Soms gaat hier even niet over hard nieuws, subsidiestress of neersabelen, maar over andere zaken des kunsts. Regisseur en schrijver Erik Snel deed ons de volgende verzuchting toekomen, nu weer actueel door de vermoede bijwerking van de griepprik:

Als liefhebbers weten we dat het theater graag taboes doorbreekt. Zo kijken we niet meer op van daadwerkelijk voor onze ogen uitgevoerde seksuele perversiteiten, we laten ons met plezier beledigen, we ondergaan de weergave van onze onderbuikgevoelens op het toneel, we zien de heren en dames podiumkunstenaars pissen, braken, schijten en bloeden (“Why don’t you act it”) en we zeggen: “interessant!” of “Jammer dat je niet meer echt kan choqueren op het toneel”, of we maken een grapje over de hoeveelheid schaamhaar die ons vandaag ten deel viel.

Er zijn geen taboes meer. Alles is bespreekbaar. Behalve …. de slaap.

Het is gênant en toch zie je het bij elke voorstelling. Er valt iemand op de tribune in slaap. Iedereen die vaker in het theater komt, iedereen die acteurs tot zijn kennissenkring kan rekenen weet hoe afleidend een slapend mens is (altijd een man, ik heb nog nooit een vrouw zien slapen bij theater) voor zowel speler als toeschouwer. Maar waarom eigenlijk? Natuurlijk wil je als acteur dat je publiek alert en gefascineerd is. En doorgaans slaagt 99% van de toeschouwers er in om in elk geval de schijn van betrokkenheid te tonen, dus waarom zeuren over die ene slaapkop.

De slaper doet niemand kwaad. Heel af en toe snurkt ie een keer, maar meestal is ‘ie meer niet – dan wel aanwezig. Dat kan het probleem dus niet zijn. De kwestie is waarschijnlijk een meer psychologische ergernis. Een geprojecteerde ergernis ook. “Ja, zeg, ga hier een potje slapen! Dat willen we allemaal wel, maar dat doe je toch niet?”

Slapen wordt gezien als de meest provocerende demonstratie van desinteresse.

De slaper wordt behandeld als iemand die vergeten is zijn telefoon uit te zetten, of die door de voorstelling heen praat. Volkomen onterecht.

Hier zit de slaapkop die zich de hele dag suf heeft gewerkt, die gauw, gauw, gauw boodschappen heeft gedaan en een maaltijd heeft gekookt omdat zijn vrouw de kinderen moest ophalen. De man die met oplopende irritatie de afwas nog even in de automaat duwt (anders blijft het maar liggen), nagelbijtend op de niet-zo-punctuele oppas wacht, zijn vrouw fronsend naast zich weet in de auto omdat hij in de buurt van het theater geen parkeerplekje kan vinden – ‘laat mij er maar uit, dan haal ik vast de kaartjes” – vervolgens net op tijd binnenkomt – “nee, je kan echt niet meer naar de wc”, binnenvettend de verwijten aanhoort: “hè waarom ben je zo laat, nu zitten we helemaal achteraan, ohnee, helemaal op de voorste rij zijn nog plekken!”, stamelt – ‘zouden we dat nou wel doen?” – en als bijna overbodig antwoord te horen krijgt: “Tuurlijk! En doe die stomme telefoon uit”.

Dan mag de man voor het eerst die dag op een stoel plaatsnemen en de warmte van de zaal tot zich laten komen. Na lang wachten gaat het publiekslicht uit en verschijnt er in een schimmig tegenlichtje tergend traag een persoon die beweert dat hij een heraut is – wat is ook alweer een heraut? – en verslag doet van een of andere volkomen vergeten gebeurtenis in een monoloog in blanke verzen waarin onduidelijk is of het om meerdere zinnen gaat of een aaneenschakeling van in onbruik geraakte woorden is. En dan, ja, dan pas, gaat bij deze man – die toch al geen groot liefhebber van toneel is, maar zijn vrouw een plezier wil doen omdat hij vorige week op de verjaardag van haar zus niet op z’n gezelligst was – het licht ook uit.

Gezegend zijn zij die hier nooit last van hebben, maar voor al die anderen, die na een half uur zitten te knikkebollen, die langzaam wegzakken met hun hoofd en die hun adem gaandeweg tot een wel heel nadrukkelijke regelmaat weten te beperken rest de vraag: is er wat aan te doen?

Laten we het eerst eens over de feitelijke kant van het verhaal hebben. Wat gebeurt er precies, waar, wanneer en hoe houdt het weer op?

Bij mij heeft het niets met de kwaliteit van de voorstelling te maken. Heel soms helpt dynamiek, vuurwerk of een voortdurende onrust, maar vaker werkt dat uiteindelijk tegen en stimuleert het zelfs mijn geeuw. Als docent heb ik me wel kapot gegeneerd als ik niet kon verhullen dat ik dutte. Een collega van de optredende student maakte me er eens op attent dat dit toch echt niet kon. Maar ja. Niet kon! Ik viel in slaap. Het is niet zo dat ik de nachten ervoor woest aan het dansen was in dubieuze clubs of dat ik bewust een slaappil had geslikt. Ik had zelfs niet zwaar getafeld. Niets wees erop dat ik de podiumprestatie van de student vooraf te licht had opgevat.

Bij mij is het een fenomeen dat ongeveer om negen uur ‘s avonds inzet en vaak al voor half tien voorbij is. Mocht iemand een toneelmarathon tot de volgende dag organiseren dan zal ik de resterende tijd niet meer in slaap vallen. Het gaat echt om die risicotijd. Het is ontzettend vervelend (hoewel nog lang niet zo vervelend als een volle blaas; wat een knellende ellende kan iemand toch ervaren in het theater) dus ik zou graag bestand zijn tegen het slaapspook. Ik ben benieuwd naar uw ervaringen.

Daarnaast ben ik benieuwd naar de ervaringen van de theatermakers. Wat doe je eraan? Kun je er iets aan doen? Is het erg? Kun je de dynamiek van je voorstelling aanpassen? Moeten we later beginnen? Moeten we zorgen dat het publiek makkelijker in en uit kan lopen? Even de benen strekken? Moeten we interactiever zijn? Is die strenge, passieve concentratie nog wel van deze tijd? Of moeten we lekker bedjes klaar zetten en er vanuit gaan dat we af en toe in een ander dromenland zijn?

Uw reacties zien we tegemoet in de comments.

Voor je verder leest...

Blij met dit verhaal? Klik dan op 'like' en maak Facebook rijk.

Of:


Klik op 'lid worden' en maak Cultuurpers sterk.