Schrijver Marcel Möring maakte een vliegende start in de literatuur, met zijn bekroonde romans Mendels erfenis (1990), Het grote verlangen (1992) en In Babylon (1997). Maar bij de publicatie in 2006 van Dis, het eerste deel van een trilogie, werd er door de literaire kritiek gehakt van hem gemaakt. Ook het tweede deel Louteringsberg werd overwegend slecht ontvangen. Vandaag verschijnt het slotdeel: Eden.

De goddelijke komedie

Het idee voor Dis, het eerste deel van Marcel Mörings trilogie, ontstond al begin jaren tachtig, toen hij een bevriende fotograaf vergezelde bij het vastleggen van de nacht voorafgaand aan de TT-motorace in zijn woonplaats Assen – in die tijd een gewelddadige aangelegenheid. Dat bracht hem op het idee een roman te modelleren naar De goddelijke komedie van Dante. Diens Hel, Louteringsberg en Paradijs werden bij Möring Dis, Louteringsberg en Eden. Het slotdeel gaat over een jongen die wordt geboren in een oud woud. Hij noch het dorp waarin hij opgroeit heeft een naam. Als hij moet vluchten voor een daad die hij niet heeft begaan, moet hij op zoek naar een nieuw thuis.

De drie delen van de trilogie bevatten weliswaar dezelfde thema’s – zoals identiteit, ballingschap en de zoektocht naar een thuis – maar hebben niet allemaal dezelfde hoofdpersoon en bestaan uit onafhankelijke verhaallijnen. De vorm is ook bijzonder; Möring maakt gebruik van verschillende literaire genres, opmerkelijke typografie en verweeft andere kunstvormen zoals tekeningen, schilderingen en het stripverhaal in de romans. Bovendien zitten ze bomvol verwijzingen naar grote werken uit de wereldliteratuur, waarvan de Divina Commedia van Dante en Ulysses van James Joyce de meest opvallende zijn. Kortom, de drie boeken vormen samen een groots, gedurfd en fascinerend literair experiment zoals je ze niet vaak tegenkomt in de Nederlandse literatuur, en het lezen ervan is een belevenis.

Marcel Möring: ‘Dit is geen klassieke trilogie, met een begin, midden en eind. Zelf noem ik het een mentale trilogie.’

Groots en meeslepend

Aan deze trilogie heb je achttien jaar gewerkt. Ooit zei je dat het je bijzonder vervelend leek om een cyclus te schrijven: ‘Niets voor mij’.

‘Oorspronkelijk wilde ik ook één groot, meeslepend, allesomvattend boek schrijven, maar wat ik wilde vertellen paste gewoon niet in één boek; het werd te complex – literair kunstrijden. Een boek moet altijd toegankelijk en leesbaar blijven, ook als de vorm anders is dan gebruikelijk. Een lezer moet zich erin kunnen verliezen. Dit is geen klassieke trilogie, met een begin, midden en eind. Zelf noem ik het een mentale trilogie. De delen hebben thematisch met elkaar te maken, spelen zich af in het noordoosten van het land, en sommige personages spelen in alle delen een rol. Voor mij bestaat alles wat ik heb geschreven in één en dezelfde wereld in mijn hoofd. Daarom voelt het voor mij heel natuurlijk dat personages opduiken in verschillende boeken, zoals nu bijvoorbeeld Mendel Adenauer uit mijn debuut Mendels erfenis terugkomt in Eden.’

Een meeslepend, allesomvattend boek – je had er vooraf hooggestemde ideeën over.

‘Ja. Niet alleen vanwege het experiment met de vorm en de verhaallijnen, maar ook omdat de boeken een commentaar vormen op de romankunst, de literatuur, en op ontwikkelingen in de samenleving. Eden reageert bijvoorbeeld op het feit dat we liever mensen pillen voorschrijven als ze ongelukkig zijn dan proberen de maatschappij te verbeteren.

De roman gaat over herinnering, verleden en geschiedenis, en het verhaal dat je daarvan maakt, bewust of meestal onbewust. Het verhaal dat we aan elkaar mededelen – wie je bent, waar je vandaan komt, wat je gedaan hebt – is allemaal fictie. Het leven is niet causaal; het is een fragmentarische chaos, waaruit wij zelf een verhaal smeden.

Voor je verder leest...

Wij doen ons best om onafhankelijke en volledig professionele journalistiek over de wereld van kunst en cultuur te brengen. Journalistiek die al heel veel mensen waarderen, omdat het op zo weinig plekken nog gebeurt. We kunnen daarmee doorgaan als jij lid wordt of ons steunt met een donatie. Die bijdrage komt ten goede aan de auteur, in dit geval A Quattro Mani. Zo kan Cultuurpers blijven bestaan!

Bepaal onderaan zelf hoeveel je wilt bijdragen aan het werk van A Quattro Mani.

Eden voelt voor mij als een groot slotakkoord. Het is geworden zoals ik het wilde hebben. Ik ben tevreden over hoe de twee verschillende verhalen door elkaar lopen, hoe ze zonder enige directe link op elkaar inwerken, waardoor er een soort harmonische resonantie optreedt tussen de twee verhaallijnen. Ik ben tevreden over de vormgeving van de roman – die heb ik zelf verzorgd – en over het beeldmateriaal in het boek.’

Marcel Möring: ‘Kritieken richten zich vaak op wat hip en leuk is, maar daar heb ik geen boodschap aan.’

‘Ernstige zeur’

Hoe beladen is dan de verschijning ervan? Dis is door een groot deel van de recensenten met de grond gelijkgemaakt, en ook Louteringsberg kreeg een aantal slechte kritieken.

‘Ik lig er niet wakker van. In Engeland en Duitsland zijn ze wel goed ontvangen en vinden ze dat ik een goed gevoel voor humor heb, terwijl in Nederland men me een humorloze, ernstige zeur vindt. Wat moet ik ermee? Kritieken richten zich vaak op wat hip en leuk is, maar daar heb ik geen boodschap aan. Ik schrijf voor de lezer die niet bezig is met wat er nu weer in de mode is.’

De romans werden een ‘pseudopuzzel voor nepintellectuelen’ en ‘humorloze kitsch’ genoemd. Je werd beschuldigd van ‘aanstellerij’, ‘gefröbel’ en ‘megalomanie’. Je werd ‘een van de slechtste schrijvers van Nederland’ genoemd.

[Lacht] ‘Nee, dé slechtste schrijver van Nederland. En bovendien: een slecht mens.’

Marcel Möring: ‘Wat moet ik daarvan vinden, van iemand die zegt dat ik een slecht mens ben?’

Literaire erfenis

Dat gaat je toch niet in de koude kleren zitten?

‘God, wat moet ik daarvan vinden, van iemand die zegt dat ik een slecht mens ben? Ik ben niet anders gewend. Voordat ik romans schreef, werd er ook al van alles over me gezegd. Ik groeide op in Assen en de ene helft van de stad dacht dat ik homo was en de andere helft dat ik bijna alle vrouwen van Assen had geneukt. En geen van beide was waar. Dus het zal allemaal wel, het kan me niet meer schelen wat mensen van me zeggen. Toen ik mijn eerste roman schreef, dacht ik niet dat het een geweldig businessmodel was en ik er geliefd en erkend mee zou worden. Ik deed het omdat ik het belangrijk vond.

Bij Dis wist ik dat mensen er pissed-off van zouden raken. Ik had gehoopt dat ze er daarna over zouden nadenken waaróm dat het geval was, maar dat is niet gebeurd. Wat wordt er nog gedaan met onze literaire erfenis? We hebben Multatuli gehad, Gerrit Krol, Bert Schierbeek, James Joyce, noem maar op. En waaruit bestaat de literatuur vandaag de dag? Voornamelijk uit boekjes met een begin, een midden en een eind, die dicht bij de werkelijkheid staan. Kleine kutverhaaltjes. Gaat het daar nou om in de wereld? Fictie is een kúnstvorm, geen simpel vermaak voor mensen die even niets anders omhanden hebben. Critici, schrijvers, uitgevers hebben allemaal geïnvesteerd in de roman zoals die vandaag de dag gangbaar is. En dat is een zakkige aangelegenheid.’

Marcel Möring: ‘Fictie is een kúnstvorm, geen simpel vermaak voor mensen die even niets anders omhanden hebben.’

Begin, midden en eind

Te makkelijk, te saai?

‘Ik ben niet geïnteresseerd in de werkelijkheid – dat is het domein van de journalistiek. En ook niet in een verhaal met een begin, een midden en een einde, want in deze wereld bestáát er helemaal geen begin, midden en eind. Gelukkig verschijnen er internationaal wél boeken die weer gebruikmaken van wat de literatuurgeschiedenis heeft voortgebracht en die durven te experimenteren. In Engeland stond bijvoorbeeld Paul Kingsnorth op de longlist voor de Man Booker Prize met The Wake, een roman die in een soort pseudo-Angelsaksisch was geschreven. Bijna geen hond kan dat lezen, zelfs Engelsen niet, het werkt nog het beste als je het hardop leest. Zijn tweede boek heeft juist een soort beckettiaanse, in zichzelf gekeerde, bonkige taal. En zo zijn er meer schrijvers, zoals Jeanette Winterson en Ali Smith. De roman is als compost: de boel moet af en toe overhoop gegooid worden, zodat het kan ademen.’

‘Het loopt zo slecht af!’

In deze trilogie refereer je volop aan de wereldliteratuur, en speel je met het genre, de structuur en vorm van een roman. Dat experiment werd hier dus allesbehalve gewaardeerd.

‘Dat is toch interessant? Waarom is dat zo? In Engeland en Duitsland zijn Dis en Louteringsberg heel goed ontvangen. Waarom zijn we in Nederland zo opgeschoven naar het gemakzuchtige midden? En waarom draait het vooral om het grote geld? Toen ik In Babylon had geschreven, waar algauw honderdduizend exemplaren van waren verkocht, trad ik veel op bij festivals in het buitenland. Na een tijdje dacht ik: ik kom steeds dezelfde mensen tegen, als literair drijfhout dat in een maalstroom rondgaat. Toen mijn Amerikaanse uitgever zei dat hij hoopte dat ik nog een boek als In Babylon zou schrijven, schrok ik. Ik heb een radicale instelling, ben niet goed in grijstinten. Dus als je zoiets tegen me zegt, doe ik vrijwel zonder uitzondering het tegenovergestelde. Ik wil nieuwe wegen vinden. Niet zomaar een verhaal vertellen, want de vorm en structuur zijn óók belangrijk. Ik wil de lezer meenemen naar een andere wereld. Bij In Babylon waren er veel lezers die zeiden: “Het loopt zo slecht af!” Dat is toch vreemd, dat we een hele generatie hebben voortgebracht die teleurgesteld is wanneer een verhaal slecht afloopt? Sinds wanneer lopen dingen goed af in het leven?’

Marcel Möring: ‘Het leven is een fragmentarische chaos, waaruit wij een verhaal smeden.’

Verhalen en identiteit

De vorming van verhalen is een van de grote thema’s van de roman.

‘Het gaat over verleden en geschiedenis, over herinnering en het verhaal dat je daarvan maakt, bewust of – meestal – onbewust. Dat verhaal is wat we aan elkaar mededelen: wie je bent, waar je vandaan komt, waar je ouders vandaan komen, wat je gedaan hebt. Maar dat is allemaal fictie.’

Heeft de hoofdpersoon van Eden daarom geen naam, en komt hij uit een dorp zonder naam?

‘Ja, hij ís een verhaal, dat tot stand komt door zijn zwerftocht door Europa, niet alleen door een gebied, maar ook door de tijd waarin hij leeft. Naast het verhaal van deze man is er de verhaallijn van psychiater Mendel Adenauer, die alleen mensen kan genezen als hij hun verhaal hoort. Dat kenmerkt psychoanalyse meer dan andere vormen van therapie: het draait om iemands levensverhaal. Dat bestaat niet zozeer uit feiten, maar uit de dingen die men over zichzelf vertelt. Het leven zit niet op een analoge, causale manier in elkaar; het is een fragmentarische chaos, waaruit wij een verhaal smeden.’

De wandelende Jood

Wat fascineert je zo aan dat thema?

‘Als je het hebt over wie we zijn, over identiteit, dan komen we al heel gauw uit bij de makkelijkste dingen. Dus: je bent zwart, of je bent Joods, je hebt rood haar of maar één been. Dat is echter slechts een deel van je identiteit. Identiteit is jouw verhaal, jouw geschiedenis, maar ook het verhaal van mensen om jou heen, en dat van de generaties vóór jou. Hoe wij naar de wereld kijken wordt bepaald door ons verhaal.’

In hoeverre heeft jouw thematiek – identiteit, ballingschap en thuis-zijn – met jouw Joods-zijn te maken?

‘Natuurlijk speelt het een rol in mijn leven, al was het maar omdat de actualiteiten van de wereld je voortdurend confronteren met het feit dat dingen toch vaak net iets gaan als het Joden betreft. Ik ben de wandelende Jood in levenden lijve, ik voel me nooit ergens thuis. Ik ben heel vaak verhuisd en kom uit een familie die voortdurend verhuisde. Ik voel geen enkele band of worteling met welke plaats dan ook. Ik dacht dat als ik ouder zou worden, ik me op een gegeven moment wel ergens thuis zou voelen. Maar nog steeds ben ik nergens thuis, op het fobische af. Er is maar één plek die voor mij “thuis” is, en dat is mijn werkkamer. Reizen – zelfs boodschappen gaan doen bij de Albert Heijn – vind ik echt verschrikkelijk. Soms denk ik: als ik nou een huisje buiten koop, in Twente of in Drenthe, misschien ben ik dan gelukkig. Maar zo werkt het helaas niet.’

Is schrijven voor jou een manier om je wel ergens thuis te voelen?

‘Dat denk ik wel. Alleen op mijn werkkamer voel ik me op mijn gemak. Als ik daar binnenga, kom ik in een andere wereld. Gordijnen dicht, lichtje aan, de wanden vol met materiaal dat ik heb verzameld: kaarten, foto’s, boeken. Als kind zat ik altijd op mijn kamer te schrijven. Dat was mijn manier om me te onttrekken aan de werkelijkheid. Ik hou niet van de werkelijkheid en de wereld, en ik heb ook niet zo veel met mensen. Om je ergens thuis te voelen moet je je gewenst voelen. Maar anderen kunnen nog zo tegen me zeggen dat ik gewenst ben, ik geloof daar diep vanbinnen geen zak van.

Dat biedt echter ook onafhankelijkheid, waardoor ik het makkelijk vind om dingen te doen waarvan ik vermoed dat ze me veel kritiek en narigheid zullen opleveren. Mijn volgende roman wordt sciencefiction. Niet met ruimteschepen, maar wel een verhaal dat zich afspeelt in de verre toekomst. Ik kan me het gezeik dat dat gaat opleveren al indenken. Maar ik doe gewoon waar ik zin in heb en wat ik belangrijk vind. Want dat is denk ik de essentie van het leven, dat je streeft naar het uitvoeren van wat jij het allerbelangrijkste vindt. Want je kunt wel gewoon een beetje in die trein blijven zitten en wachten tot het eindstation in zicht komt. Maar besef wel: je gaat maar één keer met de trein.’

 Eden is verschenen bij De Bezige Bij, €19,99