10 dagen festival Boulevard. Ik heb me erin gestort. Ik heb 14 voorstellingen gezien, een boel hoeken van Den Bosch (en Tilburg) van dichtbij gezien en meer verschillend theater meegemaakt dan gewoonlijk in een half jaar. Ik heb ook meer friet gegeten dan goed voor me is, meer bier gedronken dan doorgaans en genoten van het afluisteren van gesprekken van festivalbezoekers.

Boulevard is een festival dat gedragen wordt door de hele stadsbevolking. Natuurlijk, er zal weleens iemand een opmerking maken over ‘mijn belastingcenten’. Die klagers zijn hier in de minderheid, omdat de bevolking ook trots is op de manier waarop Den Bosch in het zonnetje wordt gezet. Bovendien: omdat het festival goed geslaagd is in het verlagen van de drempels, kost het relatief weinig geld om in een van de tentjes op het centrale plein te controleren of die centen van jou goed besteed zijn.

Investering

In en om De Parade onder de Sint Jan heb ik geen wanklank gehoord. Niet alles is mooi, goed en perfect, van de 134 voorstellingen heb ik er 14 gezien, waarvan zeker drie onder de maat. Maar het grappige is dat dat er op een festival minder toe doet dan in een regulier kunstseizoen. Daar kan één slechte avond een bezoeker heel lang ontmoedigen, omdat die ene avond zoveel meer aan investering in tijd en geld kost dan die paar dagen die je doorbrengt bij een festival. Op een festival vier je de veelkleurigheid van kunst, op een avondje uit doe je mee aan de loterij die de moderne kunstpraktijk nu eenmaal ook is: het kan tegenvallen, en dan is dat een dure tegenvaller, niet eens zozeer in geld, als wel in bedorven humeur.

Daarom is het eigenlijk niet meer dan logisch om de kunstwereld nog verdergaand te festivaliseren dan nu al gebeurt. Dat betekent dat we iets met die gebouwen moeten gaan doen, waarin we in het koude seizoen onze kunst vertonen. Maak een eind aan de eenzaamheid van die gebouwen. Hoe pakken we dat aan? Ik heb vijf lessen geleerd, die ik graag met je deel.

1: Foodtrucks ok, maar vergeet Ome Joops Kroketten niet

Een festival is altijd elitair. Of het nu de Death-Metalelite is op een Death-Metalfestival, de Frans-Bauerelite op een Frans-Bauerfestival of de Hollandse elite op het Holland Festival: juist het gevoel dat je iets samen deelt, samen meer weet dan de rest, dat je even ‘onder ons’ bent, is deel van het festivalsucces. Die elites zijn inwendig wel heel gedifferentieerd. Zorg dus dat je de natjes en de droogjes divers genoeg maakt, want eten en drinken is iets waar mensen minder flexibel mee zijn, dan met kunst: dure vegaburgers van Chiazaadjes: doen, maar zet daarnaast ook een ouderwets frietkot. Ik had in Den Bosch een keertje haast tussen twee voorstellingen, en de rij voor de luxepatat was te lang. Gelukkig was er net buiten het terrein nog een gewone frietkraam. Minder superkwaliteit, maar de maag was gevuld, de bezoeker gerustgesteld

2: Doe heel erg veel

Boulevard heeft 134 programma-onderdelen: gemiddeld 13 verschillende nieuwe dingen per dag. Dat zou teveel kunnen zijn, maar dat is het niet. Iedereen kan kiezen, en de overdaad maakt de mensen ook ontvankelijker voor iets nieuws. Zolang je de prijzen betaalbaar houdt, wordt cultuurshoppen makkelijker, en verlaag je de drempels.

Voor je verder leest...

Blij met dit verhaal? Klik dan op 'like' en maak Facebook rijk.

Of:


Klik op 'lid worden' en maak Cultuurpers sterk.

3: Maak van die schouwburg een festivalpaleis

In Den Bosch was het Theater aan de Parade tijdelijk dicht wegens het Bossche asbestspook. Daardoor kon de lokale stadsschouwburg niet meedoen aan het feest. Iets wat andere jaren wel gebeurde. Dus kijken we even hoe ze dat in Utrecht doen. En dan kijken we even niet naar de Stadsschouwburg daar, maar naar multimuziekzaal TivoliVredenburg. Dat is een 21ste eeuws gebouw geworden, dat eigenlijk alleen echt tot leven komt als er in alle verschillende zalen wat gebeurt. En dat is precies hoe we het uitgaan overal moeten gaan organiseren. Elke avond moet een compact festival zijn, elke avond moet teveel aanbod hebben voor totaal verschillende doelgroepen en zo dicht mogelijk bij elkaar. Kijk maar eens hoe de Parijse Boulevards bloeiden, of 42nd street, ooit.

4: Meng alle kunsten

Lettermensen zijn anders dan beeldmensen en dansmensen hebben weinig met toneel. Liefhebbers van modern klassiek hebben niets met punk. Toch, als ze samenkomen op een festival veranderen ze in ‘festivalbezoekers’ en kunnen ze elkaar besnuffelen. Dat werkt. Soms verdiept de kloof zich, maar vaker wordt er ergens een bruggetje geslagen. En zo niet: zolang het maar een aangename dag is, maakt het weinig uit.

5: Subsidieer een punkband

Dit alles kost natuurlijk handenvol geld. Maar het hoeft niet eens zo heel veel meer te kosten dan wat we daar 6 jaar geleden voor over hadden. Zolang we er maar voor zorgen dat die investering in ‘festivalpaleizen voor iedereen’, voor ‘volksfeesten op het plein’ ook duidelijk voor iedereen toegankelijk is. Haal dus die drempels weg. Enne, als niets anders helpt: subsidieer een punkband. Bij alle discussie over subsidies is dat misschien wel de slimste zet geweest van het veelgeplaagde Fonds Podiumkunsten. Als een succesvolle punkband subsidie kan krijgen, krijgen de advocaten van ‘succes betaalt zichzelf, kijk maar naar de popmuziek’ het een stuk moeilijker om hun punt te maken. En dat is een goed ding. Het gooit de discussie over wat we met onze topkunst willen weer eens lekker open, zoals een bijna-overwinning in Rio dat met de sport doet.

Zelf nog iets geleerd? Laat het hieronder weten.