur
Die verschuiving wordt misschien wel het duidelijkst zichtbaar in de onlangs verschenen European Books Data Commons-studie van de Koninklijke Bibliotheek en Europeana.
Het rapport beschrijft een ambitieus Europees initiatief om miljoenen gedigitaliseerde boeken uit nationale bibliotheken beschikbaar te maken voor de ontwikkeling van Europese AI-modellen. Niet omdat bibliotheken plotseling technologiebedrijven willen worden, maar omdat zij beseffen dat de vraag niet langer alleen is of bibliotheken AI gebruiken. De wezenlijke vraag is wie bepaalt hoe AI kennis representeert, welke bronnen zichtbaar worden gemaakt en welke waarden daarin worden meegegeven.
Dat is een fundamenteel andere manier van denken over cultuur. Bibliotheken bewaren niet langer uitsluitend het verleden; zij leveren de grondstoffen voor de kennisinfrastructuur van de toekomst. De studie maakt bovendien duidelijk dat Europa beschikt over iets wat commerciële partijen nauwelijks kunnen reproduceren: miljoenen boeken in tientallen Europese talen, zorgvuldig gedocumenteerd, historisch rijk en van hoge kwaliteit. Juist die meertaligheid en culturele diversiteit blijken schaars in de huidige AI-markt, waarin Engelstalige commerciële datasets domineren.
“As AI becomes the dominant interface to knowledge and culture, the next step is clear: make that data AI-ready.” — Harry Verwayen, Europeana.
Opvallend genoeg sloeg ook de Raad voor Cultuur eerder al dezelfde richting in. In zijn advies Kunstzinnig boven kunstmatig beschrijft de raad AI niet primair als een technologisch vraagstuk, maar als een culturele ontwikkeling.
“AI is niet alleen een technologische ontwikkeling, maar verandert de manier waarop cultuur wordt gemaakt, gedeeld en beleefd.”
AI leert immers van boeken, schilderijen, muziek, films, foto’s en andere culturele uitingen die door generaties makers zijn voortgebracht. Tegelijkertijd verandert AI ook de manier waarop nieuwe cultuur ontstaat, wordt verspreid en gewaardeerd. Daarom pleit de raad ervoor de culturele en creatieve sector niet als sluitpost van het AI-beleid te behandelen, maar als een volwaardige partner bij de ontwikkeling van publieke AI-infrastructuur.
Juist tegen deze achtergrond oogt de Nederlandse AI-strategie verrassend traditioneel. Zij richt zich begrijpelijkerwijs op chips, cloudinfrastructuur, taalmodellen, investeringen en internationale concurrentiekracht, maar besteedt nauwelijks aandacht aan de instellingen die misschien wel de belangrijkste publieke databronnen van Europa beheren. Dat is meer dan een symbolische omissie. Het betekent dat een groot deel van het Nederlandse culturele kapitaal buiten de strategische analyse blijft.
De data die AI leert denken
Dat geldt allang niet meer alleen voor bibliotheken. Nederlandse musea beschikken gezamenlijk over miljoenen objecten die de afgelopen decennia zijn gedigitaliseerd. Archieven beheren eeuwen aan historische documenten, kaarten en audiovisueel materiaal. Beeld- en geluidscollecties bevatten unieke opnamen van de Nederlandse taal, cultuur en geschiedenis. Juist deze collecties vormen hoogwaardige, gecontroleerde en betrouwbare datasets die van grote waarde zijn voor Europese AI-systemen. Anders als vluchtige internetdata zijn zij zorgvuldig beschreven, voorzien van metadata en ingebed in professionele kennisstructuren. Dat maakt ze niet alleen cultureel waardevol, maar ook technologisch interessant.
De discussie verschuift daarmee ongemerkt van cultuurbeleid naar strategisch databeleid. Waar de afgelopen jaren vooral werd gesproken over auteursrechten en de vraag of AI kunstenaars bedreigt, ontstaat nu een veel fundamentelere vraag. Als AI steeds meer bepaalt welke kennis mensen zien, welke verhalen worden verteld en welke talen zichtbaar blijven, wie beheert dan de bronnen waarop die AI leert? Het antwoord luidt steeds vaker: bibliotheken, archieven, musea en andere erfgoedinstellingen.
Een gemiste strategische kans
Juist daarom is het opvallend dat de Nederlandse AI-strategie deze ontwikkeling nauwelijks weerspiegelt. Terwijl Europa cultuur steeds nadrukkelijker beschouwt als een strategische bron voor AI, blijft de Nederlandse benadering grotendeels steken in een klassieke tegenstelling tussen technologiebeleid en cultuurbeleid. Dat is jammer, want Nederland beschikt juist over een uitzonderlijk sterke culturele infrastructuur. Onze musea behoren tot de wereldtop, de Koninklijke Bibliotheek speelt internationaal een voortrekkersrol, Europeana wordt vanuit Nederland geleid en onze erfgoedinstellingen beschikken over collecties die wereldwijd van betekenis zijn. Het zijn precies deze instellingen die Europa nu probeert te mobiliseren voor de ontwikkeling van publieke AI.
Misschien is dat wel de grootste les die uit de drie recente documenten spreekt. De internationale AI-strategie laat zien hoe Nederland technologisch sterk wil blijven. De Raad voor Cultuur maakt duidelijk dat AI onlosmakelijk verbonden is met cultuur. De European Books Data Commons-studie zet vervolgens de volgende stap en laat zien hoe culturele instellingen zelf strategische AI-infrastructuur kunnen worden. Juist die drie inzichten verdienen het om samen gelezen te worden. Want als Europa werkelijk een eigen AI-koers wil varen, zal zij niet alleen moeten investeren in de computers waarop AI draait, maar ook in de boeken, beelden, verhalen en collecties waarop AI leert denken.
Nederland investeert miljarden in AI, maar vergeet misschien wel zijn grootste strategische troef. Terwijl Europa bibliotheken, musea en erfgoed steeds nadrukkelijker ziet als fundament van publieke AI, blijft de Nederlandse cultuursector opvallend afwezig in de nationale AI-strategie. Waarom is dat een gemiste kans?

