Het regent in het Amsterdamse Muziektheater.

Wanneer kruisridder Renaud een half uur na het begin van de voorstelling een idyllisch landschap bezingt, gaat heerlijk langzaam het doek omhoog. De opera die zich tot op dat moment op een klein en schraal landschap op het voortoneel afspeelde krijgt er een adembenemende dimensie bij.

We zien een gestileerde vijver met dito bomen waarin het zachtjes regent. Even later gaat het echt regenen: een eindeloze stroom confetti, in het licht paars gekleurd, valt naar beneden en verandert het eenheidsdecor moeiteloos van een liefdestuin in een woestijn, van een dor en desolaat landschap in een met monsters bevolkt woud. De oh’s en ah’s zijn niet van de lucht.

Met recht, want de regie van Barrie Kosky, het decor van Katrin Lea Tag en vooral het licht van Franck Evin maken in combinatie met de uitmuntende solisten en de zich na een ietwat stroef begin razendsnel herstellende dirigent Ivor Bolton van Glucks Armide een belevenis.

En het had zo gemakkelijk fout kunnen gaan. Want ga maar na: een opera over een Syrische tovenares en een kruisridder in Damascus in oorlogstijd – het is te makkelijk. Maar gelukkig vindt Kosky een actualisering hier ‘aanstootgevend’ en bovenal ‘conceptueel behang’. Dus gaat Armide over wraak, haat en allesverzengende liefde, gepersonifieerd in Karina Gauvin.

armide klein

Alles draait in de opera om haar: Armide. Terecht merkt Kosky op: ‘Gluck interesseerde zich niet voor de mannen in zijn verhaal. Alle draden komen enkel en alleen samen bij deze vrouw, van wie de frustratie voortkomen uit haar onvervulde dromen.’

Sympathiek zijn ze inderdaad allerminst, die kruisridders en zelfs Renaud valt alleen maar voor Armide dankzij haar toverkracht. Klinkt als Tristan und Isolde, maar waar Wagners Tristan een complex personage is, is Renaud slechts de personificatie van Armide’s verlangen – eenmaal bij zinnen verlaat hij haar met amper enige compassie. En hoewel het betoverde liefdespaleis doet denken aan zowel Wagner bloementuin (Parsifal) als de Venusberg (Tannhaüser) zijn ze niet reëel, maar slechts een droombeeld.

Dat Wagner zich liet inspireren door Gluck is overigens niet verwonderlijk (Wagner maakte zelf een ‘Duitse’ Iphigenie in Aulis); net als Gluck wilde hij de opera hervormen door terug te keren naar de oervorm door met zijn muziek ‘de expressie met de grootste duidelijkheid weergeven en de declamatie van de tekst versterken’. Uitgerekend in Parijs deed Gluck dat door gebruik te maken van een libretto dat Lully een eeuw eerder met veel succes verklankt had – zonder ook maar een letter te veranderen. Een bijna Notenkrakers-achtige actie tegen de gevestigde traditie,‘de oude muziek’.

It used to go like that, now it goes like this.

Voor je verder leest...

Blij met dit verhaal? Klik dan op 'like' en maak Facebook rijk.

Of:


Klik op 'lid worden' en maak Cultuurpers sterk.

En dus weg met al die loopjes, trillers en cadensen, maar de kern van het drama vatten. De kern die al in de allereerste scène zit, wanneer Armides vertrouwelingen feesten, maar Armide zelf vertelt van een angstaanjagend droombeeld waarin liefde en minachting haar kapotmaken, hoewel ze nu al beter weet: ‘Door onbegrijpelijke toverkracht kon ik, toen hij mijn hart doorstak, hem ondanks alles onmogelijk weerstaan.’

Kosky geeft de hele opera vorm als dit angstvisioen, waarin dankzij de uitgekiende belichting en confettistromen die zo veel meer dan goedkoop effectbejag zijn en waarin werelden vervagen. Je weet daadwerkelijk niet meer of iets het begin of het einde van iets is en waarbij dromen en nachtmerries werkelijkheid worden. Zo betoverend mooi als het idyllische landschap is, zo gruwelijk komt de haat, in het derde bedrijf nadrukkelijk als personage aanwezig, in deze enscenering letterlijk uit het lichaam van Armide. Al even lichamelijk en bloederig is de wijze waarop zij in de slotscène het hart uit het lijf rukt als Renaud haar heeft verlaten. Dat het slecht afloopt, wordt al even nachtmerrieachtig getoond: wanneer Armide de haat heeft opgeroepen de liefde uit haar lichaam te bannen maar zich op het laatste moment bedenkt, knoopt het gevolg van de haat haar evenbeeld aan de hoogste boom op. Het is duidelijk: met de keuze voor de liefde in plaats van de haat steekt Armide haar eigen nek in de strop.

De titelrol vergt dus nogal wat. Karina Gauvin, die in Amsterdam haar allereerste Gluck-rol zong, overtuigt vocaal op alle fronten. In haar bewegingen misschien nog ietwat onwennig, maar tegelijkertijd past dat weer bij Armide die gedurende de hele opera eigenlijk ook niet weet wat haar overkomt.

De voor aanvang als zwaar verkouden aangekondigde Frédéric Antoun klonk als Renaud allesbehalve verkouden en de kleinere rollen waren buitengewoon luxueus bezet, met Henk Neven, Karin Strobos, Julia Westendorp, Diana Montague en Ana Quintans (verleidelijker komen de droombeelden niet) in topvorm, geholpen door het uitmuntend spelende Nederlands Kamerorkest. In de eerste minuten was de klankbalans tussen orkest en solisten niet optimaal, wellicht door de notoir lastige akoestiek van het Amsterdamse Muziektheater, maar dirigent Ivor Bolton heeft ook op deze lastige plek inmiddels zoveel ervaring, dat Armide, waarmee de Nederlandse Opera haar reeks Gluck-opera’s besluit, tot een van de operahoogtepunten van dit jaar is.

Oh, en ja, er loopt inderdaad een echt paard rond.

 

 

Goed om te weten

De Nederlandse Opera: Christoph Willebald Gluck – Armide. Met: Nederlands Kamerorkest en Koor van De Nederlandse Opera o.l.v. Ivor Bolton. Muziektheater Amsterdam, 6 oktober. Daar nog 7 voorstellingen t/m 27 oktober.