Zoals Pieter Couwenbergh en Hilda Bouma in hun artikel “Vogelvrij” in het Financieel Dagblad van 14 mei 2026 constateerden voelen steeds meer bestuurders bij musea en cultuurcentra zich onveilig.
Nu de eerste stofwolken na de rechterlijke uitspraak in de zaak Birgit Donker versus het Nationaal Fotomuseum zijn opgetrokken, is het zaak de aandacht te richten op de institutionele tekorten in de Governance Code Cultuur (GCC). Raden van toezicht beroepen zich helaas nog te vaak op hun werkgeverschap om de directeur/bestuurder af te serveren, monddood te maken en zichzelf daarmee aan iedere verantwoordelijkheid voor “gedoe” te onttrekken zónder er blijk van te geven hierbij de spelregels van de GCC in acht te hebben genomen.
Om enig inzicht te krijgen in de verschillende percepties op de validiteit van de Code kunnen twee zojuist verschenen documenten dienen, waarin op zeer verschillende wijze aangekeken wordt tegen de, ook door de minister en de Raad voor Cultuur, noodzakelijk geachte verbetering van het bestuur en toezicht in de culturele sector.
De ene zienswijze wordt verwoord door Cultuur+Ondernemen (C-O), sinds jaar en dag beheerder van de Code, die zich als primair belanghebbende richt op een voortdurende aanpassing van de regels voor goed bestuur en toezicht. Deze instelling heeft zojuist de nieuwe GCC gelanceerd die een update is van de voorafgaande versies en geen fundamenteel nieuwe inzichten bevat.
Verontruste vakgenoten
Dat is wél het geval bij het white paper van Sjarel Ex, oud-directeur van Boijmans van Beuningen, en Jaap van Maanen, voormalig hoogleraar corporate governance en boardroom consultant, die als geïnteresseerde betrokkenen uit de culturele bestuurspraktijk hun oor te luisteren hebben gelegd bij die collega’s die al of niet aan den lijve het falen van de huidige praktijk hebben ervaren. Deze ervaringen komen slechts zelden naar buiten, en dan alleen in gevallen waarin verschillen van inzicht tussen bestuurder en RvT leiden tot nauwelijks of in het geheel niet beargumenteerd ontslag van de directeur van de kunstinstelling. Met name Ex, als ervaren artistiek/cultureel bestuurder, kreeg steeds meer berichten van verontruste vakgenoten die zich in de steek gelaten voelen door hun raad van toezicht. Zoals ook blijkt uit het bovengenoemde artikel in het FD. Situaties die ik uit eigen ervaring kan beamen en die wijzen op een ontstellend gebrek aan verantwoordelijkheidsbesef bij vele individuele toezichthouders, subsidiënten en lokale bestuurders.
We kunnen er wel van uitgaan dat, zo de nieuwste versie van de GCC al gelezen wordt, dat beperkt blijft tot goedwillende directies en die leden van de raad van toezicht die zich realiseren dat ze de kennis missen die nodig is om op een voor hen branchevreemde organisatie toezicht te houden. Naast de omnipotente status van de toezichthouders die geen extra informatie nodig denken te hebben omdat zij alles al weten, anders waren zij immers niet gevraagd, komt de ideaaltypische toezichthouder zoals deze beschreven wordt in de Code vrijwel niet voor.
Willekeurige boardroom
Veelal worden leden van raden van toezicht geworven onder verdienstelijke personen uit het bedrijfsleven, uit advocatuur, accountancy en adviespraktijk. De leden met een achtergrond in kunst en cultuur of academia zijn in de minderheid. Hiermee zijn we beland in een praktijk waarbij het kennelijk volstrekt geaccepteerd is dat, zoals bij het zojuist veroordeelde Nederlands Fotomuseum het geval is, de RvT bestaat uit personen uit de top van het commerciële bedrijfsleven. Van de vier leden (stand 29/6) is er één zelf praktiserend fotograaf, de rest zou met gemak aan dezelfde tafel in een willekeurige boardroom kunnen zitten.
Hier wringt iets. Helaas lijkt het vanzelfsprekend te worden dat de toezichthouder zich gedraagt als eigenaar van het kunstbedrijf waarop toezicht gehouden moet worden. Wie zich als eigenaar beschouwt, gedraagt zich als eigenaar, dat is niet zo gek. Bij afwezigheid van aandeelhouders zoals in het bedrijfsleven, neem je als statutair werkgever van de directeur/bestuurder die taak er maar ongevraagd even bij. De statutaire bestuurder/directeur wordt dus, of hij/zij wil of niet, op de vingers gekeken door mensen die alles weten over groei, ondernemen en accountability. Daarmee hebben ze een glanzende carrière opgebouwd in het bedrijfsleven. Merkwaardig is dat het raadplegen van deskundigheid voor het leiden van de kunstinstelling door de directeur zelf, bijvoorbeeld door ervaren collega-directeuren of de huisaccountant om advies te vragen, als het ware a priori wordt gedubbeld in de RvT.
Pasvorm
Is dit verschijnsel nieuw? Geenszins. In 2020 verscheen er een gedegen stuk in de Theaterkrant van de hand van Felix Welsink, masterstudent Behaviourial Economics aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. In zijn stuk wijst Welsink op de in zijn ogen overheersende rol van de economische benadering van culturele uitingen. Hij betwijfelt of de GCC ertoe leidt dat culturele instellingen meer culturele waarde creëren en zo de sector sterker maken. Het gaat bij het toepassen van de GCC om het financieel en organisatorisch zelfstandig maken van culturele instellingen. Wensink concludeert: hiermee creëert de GCC een maat, een pasvorm waarbinnen de kunstinstelling en directie zich moeten gedragen.
Logisch dat deze tendens tot uniformering, standaardisering, geplande groei en voorspelbaar risico in de praktijk niet voorop staat op het wensenlijstje van een getalenteerd bestuurder/directeur. In tegenstelling tot succesvolle ondernemers streeft hij/zij naar unica waar pas na presentatie over te zeggen is of het in de ogen van de directie geslaagd is en waarom. De doorsnee ondernemer probeert zo snel mogelijk over te gaan tot serieproductie, zo mogelijk tot massaproductie, om de kosten laag en de opbrengsten zo hoog mogelijk te houden. Bovendien heeft hij/zij een goed oog voor marketing want succes is vraaggestuurd.
Nieuwe catechismus
Een goed kunstproduct, concept of idee is uit de aard van de zaak aanbodgestuurd, of en hoe dat in de samenleving landt is niet te voorspellen. Een kunstbedrijf is immers primair een mentaliteitsbedrijf dat uiteraard een slim management behoeft. De drang tot standaardisatie is begrijpelijk, maar gedoemd te mislukken. Mocht het erop lijken dat dat op een of ander onderdeel van de kunstpraktijk al lukt, dan blijkt al snel dat er geen consensus is bij de respectievelijke deelnemers aan het consortium; het maken van unica is immers niet te standaardiseren.
De poging van C-O om het geloof te doen postvatten dat nu eindelijk met een nieuwe catechismus bestuur en governance vlekkeloos gaat verlopen acht ik een illusie. Ik heb te veel geharmoniseerde en gestandaardiseerde tentoonstellingen, festivals, literatuur en podiumkunsten bijgewoond in de landen van de vml. Sovjet Unie om enig heil van steeds toenemende fijnmazige gebruiksaanwijzingen te verwachten. Overigens is ook dichter bij huis de ooit goed functionerende Dienst Kunstgebouwen (DGK) door de toenemende emancipatie van de Rotterdamse kunstinstellingen ter ziele gegaan.
De minister zou er goed aan doen het white paper van Ex c.s. zorgvuldig te bestuderen, de fictie van het eigenaarschap en het werkgeverschap bij de RvT weg te halen en daarmee de existentiële artistieke (mensen)rechten voor de directie te waarborgen. Ook over het nu ontbrekende toezicht op het toezicht zeggen Ex en Van Maanen verstandige dingen.
Het is niet voor niets dat Sjarel Ex liet weten dat hij weliswaar verheugd is over de uitspraak over het onterechte ontslag van Birgit Donker maar ook zijn zorgen uit: “Ik ben blij met de uitspraak van de rechter maar bezorgd om het volgende: dit kan elke directeur/bestuurder in de kunst op dit moment overkomen; de toezichthouder die haar ontslag mede aanstichtte zit nu nog steeds op haar stoel … als bestuurder; de deelnemers aan de fluistercampagne kunnen zich collectief schamen, en alle financiers en zgn. steunverleners en ja, politici die wegkeken zouden bij zichzelf te rade moeten gaan.”
Oorverdovende bominslag
De Casus Nederlands Fotomuseum kan als hoogte- of dieptepunt toegevoegd worden aan het geanonimiseerde lijstje van Ex en Van Maanen. De oorverdovende bominslag die het vonnis van 29 juni jl. achterlaat in het geloof in papieren handleidingen voor goed bestuur kan haast niet groter. Hoog tijd om eindelijk afscheid te nemen van het idee dat beleid gemaakt, nagevolgd én afgedwongen kan worden op basis van een theoretische werkelijkheid gebaseerd op een gebruiksaanwijzing genaamd de Governance Code Cultuur. Zoals dat gebruikelijk is bij gebruiksaanwijzingen worden deze pas tevoorschijn gehaald, als ze al te vinden zijn, als het apparaat kapot is, in dit geval als er “signalen” zijn dat er iets niet deugt.
Als ik mijn eigen praktijk in de kunsten bekijk heb ik legio gevallen van mislopend bestuur en/of toezicht meegemaakt waarbij vooral van de zijde van toezichthouders volstrekt absurde acties werden ondernomen, c.q. oekazes werden uitgestort op bestuur en/of personeel alsof dat de gewoonste zaak van de wereld was. (Dan mag de directeur/bestuurder zich nog gelukkig prijzen dat er geen anonieme brief is bezorgd die alle mogelijke vermeende wantoestanden signaleert die uiteraard het functioneren van de directie betreffen.) Al met al kan het geen kwaad het oog te richten op het “misbaksel” van de Governance Code Cultuur, dat de kunstwereld nu al bijna 30 jaar achter zich aansleept (een dood paard is er niets bij).
Euforie over de Code Tabaksblat voor de corporate world bracht sommigen, ook uit het gevestigde kunst-establishment, destijds op het idee zoiets ook voor de kunstwereld in het leven te roepen om dat rommelige allegaartje van groepjes, gezelschapjes, grote en kleine podia en musea “eindelijk” eens aan goed bestuur te helpen analoog aan “Tabaksblat” die immers overzicht in uniform toezicht op het bedrijfsleven leek te beloven. Dat het bedrijfsleven en kunstwereld nogal van elkaar verschillen in meer dan één opzicht leek geen bezwaar te zijn.
Glück Auf!

