Tussen 21 en 30 januari 2011 vindt in Amsterdam, Utrecht en Rotterdam de Flamenco Biënnale plaats, een muziek en dansfestijn rond die mythische Spaanse oermuziek die geen mens onberoerd weet te laten. Een muziekstijl bovendien die zich parallel aan de geschiedenis van het Iberische schiereiland ontwikkelde, daar waar de cultuur van de uit India afkomstige Roma zigeuners samenkwam met die van de moren, christenen en joden, daar waar diverse volksverhuizingen hun sporen nalieten, daar waar Conquistadores en de Reconquista een definitieve rol speelden en zo Spanje maakten tot wat het nu is: een smeltkroes van culturen en stijlen die zich in de loop van de tijd tot een eenheid ontwikkelden en sinds mensenheugenis tot de verbeelding spreekt.

Binnen dit festival is er een focus op de cante jondo, de gepijnigde en extatische zang die vanuit de tenen lijkt te komen en het hele lijden der mensheid lijkt te willen uitdragen.  Een prachtige documentaire werd daarover afgelopen zondagavond op tv uitgezonden, ‘Goede zang doet pijn’. Toch is naast deze oerschreeuw, veelal begeleid door roffelende hakken en raspende gitaren ook ruimte gekomen voor vernieuwingen, zij het schoorvoetend. Toen gitarist Paco de Lucia in 1984 zijn lp One Summer Night uitbracht schudde de flamenco op zijn grondvesten. Een fretloze basgitaar werd ingebracht, een sax vulde de ruige zang aan, een scharnierpunt in de flamenco werd op de markt gebracht. De gitaargrootmeester zette de aficionados onherroepelijk aan tot reflectie over deze vernieuwingen, een ware scheuring dreigde. De flamenco purowerd bij monde van De Lucia’s tegenstrever Paco Peña uitgeroepen waarbij en passant de vernieuwingen bij het oud vuil werden gezet. Toch kon deze grootmeester niet verhinderen dat er steeds meer getalenteerde musici over de schutting van de traditie wensten te kijken.
Ook bij de nu lopende editie van de Biënnale is er sprake van deze brede blik. In het Rotterdamse Lantaren/Venster vond zondagavond de afsluiting plaats van het  festival deel aldaar. De verdediger van de flamencostijl uit Jerez, Moraíto Chico moest wegens ziekte afzeggen en werd vervangen door zijn zoon Diego del Morao met een solo-optreden van ruim een uur. Ofschoon Del Morao in allerijl in moest vallen was er nog wel het nodige op zijn optreden aan te merken. Diego del Morao is technisch gezien onbeperkt in zijn mogelijkheden en heeft een warme passie voor jazz. Dit wordt hoorbaar in de vele en zeer interessante akkoordwisselingen die de flamencostijl niet uithollen maar juist versterken. Ook ritmisch weet hij onverwachte wendingen te creëren en daarin tot grote hoogte te stijgen.
Maar zijn podiumpresentatie was een absolute ramp. Hij communiceerde alleen met die mensen uit het publiek die het Spaans machtig waren, legde bovendien niet uit wat hij speelde maar maakte flauwe grappen. Wat als nu een Nederlandse gitarist in Spanje zich zo zou manifesteren? Daarnaast ging Del Morao’s optreden mank aan een andere typische gitaristenkwaal. Het eindeloos om- en bijstemmen van zijn gitaar was minstens zo belangrijk als de muziek die hij zou spelen – het was zelfs nauwelijks duidelijk wanneer hij klaar was met stemmen en het nieuwe nummer inzette. Of wacht, toch nog even die ene snaar een beetje bijwerken en dan loos. Het applaus werd niet echt in ontvangst genomen – het was alsof het hier om een openbare repetitie ging. Dit provinciale en onprofessionele gedrag heeft menig gitaaropleiding aan de Nederlandse conservatoria de kop gekost, want deze manier van werken was ook daar eerder standaard dan uitzondering. Diego del Moreno dit hiermee zichzelf en zijn onbetwistbare talent enorm tekort. Door de diverse open stemmingen die hij gebruikt raakt zijn instrument van slag – zorg dan dat er een tweede instrument klaar staat zodat het concert voortgang kan blijven vinden.
Hoe een presentatie er wel dient uit te zien bewees het in ons land gevestigde Compasión, een samensmelting van flamenco en jazz. Gitarist John Fillmore, afkomstig uit Engeland maar in de jaren ’80 in Rotterdam aan het conservatorium geschoold schreef de gespeelde muziek veelal samen met saxofonist Steven Kamperman en klarinettist Paul Weiling. Slagwerker Antal Steixner zat schrijlings op de cajón (letterlijk een slagwerk-kist) en de cante jondo – niet hartverscheurend en verschroeiend maar verfijnd – steeg op uit de strot van zanger Carlos Denia Moreno. Door het balanceren tussen twee stijlen liepen de emoties niet al te hoog op maar was er sprake van een verfijnd en afgewogen concert.
Het is vooral uitkijken naar het slotconcert van 30 januari in het Muziekgebouw aan het IJ in Amsterdam waar het Nieuw Ensemble composities van Sotelo en Ali-Zade zal uitvoeren. Flamenco en avant-garde klassiek komen hier samen.
Lantaren/Venster, Rotterdam: Flamenco Biënnale met Diego del Morao, gitaar en Compasión, flamenco-jazz. Bijgewoond: zondagavond 23 januari

Elke ochtend ons nieuws in je mailbox?

Wanneer je lid wordt kun je elke dag een update in de mail krijgen, met onze laatste berichten.

Word ook lid, door HIER te klikken!


Al lid? Login

Voor je verder leest...

Inmiddels zijn al bijna 300 mensen met een hart voor kunst lid. We groeien snel! Alleen dankzij onze leden kunnen we dit soort verhalen blijven vertellen.

Word ook lid, door HIER te klikken!

3 REACTIES

  1. Ook ik laafde mij midden jaren 80 aan Paco de Lucia’s “live…one summer night” en godzijdank niet alleen op vinyl maar ook zo vaak als maar kon live op de buhne, het waren onvergetelijke avonden.

    Niet minder onvergetelijk was voornoemd optreden van Diego del Morao in L/V. Hoewel het natuurlijk onvergefelijk is dat hij Willem Jan Keizer niet persoonlijk in onberispelijk Nederlands heeft verwelkomt moet het mij van het hart dat het (bijna) niet kunnen onderscheiden van (bij)stemmen van compositie zoals ervaren door Willem Jan eerder wijst op een totaal gebrek aan (flamenco)kennis van Willem Jan dan op een gebrek aan communicatieve vaardigheden van Diego. Het enige wat ik mij herinner is dat ik van de eerste tot de laatste noot op het puntje van mijn stoel heb gezeten en dat is me (op flamenco gebied) niet meer overkomen sinds Paco de Lucia’s “one summer night /ciroco”.

    Ik zou het op prijs stellen als Jan Willem mij een lijst zou kunnen geven van andere “niet communicatieve” muzikanten want dit soort onvergetelijke avonden zou ik best wel vaker willen meemaken dan gemiddeld een keer in de 25 jaar!

  2. het is werkelijk te hopen dat er veel vaker onbeholpen, non-communicatieve, steeds maar weer hun gitaarstemmende spaanse flamencogitaristen de nederlandse podia zullen bestijgen!Wat een magie, wat een gitarist! OLE LOS DE MORAO,OLE DIEGO, VIVA JEREZ!!!

Comments are closed.