Dit bericht is meer dan een jaar oud, en kan dus inmiddels zijn ingehaald door de tijd.

De Nederlandse Dansdagen zijn nog geen doldwaze bijenkorf van de dans, maar voor Maastricht vormen ze wel steeds meer een leuke toeristentrekker. Dagjesmensen en weekendtoeristen komen vanuit heel het land om de geneugten van het Zuiden te combineren met die van de danskunst. Heel Maastricht lijkt overigens op VVV-folders te drijven. Is in deze sfeer van promotie nog ruimte voor kunst die iets meer doet dan het been hoog in de lucht gooien en een verrukte glimlach richting publiek sturen?

Het ligt er aan waar je gaat kijken. Meer dan ooit tekende zich tijdens de editie van vorig weekend een contrast af tussen de grote zaal van het Theater aan het Vrijthof en de kleinere locaties door de stad verspreid. In de grote avondprogramma’s en nominaties was de dans kamerbreed vertegenwoordigd: Leine&Roebana, ICKamsterdam, Het Nationale Ballet, Scapino, Station Zuid en Dansgroep Amsterdam streden om de aandacht in het midden.

Het was in de flanken dat het niet spectaculaire, kwetsbare, ontroerende of kritische aan bod kwam. Zoals bijvoorbeeld Erik Kaiel, die met Tetris als enige choreograaf echt een nieuw artistiek voorstel deed, weg van het neoklassieke en de intentionele en expressionistische gestes die nu al een tijd dominant zijn in Nederland. Bouwend met fysieke patronen van mensen en dingen, in het theater maar liefst ook in de publiek ruimte buiten, roept hij op een hele andere manier betekenis op en stelt verwachtingen over wat dans is en doet, op de proef.

En Muhanad Rasheed, evenals Kaiel eerder winnaar van de Maastrichtse Dansdagenprijs, maakte indruk door met Insomnia te laten zien dat het herschrijven van andermans werk ook in dans heel goed mogelijk is. Insomnia verwijst regelrecht naar de taal van Emio Greco en Pieter Scholten, maar overstijgt het leentjebuur. In plaats van het opgewonden danslijf van EgPc stonden hier vertraagde fantomen op het toneel, die in koortsachtige vermenigvuldiging de hersenspinsels van een nachtwaker uitdrukten zonder ooit dramatisch te worden.

Het Huis van Bourgondië produceerde naast Rasheed ook Catoke Kramer’s bijdrage aan het project Lichtjaren, dat in een opblaastent op het Vrijthof te zien was. Ronduit ontroerend was het om te zien hoe de 76-jarige Luc Boyer en zijn 13-jarige collega uit Venlo het publiek bij de kwetsbaarheid van hun optreden betrokken. Diepe concentratie en verstilde lichamelijkheid bloeiden op te midden van het geraas van tent, koopstad en auto’s. Ongeoefende en geoefende kijkers keken zij aan zij ademloos toe.

Peggy Olislaegers zit er tevreden bij als ik haar anderdaags vraag naar de tweedeling. Ze is het er niet mee eens, maar beaamt dat voor veel bezoekers de voorstellingen buiten de openingsavond en het gala steeds belangrijker worden.

Voor je verder leest...

Alleen dankzij onze leden kunnen we dit soort verhalen blijven vertellen.

Word Lid!

“Veel buitenlandse programmeurs slaan het Gala over. Die zijn meer geïnteresseerd in de diversiteit van de Nederlandse dans. Ik heb er heel hard aan gewerkt om de verschillende opvattingen zichtbaar te maken, en ik ben ver gekomen dit jaar. Dat schuurt hier en daar, dat wringt, dat is juist goed. Het roept vragen op en geeft aanleiding tot gesprekken, daar zijn de dansdagen ook voor bedoeld.”

Peggy Olislaegers

Maar waarom dan niet iets van die kwetsbaarheid of vernieuwing op het grote podium?

“Dat doen Leine&Roebana en Emio Greco | PC voor mij. De gala-avond wordt nu eenmaal getekend door de VSCD prijzen. Op een prijzenavond kun je niet echt aan existentiële bevraging doen. Ik vond het goed dat het Nationaal Ballet Minos in première liet gaan, toch het werk van een hele jonge choreograaf. En Felix Landerer en Itamar Serussi Sahar komen echt met alternatieven op het gangbare, neoklassiek repertoire. Maar het viel wel op dat een prijswinnaar als Dansgroep Amsterdam niet van de mogelijkheid gebruik maakte om een lans te breken voor de dans. Alleen Mirjam Koen vertokte namens Ton Lutgerink die spirit”.

Burgemeester Onno Hoes had het in zijn openingsspeech op vrijdag over dans als sport, ultieme controle en verzorging van je lichaam. Dat is toch wel heel ver verwijderd van wat de dans als kunst heeft te betekenen.

”Dat is zijn persoonlijke fascinatie, hij is een hardloper. Ik vind het juist goed dat hij zich persoonlijk engageert. Hij heeft ook vijf foto’s uit het archief van het TIN gekozen en die zijn overal in de stad opgehangen. Dat heeft echt betekenis voor de verbreiding van de dans in de stad. Ik voel mij door hem en door de wethouder van cultuur, Jacques Costongs, en door de provincie echt gesteund. Ik heb met hulp van private partijen dit jaar mijn budget bijna kunnen verdubbelen. Juist nu er zo negatief gesproken wordt over kunst en kunstenaars, en men elders in het land het beeld heeft dat dat in Limburg vast nog een graadje erger is, zijn mensen in Maastricht zich erg bewust van het belang om kunst een plek te geven. Maar dat kan alleen op basis van dialoog. Het moet van twee kanten komen. Mijn inzet is om die dialoog te faciliteren.”

Er was meer aandacht voor jeugddans dan ooit. Het publiek kon een hele dag gratis naar de duetten van Lichtjaren. Er waren interdisciplinaire discussies en een tweedaags symposium met mensen uit het theater, de popmuziek en de festivals. Het bedrijfsleven doet mee aan de Maastrichtse Dansdagenprijs, ook door middel van gesprekken. Al die uitwisseling, doe je dat in de hoop om dans te verankeren in een nieuwe, meer publiek rol?

”Ik begrijp heel goed dat als je zo direct wordt aangevallen, de eerste escape terugtrekking is en cynisme. Maar ik hoop dat de danswereld die sentimenten een beetje kan laten varen. Als kunstenaars hebben wij nu eenmaal heel veel passie in onze donder. Dat is wat waard. Grijp deze kans om met elkaar op te trekken en naar voren te stappen, om je uit te spreken en die kritische kanttekeningen te maken. En nogmaals, dat kan alleen in dialoog, door elkaar vertrouwen te geven en op verantwoordelijkheden aan te spreken. De lol van het discours, het elkaar uitdagen en aanspreken, dat is de dans nog aan het ontdekken, maar ik heb goede hoop.”

Toch was er achteraf gezien maar één voorstelling die duidelijk voldeed aan het programma van maatschappelijke verankering, naar voren stappen en kritisch commentaar leveren. En dat was, niet verwonderlijk misschien, de indringende voorstelling Hondsdagen van het Ro Theater. Ook virtuoos, maar bovendien rauw en actueel. Het zal nog even duren voordat dit soort werk een dansgala in Maastricht mag opluisteren.

Vorig artikelWas het kabinet een restaurant geweest en de kenners uit het land Johannes van Dam, had Rutte de tent kunnen sluiten.
Volgend artikelDoet het lichaam er nog toe?
Avatar
Fransien van der Putt is dramaturg en criticus. Zij werkt o.a. met Lana Coporda, Vera Sofia Mota, Roberto de Jonge, João Dinis Pinho & Julia Barrios de la Mora en Branka Zgonjanin. Zij schrijft over dans en theater voor Cultureel Persbureau, Theaterkrant en Dansmagazine. Tussen 1989 en 2001 mixte zij tekst als geluid bij Radio 100. Tussen 2011 en 2015 ontwikkelde zij een minor voor de BA Dance, Artez, Arnhem – over artistieke processen en eigen onderzoek in dans. Binnen haar werk heeft zij speciale aandacht voor de betekenis van archieven, notatie, discours en theatergeschiedenis in relatie tot dans in Nederland. Samen met Vera Sofia Mota onderzoekt zij in opdracht van www.li-ma.nl het werk van video-, installatie- en peformance- kunstenaar Nan Hoover.