Met ‘De Culturele Stad’ 1 en ‘De Essentie van Cultuurbeleid en Management’2 en ook met leergangen voor ambtenaren heeft Cor Wijn al markant bijgedragen aan de professionele ontwikkeling van, met name lokale, cultuurambtenaren. Hij heeft daar nu een nieuw bijbeltje aan toegevoegd: ‘Afstemming is alles; ingrediënten voor samenhangend, succesvol cultuurbeleid’. Zijn doelstelling: relatief onervaren (beleid)medewerkers goede handvatten mee te geven voor zaken waarmee ze van doen krijgen. Wijn licht toe dat er nauwelijks nog een cultuurambtenaar in die functie zijn vijfentwintigjarig jubileum viert. Er wordt veel gewisseld; steeds weer zijn mensen nieuw in materie. Vandaar zijn bijdrage aan het ‘collectief geheugen.’
Het zou mooi zijn als de nieuwkomers dit bijbeltje van Wijn snel na aantreden in handen gedrukt krijgen. Want vooral de eerste twee (van de drie) delen voldoen aan de doelstelling: kennis bieden aan nieuwkomers. Voor wie al wat langer in cultuurbeleid en cultuur management thuis is, biedt het boek ook stof voor reflectie en helpt het om zaken weer even snel op een rij te krijgen. Anders dan hij in de inleiding lijkt te suggereren, biedt Cor Wijn niet echt een leerboek of naslagwerk, maar entameert hij ook discussie over hetgeen hij inventariseert en doet hij voorstellen voor verandering.
Eén bestel
De titel ‘Afstemming is alles’ vormt de invalshoek voor alle drie de delen. Die invalshoek doet er toe omdat afstemming en samenwerking, bijvoorbeeld tussen overheden of tussen lokale spelers, juist enorm kunnen helpen, maar nu vaak tekortschieten. Dat is als aanleiding op zichzelf voldoende. Ik ben er niet zo’n voorstander van om versplintering of segmentering van de sector te benadrukken, zoals hij doet. De segmentering is niet zo heel veel sterker dan in de sport, de gezondheidszorg of de wetenschappelijke sector. En duidt ook op een positieve pluriformiteit. Maar meer afstemming? Ja!
De landelijke, provinciale en gemeentelijke actoren vormen samen één bestel, benadrukt Cor Wijn. Wijn meent dat het stelsel gebaat is bij provincies die zich manifesteren als een sterke, bestendige partij. Zelf heb ik wat twijfels, om niet te zeggen: ben ik cynisch, over de rol van provincies. Die hebben zich in de loop van de jaren juist zo onbestendig gedragen. Het ging van sterke ambities naar abstinent gedrag en weer terug. De provincies verschillen daar ook onderling sterk in. Om van hen te verwachten dat ze aanjagers zijn van innovatie en talentontwikkeling en een vorm van provinciale basisinfrastructuur in stand houden lijkt me optimistisch. Ik maak een uitzondering voor provincies die een eigen duidelijk cultureel profiel hebben, zoals Friesland en Limburg. De gewenste afstemming moeten we misschien vooral verwachten van rijk en gemeenten.
Zorgplicht of matching
Hoe dan ook stelt Wijn dat het de hoogste tijd is voor een Kunstenwet waarin voor elke actor een zorgplicht is beschreven. Jammer dat het hier niet allang van is gekomen. Tegelijkertijd: wettelijke regelingen en vastgelegde zorgplicht moeten wel samen gaan met voldoende budget. De Bibliotheekwet legt bijvoorbeeld zorgplicht vast, maar voorziet niet in de noodzakelijke aanvullende middelen voor veiligheid die bibliotheken met hun open huis functie nodig hebben.
Een ander belangrijk instrument komt gelukkig in dit boek ook om de hoek kijken: cofinanciering of matching. Dat laat veel ruimte voor eigen initiatief en voor samenwerking. Voortbordurend op het advies van de Raad van Cultuur over het bestel, toont Wijn zich groot voorstander van samenwerking tussen de rijks cultuurfondsen en lagere overheden. Dat kan door invloed te geven op de benoeming van besturen, door te vragen om toelichting en om verantwoording van keuzes door de fondsen of door een actieve rol van de fondsen in de culturele ontwikkeling van steden en regio’s.
Naast Rijk, provincie en gemeenten noemt Cor Wijn nóg een entiteit: de regio of het landsdeel. Hij beschrijft de geschiedenis van bestuurlijke drukte rond regioprofielen en bijhorende cultuurconvenanten. Wijn: “De ervaringen van de afgelopen 30 jaar leren dat je met profielen niet veel opschiet. Het gaat veel meer om concrete acties in gang te zetten waarmee knelpunten in de sector worden aangepakt.”
Politiek en cultuur
Cor Wijn betrekt de stelling dat nauwe betrokkenheid van de politiek bij de uitvoering van cultuurbeleid belangrijk is. Alleen wie kan bepalen wil betalen, wie geld verdeelt moet verantwoorden en wie doelen formuleert moet discussiëren, argumenteert hij.
“Het grootste nadeel van de depolitisering die het gevolg is van de verfondsing, is dat het weerstandsvermogen tegen bezuinigingen wordt aangetast.” Bestuurders worden meer systeembeheerders dan beleidsverantwoordelijken, aldus Wijn. We moeten echter, vind ik, het Thorbeckekind niet met het badwater weggooien. Er zijn meer beleidsinstrumenten dan subsidie alleen. Al heb ik er zelf wel eens voor gepleit om politieke bestuurders eigen “speelgeld “te geven, een wethouderspotje, omdat dit het plezier van en betrokkenheid bij het beleidsterrein kan vergroten. Maar later in zijn boek noemt Cor Wijn maar liefst vijftien instrumenten van het “mengpaneel van de beleidsmaker”. Zo maakt hij duidelijk dat de essentie van cultuurbeleid echt veel verdergaat dan subsidies verdelen.
Op lokaal niveau
In deel twee van’ Afstemming is alles’ gaat het over samenwerking op lokaal niveau. Die kan vele malen sterker, zegt de auteur. Ik kan het alleen maar onderschrijven, sterker: ook ik heb er vaak voor gepleit. “Mijn stelling is dat iedere gesubsidieerde culturele organisatie een publieke voorziening is“, zegt Wijn. Dat gaat mij net een stapje te ver. Ik onderschrijf dit als het om instellingen gaat die tot de infrastructuur horen, zoals schouwburg of stadsgezelschap, maar niet voor andere organisaties die méér een autonoom productiebedrijfje (met subsidie) dan een voorziening mogen zijn.
Belangrijk is om de publieke waarden te benoemen die de culturele sector de gemeenschap kunnen opleveren. Het Berenschot waardenmodel. (Cor Wijn is aan bureau Berenschot verbonden) noemt er vier: economische, maatschappelijke, ruimtelijke en artistieke waarde. Ik zou er zo nog vier aan kunnen toevoegen3, maar dit zijn wel de primaire.
Wijn verbaast zich erover dat gemeenten, en ook provincies, zich druk maken over het ‘makersklimaat’ terwijl in de reguliere taakverdeling het stimuleren van culturele producties een rijkstaak is. Ik verbaas me dan weer over die verbazing. Kunstenaars wonen ergens. Ze zijn, als het goed is, lokaal geworteld en wanneer je als gemeente een cultureel profiel nastreeft, is een aantrekkelijk klimaat voor makers bijna een noodzakelijke voorwaarde.
Tot de instrumenten op het mengpaneel (Wijn geeft een heel bruikbaar overzicht) behoort zeker ook het accommodatiebeleid. Hierover kunnen beleidsmakers in ‘Afstemming is alles’ zeker lessen leren. Terecht refereert Cor Wijn hier ook nog aan de casusbeschrijving door Miro Lucassen van de totstandkoming van een kunsthal (uiteindelijk Kunstkade) in Amersfoort. Wijn geeft veel aandacht aan, en onderricht in, accommodatiebeleid oftewel cultureel vastgoedbeleid. Wijn: “Het lijkt soms alsof steden veel aan cultuur uitgeven, maar de bulk van het geld gaat naar gebouwen en personeelskosten. Het komt maar heel weinig daadwerkelijk bij de kunst en de kunstenaars terecht”. Leuk is zijn recept voor een culturele wijk (al is hier ook wel een beetje sprake van wensdenken, want tussen droom en daad…). Nuttig is zijn zoektocht naar een ‘doorwaadbare plaats’ voor bewonersparticipatie. (hoe regel je participatie echt goed zonder daarin door te schieten)
Het lesboek karakter komt verder onder meer tot uitdrukking In de aangeboden definities van begrippen, zoals het verschil tussen een beleidsplan, bedrijfsplan en businesscase. Tegelijkertijd waarschuwt de adviseur tegen modieuze begrippen als ‘ecosysteem’ en tegen wensdenken, bijvoorbeeld bij grote bouwprojecten.
Dat onze economie steeds ‘cultureler’ wordt, zoals dit boek stelt, brengt met zich mee dat invloed vanuit de overheid op het bedrijfsleven, in het bijzonder de start-ups, een wezenlijk onderdeel van het mengpaneel moet zijn.
Manager of leider
Deel drie is getiteld ‘Cultureel ondernemerschap in een divers krachtenveld’ en biedt heldere, theoretische en praktische, inzichten. En ook stellingen waarover – gelukkig- valt te discussiëren. Wijn zegt, terecht lijkt me, dat een cultureel bedrijf niet zozeer behoefte heeft aan een manager, maar meer aan een leider. Die moet kaders bepalen waarbinnen de ‘volgers’ aan het werk gaan. Ik vind dat een eenzijdige kijk op de verhouding tussen leiding en medewerkers. In een organisatie van professionals worden, als het goed is, de kaders gemeenschappelijk gevormd. De leidinggevende stimuleert die ontwikkeling, bewaakt de kaders, is als eerste verantwoordelijk dat ze financieel en facilitair zijn gestut en hij/zij is naar buiten toe het gezicht van de organisatie.
Misschien verwart de auteur de (zakelijk of algemeen) leidinggevende met het creërende gezicht van een gezelschap. De artistiek leider zit daar tussen in: heeft een leidinggevende rol én kan nieuwe content scheppen die wordt uitgevoerd.
Goed dat Wijn ook stilstaat bij het belang van de bevlogen eenlingen zonder wie Nederland zijn culturele gezicht niet had gekregen. Zoals de door de auteur genoemde Ton Koopman (Amsterdam Barok Orkest), Jan Smeets (Pinkpop), Joop Mulder (Oerol), Huub Bals (Filmfestival Rotterdam), Jan Wolf (Muziekgebouw), Hans van Manen (Nederlandse dans) of Joop van den Ende. Geef deze types de ruimte, vraagt hij. Terecht, maar, zoals ik eerder heb betoogd, ze verdienen, zeker als het om gesubsidieerde instellingen gaat, ook een goede, zorgzame en kritische begeleiding vanuit de raad van toezicht.4
Schrijvend over cultureel ondernemerschap refereert Cor Wijn aan het ‘responsmodel’ van William J. Byrnes, pionier In de theorievorming over kunstmanagement. Die ziet het vermogen tot veranderen als de belangrijkste capaciteit van kunstorganisaties en hun managers. Dat lijkt vanzelfsprekend voor een sector die het van vernieuwing moet hebben. Dat is het niet, want ik denk dat de gerichtheid op vernieuwing en verandering vooral uitgaat naar de inhoud van de kunst en daarmee lijkt de koek op. Als het om organisatie en kaders gaat is er juist veel behoudzucht. Terwijl daar dat diezelfde flexibele geest dringend nodig is.
Afvinken
Wijn houdt erg van lijstjes, modellen en formules. Soms schieten die hun doel voorbij of zijn ze vrij leeg. Bijvoorbeeld B= p(G+V) staat voor: beleid is het product van politieke koers maal geld en vakkennis. Ik vraag me af of een cultuur ambtenaar dit enthousiast gaat toepassen en er dan houvast aan heeft. Het geldt ook voor zijn lijstje criteria voor een goede raad van toezicht: dat zijn goede bestuurders die de goede dingen doen, de verantwoordelijkheid met het bestuur goed weten te delen en inzicht hebben in het handelen van de bestuurders. Tja, ik sluit niet uit dat de Raad van toezicht van het Fotomuseum aan deze criteria voldeed, en toch… Als het er echt op aankomt kun je zoiets niet in lijstjes afvinken.
‘Afstemming is alles’ keert zich sterk tegen hypocrisie van politieke bestuurders en tegen een eenzijdige reactie op de afbraak van cultuureducatie. Wat het laatste betreft ziet Wijn daarentegen weinig oog voor culturele activiteit van jongeren via YouTube, talentenjachten en niet geïnstitutionaliseerde speelplekken. Anderzijds geven veel overheden hoog op van het belang van talentontwikkeling, maar leveren ze daar geen geld en daadkracht bij.
Wijns beschouwing, vooral ook over ‘vensterleeftijden’, inspireert om meer vanuit publieksgroepen te denken dan vanuit aanbiedende instellingen. De instellingen zijn heus wel nodig, maar komen zonder samenwerking en afstemming onvoldoende ver. Het boek levert checklijstjes voor verzelfstandiging en voor clustering van de instellingen. Voor het verzelfstandigen van gemeentelijke diensten staan er acht voordelen genoemd en twee nadelen. Ik denk dat je zwaarder zou moeten tillen aan het nadeel dat de gemeentelijke verantwoordelijkheid slinkt.
Bij alle bezwaren tegen de bureaucratische inkapseling van bijvoorbeeld een gemeentelijke kunstuitleen blijft overeind dat de gemeente het – door het zelf te runnen – zichtbaar maakte hoe belangrijk ze zo’n instelling vond. Dat is in het neoliberale tijdperk langzamerhand heel bijzonder!
Tenslotte bepleit Cor Wijn versterking van het makersklimaat door een tijdelijk experiment met een basisinkomen voor creatieven. Dat experiment lijkt me niet zo nodig. We kunnen beter de door kabinet Rutte I afgeschaft WWIK in ere herstellen en deze op basis van de ervaring waar nodig aanpassen.
Nieuwe stenen tafelen
Cor Wijn heeft jarenlange ervaring als adviseur In de sector cultuur en erfgoed: in eigen praktijk, bij het toenmalige bureau Hylkema, bij bureau BMC en tegenwoordig bij Berenschot. De kracht van een adviseur is dat hij een onafhankelijke, frisse blik kan leveren in combinatie met de expertise die in eerdere opdrachten is opgedaan. Maar iedere casus is uniek. Als de adviseur is vertrokken wil de weerbarstige praktijk niet altijd zijn vlotte advies volgen. Daarin zit bij elke afzonderlijke opdracht de valkuil voor een adviseur. Maar met alle expertise gegeneraliseerd en in kaders geplaatst geeft dit boek van een zeer ervaren adviseur houvast voor de praktijk.
Omdat Cor Wijn nog niet aan stoppen denkt, zijn nieuwe stenen tafelen of bijbeltjes voor de toekomst niet uitgesloten.
1 Cor Wijn, ‘De Culturele Stad’, een handboek voor beleidsmakers en zij die het willen worden (2014)
2 Cor Wijn, ‘De Essentie van Cultuurbeleid en Management’, snel inzicht in de invloedrijkste publicaties (2018)
3 ‘De acht krachten van Drachten, Erik Akkermans; Acht krachten van cultuur, met één voorbeeld: de Gemeente Smallingerland, notitie 2022
4 Erik Akkermans, In Perspectief (2025), Hoofdstuk 25, De Maten van Matthijs.
