Had zij Marc geheten, dan gold Marie Jaëll (1846-1925) ongetwijfeld als een van de belangrijke Franse componisten van eind negentiende, begin twintigste eeuw. Maar ja, ze was nu een keer een vrouw – dus onbelangrijk. Tijdens haar leven geroemd door niemand minder dan Franz Liszt, werd ze na haar dood al snel vergeten. Hooguit leefde zij voort in de door haar ontwikkelde pianomethode. De stichting Palazzetto Bru Zane zet haar muziek nu opnieuw op de kaart, met een voorbeeldige uitgave van drie cd’s en een zowel in het Frans als Engels geschreven boek.

Althans, het is te hopen dat concertorganisatoren haar meeslepende composities willen beluisteren en programmeren. Mijn ervaringen zijn wat dat betreft niet gunstig. Zo leurde ik jarenlang vergeefs met de opera The Wreckers van Ethel Smyth. Prachtig, prachtig, vond men, maar ze had wel ‘erg goed geluisterd’ naar Peter Grimes van Benjamin Britten. – Dat die nog niet eens geboren was toen Smyth haar werk voltooide maakte geen indruk. Ware zij een man geweest, dan had men haar opera beslist als ontdekking van de eeuw bejubeld. Want wie heeft hier nu goed naar wie geluisterd?

Maar we leven in 2016 en de vrouw is in opmars, getuige ook de ‘meer-vrouwen-actie’ van Arjen Lubach. Voor Marie Jaëll heb ik goede hoop, temeer daar haar krachtige muziek op het hoogste niveau wordt uitgevoerd, onder andere door het Brussels Philharmonisch Orkest onder leiding van Hervé Niquet.

In haar liederencyclus La Légende des ours (Legende van de beren), schetst zij de tragische liefdesperikelen van een berenechtpaar. Jaëll grijpt je hierin meteen al in de openingsmaten bij je lurven met een opzwepende ritmiek en laag grommende strijkers, die treffend het beeld oproepen van een beer die komt aangestormd.

Meesterlijk tekent Jaëll de vele verschillende sferen: van uitgelaten vrolijkheid tot verwachtingsvolle spanning, verliefd gezwijmel, doodsangst en diepe treurnis. Haar orkestbehandeling is indrukwekkend, met vanuit de allerlaagste regionen naar de ijlste hoogten opstijgende passages. Ze is een tovenares met klankkleuren en houdt het weefsel altijd transparant, hoe dicht en sonoor dit ook is.

Opvallend zijn de Spaans getinte versieringen in de sopraanpartij, die de muziek een joyeus en exotisch tintje geven. Tegelijkertijd creëert Jaëll een on-Frans soort zwaarte, die associaties oproept met het pathos van een tijdgenoot als Tsjaikovski. Zo paart zij moeiteloos Franse elegantie aan Spaans temperament en Russische dramatiek. Deze uiterst theatrale liederencyclus maakt het extra jammer dat ze haar opera Runéa nooit voltooide.

JaEll cover

Voor je verder leest...

Wij geloven in onderzoeksjournalistiek over cultuur. Het is geen onderwerp waar je enorm populair mee wordt. Reden waarom de meeste media alleen die paar sensationele berichten meenemen, maar niet verder kijken. Cultuurpers richt zich juist op die verhalen die voor de cultuurwereld belangrijk zijn, maar die de grote media te klein vinden. Dat kunnen we alleen volhouden als jij meedoet. Door ons tips te geven, maar ook als je lid wordt of ons steunt met een donatie. Houd de cultuurwereld scherp!

Bepaal onderaan zelf hoeveel je wilt bijdragen. Geef 2,50, 10 euro of meer!

Jaëll laat ook de afzonderlijke orkestmusici veelvuldig schitteren in smeuïge soli. Haar bijzondere flair voor het schrijven van aansprekende melodieën en zinderende harmonieën komt ook tot uitdrukking in de overige orkestwerken op deze uitgave. Haar Celloconcert doet qua lyriek niet onder voor de concerten van Antonin Dvorák of Camille Saint-Saëns – bij wie zij enige tijd studeerde.

Ook haar twee gepassioneerde pianoconcerten verdienen zonder meer een plaats in het standaardrepertoire. Het is goed te horen dat zij begon als pianovirtuoos en door tijdgenoten werd vergeleken met Franz Liszt, wiens pianomuziek ze veelvuldig uitvoerde. ‘Zij heeft de hersens van een filosoof en de vingers van een kunstenaar’, zei Liszt over haar.

Marie Jaëll verdiepte zich intensief in vingerzettingen en toucher (manier van aanslaan), om de muziek en haar onderliggende emoties het meest effectief tot uitdrukking te brengen. Ze schreef hierover verschillende boeken en ontwikkelde een eigen pianomethode, die nog altijd gebruikt wordt. Op de cd’s staan ook de twee pianocycli Les Beaux Jours en Les Jours pluvieux, die in hun poëtische schoonheid de veel bekendere Kinderszenen van Robert Schumann naar de kroon steken.

Een lichtere toets herkennen we in de Douzes valses et Finale die ze componeerde voor concerten met haar echtgenoot Alfred Jaëll, met wie ze door heel Europa en Rusland optrad. Delen uit de meer experimentele Ce qu’on entend… geven een inkijkje in de wetenschappelijke manier waarop zij de mogelijkheden van klankprojectie onderzocht. De teksten in het boek schetsen een goed beeld van leven en werk van de eigenzinnige Jaëll, wier krachtige stem het verdient in alle concertzalen gehoord te worden.

Hallo programmeurs, bent u daar? – Ik heb Arjen Lubach al ingeseind.