Jazzmusicus en docent Clark Terry overleed vorige maand. Jazzjournalist Jeroen de Valk blikt terug op een openhartig interview met een van de grootste trompettisten aller tijden.

Pas op 21 februari viel hij stil, Clark Terry. Hij was 94 jaar en zat zeker 75 jaar in het muzikanten-vak. Ga maar na: hij verdiende zijn brood als trompettist als prille tiener en bleef actief tot zijn laatste opname in het ziekenhuis, enkele weken terug. Blind, benen geamputeerd wegens diabetes, niet meer in staat de trompet vast te houden wegens artritis. Maar hij bleef leerlingen ontvangen die hij na aandachtig luisteren van leerzame tips voorzag.
In de loop van die 75 jaar haalde hij geregeld de pers; dan was er even een hype die vervolgens weer over ging. Het begon toen hij stersolist was bij respectievelijk Count Basie en Duke Ellington. Later had hij een hit met ‘Mumbles’, een geïmproviseerd lied dat hij zong in een onverstaanbaar mompeltaaltje.

Hij trok de aandacht van de Amerikaanse tv-kijkers als een van de eerste zwarte musici in het orkest van de Tonight Show. En dan was er, in de laatste jaren voor zijn overlijden, zijn relatie met een van zijn pupillen: de jonge pianist Justin Kauflin. Hieraan werd een grootse documentaire gewijd onder de naam Keep on Keepin’ on.
Mooie momenten, maar niet meer dan incidenten in het dagelijks leven van een onvermoeibaar creatieve en duurzame muzikant. CT’s repertoire ging van Louis Armstrong tot semi-vrije muziek en hippe conservatoriumakkoorden. Hij beheerste het allemaal, zonder ooit zijn eigen stijl te verloochenen. Hoe klonk die eigen stijl? Aangenaam en herkenbaar. Een zangerig toontje, korte en precies getimede melodietjes als muzikale aforismen en een perfecte techniek. Hij leek nooit een noot te missen, ook niet als hij er honderd per minuut produceerde in wat jazzmuzikanten ‘een jezustempo’ noemen.

In december 1993 sprak ik Terry uitgebreid in Amsterdam. Hij had een engagement van een paar dagen in Parker’s, een club in Amsterdam waar ik zelf met mijn bandjes de stille maandagavonden vulde. De trompettist zat in zijn hotelkamer in een rolstoel en bleek – maar dat merkte ik pas na een kwartier – bijzonder slechtziend. ,,Suikerziekte’’, zei hij verontschuldigend. ,,Ik werk hier in Amsterdam met een paar jonge musici uit de stad, en het liefste zou ik ook hún stukken spelen. Want ik ben geen primadonna maar ‘one of the boys’. On stage, it’s just four guys playing music. Maar ik kan nu vrijwel geen bladmuziek meer lezen. Gelukkig ken ik alle standards in alle toonsoorten. Mijn geheugen is prima.’’ (Tikkend op zijn voorhoofd:) ,,It’s all up here.’’

Voor je verder leest...

Wij geloven in onderzoeksjournalistiek over cultuur. Het is geen onderwerp waar je enorm populair mee wordt. Reden waarom de meeste media alleen die paar sensationele berichten meenemen, maar niet verder kijken. Cultuurpers richt zich juist op die verhalen die voor de cultuurwereld belangrijk zijn, maar die de grote media te klein vinden. Dat kunnen we alleen volhouden als jij meedoet. Door ons tips te geven, maar ook als je lid wordt of ons steunt met een donatie. Houd de cultuurwereld scherp!

Bepaal onderaan zelf hoeveel je wilt bijdragen. Geef 2,50, 10 euro of meer!

Waar hadden we het over? Over zijn wellicht eerste leerling, Miles Davis, die evenals CT in Saint Louis opgroeide. ,,Ik zei hem meteen: niet zo bibberen, maak mooie, lange, strakke noten. Later, in New York, was hij zwaar aan de drugs en hongerig. Ik gaf hem een keer te eten en een bed om in te slapen. Ik loop een eindje om en wat zie ik? Miles is weg, evenals mijn gig suit en mijn trompet. Hij heeft alles naar de lommerd gebracht. Later bood hij zijn excuses aan.’’

Over Count Basie: ,,Hij was easy-going, maar had op zijn bedaarde manier een perfect gevoel voor het juiste tempo. Een van onze grootste successen, Li’l Darlin’, gaf hij een extreem langzaam tempo. Maar precies het juiste! Het was het meest swingende orkest van de wereld. En een vreselijk gezellig orkest, één grote vriendenclub. Na de gig gingen we nog wat drinken en napraten.’’

Over Duke Ellington: ,,Duke had het minst gezellige orkest van de wereld. Allemaal junkies, alcoholisten en kleptomanen. Er was altijd bonje over geld en de verdeling van de solo’s. Als je fouten maakte, keerde iedereen je de rug toe. Als je goed speelde, vonden ze je een uitslover. Het lukte mij als enige om buiten alle ruzies te blijven. Ik ben er zo lang gebleven omdat de muziek prachtig was. Duke was een groot componist en arrangeur.’’

Over de Tonight Show en het vele andere sessiewerk dat hij aanpakte: ,,Ik kwam zo door de magere jaren voor de jazz: de jaren zestig en begin jaren zeventig. Collega’s vonden mij corny en burgerlijk. Ik was blij met iedere vette cheque. Dan dacht ik terug aan mijn armoedige jeugd in Saint Louis. Als het sneeuwde, moest ik daar kranten in mijn schoenen doen, want er zaten gaten in.’’

Over de destijds omstreden jazzopleidingen: ,,Wees blij dat ze er zijn! Ik zit nu met een perfect bandje van conservatoriumjongens in Amsterdam. Wij vroeger, wij moesten zelf het wiel uitvinden. Een oudere trompettist adviseerde mij ooit: ‘Druk dat mondstuk zo hard mogelijk tegen je lippen!’ Maar dat moet je juist niet doen, zo verniel je je embouchure. Hij wilde gewoon geen concurrentie. Ik ontvang nu al tientallen jaren leerlingen als ik thuis ben in New York. Dat lesgeven, daar kan ik zo lang mogelijk mee doorgaan. Het is net zo inspirerend als musiceren. Er komt een dag dat ik niet meer kan reizen; nu al gaat alles moeizaam, behalve het spelen zelf dan. Godzijdank.’’
www.clarkterry.com