Fictie | Afscheid van Zsömle | László Krasznahorkai | Vertaald door Mari Alföldy | Wereldbibliotheek, € 26,99 | 253 blz.
Een verhaal van 252 pagina’s, verteld in slechts enkele zinnen – alleen de heel grote schrijvers weten dat tot een leesbaar verhaal te maken. De nieuwe roman van László Krasznahorkai, die vorig jaar de Nobelprijs voor de Literatuur won, is niet alleen bijzonder van vorm, maar bovendien zeer actueel van inhoud.
De Hongaarse auteur László Krasznahorkai (72) kreeg vorig jaar de hoogste literaire eer die er is toegekend voor zijn ‘meeslepende en visionaire’ oeuvre, waarin hij ‘een donkere levensvisie paart aan uitzonderlijke taalkundige vitaliteit’. Die lovende woorden maakt de schrijver ook met zijn nieuwste roman Afscheid van Zsömle (2024) weer meer dan waar. Dit boek, knap vertaald door Krasznahorkais vaste vertaalster Mari Alföldy, houdt een spiegel voor. En dat is, ondanks de subtiele humor, geen lachspiegel.
Hoofdpersoon van Afscheid van Zsömle is de 91-jarige Jószef Kada, die met zijn hond Zsömle in een oud huisje woont op een berg in een afgelegen dorpje in Noord-Hongarije. Dit ‘meneertje Kwiek-en-vief’, zoals de dorpelingen hem noemen, is ervan overtuigd dat hij een verre nazaat is van de dertiende-eeuwse Hongaarse koning Bela IV én een kleinzoon van de kleinzoon van de Mongoolse heerser Dzjengis Khan. In 1944 zou Jószefs recht op de troon zijn bevestigd met een geheime kroning. Naast een oorlogsheld is Jószef ook tot ridder geslagen in de Internationale Ridderorde van Sint-Joris.
Zou de bezorging van het ridderzwaard zijn ware identiteit hebben verraden, vraagt Jószef zich af. Want op een avond klopt er een groepje mensen bij hem aan, leden van organisaties als Wereldnationale Partij voor de Volksheerschappij, Lia voor de Hongaarse Monarchie, Bloed en Eer of Pijlen der Hongaren, die hun hoop hebben gevestigd op hem: hun ‘Majesteit’ moet Hongarije uit het slop te trekken waarin het is weggezakt. Zij zien in hem, als koning Jószef I, de beste kandidaat om het land te leiden naar de ‘Waarachtige Hongaarse Toekomst’, die beter moet zijn dan onder Viktor Orbán. Jószef, die zich door hen zolang ‘oom Jószi’ laat noemen, is gevleid. Gaandeweg neemt het plan echter radicalere vormen aan en blijkt dat de monarchisten een gewelddadige aanslag beramen. De samenzwering loopt niet goed af; de monarchisten worden gearresteerd en oom Jószi wordt opgesloten in een psychiatrische instelling.
Afscheid van Zsömle is een typische Kraszanahorkai: een roman over waan en werkelijkheid, geschreven in zinnen die gerust meer dan twintig pagina’s kunnen beslaan. ‘De figuren van mijn romans willen dringend iets vertellen,’ zei de schrijver enkele jaren geleden in een interview met deze krant, ‘hier passen alleen komma’s, geen punten.’ En zo schreef hij ook dit boek: zonder punten, behalve aan het einde van een hoofdstuk.
Aan het woord is vooral Jószi zelf; zijn dwingende monologen zonder pauze doen denken aan die van andere hedendaagse wereldleiders die hun leugens en fantasieën verkopen voor waarheid. Ook roept het verhaal de verijdelde staatsgreep in herinnering van de Duitse rechtsextremistische Reichsbürger-beweging, die onder leiding van een oude prins de democratie omver wilde werpen.
Dat maakt de roman hoogst actueel. Afscheid van Zsömle is een bespiegeling op hoe nationalisme en extremisme steeds weer de kop op steken, hoe makkelijk mensen zich door een nostalgisch verlangen of andere motieven laten misleiden en hoe bereid sommigen zijn om de democratie omver te werpen. Een waarschuwing verpakt in een levendig, geestig en soms ook ontroerend boek.



