In Nederland zijn we dol op het woord spreiding. Zeker als het over kunst en cultuur gaat. Dan klinkt het al snel goed: cultuur moet niet alleen voor de Randstad zijn, maar voor het hele land. Helemaal waar.
Alleen gebeurt er daarna vaak iets typisch Nederlands: we zetten het in een beleidsstuk, knikken instemmend, drinken koffie — en varen vervolgens gewoon door op dezelfde koers.
Daarom is spreidingsretoriek zo’n bruikbaar woord. Het klinkt een beetje venijnig, maar het is vooral precies. We hebben de taal van spreiding uitstekend op orde. Nu de praktijk nog.
Talent
Want laten we eerlijk zijn: het verschil tussen Randstad en regio in de kunst gaat niet over talent. In Twente is talent. In Groningen is talent. In Limburg is talent. Daar zit het probleem niet. Het probleem zit in de vraag waar de infrastructuur zit. Waar de instellingen zitten, de netwerken, de media, de fondsen, de zichtbaarheid. En ook: waar de mensen zitten die bepalen wat “landelijk belangrijk” heet.
In de Randstad zit dat allemaal dicht op elkaar. Dat is geen samenzwering, dat is geschiedenis. Maar het heeft wel gevolgen. Daar krijgt een goed idee sneller lucht onder de vleugels. In de regio krijgt een goed idee vaak eerst een formulier.
Dat is het verschil in één zin: in de Randstad is cultuur meestal infrastructuur, in de regio is het te vaak project.
Kamperen
En dan krijg je een bekend patroon. In de regio wordt fantastisch werk gemaakt, met publiek dat er echt is, makers die geworteld zijn, podia die midden in de samenleving staan. Er is energie zat. Maar er ontbreekt vaak iets in de keten: opleiding, productie, presentatie, ontwikkeling, doorstroom. Daardoor blijft veel afhankelijk van tijdelijke impulsen. Een regeling hier, een pilot daar, een programma voor drie jaar, applaus, evaluatie, einde project.
Dat is niet bouwen. Dat is cultureel kamperen.
Ik zeg dat niet om zuur te doen over de overheid. Ik werk al lang genoeg met overheden om te weten dat daar ook veel goede wil zit. Maar de overheid is in dit dossier geen speedboot. De overheid is een olietanker. Groot schip, trage bocht. Iedereen op de brug ziet dat de koers een tikje scheef ligt, maar zo’n ding draai je niet met een memo en een sympathieke speech.
En precies daarom moeten we scherper zijn in wat we vragen. Niet nóg een keer “extra aandacht voor de regio”. Niet weer een mooie passage over bereik en toegankelijkheid. Dat hebben we gehad. Dat is de taal. Nu de structuur.
Systeemverandering
Als OCW echt iets wil, dan moet het stoppen met alleen praten over spreiding en beginnen met systeemverandering. Dan gaat het niet alleen om waar voorstellingen spelen, maar om waar cultuur duurzaam kan groeien. Dan moet je regionale cultuur niet behandelen als een leuke aanvulling, maar als een volwaardig onderdeel van de nationale basis.
In Twente zie ik elke dag wat er al wél is: makers, podia, publiek, onderwijs, samenwerking, verhalen, identiteit, vakmanschap. De vraag is niet of de regio er klaar voor is. De vraag is of het systeem eindelijk bereid is de regio serieus te nemen.
Want zolang de Randstad de plek blijft waar de structuur vanzelfsprekend is, en de regio de plek waar alles steeds opnieuw moet worden aangevraagd, blijft “spreiding” een keurig woord voor een scheve werkelijkheid.
En daar zijn we, na al die jaren, echt wel klaar mee.
De olietanker moet draaien.
Niet op papier.
In de praktijk.



