Een code die op een ander moment verschijnt
Governance codes worden meestal geschreven in perioden van relatieve rust, maar zij krijgen pas betekenis wanneer organisaties onder druk komen te staan. De Governance Code Cultuur 2027 verschijnt in een sector die de afgelopen jaren meerdere bestuurlijke conflicten, toezichtsvraagstukken en vertrouwenscrises heeft meegemaakt. Juist daardoor leest deze nieuwe versie anders dan haar voorganger uit 2019. Waar de vorige code vooral een gemeenschappelijke taal voor bestuur en toezicht introduceerde, probeert de nieuwe code zichtbaar dichter tegen de bestuurlijke praktijk aan te kruipen.
De Governance Code Cultuur 2019 betekende een belangrijke stap voor de sector. In het voorwoord werd governance niet uitsluitend gekoppeld aan bestuur en continuïteit, maar nadrukkelijk ook aan vertrouwen en legitimiteit.
“Bewust omgaan met governance is essentieel voor de versterking van culturele organisaties en voor een gezonde sector.”
De code wilde geen verzameling voorschriften zijn, maar een uitnodiging tot reflectie. “Het gaat er niet om dat we alle regels kunnen afvinken, maar of er sprake is van bewust handelen.”
Die benadering heeft de sector veel gebracht. Tegelijkertijd heeft de praktijk laten zien dat bewust handelen alleen niet altijd voldoende is wanneer organisaties in een conflict terechtkomen, wanneer het vertrouwen tussen bestuur en toezicht onder druk staat of wanneer externe belangen zich steeds nadrukkelijker manifesteren.
Van structuur naar gedrag
De belangrijkste verandering tussen 2019 en 2027 is wellicht dat de aandacht verschuift van structuur naar gedrag. De oude code legde sterk de nadruk op rolverdeling en verantwoordelijkheden.
Zij constateerde zelf al dat “er soms verwarring heerst over de taakverdeling tussen bestuur en toezicht” en dat “een scherpere afbakening van de verschillende rollen gewenst” is.
Die observatie blijkt achteraf opmerkelijk actueel.
De nieuwe code bouwt hierop voort door niet alleen te kijken naar bevoegdheden, maar vooral naar de manier waarop bestuurders en toezichthouders hun rol invullen. Werkgeverschap, aanspreekbaarheid, informatievoorziening en tegenspraak krijgen een veel prominentere plaats.
Daarmee sluit de code opvallend goed aan bij de analyse die Sjarel Ex, Jaap van Manen en Harm-Jan de Kluiver maken in Toezicht in evenwicht – Een degelijk fundament voor de kunsten. De auteurs constateren dat de bestaande code “niet altijd aansluit bij de complexe dilemma’s waarmee culturele instellingen worden geconfronteerd.” Zij wijzen erop dat het klassieke model van bestuur en raad van toezicht vaak onvoldoende recht doet aan de werkelijkheid van culturele instellingen, waarin artistieke, maatschappelijke, financiële en politieke belangen voortdurend samenkomen.
Tegenspraak als voorwaarde voor goed toezicht
Een van de sterkste onderdelen van Toezicht in evenwicht is de aandacht voor cultuur en tegenkracht. Onder verwijzing naar de commissie-Halsema schrijven de auteurs dat governanceproblemen zelden ontstaan “in een cultuur waarin een openhartig gesprek en tegenspraak mogelijk is.”
Daarmee verschuift de discussie van formele bevoegdheden naar de vraag of organisaties werkelijk in staat zijn afwijkende geluiden toe te laten. De kwaliteit van toezicht wordt immers niet uitsluitend bepaald door deskundigheid of onafhankelijkheid, maar ook door de aanwezigheid van corrigerende mechanismen.
De auteurs spreken daarbij expliciet over “beperkt zelfreinigend vermogen van de raad van toezicht.” Dat is een belangrijke toevoeging aan de governance-discussie. Niet iedere bestuurlijke crisis ontstaat door een falende bestuurder. Soms ontbreekt juist binnen het toezicht zelf voldoende ruimte voor reflectie of correctie. Wie houdt er immers toezicht op het toezicht?
Wat de praktijk heeft geleerd
De afgelopen jaren hebben verschillende culturele organisaties laten zien hoe kwetsbaar governanceconstructies kunnen zijn wanneer informatie gefragmenteerd raakt en tegenspraak onvoldoende ruimte krijgt. De gebeurtenissen rond het Nederlands Fotomuseum vormen daarvan een zichtbaar voorbeeld. Daar werd duidelijk hoe ingewikkeld de verhouding tussen bestuur, toezicht, medewerkers, stakeholders en publieke opinie kan worden wanneer spanningen oplopen. Signalen bereiken de buitenwereld vaak laat, de raad van toezicht opereert grotendeels buiten het zicht van de organisatie en corrigerende mechanismen blijken beperkt.
Juist op deze punten lijkt de nieuwe code sterker te worden. Transparantie, werkgeverschap, informatievoorziening en zorgvuldige besluitvorming krijgen een prominentere plaats. Dat sluit aan bij een van de kernobservaties van Ex, Van Manen en De Kluiver, die schrijven dat
“veel ontsporingen ontstaan niet alleen door verkeerde keuzes, maar ook doordat onder druk te snel wordt gehandeld.”
Vertraging, reflectie en onafhankelijke toetsing worden daarmee geen teken van bestuurlijke zwakte, maar juist van professioneel bestuur.
Een derde orgaan
Een van de meest interessante voorstellen uit Toezicht in evenwicht betreft de introductie van een zogenoemd derde orgaan. De auteurs constateren dat
“de invloed van stakeholders reëel en vaak bepalend is, maar zelden formeel georganiseerd.”
Dat is een observatie die goed aansluit bij de hedendaagse culturele praktijk. Subsidieverstrekkers, vriendenverenigingen, kunstenaars, financiers, overheden en maatschappelijke partners oefenen allemaal invloed uit op instellingen, maar die invloed blijft vaak informeel.
De auteurs zien daarom ruimte voor adviesraden, geschillencommissies en andere vormen van georganiseerde tegenkracht. Zij schrijven dat zij “een zogenoemd derde orgaan als tegenkracht” willen introduceren om de balans tussen bestuur en toezicht te versterken.
De nieuwe Governance Code lijkt deze ontwikkeling niet letterlijk over te nemen, maar beweegt wel duidelijk in dezelfde richting.
De kwetsbare positie van bestuurders
Een tweede belangrijke ontwikkeling betreft de werkgeversrol van de raad van toezicht. Volgens de auteurs van Toezicht in evenwicht heeft de Wet bestuur en toezicht rechtspersonen de positie van bestuurders juist kwetsbaarder gemaakt. Zij spreken zelfs van een paradox.
“Paradoxaal genoeg is het effect daarvan dat juist het vertrouwen tussen bestuur en raad van toezicht veel kwetsbaarder is geworden.”
De nieuwe code lijkt deze kwetsbaarheid serieuzer te nemen. Zorgvuldige procedures, bemiddeling en conflictbeheersing krijgen meer aandacht. Dat past bij een bredere ontwikkeling waarin governance niet langer uitsluitend wordt gezien als toezicht op bestuur, maar steeds meer als een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van besluitvorming.
Wat nog ontbreekt: de digitale dimensie
Toch blijft er één opvallende blinde vlek bestaan. Zowel de nieuwe code als Toezicht in evenwicht richten zich vrijwel volledig op de menselijke kant van bestuur en toezicht. Dat is begrijpelijk, omdat vertrouwen, werkgeverschap en tegenspraak het fundament van iedere organisatie vormen. Tegelijkertijd opereren culturele instellingen inmiddels in een omgeving waarin digitale afhankelijkheid steeds groter wordt.
Collecties zijn gedigitaliseerd, publieksrelaties verlopen via platforms, AI-toepassingen vinden hun weg naar organisaties en cyberincidenten kunnen de continuïteit van instellingen rechtstreeks raken. De vraag of bestuurders en toezichthouders voldoende zicht hebben op technologie, data, AI en digitale risico’s wordt daardoor steeds relevanter.
Juist in de ‘Age of AI’ zou een aanvullend digitaal addendum op de Governance Code een logische volgende stap kunnen zijn. Niet als een extra hoofdstuk vol regels, maar als een aanvulling op het bestaande denken over verantwoordelijkheid, risico en toezicht. Digitale afhankelijkheid, cyberweerbaarheid, AI-governance en dataverantwoordelijkheid raken immers steeds directer aan de maatschappelijke opdracht van culturele instellingen.
De Governance Code 2027 versterkt de menselijke kant van governance. Toezicht in evenwicht voegt daar tegenkracht en corrigeerbaarheid aan toe. De volgende stap zou kunnen zijn om ook de digitale werkelijkheid van bestuur en toezicht daarin een plaats te geven, omdat culturele autonomie zich tegenwoordig niet alleen afspeelt tussen bestuurders en toezichthouders, maar ook binnen de technologieën waarvan organisaties afhankelijk zijn.
Een belangrijk compliment verdient daarbij Titia Haexma en het team van Cultuur+Ondernemen. Het actualiseren van een governancecode in een sector die bestaat uit kunstenaars, makers, bestuurders, toezichthouders, subsidiegevers en een groot aantal eigenzinnige instellingen is geen eenvoudige opgave. Juist de cultuursector kent een sterke traditie van autonomie, interpretatie en maatwerk. Dat het is gelukt om een breed gedragen actualisering tot stand te brengen die zowel richting geeft als ruimte laat, mag een prestatie van betekenis worden genoemd.
Ook Sjarel Ex en Jaap van Manen verdienen erkenning voor hun vasthoudendheid. Hun eerdere analyses en het vervolgonderzoek Toezicht in evenwicht hebben eraan bijgedragen dat een aantal lastige gesprekken niet hoeft te wachten tot de invoering van de nieuwe code in 2027. Door concrete voorstellen te doen over werkgeverschap, geschillenprocedures, tegenkracht en de positie van bestuurders brengen zij de discussie van principes naar praktijk. Daarmee ontstaat ruimte om nu al te oefenen met het toezicht van morgen.
Voor de Nederlandse Vereniging van Toezichthouders in Cultuur ligt daarbij eveneens een belangrijke rol. Onder voorzitterschap van Jurenne Hooi zal de komende jaren ongetwijfeld intensief worden gewerkt aan de verdere professionalisering van toezicht in de sector. De combinatie van een vernieuwde code, een hernieuwd gesprek over tegenkracht en een groeiende aandacht voor opleiding en professionalisering biedt de culturele sector een kans om bestuur en toezicht niet alleen zorgvuldiger, maar ook toekomstbestendiger vorm te geven.
Want uiteindelijk is governance in de cultuur geen systeem van regels. Het is een voortdurend gesprek over vertrouwen, verantwoordelijkheid en maatschappelijke legitimiteit. De nieuwe code brengt dat gesprek verder. De praktijk zal de komende jaren laten zien welke nieuwe vragen, naast de digitale, zich vervolgens alweer aandienen.



