Meteen naar de inhoud

Erik Whien beweegt mee op de inclusiegolf, in dialoog

Bepaal zelf de waarde!

We bieden je dit verhaal gratis aan. Om dat te kunnen doen hebben we jouw steun nodig.
Lees het verhaal, bepaal zelf onderaan wat dit verhaal je waard is. En doneer. Zo blijft deze site bestaan.


Directeur Alida Dors zet bij Theater Rotterdam in op inclusie. Wat betekent dit voor een 44-jarige witte regisseur met groot succes met een traditioneel publiek, zoals nu met ‘Verdriet is het ding met veren’? Een vraaggesprek.

“Het theater van Erik Whien draait om de mens. Om het hoofd en alles wat daarin gebeurt. Elk mens heeft gedachten, in de geest kunnen we oneindig ronddwalen en nadenken. Soms is dat bevrijdend, helpt het bewustzijn ons om niet in alledaagsheid te verdrinken. Maar minstens zo vaak slaat ons hoofd op hol en lopen we vast.”

André van Duijn

Het treffende citaat komt uit de aankondiging van ‘Verdriet is het ding met veren’ van Theater Rotterdam. Het stuk van Whien naar de succesvolle debuutroman Grief is the Thing with Feathers van de Londenaar Max Porter gaat op tour (speellijst) na eerder  door corona in de wielen te zijn gereden. Het verhaalt over een vader (Jacob Derwig) en twee zonen (Minne Koole en Romijn Scholten) die proberen verder te leven met de dood van zijn echtgenote en hun moeder. Rauw en liefdevol, en bovenal een indringend verhaal over verdriet

Erik Whien (1978) groeide in de Betuwe op als zoon van een postbeambte en huisvrouw en was een jeugdige fan van André van Duin, Theo en Thea en Van Kooten en de Bie. Hij werd toegelaten tot de Toneelacademie Maastricht en was na afstuderen in 2000 eerst bijna tien jaar acteur alvorens zijn talent te vinden als regisseur. Whien reeg successen aaneen bij Toneelschuur, Oostpool, Zuidelijk Toneel en nu afwisselend bij Theater Rotterdam en Het Nationale Theater.

Hoe gaat het?

“Heel goed, we zijn heel blij dat we ‘Verdriet’ kunnen hernemen, en direct in een volle zaal in Rotterdam. We mochten de voorstelling in 2021 doen met ‘testen voor toegang’ en voor een livestream, maar je maakt de voorstelling voor publiek.”

Wat vind jij aan het vak van regisseur zo leuk?

“Ik vond het jarenlang allesbehalve leuk, dat is iets van de laatste jaren. Ik heb m’n talent in het overzicht ontdekt, het past bij m’n karakter om te regisseren. Nu ik wat ouder word, wat ontspannener in het werk, duw ik minder en slaag er beter in om een verhaal te vertellen. Ik heb minder toeters en bellen nodig terwijl de impact toch groter wordt. Het communiceert beter met de zaal. Ik zit wel in de vette jaren.

Handtekening

En leuk is het toch om de baas te zijn, niet dictatoriaal, maar dat je de lijnen mag uitzetten en ook nog aan de touwtjes mag trekken om het op jouw manier uit te voeren. Als je acteert, ben je een onderdeel. Nu mag ik van licht tot kostuums, me overal tegenaan bemoeien. Dat past mij wel.”

Waarom was het eerder niet leuk?

“Ik was nog zo op zoek naar m’n stijl en eigen weg. Elke voorstelling had een andere uitkomst, omdat je stijlen van anderen leent, zoekende bent naar je handtekening. Dat heeft zich nu uitgekristalliseerd. Het is nog niet in beton gegoten en ik wil open blijven staan voor verrassingen. Ik heb ook een team van acteurs met wie ik vaker mag werken, en kan meer en meer m’n eigen stijl tonen. Ook anderen zien: dat is onmiskenbaar een voorstelling van hem. Tien jaar geleden had het ook van een ander kunnen zijn. Nu vallen m’n stukken samen met wie ik ben als persoon.”

Hoe selecteer je je stukken?

“Van het boek van Porter las ik toevallig een recensie. Dat is vaak zo. Eerlijk gezegd is het zoeken naar goed materiaal een kwelling. Ik heb ook misgrepen gekend, dat ik in week van de repetities ontdekte: dit had ik eigenlijk niet moeten doen. Dan is er geen weg meer terug. Maar ook de selectie van stukken komt dichter bij mezelf te liggen. Materiaal kiezen is een intuïtief klusje.”

Welke stukken had je het gevoel van een misgreep, en welke juist niet?

“Bij Toneelschuur hadden we gesprekken dat ik meer repertoire zou doen. Ik koos precies het verkeerde stuk, te lethargisch. Privé zat ik niet goed in m’n vel, en dat raakt je werk altijd. Dus dat stuk kreeg ik maar niet aan de praat. Ik leerde ervan, want keuzes daarna, zoals De Wereldverbeteraar, waren juist goede grepen.”

Wat ga je komende jaren maken?

“Ik blijf graag bij Beckett, m’n grote liefde. In Den Haag ga ik ‘Happy Days’ doen met Antoinette Jelgersma en Jaap Spijkers. En ik heb nog een stuk van hem op het oog en iets van een nieuwe Amerikaanse schrijver. In Rotterdam werk ik verder met Anoek Nuyens, met wie ik De Zaak Shell maakte. We gaan voor Theater Rotterdam een nieuw project rond Tata Steel in IJmuiden doen.”

Rustig najaar

O ja, Every Brillliant Thing met Bram [Suijker] en Tamar [van den Dop] gaan we hernemen bij HNT, ook Revolutionary Road komt terug, bij Theater Rotterdam. Daarmee eindigen we zelfs een paar keer in Carré. En ik doe ook nog een solo met Romana Vrede: ‘Tijd zal ons leren’.

Is zo’n enorme hoeveelheid werk te doen?

“Na een rustig najaar wordt het wel even knallen. Het is te overzien, met wat hernemingen. Tata, Happy Days en Romana zijn drie solovoorstellingen die ik goed aankan.”

Ook De Wereldverbeteraar met Sanne den Hartogh solo beviel je zo goed…

“Ja, grappig he? Überhaupt speel ik graag voorstellingen met weinig mensen en dan heel intensief. Ik zat bij Verdriet is het ding met veren in de zaal en dacht: “Tsjonge, wat een klein clubje voor zo’n grote zaal.” Toch werkt het.”

Hoe ga je om met je opdrachtgevers TR en HNT naast elkaar? En blijf je dat doen?

“Zeker, als het aan mij ligt wel. Ik werk afwisselend een half jaar voor Rotterdam en Den Haag. De eerste heeft geen eigen ensemble en HNT wel. In Rotterdam zoek ik ze zelf uit, wat fijn is, in Den Haag heb ik de luxe van een mooi, divers  getalenteerd gezelschap.”

In Rotterdam belandde je midden in de ellende van de fusie van RO Theater, Rotterdamse Schouwburg en Productiehuis Rotterdam tot ‘Theater Rotterdam’, en was daar open over: “Wij als makers en de crew hebben doorgeploeterd in zeer ongunstige, frustrerende werkomstandigheden, waarin we maar net ons hoofd boven water konden houden.” Hoe kon en kun je doorgaan?

“Dat was makkelijk, want binnen de muren van een repetitielokaal ben ik daar niet mee bezig. Je verdwijnt in je dagelijks werk. Het is de kunst om, als je de deuren opent, je niet te laten meeslepen door de politiek, reuring en stress van dat stuurloze gezelschap toen. Ik kon m’n rug naar die organisatie zetten. Zo kon ik juist in die roerige jaren m’n beste voorstellingen maken in Rotterdam, ook geholpen door kleine clubjes om mee te werken.”

Je komt nuchter over, kiest je eigen weg?

“Ik voel me ook een autonome maker in het veld. Ik heb ook een paar keer eens op een kruispunt gestaan dat ik artistiek leider dreigde te worden. Ik weiger die aanbiedingen voorlopig uit eigen belang. Als je mij in een politieke arena zet met vergaderingen dan word ik ongelukkig. Ik wil maken, wil repeteren. Dat is een luxepositie. En over vijf jaar kan ik er heel anders over praten.”

Ik herken dat, stopte met een journalistiek bedrijf om weer louter zelf te gaan maken…

“Je moet dus inzien waar je kern ligt en voor jezelf de mogelijkheden om te maken faciliteren. Soms bekruipt je ambitie of verantwoordelijkheidsgevoel om een plek te pakken of omhoog te willen bewegen, liever niet.”

Alida Dors (45) die als nieuwe artistiek directeur Theater Rotterdam (TR, 11 miljoen subsidie) alsnog tot een succes mag maken sprak in een vraaggesprek in de Volkskrant over de koerswijziging met de, heden ten dage onvermijdelijke, nadruk op “diversiteit en inclusie”. Las jij dat als traditionele, witte regisseur van 44 jaar als bedreigend?

“Dat is een goede vraag hoor, maar ik las het vooral als realistisch en eerlijk. Ik wil als maker helemaal meegaan in dat verhaal. Op alle vlakken moet het gelijkwaardiger. En ja, ik word me dan bewust van m’n eigen identiteit, man en wit, met als consequentie dat ik niet kan zeggen: heel goed, maar ik blijf sowieso. Anders is er geen beweging, zit het potdicht.

Alida Dors

Met Alida voer ik een open gesprek, want ze heeft een missie en zoekt bewegingsruimte met ook de vaste makers als onderwerp. Ze gooit me niet zomaar op straat, maar gaat de dialoog met mij aan. Ze is ook benieuwd met welk soort acteurs ik wil werken. Ik wil ook niet-witte acteurs opnemen, ander publiek aanspreken. Ik wil niet een soort witte enclave zijn met witte acteurs voor een wit publiek. Mijn gesprekken met Alida inspireren me. Ze daagt me uit.”

Dit gaat over identiteit, maar de sociaal-economische verschillen keren terug in het debat. Toneel is voor de rijken met de nodige vinkjes. Moet daar iets aan gedaan worden, en hoe?

“Onlangs met de première van Verdriet had ik echt het gevoel dat behalve de traditionele doelgroep ook de nieuwe generatie er zat, met We Are Public waarmee jongeren met 10 euro entree krijgen. Primisi van Alida ging in première met hoofdzakelijk gekleurd publiek. Voorzichtig komt er een verandering die hopelijk doorzet. Het is soms nog wat geforceerd, ook een zaak van marketing, wie benader je. Eric de Vroedt in Den Haag is daar ook erg mee bezig. Met Romana komt er straks ook een heel ander publiek.  Ik hoop dat het samenkomt, dat Jacob en Romana samen in een stuk staan en het publiek ook mixt. Dat zou winst zijn…”

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Peter Olsthoorn

Freelance journalist, doet interviews en wetenschap voor Intermediair; schrijft en spreekt over onder meer digitalisering, data-analyse, fraude en media voor dagbladen/congressen; recenseert toneel; en is dagelijks dankbaar.Bekijk alle berichten van deze auteur