De aanleiding voor dit verhaal is dat relatief kort geleden de Raad voor Cultuur haar sectorverkenning publiceerde. De samenvatting opent met de woorden dat ‘Cultuur beweegt’. Een nogal eufemistische constatering in mijn ogen. In dit geval wordt bedoeld dat het maken, verspreiden en beleven van cultuur voortdurend aan verandering onderhevig is. De tweede zeer voor de hand liggende observatie van de Raad in diezelfde inleiding is dat cultuur en de makers van cultuur zich niet meer laten vangen in vakjes of genres. Iets wat volgens de Raad voor Cultuur, de Rijksoverheid moet stimuleren tot een herbezinning in hoe ondersteuning voor kunst en cultuur anders moet worden georganiseerd.

Wensdenken?

Aansluitend gaat het in diezelfde samenvatting verder in een formulering waarbij je bijna zou denken dat alles één pot nat is geworden. Is het echt zo dat elk onderscheid is weggevallen? Is het tunnelvisie of wensdenken? Zo’n tekst stemt me verdrietig. Ik kan het maar moeilijk accepteren dat een ‘fait accompli’ hier als ‘nieuw inzicht’ wordt opgeschreven. Nergens wordt geconstateerd dat het zo is geworden, uit pure armoede en overlevingsdrang.

Immers, na de ingrepen uit de periode van Halbe Zijlstra werden de afgelopen jaren bepaald door de afbraak en het wegvallen van voorzieningen. Als de specifieke voorzieningen zijn wegbezuinigd die jij als cultuurmaker voor je specialisme nodig hebt, dan heeft het weinig zin je te blijven beroepen op dat specialisme waar jij als maker jaren je ziel en zaligheid in hebt gelegd. Dat maakt de kans dat je het volhoudt alleen maar kleiner. Dus neem je je verlies en ga je met minder weer aan de slag.

Vervolgens vertelt de Raad voor Cultuur voor welke voorzieningen er dan wel opnieuw publieke investeringen nodig zijn en hoe dat die tot stand zouden kunnen komen. Dan wordt het interessant, de Raad voor Cultuur doet een nieuwe ontdekking.

Stedelijke Cultuurregio’s

In het tweede deel van het sectoren-advies over de toekomst van cultuurbeleid richt de Raad zich op de verkenning van nieuwe verhoudingen tussen het Rijk en de ‘stedelijke cultuurregio’s’. De raad gaat op zoek naar een nieuwe afstemming en gezamenlijke formulering van goede randvoorwaarden voor de cultuursector. Hierbij krijgen de ‘stedelijke cultuurregio’s’ een sleutelrol toebedeeld in ons cultuurbestel.

De stedelijke cultuurregio is volgens de raad het nieuwe ‘ecosysteem’ waarin makers, culturele instellingen en overheden in nauwe samenwerking met elkaar kunnen inspelen op de specifieke samenstelling en behoefte van de bevolking. Bijvoorbeeld op de identiteit en op verhalen uit de regio. Op de daar aanwezige infrastructuur en onderscheidende lokale kenmerken. De eigenheid van gemeentes en provincies, voor bijdragen aan de leefbaarheid en de saamhorigheid in wijken en natuurlijk het vestigingsklimaat: ‘Culture goes local’.

Voor je verder leest...

Wij doen ons best om onafhankelijke en volledig professionele journalistiek over de wereld van kunst en cultuur te brengen. Journalistiek die al heel veel mensen waarderen, omdat het op zo weinig plekken nog gebeurt. We kunnen daarmee doorgaan als jij lid wordt of ons steunt met een donatie.
Bepaal onderaan zelf hoeveel je wilt bijdragen.

Een opsomming van bijna louter instrumentele waarden van kunst en cultuur. Instrumentele waarden die zo teruggerekend kunnen worden naar economische en zich nauwkeurig kunnen laten vangen in euro’s. Kortom: een nieuwe rol voor stedelijke regio’s.

Bruisend Optimisme

Gezien dit bruisend optimisme van de Raad voor Cultuur, leek het mij een goed idee om gelijk maar eens met de ‘stakeholders’ uit mijn eigen regio (Provincie Noord-Brabant) te gaan praten. Zoals dat dan gaat, met de gemeentelijke verkiezingen in het vooruitzicht, werd er hier en daar met ronkende trom over de kansen voor stedelijke cultuur gesproken. Maar door diezelfde verkiezingen diende ik de positie van de ‘stedelijke cultuurwethouders’ even te parkeren. De zaken waar ze voor de verkiezingen enthousiast over berichten, staan nu even ‘on-hold’. Pas als het stof weer enigszins is neergedaald en de nieuwe colleges en wethouders zijn benoemd, openen zich de mogelijkheden om daar navraag te doen. Hen te bevragen over hun nieuwe plannen voor de stedelijke kunst en cultuur.

Er is ook een belangrijke rol voor provincies is beschreven in de verkenning van de Raad voor Cultuur. Voor deze serie is daarom mijn eerste stap, het vraaggesprek dat ik onlangs had met de gedeputeerde voor cultuur van de Provincie Noord-Brabant Henri Swinkels (SP).

Aantrekkelijk

Henri Swinkels was blij met mijn belangstelling, zo vriendelijk een plekje in zijn agenda voor een interview te reserveren en zijn beleidsaanpak toe te lichten. Kunst en Cultuur is een belangrijk aandachtsgebied voor stedelijke regio’s, ook in Brabant. Vaak niet om een autonoom motief, maar vooral omdat veel lokale politici een instrumentele noodzaak zien voor de inzet op een sterker kunst- en cultuurbeleid. In andere woorden ‘de aantrekkelijkheid van het vestigingsklimaat’, wat het economisch motief bij uitstek is.

Een eerste serieuze vraag is dus: Hoe gaat het toekomstig beleid er uitzien?

Swinkels: “Het advies van de Raad voor Cultuur is belangrijk, omdat zich een kans voordoet om tot een nieuwe afstemming met het Rijk te komen. Tot nu toe gaat het Rijk vooral over productie en gemeenten over de lokale infrastructuur. Ik pleit ervoor dat we ook op regionaal en lokaal niveau invloed kunnen aanwenden om productie te verbinden aan voorzieningen. Dat we bijvoorbeeld niet eerst een ensemble met rijksmiddelen zich laten richten op een nationale productie, die dan later hier lokaal wordt aangeboden. Ik zie graag dat die beweging ook omgekeerd tot stand kan komen. Natuurlijk kan ik niet op de stoel van de gemeentes gaan zitten. Wel kan ik er op wijzen, ook nu met de nieuwe gemeenteraden, dat de provincie het belang van kunst en cultuur nadrukkelijk onderkent.”

Economische waarden

Swinkels vertelt dat het in de huidige tijd natuurlijk zo is, dat in cultuurbeleid bijna alles wordt gevangen in tot economische aspecten terug te rekenen motivaties. Hij betreurt dat, maar beseft dat dit in deze tijd zwaarwegende redenen zijn voor beleidsinzet. Ook bij de gemeentes in Brabant.

De provincie heeft een organiserende rol en kan slechts proberen het draagvlak voor de beleidsinzet op kunst en cultuur te vergroten. Een rol om meer aandacht voor kunst en cultuur te ontwikkelen, ziet hij ook weggelegd voor het onderwijs. Persoonlijk is hij daarom blij met het resultaat dat er in de provincie Noord-Brabant 47 gemeenten ingestemd hebben met een extra financiële injectie voor cultuureducatie. Cultuureducatie wordt in deze gemeenten nu op een hoger niveau aangeboden. Terwijl anders cultuureducatie mogelijk geheel uit het curriculum van de scholen was verdwenen.

Cultureel Ecosysteem

De Raad van Cultuur heeft in het recente sector advies ook aangedrongen op een sterkere rol voor de ‘regio’s’. Immers de stedelijke regio’s zijn volgens die raad bepalend voor het door hen als ‘cultureel ecosysteem’ omschreven stedelijke culturele klimaat.

Hoe ziet de gedeputeerde dat voor de stedelijke regio Brabantstad, waar op dit moment wordt gewerkt aan een gezamenlijke cultuurvisie?

“In beleidsvisies en -advisering wordt natuurlijk veel aandacht geschonken aan instrumentele motieven voor kunst en cultuur. Hoe kan kunst en cultuur nog op zijn eigen kracht en merites worden gewaardeerd of beoordeeld? De discussies hierover zijn vaak eindeloos, hoewel ik ervan overtuigd ben dat die waarde er is. Je kunt voor jezelf eenvoudig vaststellen dat je van iets geniet en of jij je erdoor prettig voelt of geraakt bent. Een positief punt vind ik daarbij dat de huidige minister in haar brief het woord ‘verbeeldingskracht’ opnieuw noemt. Ik vind dit zo hoopgevend, dat ik daar ook meteen persoonlijk op heb gereageerd.”

Bekijk de opvallende reactie van Henri Swinkels: De Cultuurbrief.

Henri Swinkels schrijft reactie op Cultuurbrief van de minister (video-still)
Henri Swinkels schrijft reactie op Cultuurbrief van de minister (video-still)

Homogeen

Brabantstad is niet homogeen, ook al werken we in Brabantstad (’s-Hertogenbosch, Eindhoven, Helmond, Tilburg, Breda en de provincie) aan een gemeenschappelijke cultuurvisie. Volgens Swinkels  zijn er sterke onderscheidende aspecten tussen deze steden, ook cultureel. Elke stad wil natuurlijk toch zoveel mogelijk het hele pakket cultuur breed kunnen aanbieden. Hoe ziet hij hierin toch mogelijkheden tot onderlinge verbondenheid?

Hoe kan het beleid vanuit de provincie Noord-Brabant hierop inspelen, dit mede in het licht van de visie van de Raad voor Cultuur?

“Ik geef toe dat het geen eenvoudige opgave is. Op basis van goed onderzoek echter, zou het mogelijk moeten zijn om meer fundamentele keuzes te kunnen maken. Daarmee onderling te kiezen voor meer diversiteit. Als gedeputeerde kan ik wel proberen de steden aan te moedigen zich uit te spreken voor meer heldere keuzes. Keuzes die ook beter passen.”

Makersfonds

“Vanuit de provincie stimuleren we bijvoorbeeld het aanbieden van een ‘Makersfondsregeling’. Dat is een goed uitgangspunt om wat op een lokaal niveau tot stand komt te ondersteunen en te versterken. Dan werkt ook de lokale voedingsbodem door in wat er in die specifieke gemeente wordt ontwikkeld.”

Ook met de provinciale ‘Impulsgeldenregeling’ wil de provincie lokale initiatieven versterken en vanuit die lokale structuur extra mogelijkheden ontwikkelen. Impulsgelden willen cultuurmakers en -instellingen in Brabant precies dat geven wat het woord zegt. Een aansporing om hun activiteiten of werkzaamheden te versterken en zakelijk ook beter te bestendigen. Een Impulsgeldsubsidie kan met een looptijd over een langere periode van 1 tot 3 jaar worden toegekend.

Lokale gerichtheid

Uit de gemeenteraadverkiezingen blijkt dat de lokale partijen steeds meer aan momentum winnen, ook in Brabant. Een groeiende lokale gerichtheid. Hoe weerspiegelt dit zich in de ambitie een gezamenlijke cultuurvisie te ontwikkelen voor Brabantstad?

Wat is er volgens Swinkels nodig in Brabant om kunst en cultuur te versterken en welke kant moet het dan op?

“Dankzij die mogelijke lokale gerichtheid is juist zo’n Makersfonds een instrument om op lokaal terrein talent ondersteuning te bieden. Uiteindelijk is iedereen er trots op als een lokaal talent breder doorbreekt. Het blijft belangrijk dat we nut en noodzaak van kunst en cultuur onderkennen. Uiteindelijk plukken de gemeenten daar de vruchten van in de zin zoals we eerder bespraken. Maar in Brabant hebben we nu goede kansen om tot een veel betere afstemming te komen. Niet alleen onderling, maar ook tussen de Provincie, de gemeenten en het Rijk.

Het tijdspad is duidelijk. We moeten afwachten wat er precies van komt, maar als het lukt om een scherpe gemeenschappelijke cultuurvisie aan te bieden aan de minister, dan kunnen we elkaar versterken en een forse stap vooruitzetten.”

Tot slot, wat zou de gedeputeerde ten slotte nog op willen merken, of mee willen geven in reactie op dit gesprek?

“Anders dan bij het Rijk, werken we hier al niet meer ‘disciplinair’, of stoppen niet alles in hokjes. We kijken over de hele breedte van het culturele veld. Bijvoorbeeld, in de rol van Brabant-C zijn we steeds bezig ons te verbeteren en te matchen met ook andere partijen, buiten de vaste circuits om. Natuurlijk blijven we werk verzetten. De tijd vraagt dat ook van ons om steeds mee te bewegen.”

Henri Swinkels schrijft reactie op Cultuurbrief van de minister
Henri Swinkels schrijft reactie op Cultuurbrief van de minister (video-still)

Persoonlijke informatie

Henri Swinkels is gedeputeerde Leefbaarheid en Cultuur van de Provincie Noord-Brabant. Henri Swinkels (1963) is geboren in Vught, waar hij ook nu nog woont. Hij studeerde in 1987 af aan de Universiteit van Utrecht als evolutiebioloog. In zijn diensttijd sloot hij zich aan bij de Vereniging van Dienstplichtig Militairen (VVDM). Het was zijn kennismaking met vakbondswerk dat vervolgens een groot deel van zijn carrière heeft bepaald. Eerst als opleider/trainer bij het scholingsinstituut van de FNV, daarna bijna 15 jaar als opleidingscoördinator voor de Nederlandse Politiebond. Vanaf januari 2014 verruilde Henri de vakbeweging voor de Tweede Kamerfractie van de SP waar hij fractiemedewerker Sociale Zaken en Werkgelegenheid werd. In het voorjaar van 2014 was hij kortstondig Tweede Kamerlid ter vervanging van Renske Leijten wegens zwangerschapsverlof.