Hans van Manen (11 juli 1932 – 17 december 2025) gold wereldwijd als een van de grootste choreografen in het klassieke ballet. Hij maakte voor het Nationale Ballet, het Ballet van de Nederlandse Opera en Het Nederlands Dans Theater en diverse buitenlandse gezelschappen in totaal 150 balletten, zoals Grosse Fuge (1971), Sarcasmen (1981) en Simple Things (2001). Van Manen werkte met het bekende dansers als Alexandra Radius en Han Ebbelaar, Rachel Beaujean en Igone de Jongh. In binnen- en buitenland is hij gelauwerd met tientallen onderscheidingen, zoals de Benois de la Danse Lifetime Achievement (2013), de Erasmusprijs (2000) en de benoeming tot Commandeur des Arts et des Lettres (2017). Ook werd hij benoemd tot officier in de Orde van Oranje Nassau en Commandeur in de Orde van de Nederlandse Leeuw.
In 2023 interviewden we hem over zijn zes levensinzichten.
Inzicht 1: Oud worden is meer geluk dan wijsheid
‘“Spreek ik met de 18-jarige Hans van Manen?” zei mijn internist onlangs. Elk jaar word ik door haar helemaal nagekeken, maar ik mankeer niets. Een geluk, want ik ben nooit vies geweest van drugs, ik ben dól op wijn en eten en heb mijn hele leven veel gerookt – ja, ook als danser al. Als ik er last van had gekregen, was ik direct gestopt, maar mijn longen zijn helemaal in orde. In juli word ik 90, maar ik ben totaal niet met mijn leeftijd bezig – het gaat uitstekend met me, dus waarom zou ik? Henk en ik hebben het ook zelden over de dood, en dan hooguit in de vorm van een grap. Hoe het morgen is, weet ik niet, maar vandaag voel ik me geweldig.
Natuurlijk zijn er de afgelopen jaren weleens vrienden gestorven. Maar de meeste verloor ik al in de jaren tachtig, de hiv-periode. Voor homoseksuelen een vreselijke en zorgelijke tijd. Niemand wist nog iets af van de ziekte, dus er was veel paniek. Homoseksuelen werden veroordeeld omdat men in het begin nog dacht dat alleen wij aids kregen. Alsof het iemands eigen schuld was. Maar sommigen hadden gewoon de pech een slecht lot te trekken in deze loterij.
Henk en ik hadden een open relatie, maar we hebben het geluk gehad dat we het nooit hebben opgelopen. Dat was anders in onze vriendenkring; om ons heen zijn wel dertig mensen gestorven voordat er medicijnen waren ontwikkeld. Steeds weer hoorden we: “Die en die heeft het ook.” O nee, híj óók al? Als iemand met wie een van ons het had gedaan later aids bleek te hebben, kneep je ‘m toch even. Dus je mag wel zeggen dat we door het oog van de naald zijn gekropen.’
Inzicht 2: Passie kan je leven vormgeven
‘Al op mijn 7de was ik ervan overtuigd dat ik wilde dansen. Geen idee hoe dat kwam; er was nog geen televisie, dus ik had in die tijd geen voorbeelden. Mijn moeder, broer en ik woonden in de Marnixstraat in Amsterdam, dus ik loerde weleens naar binnen bij de Stadsschouwburg. Ook deed ik boodschappen voor de hotelletjes en nachtclubs in de buurt, en zag dan weleens artiesten repeteren.
Ik luisterde naar klassieke concerten in het Concertgebouw op de radio en als mijn moeder en broer niet thuis waren, gaf ik optredens tussen de schuifdeuren en deed ik alsof ik het applaus na afloop in ontvangst nam. Kennelijk besefte ik wel dat je zoiets voor je beroep kon doen, voor een publiek en dat je dan na afloop moest buigen. Dansen vond ik lichamelijk zó heerlijk, het plezier dat ik eraan beleefde was verslavend.
Door de Tweede Wereldoorlog maakte ik mijn lagere school niet af, en toen de oorlog voorbij was, wilde ik niet terug naar school. Mijn vooruitstrevende moeder zorgde ervoor dat ik een baantje kreeg als hulp bij grimeur en kapper Herman Michels in de Stadsschouwburg, zodat ik in de wereld kwam waar ik zo van droomde.
Daar zag ik het Ballet Recital van Sonia Gaskell; zij traden een maand lang op en ik was dag en nacht aanwezig en volgde ik lessen bij haar. Op je 18de zonder balletopleiding beginnen in het vak, dat kon toen nog. Ik bleek goed pirouettes te kunnen draaien, destijds kon nog bijna niemand dat op die manier. Michels bood me aan om één avond in de week voor hem te blijven werken, voor hetzelfde salaris. Dat is een van de grote kansen in mijn leven geweest.
Ik had weliswaar niet het ideale lichaam voor de dans, maar wel ideale hersens, omdat ik visueel ben ingesteld en daarnaast ook ritmisch sterk ben. Ik hoef alleen naar dansers te kijken en te luisteren naar de muziek om te weten wat ze moeten doen. In 1957 kreeg ik de opdracht van de gemeente Amsterdam om een choreografie te maken: mijn debuut Feestgericht werd bekroond met de Staatsprijs voor Choreografie. Zo werd ik choreograaf, iets wat ik altijd al graag wilde omdat choreografie het allerbelangrijkste is in de danswereld.
Hoe het komt dat anderen zo enthousiast zijn over mijn balletten, weet ik niet. Over dat soort dingen denk ik nooit na. Ik weet alleen maar dat ik iedere keer een nieuw ballet moest maken en hoopte dat het succesvol was, en dat was zo. Dat heb ik 150 keer gedaan. En nu ben ik ermee opgehouden omdat ik het genoeg vind. Klaar!
Maar mijn passie voor dans is nog groot. Mijn balletten worden overal ter wereld opgevoerd. Ik vlieg regelmatig naar bijvoorbeeld de Verenigde Staten, Duitsland of een plek in Europa om een dag of vier de repetities bij te wonen voor de puntjes op de i. Dan zie ik mijn eigen ballet weer op een heel nieuwe manier, omdat andere fantastische dansers het uitvoeren en daar ook iets van hun eigen stijl in verweven. Ik voeg daar nog een stuk regie aan toe. Of ik daar nog steeds evenveel voldoening uit haal? Reken maar van yes!’
Inzicht 3: Eén goede ouder telt voor twee
‘Er zijn foto’s van mijn vader met mij en mijn vijf jaar oudere broer Guus op het station in Amstelveen. We woonden daar toen. Op die foto’s heb ik een prachtig wit bloesje aan, want als we met de trein naar Amsterdam gingen, werden we daar keurig voor aangekleed.
Mijn vader stierf aan tuberculose toen ik bijna 7 was. Hij lag al twee jaar ziek in bed en vanwege het besmettingsgevaar mochten mijn broer en ik alleen maar vanuit de deuropening naar hem zwaaien. Ik herinner me niets van mijn vader; eigenlijk alleen maar dat hij in dat bed lag. En de verhalen die mijn moeder Marga over hem vertelde. Maar ik heb nooit een vader gemist. Mijn moeder heeft het in haar eentje heel goed gedaan.
Mijn moeder was Duitse. Ze had mijn vader in Duitsland ontmoet, en hij nam haar mee naar Nederland. Ze was een buitengewoon leuke vrouw met veel gevoel voor humor. Kon goed zingen en gitaar spelen en kende alle Duitse liedjes van voor de oorlog uit haar hoofd. In haar beginjaren in Nederland heeft ze veel in cafés gezongen. Ze gaf ons volledige vrijheid, maar als ze zei dat ik om twaalf uur thuis moest zijn, dan luisterde ik daar wel naar – tot mijn 16de, vanaf toen ging ik mijn eigen gang.
Ook het feit dat ik op jongens viel was voor haar geen enkel punt. Toen ik net 15 was geworden, zei ze dat ze even met me moest praten. Ze had in het café waar mijn broer als jazzpianist optrad, opgevangen dat Hansje in homocafés kwam. Ze vroeg me of ik homoseksueel was. Ja, antwoordde ik, want dat wist ik al jaren. “Vind je het erg?” vroeg ze. “Nee!” “Gelukkig,” zei ze, en daarmee was het klaar. Eigenlijk heb ik nooit veel last gehad van homohaat, discriminatie of agressie. Misschien komt dat doordat ik een erg grote mond heb. Als iemand me uitschold, schold ik net zo hard terug. Want ik wist dat ik vreselijk hard kon lopen – niemand haalde me ooit in.
Mijn vriendjes waren welkom bij haar en die vonden het altijd leuk om met haar koffie te drinken. Zelfs als het al uit was, kwamen ze nog langs omdat ze het met haar zo gezellig vonden. Dat was het ook; we hebben nog jarenlang een huis gedeeld: zij de voorkamer, ik de achterkamer.
Mijn moeder stierf in 1971, een jaar voordat ik Henk ontmoette. De zes weken voor haar dood lag ze aan de beademing en zat ze onder de morfine, dus praten ging niet meer. Toch reed ik elke ochtend naar het ziekenhuis om aan haar bed te zitten en tegen haar aan te kletsen. En daarna in de auto huilen voordat ik weer mijn dag in ging. Het is zó jammer dat ze Henk nooit heeft leren kennen. Ze hadden het geweldig met elkaar kunnen vinden.’
Inzicht 4: Om iets te bereiken, moet je soms afzien
‘Mijn buurkinderen Richard en Frieda en ik waren goed in stelen. In de Tweede Wereldoorlog gingen we er zo vaak mogelijk op uit om eten of brandstof te jatten. In schuilkelders in het Vondelpark vonden we kolen, en soms wisten we ergens een boom om te hakken, zodat we het thuis weer een beetje warm konden stoken. Wij waren ook de eersten die de houten blokjes uit de tramrails sloopten, die we verkochten voor een gulden per stuk op de zwarte markt. Daar kochten we dan een gekookte aardappel voor. Een traktatie.
In de hongerwinter hadden we bijna niets meer te vreten. Door de ondervoeding kreeg ik oedeem en barstte mijn huid open – zúlke gaten in mijn benen. Om de wonden weer dicht te krijgen, moesten mijn kapotte benen na de oorlog worden ontsmet in een emmer heet water met een stuk zeep en een fles peroxide. Grote littekens had ik, maar daar zie je nu niets meer van.
Wij woonden op de derde etage van een pand waar ook hoeren werkten. Bij hen kwamen na de bevrijding veel Canadezen over de vloer. Op de trap van ons appartementengebouw vond ik een pak stencils. Ik maakte het open en vond tientallen foto’s van concentratiekamp Bergen-Belsen. Heuvels van lijken, vrachtwagens en handkarren vol. Na de oorlog kregen soldaten die foto’s mee, zodat mensen konden zien wat daar allemaal was gebeurd. Ik besefte meteen dat dit het gruwelijkste was wat ik ooit te zien zou krijgen; sommige van die beelden kan ik me tot op de dag van vandaag herinneren.
Toch heb ik geen last gehad van de oorlog, of er een trauma aan overgehouden. Door de oorlog heeft mijn generatie eigenlijk de puberteit overgeslagen; we werden vroeg volwassen. Geen gezeik, aanpakken, dat was de heersende mentaliteit. Ja, dat is wél iets wat ik eraan heb overgehouden: een mentaliteit van niet piepen of klagen. Dat kwam me goed van pas in de danswereld, want fysiotherapeuten of masseurs waren er toen nog niet. Blessures? Die bestonden voor mij niet. Ik wilde iets bereiken en deed wat daardoor nodig was. Die discipline heb ik tot op de dag van vandaag.’
Inzicht 5: Conflicten moet je meteen oplossen
‘Als er vroeger opnames van een ballet gemaakt werden voor televisie en ik kleine foutjes zag die ik er absoluut niet in wilde hebben – maar de opnamen gingen gewoon door –, was ik ongelooflijk stout. Dan liep ik expres vlak langs de camera door het beeld, waardoor de opname verpest werd en die over moest. Zo erg was ik vroeger. Want het is natuurlijk reuze brutaal, als je het op die manier doet. Toch had ik altijd goed contact met de regisseurs. Als ik naderhand uitlegde waarom ik dat deed, begrepen ze het altijd wel.
Eigenlijk kan ik me niets voorstellen wat niet op te lossen is met een goed gesprek. Natuurlijk ben ik weleens te fel geweest tegen mensen van wie ik hou, zoals tijdens repetities tegen mijn goede vriendin en collega Rachel Beaujean, die een danspas maar niet goed kreeg. Ik blééf maar op haar hameren. Dat haar dat raakte, zag ik wel aan haar gezicht. Dus toen ik thuiskwam, pakte ik direct de telefoon: “Sorry, lieve schat, neem je het me kwalijk?” Zo maakte ik het meteen weer goed. Ruzies en conflicten moet je meteen oplossen. Dan hoef je ook nergens spijt of schuldgevoelens over te hebben.’
Inzicht 6: Apart wonen is goed voor je relatie
‘Binnenkort zijn Henk en ik vijftig jaar samen. We hebben zelfs altijd samen gewerkt; als videomaster was hij verantwoordelijk voor de balletregistraties. Nee, dat gaf nooit frictie, want ik bemoeide me met mijn werk en hij met het zijne. Bovendien hadden we hetzelfde doel: alles voor de danskunst.
Het geheim van zo’n lange, goede relatie is volgens ons dat we apart wonen. Daardoor kunnen we ieder ongestoord onze eigen dingen doen. Rustig lezen of televisiekijken. Werken. Volgens mij is het voor een stel veel gezonder om ieder je eigen ruimte te hebben. Want 24 uur per dag bij elkaar zijn, dat vraagt wat van je, hoor. Je bent allebei een eigen persoonlijkheid en hebt ook je eigen leven, je eigen vrienden. Soms wil je iets doen waar de ander geen zin in heeft.
Hoewel we een open relatie hebben en Henk twintig jaar jonger is dan ik, ben ik nooit bang geweest dat we elkaar zouden kwijtraken. We zien elkaar elke dag, koken en eten samen en houden van dezelfde dingen, van kunst, muziek. We gaan graag naar het theater, de bioscoop, een concert. Maar we gunnen elkaar ook veel vrijheid, vanuit een groot wederzijds vertrouwen dat we er altijd voor elkaar zijn.’
Waardeer dit Artikel!!
Cultuurpers is onafhankelijk. Jij maakt dat mogelijk met een donatie aan de auteur van dit artikel. We maken je gift voor 100% over aan de auteur!





