In perspectief. Terug- en vooruitkijken naar cultuurbeleid en praktijk van Erik Akkermans is een boek dat serieus genomen wil worden. En dat lukt ook, niet door een literair hoogstandje, maar door de grote hoeveelheid ervaring die Akkermans meebrengt uit de Nederlandse cultuursector.
Hij kijkt terug op zijn loopbaan, maar gebruikt die terugblik vooral om vragen te stellen bij het cultuurbeleid. Het boek gaat over zijn eigen pad, maar ook over structuren, belangenbehartiging, onderwijs, internationale samenwerking en de vaak lastige verhouding tussen kunstenaars en politiek. Dat maakt het boek interessant. Het vraagt ook af en toe wat leesdiscipline van de lezer.
Als beginnend cultuurjournalist lees ik In perspectief met bewondering en ongeduld. Bewondering voor de kennis en betrokkenheid die Akkermans laat doorklinken. Ongeduld omdat het boek steeds heen en weer beweegt tussen analyse en uitleg, tussen kritiek en begrip. Akkermans schrijft dat hij geen “opa die vertelt” wil zijn. Toch voelt het boek daar af en toe dicht bij in de buurt.
Afkortingenstroom
Ook al oogt het boek klein, de hoeveelheid informatie is groot. Alleen de inhoudsopgave geeft al een overzicht van vijftig jaar Nederlands cultuurbeleid. Akkermans schrijft over kunstenaarsbelangen, fondsen, voorzieningen en stelt vragen als: hoe klinkt het Fonds Podiumkunsten voor componisten? En is er nog wel ruimte voor jazzbeleid in Nederland? Dat zijn geen losse vragen, maar onderwerpen die ook nu nog spelen.
Tegelijk springt Akkermans vaak door de tijd, zonder altijd duidelijk te maken in welke periode hij zich bevindt. Een hoofdstuk over kunstenaarsverenigingen uit de jaren zeventig loopt zomaar over in beleid uit de jaren negentig, om daarna weer terug te grijpen op eerdere ideeën. Voor lezers die deze geschiedenis niet zelf hebben meegemaakt, maakt dat het boek soms lastig te volgen.
Dat gevoel wordt versterkt door het veelvuldige gebruik van afkortingen: NVV, BBK, BKR, BNO, FNV. En dit zijn maar een paar van de gebruikte afkortingen. Google was mijn grote vriend als ik vast liep in de hoeveelheid afkortingen die Akkermans in zijn boek heeft gepropt. Het voelt alsof de lezer bekend moet zijn met dezelfde vergadercultuur. Voor een jong publiek, dat juist nodig is voor vernieuwing in de sector, vormt dit een drempel. En dat wringt, want vernieuwing is precies waar Akkermans voor pleit, blijkt uit zijn boek.
Een altijd strijdende cultuursector
Een belangrijk thema in het boek is het gebrek aan echte eenheid binnen de cultuursector. Akkermans laat zien hoe moeilijk het is om uiteenlopende belangen, van beeldend kunstenaars tot componisten en van mediakunst tot podiumkunsten, samen te brengen in één organisatie. De Federatie van Kunstenaarsverenigingen, die in 1996 haar vijftigjarig bestaan vierde, dient daarbij als belangrijk voorbeeld. Hij beschrijft hoe idealen botsen met de praktijk en hoe solidariteit onder druk komt te staan wanneer geld schaars is.
Dat inzicht is herkenbaar en sluit aan bij actuele discussies over versnippering en concurrentie binnen de sector. Toch blijft ook hier de analyse voorzichtig. Akkermans benoemt het probleem, maar gaat het niet volledig aan. Waarom lukt het al decennia niet om met één stem richting de politiek te spreken? En welke rol speelt de overheid zelf in het in stand houden van die verdeeldheid? Hier mis ik scherpte en een duidelijker positie.
Waar beleid en praktijk botsen
Het boek wint aan kracht wanneer Akkermans de sector verbindt met maatschappelijke en internationale ontwikkelingen. In het deel over AIDA en internationale solidariteit, met de verwijzingen naar Boedapest en culturele vrijheid, wordt duidelijk dat cultuurbeleid ook een politieke kwestie is. Hier laat het boek zien dat cultuur meer is dan een financiële regeling. Jammer genoeg blijven deze stukken kort, terwijl juist hier de urgentie voelbaar wordt.
Ook in de hoofdstukken over aanbieders en infrastructuur is Akkermans op zijn sterkst. Verhalen over kunstuitleen, mediakunst (“de meterkast”) en het verdwijnen van idealen laten zien hoe beleid en praktijk elkaar kunnen versterken, maar ook tegenwerken. De anekdote over de Giro d’Italia en het verlies van het Promenade Orkest laat zien hoe culturele waarde het vaak aflegt tegen spektakel en politiek eigenbelang. Het zijn scherpe observaties, maar ze worden zelden doorgetrokken naar het heden. De vraag dringt zich op of dit soort keuzes vandaag niet opnieuw worden gemaakt, ook al in een andere vorm.
Jong is vernieuwing, oud is klassiek
Voor de toekomst zijn vooral de hoofdstukken over educatie en ontwikkeling relevant. Akkermans schrijft over centra voor de kunsten, cultuureducatie op basisscholen en de verschuiving van macht en invloed in het kunstonderwijs. Daarmee raakt hij aan een belangrijke vraag: voor wie is cultuur bedoeld? Jong publiek is nodig voor vernieuwing, terwijl ouder publiek instellingen vaak overeind houdt en juist vraagt om herkenning.
Toch blijft Akkermans ook hier vooral beschrijvend, terwijl een duidelijker standpunt niet had misstaan. Moet beleid inzetten op behoud of op vernieuwing? En durft de sector dat spanningsveld echt aan?
Veel ervaring toch beperkt
In perspectief is een rijk en serieus boek dat laat zien hoe sterk cultuurbeleid verweven is met mensen, structuren en macht. Akkermans slaagt erin zijn persoonlijke verhaal ondergeschikt te maken aan het grotere geheel. Tegelijk blijft het boek hangen tussen analyse en herinnering. Voor insiders is het herkenbaar en waardevol, voor een jonger publiek vraagt het doorzettingsvermogen en wat gegoogle.
De grote kracht van het boek: ervaring, Maar dit is tegelijk zijn beperking. Wie wil begrijpen waar de cultuursector vandaan komt, krijgt hier veel inzicht. Wie wil weten wie bepaalt waar we naartoe gaan, blijft met vragen achter.






