Op donderdag 9 april zag ik de nieuwe productie van Verdi’s tiende opera Macbeth van De Nationale Opera. Deze werd na de première vorige week vrijdag eendrachtig door de pers neergesabeld. De Duitse regisseur Andrea Breth, die eerder tekende voor een onderkoelde lezing van Prokofjevs De speler, kreeg er flink van langs. De Theaterkrant miste ‘een goede personenregie’, Place de l’Opéra repte van een ‘oubollige enscenering’, Het Parool sprak van ‘intellectualistisch 21ste-eeuws regisseursgedoe’ en volgens De Volkskrant zou het ‘verboden moeten worden koorzangers in een opera uit te dossen als partizanen, hezbollahstrijders of separatisten’. – Maar is al die kritiek terecht? Vier antwoorden.

‘Partizanen, hezbollahstrijders, separatisten’

Shakespeare’s tragedie Macbeth, waarop Francesco Maria Piave zijn libretto baseerde, gaat over een veldheer die oppermachtig is op het slagveld en daar uiteindelijk ook aan zijn einde komt. Dat het toneel bevolkt wordt door mannen in uniform, zwaaiend met dolken en Kalasjnikovs, is dus geheel in lijn met het verhaal. Verder is het mij een raadsel hoe je aan iemands kleding kunt zien dat hij een ‘separatist’ is, maar ook daarin kan ik Breth goed volgen. Macbeth jaagt met zijn bloeddorstige schrikbewind de edellieden immers Schotland uit, waarna zij vanuit Engeland oprukken om hem zijn door de moord op Koning Duncan verkregen kroon weer te ontnemen.

‘Intellectualistisch regisseursgedoe’

Elke regisseur probeert duiding te geven en Andrea Breth maakt ook hierin voor mij een legitieme keuze. Zij bombardeert de kinderloosheid van Lord en Lady Macbeth tot kern van hun nietsontziende machtshonger, door in hun slaapvertrek een leeg ledikant met gigaspeelgoedbeer te plaatsen. Zeker, het is een intellectuele vondst die inzoomt op freudiaanse driften, maar plausibel is hij wel.

Consequent uitgewerkt bovendien: wanneer Macbeth en zijn vrouw hun moorddadige plannen ontwikkelen, cirkelen zij keer op keer rond dit lege kinderbed. Als ze besluiten het kasteel van de naar Engeland uitgeweken Macduff in brand te steken, diens vrouw en kinderen incluis, gaat ook de speelgoedbeer in vlammen op. Wanneer Lady Macbeth geplaagd wordt door schuld- en voorgevoelens van het naderende einde, wiegt zij het verbrande beest in haar armen en legt zijn afgeslagen hoofd in de wieg.

Mooi is ook het slot: nadat Macbeth gedood is door de ‘niet uit een vrouw geboren’ Macduff, wordt Duncans zoon Malcolm tot koning gekroond, waarna hij – getooid met kroon – triomfantelijk plaatsneemt in het ledikant. Dat Malcolm (een matig zingende en acterende Vincenzo Costanzo) is uitgedost als Che Guevara, inclusief Havanasigaar, is minder overtuigend.

Voor je verder leest...

Wij doen ons best om onafhankelijke en volledig professionele journalistiek over de wereld van kunst en cultuur te brengen. Journalistiek die al heel veel mensen waarderen, omdat het op zo weinig plekken nog gebeurt. We kunnen daarmee doorgaan als jij lid wordt of ons steunt met een donatie.
Bepaal onderaan zelf hoeveel je wilt bijdragen.

Ronduit lelijk en onbegrijpelijk zijn de momenten waarop Breth ingeblikte stemmen inzet. Zo wordt de brief van Macbeth aan zijn Lady niet door haarzelf voorgedragen, maar horen we een vervormde computerstem onverstaanbare frasen murmelen – de impact gaat volledig verloren. Wonderlijk is ook het moment waarop een groepje musici op het podium een feestelijke muziekje speelt, dat echter diep vanachter de coulissen opklinkt. Al even vervreemdend is het mechanische gezang dat Breth ons voorschotelt wanneer Banco’s zoontje als geestverschijning al zingend een kroon voor zich uitdraagt.

‘Oubollige enscenering’

Het toneelbeeld van Martin Zehetgruber wisselt tussen een veld vol wiegende varens, de gecapitonneerde slaapkamer van Lord en Lady Macbeth en de hal van een kasteel. Als intermezzo toont hij een soort gestapelde kippenhokken wanneer Macbeth de heksen voor de tweede keer raadpleegt. Die varens begrijp ik: de toverkollen houden zich immers verborgen in het struikgewas, en ook de strijders trekken op vanuit het groen.

De geluiddempende wanden in het slaapvertrek geven de scènes tussen Lord en Lady Macbeth een claustrofobisch karakter: het paar is geïsoleerd van zijn omgeving en wat zij bespreken is alleen voor hun eigen oren bestemd. De op een modern bankgebouw lijkende ontvangsthal creëert met zijn grote doorzichtige ramen een grandeur die goed past bij het verhaal. De legbatterij gevuld met driftig in toverspreuken bladerende heksen is een Fremdkörper.

Breth geeft de gruwelijke moordpartijen (te) ingetogen vorm. Toont de teaser voor Macbeth een man die zich tooit met een kroon waaruit liters bloed vloeien, de slachting van Duncan vindt voor ons onzichtbaar plaats. Het meegevoel blijft hierdoor achterwege, maar oubollig is het niet. Ook de dood van Banco wordt onspectaculair verbeeld: de huurmoordenaar richt een pistool op hem en hij valt dood neer.

De bloeddorst van het kinderloze echtpaar wordt gesuggereerd tijdens het feestelijke banket, waar de tafel bezaaid ligt met rode hompen vlees. Ietwat smakeloos en plat, maar oubollig? Waarom Breth controlfreak Lady Macbeth zich in deze scène laveloos laat zuipen is echter niet rechtvaardigen. Storend zijn de vele en lange changementen, die de vaart uit het verhaal halen, temeer daar zij op de meest onverwachte momenten plaatsvinden. Dus onhandig, ja, maar oubollig? Nee.

‘Goede personenregie ontbreekt’

Hier hebben de criticasters een punt, want het drama komt inderdaad nauwelijks tot leven. Het is echter de vraag of dit ligt aan een falende personenregie of aan de gekozen cast. Vooral de twee hoofdpersonen laten het afweten. De Texaanse bariton Scott Hendricks heeft een prima stem en zingt zijn noten keurig, maar daar blijft het bij. Geen moment weet hij invoelbaar te maken hoe hij gedreven door machtshonger steeds verder afdwaalt in een helse nachtmerrie, die hem zelfs zijn vriend Banco doet offeren. Ook als hij in zijn slotaria tot inkeer komt en de kroon vervloekt, weet hij niet te ontroeren.

De Italiaanse sopraan Amarilli Nizza (die een zieke Nadja Michael vervangt) weet Lady Macbeth evenmin vlees op de botten te geven. Verdi vond dat haar personage ‘donker en kil’ moet klinken, ‘als een duivel’. Kil klinkt Nizza zeker: haar stem heeft een wat metalige klank, maar donker en dreigend wordt zij nergens. Zelfs de momenten waarop twijfel, wroeging en uiteindelijk waanzin toeslaan ontberen elke emotionele overtuigingskracht. Haar wapperende vibrato helpt ook niet mee.

Sterk was de Oekraïnse bas Vitaly Kovaljov, die ondanks zijn griep een memorabele Banco neerzette. Niet alleen heeft hij een overweldigende podiumprésence, maar zodra hij zijn mond opendoet hang je aan zijn lippen: hij vertolkt een mens van vlees en bloed. Jammer dat zijn rol zo klein is. Zo mogelijk nog overtuigender was de Koreaanse tenor Wookyung Kim als Macduff. Met zijn prachtige timbre en diepgravende vertolking bracht hij het verdriet om zijn verbrande dierbaren zo indringend over het voetlicht, dat mij de tranen in de ogen sprongen. Kovaljov en Kim kregen na afloop terecht het meest uitbundige applaus.

Ook het Koor van de Nationale Opera zorgde enkele malen voor kippenvel, met name in het klaaglied om het geplaagde Schotland in het vierde bedrijf. Jammer dat het de vaak straffe tempi van Marc Albrecht en het Nederlands Philharmonisch Orkest niet altijd kon bijbenen, wat overigens ook gold voor de solisten en de musici zelf. Er waren mooie soli van klarinet, hobo en andere instrumenten, maar als geheel ontbrak het aan finesse en warmbloedigheid.

Kortom: een topproductie was dit zeker niet, maar de vernietigende kritieken maken de indruk van een potje Breth bashen.