Een ontspoorde jongen die zijn traumatische verleden van zich af schrijft en op eigen kracht uitgroeit tot een bestsellerschrijver – dat klinkt als een heldenverhaal. Maar kom bij Lex Paleaux (49) niet aan met bewondering of medelijden. ‘Ik zou zó graag eens waarachtig blij willen zijn.’
‘Ik doe het niet meer, maar in mijn vroegere leven had ik jou nu al drie keer kunnen rollen,’ zegt Paleaux met een knipoog. Liegen en stelen heeft hij niet meer nodig; de geboren Fries, die met zijn dochtertje in Haarlem woont, is tegenwoordig een goedverkopende auteur en veelgevraagd spreker. Niet slecht voor iemand die ooit in een kliko in een park in Amersfoort woonde.
Sinds zijn debuut met de roman Winterwater (2020) gaat de schrijverscarrière van Lex Paleaux als een speer. Hierna volgden Als de dood zucht (2023) en Liften naar de hemel (2024), dat werd genomineerd voor de NS Publieksprijs en bekroond met de Boekhandelsprijs. Inmiddels zijn er meer dan 120.000 exemplaren van verkocht, wordt het verfilmd en in vertaling uitgebracht in Amerika en Canada. In vijf jaar tijd groeide Paleaux uit tot een bestsellerauteur – en dat allemaal zónder noemenswaardige media-aandacht.
Samen vormen de romans een coming-of-age-verhaal over een jongen die na een traumatische gebeurtenis afglijdt en op straat belandt. Paleaux’ nieuwe boek In het licht van de leugen gaat verder waar Liften naar de hemel ophield. Hoofdpersoon Quintin lijkt zijn leven op de rit te krijgen. Een baan, een vaste relatie en een kindje op komst geven hem stabiliteit. Toch ontspoort zijn leven opnieuw.
Voor iemand zonder opleiding ligt het beroep van schrijver niet voor de hand. Hoe kwam je daar toch bij uit?
‘Ik had een dag op de markt gewerkt, en in plaats van geld zat er een boekenbon in mijn envelopje. Ik was boos, want daar kon ik geen eten voor kopen, maar ging toch naar de boekwinkel. Bij de kassa lag Ik omhels je met duizend armen van Ronald Giphart. De directheid en oprechtheid van het verhaal troffen me met een mokerslag. Daar lag ik met mijn boek, in mijn kliko in het park. Zo werd het eerste zaadje geplant. Ik omhels je met duizend armen is mijn heilig graal. Zonder Giphart was ik nooit schrijver geworden.’
Hoe ontdekte je dat je talent had?
‘Op een nacht in een nieuwe woning kon ik niet slapen door alle geluiden van het huis. Om dat ongemak te verdrijven begon ik die geluiden te beschrijven in een kort verhaal. Toen ik het vervolgens op Hyves plaatste, het socialemediaplatform van die tijd, kreeg ik als beloning van verschillende lezers een dansend banaantje. Voor mij voelden die likes als een krul van de juf. Ik ging vaker zulke columns schrijven, vanaf 2016 op Facebook, en ik plaatste er een foto bij van mijn hond Wolf, met zo’n geinige Scooby Doo-blik op zijn snuit. Mensen vonden het leuk, ik kreeg steeds meer volgers. Elke dag schreef ik, met Wolf naast me op een kussen, in een koffietentje. Op een gegeven moment werd ik benaderd door uitgeverij In de Knipscheer. Franc Knipscheer was een geweldige man, en zo warm. Toen ik voor het eerst bij hem op kantoor kwam, stond hij boven aan de steile trap te wachten: “Jochie, daar ben je dan.” Ik voelde me meteen thuis.’
Vrijwel alles in je boeken is waargebeurd. Waardoor ontspoorde je leven al zo vroeg?
‘Ik ben opgegroeid in een vrijgemaakt gereformeerd gezin in Friesland. Vlak na mijn geboorte raakten mijn ouders allebei arbeidsongeschikt. Er waren continu geldzorgen – ze hadden drie kinderen te voeden en kleden – en ook een jarenlange rechtszaak gaf mijn ouders veel stress. Mijn moeder had vaak last van migraine, mijn vader was zwaar rugpatiënt.
Op een dag, ik was bijna dertien, werd ik op weg van school naar huis verkracht. Met een bloedend gezicht kwam ik thuis. Net op het moment dat ik wilde vertellen wat er was gebeurd, kwamen mijn moeder en broer binnen: “Ik heb een nieuwe trui!” Het moment was voorbij, en ik zei maar dat ik gevallen was. Door te zwijgen wilde ik mijn ouders niet nog meer stress bezorgen. Maar het geheim waar ik mee rondliep ging etteren en zweren, ik werd verbaal en fysiek agressief en werd van school getrapt. Omdat niemand wist wat er met mij was gebeurd, begrepen ze er niets van. Daarom werd ik naar een psychiatrische jeugdinrichting gestuurd.’
Kon je daar je geheim delen?
‘In principe wel, maar ik vond het geen fijne plek en was bang dat als ik zou gaan praten, ik er langer zou moeten blijven. Toen ik na een halfjaar die kliniek uitkwam, was er niets verbeterd. Ik kreeg het reguliere leven niet in mijn systeem, en de dominee stelde voor mij naar Canada te sturen, om daar een nieuwe start te maken en naar school te gaan. Maar onderwijs kreeg ik niet, ik werd tewerkgesteld op de ranch van een boer. Hij legde alles maar één keer uit, bij de tweede keer kreeg je een elleboog in je neus. Het was zwaar en hard. Terug in Nederland liep ik nog altijd met een trauma rond. Baantjes behield ik niet, en zo raakte ik uiteindelijk dakloos. Alles bij elkaar heb ik een maand of tien op straat doorgebracht en leefde ik onder meer van het zakkenrollen.’
Die donkere tijd ligt al een tijd achter je. Waarom keer je er in je boeken naar terug?
‘Omdat ik een beperkte auteur ben en zo waarachtig mogelijk wil schrijven. Toen ik nadacht over hoe ik moest schrijven over de verkrachting, legde ik mijn hoofd op de tafel van het koffietentje, met mijn telefoon in het vizier. Zo duwde ik mezelf terug in de benarde positie van het moment waarop ik bijkwam met mijn hoofd op de stenen en mijn walkman zag liggen. Er zat een barst in het schermpje en mijn koptelefoon lag in de modder, en ik weet nog dat ik dacht: “Ik hoop dat ik die weer schoon kan krijgen.”’
Dat moet veel verdriet oprakelen.
‘Ja, maar dat zie ik als een onvrijwillige secundaire arbeidsvoorwaarde van het schrijven. Het is ook een vorm van verwerking, want het helpt te accepteren wie ik ben. Schrijven creëert afstand; ik geef het verhaal als het ware aan een ander. Soms voel ik me voor heel even licht en vrij. Dat is bij het inspreken van mijn boeken trouwens heel anders. Dan ben ik weer even dat kind en stromen de tranen over mijn wangen. Maar dat maakt het wel echt. Een mooischrijver ben ik niet; mijn boeken zijn als een kickboksgevecht, recht toe recht aan. De herkenning zit ‘m in de beleving van de pijn. Dat is wat bij de lezer resoneert.’
Heb je weleens de neiging het voor je hoofdpersoon beter te maken dan het voor jouzelf was?
‘Nee, juist niet, ik wil het eerlijke verhaal vertellen. Ik word weleens op het schild gehesen: wat ben je een goede man geworden, wat een prettig mens in de omgang, wat ben je dapper. Dat geromantiseerde beeld van de dakloze jongere die het zo ver geschopt heeft, ben ik kotsbeu, want het is een illusie. Ik voel me vaak eenzaam en verdrietig. Er is iets kapot vanbinnen wat misschien wel nooit meer zal helen. Ik realiseer me dat ik een carrière heb waar de meeste schrijvers van dromen, en toch lukt het me niet om trots of blij te zijn. En daar voel ik me dan weer schuldig over. Want ik zou zó graag eens waarachtig blij willen zijn.’
Fictie
In het licht van de leugen
Lex Paleaux
Ambo Anthos, € 24,99
296 blz.


