De Russisch-Nederlandse Maya Fridman (Moskou, 1989) speelt zowel klassieke en eigentijdse muziek als rock, jazz, folk en flamenco. Communicatie met het publiek is nu eenmaal haar belangrijkste streven. Waarom zou je je dan beperken tot een bepaalde stijl of genre? De website van de Cellobiënnale omschrijft haar terecht als een ‘muzikale duizendpoot’. Ze gooide in 2016 hoge ogen op dit festival in de muziektheaterproductie De Meester en Margarita.

Onlangs werd ze geselecteerd als finalist voor de Dutch Classical Talent Award 2018-19. Bij Gaudeamus, stichting voor hedendaagse muziek, is ze ‘muziekpionier in residence’. Als onderdeel hiervan speelde én zong ze afgelopen april de première van Canti d’inizio e fine van Maxim Shalygin. De Oekraïense componist schreef deze op de Holocaust geïnspireerde compositie speciaal voor haar.

Demonen

Fridman illustreert haar veelzijdigheid wederom op haar nieuwste cd, The Fiery Angel voor cello en piano. De titel verwijst naar De Vuurengel van Prokofjev, die zijn opera baseerde op de gelijknamige roman van Valeri Brjoesov. In vijf bedrijven volgen we de lotgevallen van de jonge Renata. Als kind werd zij verliefd op de ‘vuurengel’ Madiel, die ze meent te herkennen in Graaf Heinrich. Na een gepassioneerde relatie laat hij haar in de steek, waarna Renata gekweld wordt door demonen. Ridder Ruprecht tracht haar vergeefs te redden; uiteindelijk sterft zij op de brandstapel.

Ruim twee uur muziek voor orkest en solisten bewerken voor cello en piano lijkt een onmogelijke opgave. Fridman erkent dit in het cd-boekje. ‘Terwijl ik werkte aan het eerste deel voelde het nog altijd als een onhaalbare taak.’ Ze voelde zich gevangen in het ‘delirium van Renata’, dat haar belette helder te denken. Maar gaandeweg drong de muziek zich zó dwingend op dat ze als een bezetene haar arrangement voltooide. ‘Het leek alsof het stralende beeld van de engel uit mijn handen stroomde, net als bij Renata.’

Extase door zelfdestructie

Voor Fridman ligt de essentie van het verhaal in het versmelten van extase en lijden. Door haar dood op de brandstapel offert Renata haar eigen wezen op om zich te verenigen met de engel. Die thematiek heeft Fridman ook in haar bewerking willen vangen. ‘Deze muziek vereist destructie om te bestaan, en geloof om zich over te geven. Het is de bevestiging van het idee van de symbolisten dat de fysieke werkelijkheid niets anders is dan een vervormde echo van een ander rijk.’ Grote woorden, waar wij als Nederlanders voor terugschrikken,  maar die voor Russen vanzelfsprekend zijn.

Fridman heeft het origineel gereduceerd tot een klein half uur muziek. In vier ‘hoofdstukken’ volgt ze het oorspronkelijke verhaal op de voet. De overgave waarmee zij de obsessie van Renata vormgeeft spat daarbij uit elke noot. Agressieve, percussieve klanken verbeelden de hel in haar hoofd; lyrische, meer bespiegelende passages verklanken haar verlangen naar liefde. Fridman speelt met een hardrock-attitude en lijkt haar cello bijwijlen letterlijk te willen versplinteren. ­- Op de gothic cover poseert zij in een zwartleren pak, als engel met vleugels van vuur.

Beverige flageoletten versus motorische ritmiek

Hoofdstuk 1 opent met stevig aangezette streken van de cello en beukende pianoakkoorden: de vuurengel klopt aan de poort. Renata’s huiver klinkt door in beverige flageoletten en aarzelende pianoloopjes. Zwoele pianoakkoorden en golvende lijnen van de cello treffen de ontluikende liefde tussen haar en Ruprecht. De idylle wordt echter verstoord door woedende slagen op de toets van de cello en een motorische ritmiek.

Als Ruprecht en Renata vergeefs op zoek gaan naar Heinrich schakelen we tussen springerige, verwachtingsvolle celloloopjes, impressionistisch pianogetinkel en zwarte wanhoop. Luide kloppen op de cellokast creëren een schrikeffect: Heinrich laat zich (nog) niet zien, maar wel horen. In hoofdstuk 3 wijst hij Renata opnieuw af, waarop zij Ruprecht vraagt hem te doden in een duel. Driftige streken en stuiterend herhaalde dubbelgrepen van de cello worden begeleid door een orgie aan beukende pianoklanken.

Niet behaagziek

In het vierde en laatste deel zoekt Renata haar heil in een klooster. Een weemoedig zuchtende cello en kabbelende piano creëren de illusie van hervonden rust. Maar in plaats van te genezen, infecteert Renata de nonnen met haar waanbeelden. Fridman creëert angstaanjagende fluittonen, laat haar instrument klinken als een mondharmonica en danst een korte tango. Een reeks furieuze figuraties van beide instrumenten wordt gesmoord in een luid dreunende bekkenslag: Renata eindigt in het vuur.

Van behaagzucht kun je Fridman en haar pianist Artjem Belogurov niet betichten. Zij spelen beiden alsof hun leven ervan afhangt. Dat Fridmans intonatie een enkele keer uit de bocht vliegt vergeef je haar graag. Net als Rostropovitsj stelt zij zeggingskracht boven perfectie.

Voor de komende Gaudeamus Muziekweek maakt ze samen met de pianiste Tomoko Mukaiyama de voorstelling Me, Peer Gynt. Iets om naar uit te zien.

Koop bij bol.com

Goed geschreven? Met een ´like´ betaal je Facebook. Ik zou het prachtig vinden als je Cultuurpers een donatie deed.

help mee

Bedrag
Persoonlijke informatie