Altijd fijn als iemand een commissie instelt die een oplossing moet bieden voor alle problemen. De Nederlandse theatersector heeft dat een paar maanden geleden gedaan. Onder leiding van oud-minister Guusje Ter Horst hebben Rinda den Besten (oud-wethouder Utrecht), Sadik Harchaoui (Forum) en Ryclef Rienstra (VandenEnde Foundation) onderzocht wat er allemaal beter kan in de relatie tussen het theater en het publiek. Die twee schijnen elkaar steeds vaker mis te lopen. De onderzoekers kwamen vandaag met een dik rapport, waarin zevenendertig dingen staan die beter moeten.

Zevenendertig verbeterpunten

Zevenendertig is heel erg veel. Te veel ook. Zevenendertig verbeterpunten is bij een APK voor je auto een reden om het oude hoopje schroot naar de sloper te brengen en een nieuwe auto te kopen. Of fiets. Dat willen we niet met het theater. Daarom is de vraag vooral: waarom is de commissie niet met een concreet lijstje gekomen? Het antwoord laat zich eigenlijk wel raden: geen sector zo tot op het bot verdeeld als de Nederlandse theaterwereld. In plaats van samen te werken, een woord dat in 17 van de 37 aanbevelingen expliciet wordt genoemd, concentreert men zich liever op de eigen uniekheid en gaan theaters de concurrentie met elkaar aan op gronden waarop voor een gewone buitenstaander helemaal niet te concurreren valt.

Probleem is natuurlijk dat uniciteit decennialang een reden was waarop je door de subsidiegever werd afgerekend. Niet uniek, dan geen geld. Docenten op de kunstvakopleidingen vonden uniek zijn daarom ook belangrijker dan samenwerken. Uniciteit zit in het DNA van de Nederlandse kunsten. Maar sinds een tijdje moet er dus worden samengewerkt.

De avond voorafgaand aan de presentatie van het rapport was er in hetzelfde gebouw, dat van Het Nationale Toneel in Den Haag, een discussie-talkshow over samenwerking. Inleider Paul Adriaanse, bestuurswetenschapper, zette met zijn keynote meteen al de toon: samenwerken mislukt altijd, fusies leveren zelden meerwaarde. De enige manier waarop er werkelijk iets tot stand komt is wanneer alle betrokken partijen uit volle overtuiging, en uit vrije wil, samen iets helemaal nieuws gaan doen. In alle andere gevallen, zo hield de Utrechter zijn gehoor voor, is het verspilde moeite.

In de prullenbak?

Kunnen we daarom dit rapport al in de prullenbak gooien voordat de inkt goed en wel droog is?

Voor je verder leest...

Wij geloven in onderzoeksjournalistiek over cultuur. Het is geen onderwerp waar je enorm populair mee wordt. Reden waarom de meeste media alleen die paar sensationele berichten meenemen, maar niet verder kijken. Cultuurpers richt zich juist op die verhalen die voor de cultuurwereld belangrijk zijn, maar die de grote media te klein vinden. Dat kunnen we alleen volhouden als jij meedoet. Door ons tips te geven, maar ook als je lid wordt of ons steunt met een donatie. Houd de cultuurwereld scherp!

Bepaal onderaan zelf hoeveel je wilt bijdragen. Geef 2,50, 10 euro of meer!

Eigenlijk wel, al staan er een of twee suggesties in die redelijk nieuw zijn voor een rapport met zo’n achterban: de gemeentelijke overheden krijgen namelijk de aanbeveling te stoppen met het bouwen van nieuwe grote theaters. Ik had graag gezien dat dit de enige aanbeveling was geweest. De overvloed aan grote theaters in elk dorp van Nederland met meer dan 150 inwoners is de oorzaak van bijna alle ellende. De gemiddelde Nederlander kan in een straal van 25 kilometer rond haar huis al kiezen uit soms wel tien grote, goed geoutilleerde, hoogst moderne schouwburgen met meer dan zeshonder stoelen. Dat is te veel.

Ik heb al eerder betoogd, ondersteund door zeer degelijk wetenschappelijk onderzoek, dat er in Nederland plek is voor een stuk of tien schouwburgen met zo’n grote zaal. Zet je er tachtig neer, is het enige gevolg dat ze allemaal leger staan. Het publiek dat voor zo’n gebouw het huis uit komt is namelijk al sinds de tellingen begonnen (1679) procentueel gelijk: middelbare leeftijd, hoog inkomen, goed opgeleid, bovenmatig cultureel geïnteresseerd en stedeling. Vreemd genoeg blijkt dat ook uit de gegevens die de onderzoekers vonden. Zij proberen alleen winstkansen te zien in de grote groep inwoners die aangeeft best wel eens geneigd te zijn tot bezoek. Maar daar is het moeilijk op sturen.

Natuurlijk moeten we zorgen dat dat publiek blijft. En zeker moeten we erop toezien dat ook de potentiële toeschouwers uit alle nieuwe minderheden van ons land zich thuis zullen gaan voelen in die gebouwen, maar elke inspanning om dat totale aantal procentueel te verdubbelen of meer (wat nu nodig is) leidt tot niets. Of tot een extreem bezuinigende overheid, zoals we de afgelopen jaren hebben gemerkt.

Daar verander je met samenwerking helemaal niets aan.