Zojuist verliet ik Paradiso waar het jaarlijkse Kunsten’92 debat deze keer gewijd was aan AI.
Wat me opviel: behalve de vraag/het commentaar vanaf het balkon van Paradiso, dat onversterkt helaas niet te volgen was, werd er niet ingegaan op de uiterst interessante observaties en adviezen van Payal Arora, Hoogleraar Inclusieve AI Culturen aan de Universiteit Utrecht en oprichter van the Inclusive AI LAB.
Zij vertelde dat AI wordt omarmd door de jongeren in het mondiale zuiden (Global South): ze krijgen toegang tot kennis die tot dan toe ontoegankelijk voor hen was én ze zullen ervoor zorgen dat de input waarmee AI zich voedt diverser wordt, vanwege de confrontatie met perspectieven uit andere delen van de wereld.
Zij raadde het Westen dat nog gevangen zit in de angstreflex met klem aan om aansluiting te zoeken bij de methodes die de BRICS-landen al hebben ontwikkeld om de gevaren van AI te beteugelen en de ontwikkeling (meer) in eigen hand te krijgen en houden. En om samen op te gaan trekken.
Het was opmerkelijk dat geen van de politici die daarna het woord kreeg ook maar een woord wijdde aan die aanbeveling. Zij bleven steken in het behoeden van de ‘Europese waarden’ (welke zijn dat? zullen we het niet liever over ‘menselijke’ waarden en mensenrechten gaan hebben?) en de ‘democratie’. En hoewel ook dat woord tegenwoordig een uitleg verdient, snappen we allemaal de angst voor de voortgaande ondermijning van wat wij onze democratie noemen en moeten we ons zeker wapenen tegen de rol die AI daarin vervult.
Waar het op de kunsten aankwam bleek de zorg van de politici gefocust op authenticiteit de bescherming van het copyright. Niemand refereerde daarbij aan de openingsopmerking van Arora dat copyright in 90% van de wereld niet bestaat en nooit heeft bestaan.
Ik moest denken aan de opkomst van de mobiele telefoon en zonne-energiebatterijen in de jaren ‘90. Voor ons betekende het vooral een mobiliteits- en klimaatvoordeel, en hadden we wat zorgen over de privacy. Voor een groot deel van de wereldbevolking betekende het dat zij toegang kregen tot de rest van de wereld zonder dat daar eerst een bekabeld electriciteits- en telefoonnet voor moest worden aangelegd. En nu is er dan AI en ChatGPT, dat nog veel meer ontsluit, dat absorbeert wat je erin stopt en die ingrediënten verwerkt in het gerecht dat het ook aan de rest van de wereld opdient.
Met de smartfoon verloor het Westen een privilege, het alleenrecht op specifieke informatie en kennis, en – tevreden als we hier konden zijn over de werking van onze instituties en onze vrijheden – werd het de gedroomde bestemming voor velen die nu aan onze grenzen staan. Onderwijl is Europa zo klein als de kaart die zojuist door de VN is omarmd. Eindelijk een realistische presentatie na de leugen waarmee we eeuwen geleefd hebben. Maar we beseffen nog steeds niet dat het gebied dat vertrouwd is met ons idee van copyright net zo klein is. Hoe houdbaar is die aanname die stoelt op de aanname dat een kunstenaar kan worden beschermd door de opbrengst van zijn unieke productie te beschermen, in deze tijd, in deze wereld?
Internet heeft met zijn ‘open source’ al een behoorlijke aanslag gepleegd op het heilige concept van copyright. Misschien is het hoog tijd dat we na gaan denken over een andere vorm van bescherming van kunstenaars, dan hun claim op het alleenrecht van hun kunstwerken. Zodat hun brood op de plank niet langer afhankelijk is van het aantal keren dat hun liedje op Spotify wordt gestreamd. En zij naar de rechter moeten stappen als iemand hen plagieert of samplet.
Misschien moeten we gewoon toegeven dat hun liedje allang vogelvrij is in de wereld van smartphones en AI, of daar nu een waarmerk op staat of niet. En dat we die kunstenaars op een andere manier in leven moeten zien te houden. Want zonder kunst hebben we geen reden om deze revolutie te overleven.




