Fictie | Augustus | Alfred Birney | De Geus, € 25,49 | 272 blz.
Augustus heet de geslaagde nieuwe roman van Alfred Birney, die draait om een leraar Nederlands die verdacht wordt van ontucht met een leerlinge.
Tien jaar geleden is het alweer dat schrijver Alfred Birney, die deze maand 75 jaar wordt, zijn indrukwekkende roman De tolk van Java publiceerde. Het boek werd bekroond met de Libris Literatuurrijs en de Henriette Roland Holstprijs, en betekende zijn definitieve doorbraak naar het grote publiek – het werd een bestseller. Maar kort daarna belandde hij door een hartinfarct in het ziekenhuis, en moest hij een bypassoperatie ondergaan. Het herstel duurde lang, maar zijn ziekenhuisperiode leverde wél een roman op, In de wacht (2020), een innerlijke monoloog van een man die in een ziekenhuisbed ligt te wachten op een operatie.
Dat kan Birney goed, het schrijven van een boeiende stream of consciousness. Ook zijn nieuwe roman Augustus, de opvolger van In de wacht, is in feite één lange monoloog van een ik-verteller, een kluwen van herinneringen en gebeurtenissen die soepel dooreen worden geregen.
De verteller is Augustus Kroos, kortweg August of Guus, vernoemd naar de dag waarop hij als baby te vondeling werd gelegd. August is leraar Nederlands op een middelbare school, maar hij is op non-actief gesteld omdat het vriendje van zijn leerlinge Tara, die bijles van hem kreeg, beweert dat hij hen samen op bed heeft aangetroffen. Dat klopt, zegt August, maar dat was niet wat het leek: hij en Tara hadden na de bijles een film gekeken en waren in slaap gevallen. Ook de bewering dat hij de jongen vervolgens met geweld het huis uit had gewerkt, is volgens hem onwaar; de jongen is gewoon erg jaloers. Maar ja, als volwassen man heb je de schijn tegen, en dus zit August thuis en moet hij zijn verklaring op schrift stellen voor een mediator. Hij heeft er weinig fiducie in dat het zal helpen zijn baan te behouden, want het publieke oordeel is al geveld. En dus houdt August zich niet in; het verweerschrift van maximaal tien kantjes wordt een dagboek.
Zo leren we een man kennen die al vanaf geboorte ontheemd is. Te vondeling gelegd, opgegroeid in een internaat en ook nog een verblijf in een tuchthuis – hij blijkt al eerder van seksueel grensoverschrijdend gedrag te zijn beschuldigd. Vileine zinnen als ‘Op een koude zondag werden we gedoopt (…), terwijl de kerkgangers in hun fraaie zondagse kledij ons ijskoud richting de hel staarden’ verbeelden fraai de grondverf van zijn bestaan.
Met heimwee kijkt August terug op zijn verloren liefde Kasia, die hij heeft laten gaan omdat zij kinderen wilde en hij niet. Kasia trouwde met een andere man, en stierf vlak na de geboorte van haar kind. ‘Ik geloof nog altijd dat Kasia niet voortijdig zou zijn gestorven als ik bij haar was gebleven,’ schrijft August. In zijn isolement heeft hij zijn oude hobby weer opgepakt, het houden van meervallen in een aquarium. Het raadselachtige dier dat vaak symbool staat voor het onderbewuste en overlevingskracht, maar in het werk van Birney ook voor het verlangen naar liefde en de onbereikbare, ondoorgrondelijke vrouw. Dan, tegen het contactverbod, duikt ook Tara weer op. En krijgt dit goed geschreven, onderhoudende verhaal een verassende wending.



