Op zijn 53e kan Willem Jeths bogen op een indrukwekkende carrière. Zijn orkest- en kamermuziekwerken worden wereldwijd uitgevoerd en zijn op vele cd’s vastgelegd. In 2008 werd het nieuw gebouwde Muziekkwartier in Enschede geopend met zijn opera Hotel de Pékin, en drie jaar later bereikte de opname van zijn ode aan het homohuwelijk Monument to a Universal Marriage zelfs de Amerikaanse President Obama. Op verzoek van de ZaterdagMatinee schreef Jeths zijn Eerste Symfonie voor het Radio Filharmonisch Orkest en de mezzosopraan Karin Strobos, die deze op 13 april in première brengen in het Concertgebouw.Waarom schreef je pas nu je Eerste Symfonie?

Het is een wat beladen, klassiek-romantische term, die verwachtingen wekt van begrippen als sonatevorm, scherzo enzovoort, maar dat is mijn symfonie allemaal niet. Een instrumentaal tweeluik wordt geflankeerd door twee vocale delen op gedichten van Goethe, die nauw met de thematiek samenhangen. Het tweede deel is gebaseerd op mijn orkestwerk Scale, Le tombeau de Mahler en gaat over het leven, voorgesteld als trappen die je moet bestijgen.

Het derde deel is ook gebouwd op een eerder orkestwerk, Metanoia (‘dat wat het denken en begrijpen te boven gaat’). Dit beschrijft wat er gebeurt na het aardse leven en gaat over transformatie, wedergeboorte, of zelfs het aanzien met God.

Zoekend naar teksten over leven en dood kwam ik uit bij Goethes gedichten ‘Unbegrenzt’ en ‘Selige Sehnsucht’, die de basis vormen van deel één en vier. In het eerste weet Goethe perfect het cyclische van ons bestaan te vangen in de zin ‘Anfang und Ende, immer fort dasselbe’: als je sterft ontstaat er weer een nieuw begin.

In het vierde deel geeft Goethe ons een morele boodschap mee: je moet in je leven streven naar het hoogst mogelijke. Hij vergelijkt dat met een vlinder die de neiging heeft naar de zon te vliegen, met het risico dat zijn vleugels verbranden. Als je dat niet doet, ben je slechts ‘ein trüber Gast auf der dunklen Erde’. Ongelooflijk mooi en kernachtig gezegd, temeer daar een vlinder zelf al een transformatie is vanuit het rupsenstadium.

Voor je verder leest...

Wij doen ons best om onafhankelijke en volledig professionele journalistiek over de wereld van kunst en cultuur te brengen. Journalistiek die al heel veel mensen waarderen, omdat het op zo weinig plekken nog gebeurt. We kunnen daarmee doorgaan als jij lid wordt of ons steunt met een donatie. Die bijdrage komt ten goede aan de auteur, in dit geval Thea Derks. Zo kan Cultuurpers blijven bestaan!

Bepaal onderaan zelf hoeveel je wilt bijdragen aan het werk van Thea Derks.

Dood en transformatie vormen een terugkerend thema in je werk. Wat boeit je daarin?

‘Het gaat mij niet zozeer om een romantische fascinatie voor de duistere kant van de dood, maar meer om het moment van overgaan naar iets anders. Ik ben ervan overtuigd dat ons leven niet stopt als we sterven en heb zelfs een herinnering aan een ander leven. Het is te persoonlijk om uit te leggen wat dat precies inhoudt, maar het staat voor mij vast dat je moet proberen jezelf naar een hoger plan te trekken.

Je moet bereid zijn te aanvaarden dat je een boodschap hebt en naar iets toe willen werken dat verder reikt dan het alledaagse. Dat heeft voor mij alles te maken met concentratie, met het zoeken van een doel. Daarover wil ik composities schrijven, niet omdat ik iets autobiografisch of religieus kwijt wil, maar om het idee muzikaal vorm te geven.’

Hoe heb je dat in je Eerste Symfonie gedaan?

Mijn stuk heeft veel te maken met Mahler, vooral vanwege Scale, Le tombeau de Mahler, dat ik schreef voor het Mahler-jaar van het Koninklijk Concertgebouworkest. Diens negenstemmige ‘doodsakkoord’ uit de Tiende Symfonie speelt een belangrijke rol, en ook het gebruik van een militaire trom en een Fernorchester verwijzen naar Mahler. In het derde deel klinkt een akkoord van Alban Berg, dat hij in gedachten hoorde toen hij op een sombere voorjaarsdag een strandwandeling maakte en opeens de zon doorbrak, als een soort godsbeeld. Het is overweldigend van klank en verwant aan het doodsakkoord van Mahler.

De hoekdelen zijn geïnspireerd op de stem van Karin Strobos, met wie ik eerder werkte in Monument to a Universal Marriage en Hotel de Pékin. Haar mezzosopraan is breekbaar en intiem en ik heb het middenregister veelvuldig gebruikt, waardoor haar stem nog meer nobiliteit krijgt. Die contrasteer ik met een altsaxofoon, waarvan de wat rauwere en directere klank werkt als een soort alter-ego. De verzen van Goethe heb ik functioneel benaderd. Zo keren na ‘Anfang und Ende immer fort dasselbe’, de noten in spiegelbeeld terug, zodat het einde letterlijk hetzelfde is als het begin.

In het slotdeel zit veel materiaal uit de eerdere delen, maar als de vlinder zijn vleugels dreigt te verbranden, klinkt in plaats van het doodsakkoord van Mahler opeens een samenklank in majeur. De doodsklappen van de grote houten hamer transformeren tot beierende klokken, wat werkt als een reveil, een moment van aankondiging, van blijdschap bijna. Want het gaat om de kern van ons mens-zijn: je moet naar het licht vliegen, op het gevaar af verbrand te worden.

 

Comments are closed.